Autisme in Nederland 1

__
Fallujah

Drie dagen na de moord op Van Gogh schreef de moleculair geneticus Ronald Plasterk in zijn column in de Volkskrant: ‘Misschien dat de keuze van jongeren voor het extreme islamisme ook, zoals de AIVD in een veel gesmaad rapport ooit suggereerde, te maken heeft met het feit dat jongeren geconfronteerd worden met islamofobie.’ De behoudende columnist Van Doorn verwoordde het in Trouw stelliger: ‘Dat radicalisering vooral onder jongeren plaatsvindt, is goed verklaarbaar. Anders dan hun ouders beheersen ze het Nederlands en weten ze nauwkeurig wat er over hun gemeenschap en godsdienst wordt gezegd. Hangend tussen twee culturen, dus met een onzekere identiteit, voelen ze zich door de samenleving gemarginaliseerd en neigen ze tot radicale reacties, met name door het moslimfundamentalisme geleverd.’ En de schrijfster/actrice Nazmiye Oral het in haar Volkskrant column ging nog een stap verder in een poging de dieper liggende motieven te vinden: ‘Wat voor rolmodel had het kind. Aan de ene kant waarschijnlijk een lieve moeder die slecht Nederlands kan. Een vader die zich kapot heeft gewerkt. Een schim. Levend in zijn eigen cocon. Een tweederangs burger die zich als slaaf heeft laten behandelen. Die nooit zijn plek heeft opgeëist. Mondddood door zijn eigen onkunde en onwetendheid. Aan de andere kant de westerling, de Nederlander op wie je niet mocht, kunt eń wilt lijken. Die je bij een naam noemt die voor altijd duidelijk maakt dat je zijn stiefkind bent: allochtoon. Maar het kind is anders dan de vader. Mondig. De taal machtig. Het ziet en begrijpt de structuren in het Westen, maar hoort er niet bij door het voorafgaande. Het zal zijn schuld inlossen. De vernedering van de vader is zijn vernedering. Dus zal hij die vergelden. Het kind wreekt zich voor de castratie van zijn vader… “Anders dan jij zal ik mijn ruimte nemen. Niemand zal mij kunnen verdrukken of wegdrukken. Ik zal geen schim zijn. Ik zal nooit buigen. Ik zal me nooit verontschuldigen. Ik zal niet bang zijn. Ik zal geen slaaf zijn. Ik zal het geweld niet schuwen. Anders dan jij, zal ik mij wél laten gelden. Anders dan jij, zal ik zíjn.”’ Van Doorn: ‘Kan het zijn dat sommigen, misschien onbewust, hun ouders willen wreken?… heel wat allochtone jongeren moeten weet hebben van het lot van hun ouders, uit hun land weggelokt om hier vuil en zwaar werk te verrichten, maar nadien als overtollige ongeschoolden aan de kant geschoven. Ze zinnen op een antwoord, gevoed door ressentiment.’ De Franse arabist Gilles Kepel schreef al in 1984 in zijn studie The Prophet & Pharaoh over Egyptische extremisten: ‘Het milieu dat de vruchtbaarste bodem vormt van islamistische militanten is de groep van 20 tot 25 jarigen in de naar alle kanten uitgroeiende buitenwijken van de grote steden… in tegenstelling tot hun verwachtingen verschaft scholing (zelfs hogere scholing) hen niet de sleutels tot het moderne leven… Ze zijn de levende symbolen… van het falen van het moderniseringsproject… Scholing heeft hen de manieren geleerd van het moderne leven maar niet de technieken of geest, en ze beschouwen het gepraat over modernisering als bedrog.’ Kepel beschrijft hen als ontheemden die tussen twee culturen vallen. Jonge mensen die weten dat ze nooit echt geaccepteerd zullen worden, dat ze gediscrimineerd worden, dat er op hen neer wordt gekeken, dat ze niet meetellen, dat alles wat ze van huis uit hebben meegekregen tot aan hun geloof toe wordt geminacht, dat als het erop aankomt ze altijd als ‘geitenneukers’ zullen worden gebrandmerkt. Op een dag zijn ze ‘wandelende tijdbommen’ geworden. Een van hen zal de publieke minachting niet meer accepteren en zijn tegenstander als een geit afslachten. Een moord als een openbare offerande, waarbij de dader die volgens zijn omgeving normaal ‘nog geen vlieg kwaad deed,’ de keel van het slachtoffer ‘van oor tot oor tot op de nekwervels doorsneed,’ als ware het een rituele slachting. Zo moet Mohammed B. het ervaren hebben, gezien het feit dat hij na zijn daad ‘in alle rust wegliep… Alsof wat hij had gedaan had de gewoonste zaak ter wereld was.’ En dat is het ook voor een mens die lang genoeg is gekrenkt en wiens laatste beetje identiteit hem is ontnomen. Waar het om draait is het isolement, het buitengesloten zijn, geterroriseerd door verbaal geweld van een zich moreel en intellectueel superieur achtende cultuur, die tegelijkertijd Auschwitz en Hiroshima mogelijk maakte. Waar we mee te maken hebben zijn gemarginaliseerde jongeren in een land waar onverschilligheid doorgaat voor tolerantie en kwetsen voor vrijheid van meningsuiting. Dagelijks worden ze geconfronteerd met de brede kloof tussen woord en daad van een neoliberaal systeem dat beschaving predikt en Abu Ghraib creëert. Een deel van deze jongeren worstelt inderdaad met het probleem dat ze tussen twee culturen zijn terechtgekomen. Mohammed kon zich niet identificeren met de zachtmoedige interpretatie van de islam van zijn vader die zich aanpast aan een in zijn ogen sociaal vernederende positie en ook niet met de discriminerende westerse ideologie. De wanhoop en woede over het uitgestoten zijn, blijkt ook uit zijn ‘open brief aan een ongelovig fundamentalist, Ayaan Hirshi Ali,’ die op het lichaam van Theo van Gogh werd achter gelaten. Nog voor er wordt ingegaan op ‘het terrorisme tegen de Islam’ schrijft hij: ‘Ik zou graag willen beginnen bij uw onlangs opgegooide voorstel om de Moslims te screenen op hun ideologie bij sollicitaties.’ Gerefereerd wordt aan een voorstel van het VVD-kamerlid om ‘moslims bij sollicitaties te laten screenen op ideologische overtuigingen.’ In het tv programma Buitenhof van 20 juni 2004 ‘gaf ze toe dat dat in strijd is met de Grondwet,’ maar toch pleitte ze ervoor. Dit voorstel is tekenend voor de wijze waarop de volksvertegenwoordigster Hirsi Ali de moslim gemeenschap in Nederland provoceert. Dat blijkt overigens ook uit het feit dat ze iemand die moslims ‘de vijfde colonne van de geitenneukers’ noemde, verzocht samen met haar een film te maken over moslims. Vervolgens stelde ze dat ‘Van Gogh de graadmeter [is] voor de tolerantie in Nederland,’ een opmerking die volgens NRC-columnist Anil Ramdas aantoonde dat we hier te maken hebben met ‘een vrouw die zich uit pure ijdelheid laat misbruiken voor tamelijk ordinaire moslimhaat.’ Opmerkelijk is dat ook zij handelt als een diep gekrenkt mens, die niet in staat is een serieuze dialoog met haar tegenstanders aan te gaan en gevangen zit in haar eigen gelijk. Hirsi Ali speelt de rol van het ultieme slachtoffer, dat het alleenrecht op de waarheid claimt. In een NOVA–uitzending konden de kijkers zien hoe ze reageerde op mishandelde moslimvrouwen in een opvanghuis, voor wier belangen de politica zegt op te komen. Toen de ondergedoken vrouwen lieten weten zich diep geschoffeerd te voelen door haar film Submission en een van hen haar vroeg te stoppen met het beledigen van haar geloof omdat er anders geen discussie meer mogelijk zou zijn, antwoordde Hirsi Ali: ‘De groeten dan,’ daarbij met haar hand een arrogant gebaar makend, dat onverschilligheid uitdrukte. Als burger en - kwalijker nog - als volksvertegenwoordigster is ze niet in staat om in discussie te gaan met moslimvrouwen, omdat ze hen in feite ‘achterlijk’ vindt. In haar gekrenktheid ontbreekt het deze, volgens NOVA, ‘gedreven activiste’ aan respect voor de ander. Ze handelt als actievoerster maar dan alleen voor haar eigen specifieke belang; dat van de anderen gebruikt ze slechts. Alleen haar versie van de waarheid telt en voor haar probleem eist ze een onmiddellijke oplossing. Op tv vertelde ze ooit: ‘In ’86 was ikzelf ook een fundamentalist, in Kenia. Ik was lid van de Islamitische Broederschap.’ Zo is ze van de ene extreme positie in de andere gevallen en zoals vaak met bekeerlingen is ze nu roomser dan de paus. ‘Ik ben vooral bezig met een boek, getiteld Shortcut to Enlightenment. Ik wil moslims de korte weg wijzen naar de Verlichting,’ vertelde ze zonder enige zelfrelativering of een greintje scepsis. De NRC presenteerde het als voorpaginanieuws onder de kop ‘Ayaan Hirsi Ali: Ik ga me absoluut niet aanpassen.’ Ironisch is dat op de dag dat het VVD-Kamerlid onderdook de Marokkaanse sociologe Fatima Mernissi hier vrij en ongestoord door Amsterdam kon wandelen, terwijl toch deze gerenommeerde wetenschapster uit Rabat, wier boeken in vele talen zijn verschenen, al veel langer dan Hirsi Ali scherpe kritiek op de islam uitoefent. Het grote verschil met de Nederlandse politica is dat Mernissi niet allereerst veroordeelt, maar probeert te begrijpen. En wanneer ze veroordeelt dan doet ze dat binnen een context van begrip, zoals uit de volgende opmerking blijkt: ‘Al die religies uit de jaren negentig die op terrorisme gebaseerd zijn, zijn gekwelde antwoorden van verminkte moslimgemeenschappen waar men de progressieve krachten heeft uitgeroeid.’ Met deze uitspraak veroordeelt ze zowel de terroristen en dictators in de islamitische wereld als de Westerse naties die al decennialang ondemocratische regimes en zo nodig terroristische organisaties steunen om geopolitieke en economische redenen. Tegelijkertijd wijst Mernissi op een van de belangrijkste bronnen van het terrorisme: de door het Westen gesanctioneerde terreur van de Islamitische regimes en de mede daardoor ontstane ontheemding en ontwrichting van hun samenlevingen. Het geloof op zichzelf laat ze buiten beschouwing, dat is immers een privé zaak. Maar in het betoog van Hirsi Ali speelt kritiek op het politiek opportunisme van de wereldmachten geen enkele rol, ze fixeert zich op de religie, de koran, waaruit in haar ogen het kwaad in de wereld voortkomt. ‘L’enfer, c’est l’autres.’ Zo blijft haar wereld overzichtelijk voor haarzelf en voor alle andere angstige mensen op zoek naar zekerheid. Het is ‘t simplistische denken dat van wanhopige, gekwelde, verminkte mensen fundamentalisten maakt.

Voor een dialoog zijn twee partijen nodig, die elkaar allereerst respecteren, maar dat dringt niet echt door tot het door grofheid gedomineerde publieke domein in Nederland. De luidruchtigste deelnemers monopoliseren het openbare debat met groot vertoon van minachting voor andersdenkenden. Nu intellectuelen en het gelijk van de straat elkaar gevonden hebben is een explosieve situatie ontstaan. Zelfs in het academisch en humanistisch milieu stuit men op botheid. Een voorbeeld. Elf jaar geleden reisde ik voor de VPRO-Radio naar Egypte om er moslim fundamentalisten van de Islamitische Broederschap en deskundigen op het gebied van religieus extremisme te interviewen. Ik sprak er onder andere met Nasr Hamid Abu Zaid, toen nog asistent-hoogleraar arabistiek en linguïstiek aan de Universiteit van Caïro, een intellectueel van wereldniveau, een kleine corpulente, vriendelijke man van 55 jaar. Vanwege zijn kritiek op de fundamentalistische interpretatie van de koran werd hij door extremisten bedreigd. Een jaar eerder waren die erin geslaagd de kritische schrijver Faraq Fouda te vermoorden, terwijl ze een jaar later de Nobelprijswinnaar Literatuur Naguib Mahfouz met een mes zwaar wisten te verwonden. Desondanks weigerde Abu Zaid zijn mond te houden en zijn wetenschappelijke analyse van de Koran tekst te staken. Ik ontmoette hem op een klamme achternamiddag in een klein met boeken en scripties volgepropt kamertje, waarvan de deur de hele tijd openstond. Het was een komen en gaan van studenten die hem wilden spreken voor advies. Welwillend stond hij iedereen te woord. Desgevraagd zei hij tegen mij: ‘Ik weet dat ik bovenaan de dodenlijst sta… Wat ik doe op het gebied van het islamitisch discours is dingen in beweging brengen, louter en alleen omwille van de beweging, in de hoop dat ook andere wetenschappers in andere disciplines de samenleving in beweging krijgen. We zullen nu moeten bewegen of anders zullen we onder de geschiedenis begraven worden.’ Nadat dr. Abu Zaid door zijn tegenstanders voor het gerecht was gedaagd, luidde de uitspraak van de rechter in 1995 dat hij gescheiden werd verklaard van zijn echtgenote wegens afvalligheid van de islam. Zijn vrouw is moslim en kan dus niet met een niet moslim getrouwd zijn en al helemaal niet met een afvallige. Omdat vervolgens de extremistische groepering Al-Djihaad liet weten dat het nu hun plicht was Abu Zaid voor afvalligheid te straffen met de dood, moest hij Egypte ontvluchten. Hij kreeg een gasthoogleraarschap aangeboden van de Rijksuniversiteit Leiden en week met zijn vrouw uit naar Nederland, waar hij zijn onderzoek nog steeds voortzet. Inmiddels is hij ook hoogleraar op het vakgebied Humanisme en Islam aan de Universiteit voor Humanistiek. Wat mij vooral opviel in het gesprek met hem was de combinatie van respect voor religies en zijn intellectuele scherpzinnigheid en moed. Ondanks de gevaarlijke omstandigheden bleef en blijft hij zich uitspreken tegen religieus extremisme, in subtiele, maar duidelijke bewoordingen in een poging via dialogen de stagnatie binnen de Arabische wereld te doorbreken. Hoe schrikbarend anders zijn de mores in sommige academische kringen in Nederland. In het september nummer van de Humanist in het jaar 2002 schrijft de neoliberale hoogleraar Paul Cliteur in zijn column: ‘Het meest naïeve boek dat ik in jaren heb gelezen stamt van de van oorsprong Egyptische hoogleraar Abu Nasr Zayd (sic)… Wat het boek van Zayd zo opvallend, ja zelfs verbijsterend maakt, is de volkomen onkritische houding jegens de islam… Dat fundamentalisme is niet een “minuscuul deel” van de islam, zoals Zayd de brutaliteit (cursivering is van mij, svh) heeft te beweren, maar het is de hoofdstroom. Zayd leeft gewoon in een fantasiewereld.’ In navolging van de andere ‘subtiele’ intellectueel Rudy Kousbroek adviseert Cliteur zijn collega Abu Zayd: ‘Man hou je kop onder de kraan.’ Dit niveau dus, dat niet alleen van onwetendheid getuigt maar vooral van disrespect en een Calvinistische onverdraagzaamheid. De wetenschapper Cliteur heeft niet eens de moeite genomen de naam van zijn opponent te checken. Wanneer vervolgens Alphons van Dijk, universitair hoofddocent religiestudies aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht, Cliteur erop wijst dat zijn beweringen onwetenschappelijk zijn en zijn woorden over Abu Zayd’s werk ook nog eens ‘respectloos,’ reageert de humanist Cliteur opnieuw met dédain, wanneer hij schrijft: ‘Kortom, ik moet mij inhouden tegenover de grote geleerde Zayd.’ Geen greintje respect voor op zijn minst de dapperheid waarmee een collega hoogleraar blijft publiceren en in het publieke debat met gevaar voor eigen leven zijn mond blijft opendoen. Alleen neerbuigende kwalificaties, geschreven door een ijdele man die zelf niet wist hoe snel hij zijn mond moest houden toen hem door ondermeer de AIVD stemmingmakerij werd verweten. Thijs Wöltgens, bestuursvoorzitter van de Open Universiteit, beschuldigde hem van xenofobie, iemand die de vreemdeling stigmatiseert, en ‘die een Verlichtingsgeloof [predikt]. Een geloof, dat niet alleen de absolute waarheid bezit, maar bovendien alle andere geloven als achterlijk beschouwt.’ Cliteur is ook niet uit op een dialoog. Net als bij religieuze extremisten is zijn toon daarvoor te gelijkhebberig en zijn z’n uitspraken te radicaal. Als lid van de raad van aanbeveling van de reactionaire Edmund Burke Stichting die ‘de moraal wil reinigen’ (Cliteurs taalgebruik) behoort hij tot een organisatie waarvan de academisch geschoolde directeur opriep om Nederlandse moslims hun grondwettelijke burgerrechten te ontnemen, en wel omdat in zijn ogen de islam onverenigbaar is met de Nederlandse cultuur en omdat het met zijn ‘torenhoge minaretten in Rotterdam’ imperialistisch zou zijn. Dit niveau dus, waarmee ook Mohammed B. als student geconfronteerd werd. Aan het slot van zijn column schrijft Cliteur nog even snel over een andere ‘ook zo schattige mensenrechten-moslim die de Van Praagprijs heeft gekregen.’ Dit soort minachting is exemplarisch voor een bepaald slag mensen in Nederland dat het ‘multiculturele debat’ domineert met ressentimenten en haatgevoelens, xenofobie en soms ook met nauwelijks verholen racisme. De afgelopen tijd hebben vooral zij de hetzerige sfeer gecreëerd die uiteindelijk leidde tot de moord op Theo van Gogh en het in brand steken van moskeen. Hoe zwak Cliteurs zelfbeeld is, blijkt uit het feit dat hij na al zijn vertoon van minachting voor anderen zichzelf nu ineens als slachtoffer ziet. ‘Ik doe pas weer mee aan het minderhedendebat als de Nederlandse overheid de veiligheid van haar burgers kan garanderen,’ liet hij mokkend weten nadat hij een lezing had afgezegd. Onlangs verklaarde Ed van Thijn in het Amsterdams Stadsblad over de toenemende polarisatie: ‘Dit is de prijs die je betaalt voor een welbewuste verharding; het is een doodlopende weg. Die bewuste verharding tegen de islam moet stoppen. Er zijn mensen die in die context afgelopen jaren alle remmen hebben losgegooid – Theo van Gogh was daar een van. Met alle gevolgen van dien: een verruwing van de samenleving die we niet zouden moeten willen. Het gaat niet om de vrijheid van meningsuiting, het gaat om de beschaafde omgang daarmee... als je elkaar… op hoge toon de maat gaat nemen, en van hele bevolkingsgroepen roept dat ze achterlijk zijn, dan gaat dat gisten, dan voelen mensen zich in de hoek gezet. Sommige groepen gaan zich afwenden… Het is een historisch macabere vergelijking dat we op 9 november de Kristallnacht uit 1938 zouden herdenken toen er op diezelfde dag een islamitische basisschool in de brand ging.’ Dat de holocaust een exclusief Westers fenomeen is, beseft de moslim gemeenschap in Nederland maar al te goed. Dit soort historische kennis bezit ze wel degelijk en is ondermeer de reden van een aanzienlijke dosis scepsis over de Westerse aanspraak op superioriteit. Maar dat inzicht moet nog doordringen tot een groot deel van de autochtonen.

terug