De aarde vanuit de hemel



Zijn toon is wat plechtstatig, maar zijn analyse blijft haarscherp. 'De val der humanisten in de zestiende eeuw… ligt geheel en al bij de humanisten zelf, ' zo schreef de grote negentiende eeuwse cultuurhistoricus Jacob Burckhardt. 'Van al degenen die ooit een stand hebben gevormd, hebben zij het allerminst een gevoel van saamhorigheid gekend of dit, waar het mocht opkomen, gerespecteerd. Zodra zij zich boven elkaar verheven begonnen te achten, was geen middel hun te min. Bliksemsnel sprongen ze van wetenschappelijke argumenten over op scheldwoorden en de meest ongegronde laster; ze wilden hun tegenstander niet weerleggen, maar in ieder opzicht verpletteren… Ze moesten boeten… voor de overmatige autoriteit die tot dan toe hun deel was geweest.' In zijn invloedrijke werk 'De cultuur der Renaissance in Italië' ontleedde Burckhardt nauwgezet de ondergang van het humanisme ten tijde van de contrareformatie om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat bij veel van de toenmalige humanistische schrijvers 'de oudheid hun zeden loswrikte zonder de hare op hen over te dragen… De levensloop der humanisten was gewoonlijk zodanig dat alleen de zedelijk sterkste naturen er tegen bestand waren zonder schade te lijden… voor een eerzuchtige jonge man vormde de roem en de uiterlijke glans van het humanistenbestaan een gevaarlijke verlokking; hij meende ook zelf "de alledaagse laag-bij-de-grondse dingen waar hij van nature boven verheven was waardeloos te mogen achten." En zo stortte men zich in een wisselvallig, enerverend leven, een bonte opeenvolging van ingespannen studie, arbeid als huisonderwijzer, secretaris of professor, dienstbaarheid bij vorsten, dodelijke vijandschappen en gevaren, geestdriftige bewondering en een overstelpende vloed van hoon, luxe en armoe. De meest gedegen kennis moest soms de vlag strijken voor het vluchtigste dilettantisme.' Over de humanistische publicisten van de Renaissance die hun vlot geformuleerde gedachten in columns verwoordden, noteerde de Zwitserse geleerde het volgende: 'Zonder superioriteitsgevoel zijn zulke karakters volslagen ondenkbaar; ze hebben dit alleen al nodig om het hoofd boven water te houden en de verafgoding, afgewisseld met haat, moet hen er nog in sterken. Zij zijn de meest eclatante voorbeelden en slachtoffers van een losgeslagen subjectiviteit.' Burckhardt omschreef ze als ijdeltuiten die, vol eigenwaan en geveinsde waardigheid 'als kraanvogels… hier en daar een graantje pikken, nu eens verzonken in de beschouwing van hun eigen schaduw, dan weer in verterende zorg om lof te oogsten.' Met instemming citeerde hij de literatuurcriticus Gyraldus die het heeft over de 'hartstocht, ijdelheid, eigenzinnigheid, zelfverafgoding,' van de humanistische poseurs, wier optreden gekenmerkt werd door 'welsprekendheid zonder overtuiging, verderfelijke invloed op kabinetten, pedanterie in taalgebruik, ondank jegens leermeesters, kruipende vleierij jegens de vorsten.' In hun jacht op rijkdom en erkenning, hadden ze zich losgezongen van de dagelijkse werkelijkheid van hun medemensen, met als gevolg dat 'tegen het midden van de zestiende eeuw… de humanisten… uit hun dominerende posities in het leven verdrongen, en voor de opkomende contrareformatie een verdacht element, de leiding verliezen van de academies,' aldus Burckhardt wiens grootheid eruit bestond dat hij de prestaties van het verleden niet onderschatte, dat hij de loop van de geschiedenis niet zag als een proces van almaar toenemende vooruitgang op ieder gebied. Elk tijdperk kende zijn eigen grootsheid en laagheid. Wel betoogde hij dat de Renaissance in politiek opzicht het begin was van de moderne staat, die een gelijkenis vertoont met 'de werking van een klok,' een precisie-instrument van beheersing over de massa, die de creatieve vrijheid van het individu en van minderheden steeds meer inperkt.

Burckhardt's beschrijving is opnieuw actueel. Waar staat op dit moment het humanisme voor? Welke waarden vertegenwoordigt het? Een paar weken geleden zag ik de tentoonstelling 'De Aarde vanuit de Hemel. Een luchtportret van onze planeet' van de Franse fotograaf Yann Arthus-Bertrand. Duizenden mensen liepen geïnteresseerd langs 120 grote gelamineerde foto's die, vergezeld van teksten, op panelen langs de Stopera hingen. Ze gaven een aangrijpend beeld van de natuur en de mens én van de verwoesting die de mensheid aanricht. De rijke wereld om de welvaart zo hoog mogelijk te houden, de arme wereld om te kunnen overleven. Uit de beelden en teksten werd niet alleen duidelijk hoe zwaar de aarde onder de huidige demografische en economische ontwikkelingen te lijden heeft, maar ook hoe groot de kloof is tussen arm en rijk. Enkele teksten: 'Veertig miljoen mensen sterven jaarlijks van honger in een wereld die 356 kilo graan per persoon produceert. De voedingsindustrie spendeert jaarlijks veertig miljard dollar aan adverteren. Tachtig landen, waar veertig procent van de wereldbevolking leeft, lijden onder een ernstig tekort aan water. Een op de vijf volwassen wereldbewoners kan lezen noch schrijven. 98 procent van hen leeft in ontwikkelingslanden en tweederde is vrouw. De hoeveelheid olie die in zes weken wordt verbruikt, de helft daarvan voor transport, zou in 1950 voldoende zijn geweest voor een heel jaar. Een op de drie kinderen onder de vijf jaar lijdt aan ondervoeding. Zeshonderd miljoen mensen, verspreid over de wereld, leven in ongezonde sloppenwijken rond grote steden. In de vorige eeuw vermenigvuldigde de bevolking op aarde zich met een factor drie, het waterverbruik vermenigvuldigde zich in diezelfde tijd met een factor zes. Het dodencijfer van een natuurramp is in ontwikkelingslanden 47 keer hoger dan in rijke ontwikkelde naties. Vuil water veroorzaakt elk jaar vijf miljoen doden. Elke week komen er meer dan een miljoen mensen op aarde bij. Elk jaar raken 500.000 kinderen blind door een gebrek aan vitaminen. Sinds 1950 is ongeveer veertig procent van alle gecultiveerde grond door intensieve landbouw gedegradeerd. De totale militaire uitgaven in de wereld zijn momenteel 798 miljard dollar. Twintig procent van de mensen die in de rijkste landen leven consumeert zestig procent van 's werelds commerciële energieproductie. De gemiddelde dikte van de arctische ijsvelden is gedaald van 3.12 meter in de jaren zestig tot 1.8 meter in de jaren negentig. Eén op de honderd aardbewoners is een vluchteling. Eenderde van de landmassa op aarde lijdt aan woestijnvorming.' Het project 'De Aarde vanuit de Hemel' kwam tot stand onder de patronage van de Unesco. Op een van de panelen staan de volgende feiten: 'Sinds 1950 heeft de economie een sterke groei doorgemaakt en is de wereldproductie van goederen en diensten zevenmaal zo groot geworden. In dezelfde periode is de hoeveelheid gevangen vis en geproduceerd vlees vervijfvoudigd, terwijl de bevolking slechts is verdubbeld. Ook de energievraag is vervijfvoudigd. De olieconsumptie is toegenomen met een factor zeven en de uitstoot van kooldioxide -de voornaamste oorzaak van het broeikaseffect en de opwarming van de Aarde- met factor vier. Sinds 1900 is het verbruik van zoet water verzesvoudigd, met name voor de landbouw. Momenteel heeft twintig procent van de wereldbevolking geen toegang tot gezond drinkwater, veertig procent heeft geen beschikking over sanitaire voorzieningen, veertig procent leeft zonder elektriciteit, 826 miljoen mensen zijn ondervoed en de helft van de mensheid komt rond van minder dan twee dollar per dag. Met andere woorden, eenvijfde van de wereldbevolking leeft in de geïndustrialiseerde landen, maar consumeert en produceert in overvloed en genereert massale vervuiling. De overige viervijfde leeft in ontwikkelingslanden, veelal in armoede. Om in zijn behoeften te voorzien, oefent de mens een zware druk uit op de natuurlijke hulpbronnen van de Aarde en veroorzaakt daardoor een constante aantasting van het ecosysteem van de planeet en de beperkte voorraad zoet water, oceaanwater, bossen, lucht en open ruimten. Maar daar blijft het niet bij. Rond 2050 zal de bevolking van de Aarde toegenomen zijn met bijna drie miljard personen die voor het grootste deel in ontwikkelingslanden zullen leven. Naarmate deze landen zich ontwikkelen, zal hun economische groei gaan wedijveren met die van de geïndustrialiseerde landen -binnen de grenzen van ecosysteem Aarde. De situatie van de Aarde is niet onomkeerbaar, maar er zal wel spoedig iets moeten veranderen. Duurzame ontwikkeling biedt ons de mogelijkheid de leefomstandigheden van de burgers te verbeteren en tegemoet te komen aan de behoeften van de toekomstige generaties. Deze ontwikkeling zal gebaseerd zijn op een economische groei die niet alleen de mens, maar ook de natuurlijke hulpbronnen van onze unieke planeet respecteren. Een dergelijke ontwikkeling vereist een verbetering van de productiemethoden en een verandering van onze consumptiegewoonten. Met een actieve inzet van alle wereldburgers kan ieder individu een bijdrage leveren aan de toekomst van de Aarde en de mensheid. Door nú te beginnen.' De tekst was ondertekend door 'het team van De Aarde vanuit de Hemel.'

De feiten spreken voor zich. Ze zijn niet het resultaat van een goddelijke ingreep, maar van machtspolitiek. Aangezien de buitenlandse politiek van rijke naties de belangen weerspiegelen van degenen die de meeste invloed hebben op het politieke systeem, is het niet vreemd dat multinationals de wijze bepalen waarop de wereldeconomie globaliseert. Dat verklaart ook het feit waarom de afgelopen halve eeuw de kloof tussen arm en rijk wereldwijd is verdubbeld. De vraag is nu wat het antwoord van de humanisten is op deze ontwikkeling. Hoe verhoudt dit proces zich ten opzichte van door hen als vanzelfsprekend geachte en gekoesterde waarheden dat 'alle mensen als gelijken worden geboren, dat zij met zekere onvervreemdbare rechten zijn begiftigd, dat zich daaronder bevinden het leven, de vrijheid en het nastreven van geluk,' om het maar eens in een vrije vertaling van de Amerikaanse Onafhankelijkheids Verklaring samen te vatten. Vrijheid, gelijkheid en broederschap wereldwijd, het humanisme houdt immers niet op bij de Nederlandse grens. Het is een universele, kosmopolitische levensbeschouwing. Inmiddels is het in de praktijk brengen van de Verlichtingsidealen niet alleen een morele kwestie, maar evenzeer een praktische, een kwestie van zelfbehoud. Afgelopen 10 september, op de dag dat in Cancun een belangrijke conferentie begon van de Wereld Handels Organisatie, berichtte de Britse kwaliteitskrant 'The Independent' op de voorpagina het volgende: 'Door het complexe web van belastingen, tarieven en quota's die de handel beheersen nemen wij meer van de armen dan we hun geven. Voor iedere dollar die we aan hulp geven, nemen we twee dollar terug door onrechtvaardige handel. Oneerlijke handel kost de armen in de wereld jaarlijks honderd miljard dollar.' Met als gevolg dat op dit moment eenvijfde van de wereldbevolking 86 procent van alle geproduceerde goederen op aarde bezit, de overige viervijfde bezit de resterende 14 procent. Ongeveer de helft van de wereldbevolking is jonger dan twintig jaar. Het overgrote deel van hen groeit in armoede op onder repressieve regimes, die maar al te vaak door de rijke wereld worden gesteund. Tegelijkertijd worden die jongeren onder invloed van de massamedia gedreven door dezelfde aspiraties en hoop als hun leeftijdgenoten in het rijke Westen. De steeds breder wordende kloof tussen verwachting en realiteit zal onherroepelijk in een explosie eindigen. Ook wij zullen de gevolgen daarvan ondervinden, of door nog meer economische vluchtelingen en/of door terrorisme op een veel grotere schaal dan tot nu heeft plaatsgevonden. 11 september was in feite een symbolische aanslag, een aanval op de iconen van onze economische en militaire macht. Niemand kan uitsluiten dat op den duur het terrorisme onze economische macht daadwerkelijk vernietigt, door bijvoorbeeld de Hoover Dam in Nevada op te blazen, waardoor Californie als vijfde belangrijkste economische macht in de wereld langere tijd geen elektriciteit meer heeft. De speculanten op de optiebeurzen zullen in paniek raken en hun windhandel zal van het ene op het andere moment ineenstorten. Vandaar dat ook het gezond verstand zegt dat de schreeuwende ongelijkheid in een geglobaliseerde wereld fundamenteel zal moeten worden bestreden. De nagenoeg onbeperkte macht van institutionele beleggers en van multinationals zal onder democratische controle moeten komen. Maar het opmerkelijke is dat het rationele Westen in toenemende mate irrationeel reageert, autistisch is geworden voor de realiteit. Terwijl de afgelopen tien jaar de ontwikkelingshulp wereldwijd met 29 procent is gedaald, pleit de VVD voor een drastische vermindering van de Nederlandse ontwikkelingshulp met tenminste 450 miljoen euro om daarmee de 500 miljoen lastenverlichting aan het bedrijfsleven te financieren. En als vanzelf belanden we bij de liberaal Paul Cliteur, onder andere Socrates-hoogleraar aan de Technische Universiteit Delft, voormalig algemeen voorzitter van het Humanistisch Verbond en lid van het curatorium van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD, dat nog een decennium na de ineenstorting van het communisme het kabinet waarschuwde zo snel mogelijk antiraketsystemen aan te schaffen om vijandelijke acties vanuit onder andere China en Rusland te keren. Ik voer professor Cliteur niet op omdat ik zijn gedachtewereld belangwekkend acht, maar omdat hij als humanistische voorman illustrerend is voor de verwarring in humanistische gelederen. Wederom: waar staat het humanisme precies voor? Elders in dit nummer schrijft de rechtsfilosoof Paul Cliteur over zijn 'taboedoorbrekende gedachten' met betrekking tot de doodstraf en meldt en passant dat hij 'graag het taboe op élk standpunt [wil] doorbreken,' kennelijk dus ook het taboe op genocide en andere vormen van terreur, want 'wie zijn standpunten alleen overeind kan houden door het ter discussie stellen daarvan taboe te verklaren, heeft doorgaans niet zulke sterke argumenten.' Hebben we hier nu te maken met een handjevol malle meningen, die niet gestoeld is op een diep doorleefde werkelijkheid, waarbij 'de meest gedegen kennis soms de vlag moet strijken voor het vluchtigste dilettantisme?' Of spreekt hier een humanistische woordvoerder? Een autoriteit die zijn achterban laat weten dat hij weliswaar 'nog niet voor de wederinvoering van de doodstraf in Nederland' is, maar dat hij 'het grondwettelijk verbod op de doodstraf uit 1983 (waardoor het aan toekomstige generaties moeilijker wordt gemaakt die doodstraf met een gewone democratische meerderheid weer in te voeren) een brug te ver [vindt]. En dat wij sinds 1990 proberen om ook de Verenigde Staten en China van de doodstraf af te helpen, lijkt mij getuigen van een naïeve zelfoverschatting. De afschaffing van de doodstraf is nationale folklore. Meer niet.' Het is een warrig betoog, gebaseerd niet op principes maar op tamelijk opportunistische sentimenten. Het doortrekken van Cliteurs gedachtegang zou betekenen dat ook de hele wereldgemeenschap, die sinds het genocideverdrag van 1948 volkerenmoord verbiedt, lijdt aan een 'naïeve zelfoverschatting,' wat, ook al zou het waar zijn, een volstrekt irrelevante opmerking is en zeker geen argument. De wil tot handhaving van het nationaal en internationaal recht is geen naïeve zelfoverschatting, maar een al dan niet wanhopig streven van de beschaving om enige orde in de chaos te brengen. Los daarvan: wat zijn de feiten in de Verenigde Staten met betrekking tot de doodstraf? Allereerst dit: volgens de auteur Ken Silverstein is op dit moment de meest lucratieve sector in de Amerikaanse economie de geprivatiseerde gevangenisindustrie, waarbij in vijf jaar tijd de aandelenkoersen van de marktleider in deze business van acht tot dertig dollar zijn gestegen en de winst alleen al in 1995 met 81 procent omhoog schoot. Door de strengere wetgeving is de afgelopen twee decennia het aantal gevangenen van 300.000 opgelopen tot 1.7 miljoen, een absoluut wereldrecord. Volgens een rapport uit 1998 van Amnesty International is meer dan zestig procent van de Amerikaanse gevangenen afkomstig uit raciale en etnische minderheidsgroepen. Van 1990 tot 1998 zijn meer dan 350 mensen in de Verenigde Staten terechtgesteld; alleen China, Saoedi Arabie en Iran hebben meer gevangenen ter dood gebracht. In mei 1998 waren in Texas meer dan 25 mensen, die op hun terechtstelling wachtten, veroordeeld voor een misdaad die ze pleegden toen ze nog geen achttien waren. Sinds 1990 heeft de VS acht jonge mensen terecht gesteld die minderjarig waren toen ze hun misdaad begingen. Vierentwintig staten in de VS staan de doodsstraf toe voor misdaden begaan in de kinderjaren. In april 1998 was Nebraska de twaalfde staat die een wet aannam waarbij de terechtstelling van geestelijk gestoorde gevangenen werd afgeschaft. Onder de 350 gevangenen die sinds 1990 zijn terecht gesteld bevinden zich mensen die in ernstige mate geestelijk gestoord waren en jonge mensen die minderjarig waren toen ze hun misdaad pleegden. Meer dan 3300 gevangenen wachten op de voltrekking van de doodstraf, mensen die volgens Amnesty International veroordeeld zijn 'door een systeem waarvan de toepassing van de doodstraf arbitrair is en onderworpen aan rassen en klassen vooroordelen.' Van de 62 ter dood veroordeelden in de VS met een buitenlandse nationaliteit, mochten de meesten geen consulaire bijstand vragen, dit in strijd met het internationaal recht. Tussen 1908 en 1962 waren allen die wegens verkrachting werden geëxecuteerd zwart, hoewel toch maar 55 procent van degenen die wegens verkrachting gevangen zat zwart was. Zwarten en blanken in de Verenigde Staten zijn in bijna gelijke mate slachtoffers van moord, desondanks was 82 procent van de gevangenen die sinds 1977 werd terechtgesteld, veroordeeld wegens moord op een blanke. Volgens een in juni 1998 openbaar gemaakte studie was de kans dat men in Philadelphia ter dood werd veroordeeld bijna vier keer zo hoog als de aangeklaagde zwart was. De overweldigende meerderheid van de officieren van justitie bij arrondissementsrechtbanken die de doodstraf vraagt is blank. In vele arrondissementen worden zwarte gegadigden voor een jury onevenredig vaak door de openbare aanklager geweerd tijdens de selectie. In Georgië waren zes van de twaalf zwarten die sinds 1983 waren terechtgesteld, veroordeeld door een geheel blanke jury nadat alle zwarte gegadigden waren verwijderd. In 1998 waren van de 26 ter dood veroordeelden slechts vijf blanken, aldus Amnesty. In augustus 2001 kwam een commissie van de Verenigde Naties tot de slotsom dat in de Verenigde Staten 'een verontrustend verband bestaat tussen ras… en het opleggen van de doodstraf.' Vast was komen te staan dat zwarten die blanken hadden vermoord in 11 procent van de gevallen de doodstraf hadden gekregen, terwijl slechts 1 procent van de blanken die zwarten had vermoord ter dood werd veroordeeld. Zwarten vertegenwoordigen dertien procent van de Amerikaanse bevolking, maar vormen 42 procent van de gevangenisbevolking en 42.5 procent van de ter dood veroordeelden. Ik ga ervan uit dat Cliteur als rechtsfilosoof geen racist is, die meent dat zwarten meer dan blanken geneigd zijn tot het plegen van misdaden. Blijft dus over de vraag waarom er zoveel meer zwarten veroordeeld en terecht gesteld worden. De feiten geven een verklaring. 'Hoewel de Verenigde Staten het rijkste land ter wereld is kent het van alle geïndustrialiseerde landen het hoogste percentage armoede. Volgens het Amerikaanse Centraal Bureau voor de Statistieken leven meer dan 31 miljoen mensen in de Verenigde Staten in armoede. 37 procent is minderjarig en 52 procent van het totaal is kleurling… dit zijn de officiële cijfers, maar aanzienlijk meer vrouwen, mannen en kinderen gaan hongerig naar bed en strijden elke dag weer om rond te komen. De officiële aantallen zijn zo laag omdat de "drempels" die gebruikt worden om armoede te meten alleen betrekking hebben op de armsten van de armen,' aldus de 'National Organisation For Women.' Meer dan 42 miljoen Amerikanen kunnen zich geen ziektekostenverzekering veroorloven. Volgens het Amerikaanse Ministerie van Landbouw 'wordt jaarlijks bijna 45 miljard kilo voedsel weggegooid door winkeliers, restaurants en boeren, terwijl 25 miljoen Amerikanen hongerig zijn, onder wie 12 miljoen kinderen.' In 1993 was een op de vier bejaarde Amerikanen ondervoed. Volgens de Begrotings Commissie van het Amerikaanse Congres is de kloof tussen rijk en arm de afgelopen twee decennia meer dan verdubbeld. 'De kloof is zo breed dat de rijkste 1 procent van de Amerikanen in 2000 meer geld kon spenderen dan de armste 40 procent,' de grootste economische ongelijkheid sinds de Begrotings Commissie in 1979 gegevens begon te verzamelen. Vorig jaar liet Shelter, een particuliere hulporganisatie voor hongerige en dakloze Amerikanen, een noodkreet uitgaan. 'Terwijl het verzoek om voedsel stijgt dalen de donaties aan de voedselbanken. Nu de economie terugloopt zijn steeds meer Amerikanen hongerig en dakloos. In South Carolina en New York bijvoorbeeld gaat 1 op de 4 kinderen hongerig naar bed. In sommige districten is dat aantal twee keer zo hoog. De negatieve invloed van honger op de cognitieve bekwaamheden en het gedrag is goed gedocumenteerd… In New York zullen dit jaar meer dan 2700 gaarkeukens en opvanghuizen zestig miljoen maaltijden verstrekken aan hongerige mannen, vrouwen en kinderen. En 75 procent van de dakloze bevolking bestaat uit gezinnen.' Eén op de vijf kinderen in 's werelds rijkste natie is ondervoed. 52 procent van degenen die van voedselbonnen leeft, is kind. 1 procent van de Amerikanen bezit 40 procent van de rijkdommen. Eén op de drie Amerikaanse kinderen onder de zeventien is nooit naar de tandarts geweest. Ondertussen spendeert de Verenigde Staten, waar de helft van de kiesgerechtigden uit ervaring wijs geworden niet langer meer stemt, ruim 400 miljard dollar aan militaire uitgaven en zet president Bush het Congres onder druk om 1,3 biljoen dollar belastingverlaging voor met name de rijken door te voeren, waardoor er nog meer bezuinigd wordt op publieke uitgaven met voorop de sociale voorzieningen. Martin Luther King verklaarde ooit eens: 'Deze krankzinnigheid moet ophouden… het kwaad van racisme, economische uitbuiting en militarisme zijn alle met elkaar verbonden.' De man die als eerste hooggeplaatste autoriteit voor het opkomende militair-industrieel complex waarschuwde, president Eisenhower, had eerder al op hetzelfde gewezen: 'Elk kanon dat wordt gemaakt, elk oorlogsschip dat te water wordt gelaten, elke raket die wordt afgevuurd betekent uiteindelijk diefstal van degenen die honger lijden en niet gevoed worden, die koud zijn en onvoldoende kleren hebben. De wereld die zich bewapent spendeert niet alleen geld. Ze verkwist het zweet van haar arbeiders, de genialiteit van haar wetenschappers, de hoop van haar kinderen.' Tevergeefs allemaal, want in 1996 gaf de Verenigde Staten meer geld uit aan bewapening dan de rest van de wereld tezamen, vier keer meer dan Rusland, acht keer meer dan China. 'Een bizarre verspilling van 's lands rijkdommen,' zo concludeert de vooraanstaande Amerikaanse historicus Howard Zinn, met als gevolg dat de Amerikaanse regeringen met hun politiek van deregulering en privatisering niets deden tegen 'de verpaupering van de steden… geen werk schiepen voor jongeren,' waardoor de politiek verantwoordelijken 'een steeds grotere groep gemarginaliseerde, wanhopige mensen creëerde. Veel van deze mensen raakten aan de drugs en belandden in de misdaad.' De meerderheid van de Amerikaanse gevangenisbevolking zit er vanwege aan drugs gerelateerde misdaden. In een vergeefse poging het tij te keren werden de straffen verhoogd en kwamen er steeds meer veroordeelden in de dodencel terecht. Maar dat verandert niets, want wetenschappelijk is het allang bekend dat er een correlatie bestaat tussen misdaad en armoede en dat de doodstraf niet afschrikkend werkt als men in een verpauperde en wanhopige situatie verkeert. Sterker nog: uit onderzoek blijkt dat er in de twaalf staten die de doodstraf niet kenden juist minder moorden werden gepleegd. Maar in Texas bijvoorbeeld, waar onder -toen nog- gouverneur Bush 144 mensen werden terechtgesteld, is het percentage moorden drie keer zo hoog als in Massachusetts, waar de doodstraf niet bestaat. Bovendien 'werkt het systeem van de doodstraf in Amerika gewoonweg niet,' zo verklaarde in april van dit jaar de voormalige gouverneur van Illinois, George Ryan. In 1977 nog had hij voor de herinvoering van de doodstraf gestemd, maar nadat in zijn staat negen ter dood veroordeelden na heropening van hun zaak waren vrijgesproken, begon deze republikein te twijfelen. En toen vervolgens bekend werd dat van bijna driehonderd doodstrafvonnissen, de helft moest worden herzien vanwege fouten in de procesvoering, sprak Ryan zich tegen de doodstraf uit. Hij ging zelfs een stap verder door te stellen dat 'de doodstraf niet afschrikwekkend werkt.' Dit alles wetende is het opmerkelijk dat de humanist Cliteur in zijn column schrijft dat 'de argumenten tegen de doodstraf het met een nipte meerderheid [winnen] van de argumenten voor.' Als het systeem nooit feilloos kan werken, er altijd 'collateral damage' zal optreden, en wanneer de doodstraf niet afschrikwekkend werkt, blijft er maar één argument over: lex talionis, de aloude bloedwraak, het oudtestamentische oog om oog. Gezien het feit dat al in het Rome van de vijfde eeuw voor onze jaartelling geleidelijk aan boetes in de plaats kwamen voor botte wraakuitoefening betekent de terugkeer naar lex talionis een fors aantal treden terug op de beschavingsladder. En dat allemaal om de emotionele behoeften van sommigen onder ons te bevredigen, om te kunnen voldoen aan 'het verlangen naar het finale moment' in bijvoorbeeld 'huize Cliteur.' Natuurlijk wil ik dr. Cliteur zijn 'gesnotter' over het leed van ouders wier kind is vermoord niet ontzeggen, dat zou onmenselijk zijn, maar opmerkelijk is wel hoe beperkt zijn empathisch vermogen is. Om nog één voorbeeld te geven: als gevolg van de bestaande machtsverhoudingen in de wereld sterven elke dag weer meer dan twintigduizend kinderen van honger, zonder dat Cliteur zich openlijk verzet tegen bijvoorbeeld zijn partij, die drastisch wil bezuinigen op ontwikkelingshulp en tegelijkertijd fervent voorstander is van de aanschaf van een nieuwe generatie gevechtsvliegtuigen, waarvan alleen al de ontwikkelingskosten meer dan 800 miljoen euro bedragen. Over en dergelijke absurditeit rept hij met geen woord, geen traan die langs zijn wangen biggelt. Een relatie tussen het een en het ander wordt niet gelegd. Hij steunt andere belangen en vraagt zich intussen vrijblijvend af: 'Word ik oud en sentimenteel? Of Reactionair? Ik heb nu zelf een dochter van vijf. Is dat het?' Ik denk het niet, want dan zou Cliteur zich ook publiekelijk met het lot identificeren van kinderen elders die, ver buiten de zomertuin van zijn schoonmoeder, door honger of oorlog om het leven komen. Of zich vereenzelvigen met de positie van miljarden anderen die volstrekt rechteloos zijn en in bittere armoede hun leven doorbrengen. Die compassie is nu net een brug te ver voor hem. Ik vrees dat professor Cliteur lijkt op de zestiende eeuwse humanist, in Burckhardt's beschrijving, 'nu eens verzonken in de beschouwing van zijn eigen schaduw, dan weer in vertederende zorg om lof te oogsten.' Wat dat betreft dragen wij allemaal een stukje Cliteur in ons mee, we hebben allen de neiging om te poseren en om ons als provincialen terug te trekken op kitscherige folklore. Maar om ervoor te waken dat het humanisme in ijdele kletspraat ten onder gaat, zullen we dit stukje telkens weer ter discussie moeten stellen. Dat gebiedt… ja wat eigenlijk? Ik denk de beschaving, ik heb er geen ander woord voor. En wat is het humanisme anders dan een beschavingsoffensief?

Na jarenlang de aarde vanuit de lucht te hebben gefotografeerd, schreef Yann Arthus-Bertrand in het voorwoord van zijn fotoboek: 'Door middel van dit werk wil ik laten zien dat, nu meer dan ooit, het niveau en de wijze van consumptie, productie en exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen op de lange termijn onhoudbaar zijn… We kunnen en moeten individueel te werk gaan op een alledaagse basis voor de toekomst van onze kinderen.'

De Humanist, november 2003

terug