Autisme in Nederland 2

__
Abu Ghraib


Wat na de dood van Van Gogh het meest opviel, was dat het publieke vertoon van ontzetting paradoxaal genoeg een vorm van autisme blootlegde, een psychische stoornis waarbij signalen van buitenaf niet worden geregistreerd. De patiënt heeft zich in zichzelf opgesloten. Dit syndroom gaat soms gepaard met het onvermogen om reëel gevaar te herkennen. De door de massamedia gesignaleerde – en deels geregisseerde – schokgolf verraadt dat een aanzienlijk deel van de Nederlanders er kennelijk vanuit ging dat in een geglobaliseerde wereld de realiteit buiten de deur kan worden gehouden. Gedachteloos gaat men eraan voorbij dat namens hen een leger naar Irak is gestuurd om een Amerikaanse bezetting te steunen waarbij al meer dan 100.000 Irakese burgers om het leven zijn gekomen, dat de groeiende kloof tussen arm en rijk in de wereld bewust door het Westen in stand wordt gehouden, en dat Jan en alleman andersdenkenden vrijblijvend met woorden kunnen terroriseren. Ze gaan er vanuit dat deze zaken voor hen volstrekt geen gevolgen zullen hebben, en denken in een consequentieloze werkelijkheid te leven, buiten de loop der geschiedenis te staan. Een dergelijke veronderstelling sluit een serieuze analyse en zelfkritiek uit. Fout is alleen de ‘ander,’ degene die hen confronteert met de boze buitenwereld. Wie in deze opvatting nuances aanbrengt is bij voorbaat verdacht, terwijl nu toch meer dan ooit begrip nodig is. ‘Om in de politieke wetenschap de vrijheid van geest te bewaren, waaraan we gewend zijn geraakt in de wiskunde, heb ik erop gelet het menselijk gedrag niet te ridiculiseren, noch te betreuren, noch te veroordelen, maar te begrijpen,’ zo schreef al in de zeventiende eeuw de filosoof Spinoza.

Tegenover de Volkskrant gaf een gelovige ‘Marokkaanse man met een Amsterdams accent’ als verklaring voor de moord: “Dit is duivelswerk.” Maar aangezien de duivel het kwaad zelve is en dus geen motieven heeft en een mens wel, geeft deze verklaring geen enkele houvast. De vraag is wat de beweegredenen van Mohammed B. kunnen zijn geweest. In een poging een antwoord hierop te geven hebben verschillende media de moordenaar trachten te portretteren. Volgens het Algemeen Dagblad was ‘ledigheid niet aan hem besteed. Als zijn vrienden op straat vroegen wat hij ging doen, antwoordde hij: “Ik ga naar huis, studeren…” “Hij werkte aan zijn toekomst. Computers, informatica. Een serieuze jongen. Anderen dronken bier. Hij niet…” In de wijk waar hij woonde, stond Mohammed bekend als een rustige vent, vriendelijk zelfs en vooral slim.’ De in Nederland geboren Mohammed en zijn drie zussen groeiden op in de Hart Nibbrigstraat in een, volgens Het Parool ‘echte achterstandswijk… Als Amsterdam al een getto heeft, dan is het complex 26… aan de Hart Nibbrigstraat… door de jaren heen aangevreten door erosie en wachtend op zijn lot – sloop of renovatie – in verval geraakt… Veel mannen zijn hier werkloos of zitten in de WAO, de vrouwen moederen, zitten hele dagen thuis en raken geïsoleerd. Mohammed B. (26) was hier juist hét voorbeeld. In tegenstelling tot het gros ging hij na het behalen van zijn havo-diploma studeren, hij was actief in het buurtwerk en wordt door kennissen omschreven als een rustige, intelligente jongen.’ De Volkskrant: ‘Een oud-buurman van de familie, die twintig jaar lang boven hen woonde… ‘Mohammed was de oudste en altijd heel begripvol, een zachte persoon. Je kon heel goed met hem praten. Over de liefde, over trouwen, over van alles.’ Volgens jongerenwerker Aziz, geciteerd in het AD, stonden zijn ouders bekend als “nette mensen en zijn vader heeft gewoon hard gewerkt.” Op zijn zeventiende haalde Mohammed zijn havo-diploma en ging bedrijfsinformatica studeren aan de Hogeschool Holland in Diemen, waar hij op vrijdagavonden geregeld de disco bezocht in het ernaast gelegen studentencafé. Ondertussen hield hij zich afzijdig van de Marokkaanse jongeren die deelnamen aan de grootscheepse rellen die in 1998 in zijn wijk uitbraken. “Hij was anti: tegen alles wat de anderen deden. En ik heb alle jongens hier wel eens zien vechten. Maar hij niet, Mo deed nog geen vlieg kwaad,” aldus Aziz. En ook het beeld dat De Telegraaf schetst wijkt hier niet vanaf: ‘Een intelligente, betrokken, lieve jongen, die zich met overgave inzette voor de Marokkaanse jongeren in zijn buurt. Zo kent een medewerker van de stichting Eigenwijks Mohammed B. “Hij was een fantastische vrijwilliger…” B. werkte ongeveer anderhalf jaar in het buurtcentrum in stadsdeel Slotervaart… De 26-jarige Mohamed heeft zijn werkzaamheden bij Eigenwijks ruim een jaar geleden gestaakt. Tot die tijd bracht hij Marokkaanse jongeren – in de leeftijd van 14 tot 28 jaar – van alles bij… Mohamed B. heeft een vader, een stiefmoeder en drie zussen… De voertaal van de keurige familieleden is Nederlands.’ Maar voltrekt zich schijnbaar plotseling een verandering. Het Parool: ‘Toen zijn moeder drie jaar geleden aan kanker overleed kwam de omslag. Hij radicaliseerde in hoog tempo.’ Het AD: ‘De dood van zijn moeder, een jaar of drie geleden, wordt alom beschouwd als een keerpunt in zijn leven. “Zonder die moederliefde ging hij de foute kant op,” zegt jongerenwerker Aziz… Mohammed stoeide zichtbaar met zijn leven. Had het zwaar als enige zoon met drie zussen en een invalide vader. Na de aanslagen in New York, 11 september 2001, zou hij zijn heil hebben gezocht in de radicale islam. Voordien kleedde hij zich modern, als zoveel Marokkaanse jongens. Na die aanslag droeg hij steeds vaker een djellaba en liet hij een klein ringbaardje staan.’ De Telegraaf: ‘B. ging afgelopen jaren zeker tweemaal op pelgrimstocht naar Saoedi-Arabië. De laatste keer deed hij dit onder de naam van zijn overleden moeder. Na een normale jeugd radicaliseerde hij kortgeleden, onder meer door dramatische familieomstandigheden en foute buurtgenoten.’ Maar een verklaring voor die omslag is dit niet, hooguit een beschrijving. Waarom raakte Mohammed gevoelig voor religieus extremisme? Waarom juist hij, die ‘intelligente, betrokken, lieve jongen,’ deze ‘begripvolle… rustige… zelfs vriendelijke’ knaap, die er alles aan deed om te integreren in de Nederlandse samenleving? Is hier sprake van schizofrenie of is er een logisch verband tussen de twee gezichten van Mohammed? Kwam zijn daad misschien voort uit juist die betrokkenheid met zijn directe omgeving? Het lijkt allemaal een raadsel. Het AD: ‘Het beeld van Mohammed als radicale moslim komt niet overeen met dat wat de medewerkers van stichting Eigenwijks van hem hadden. Zij kennen hem als een man die zich met overgave inzette voor de Marokkaanse jongeren in zijn buurt.’

De Marokkaanse sociologe Fatima Mernissi, in Amsterdam om de Erasmusprijs in ontvangst te nemen, zei twee dagen na dood van Van Gogh desgevraagd dat de moordenaar ‘een product is van de Nederlandse samenleving. De gehele maatschappij moet zich afvragen hoe het zover heeft kunnen komen dat een 26-jarige jonge man zo verstrikt is geraakt in eenzaamheid en verwarring.’ En dat nu is de kernvraag. Wie de portretten van Mohammed leest, ontdekt aanknopingspunten voor een mogelijke verklaring. De Volkskrant schrijft over een ‘doodgewone jongen,’ die de ‘martelaarsdood’ verkoos en die als kind de moskee bezocht ‘aan de hand van zijn vader, die nu slecht ter been is. “Zo’n typische Marokkaan van de eerste generatie die zijn gewrichten stuk heeft gewerkt,’ zegt een bekende van de familie. Vader B. is volgens de moskeegangers een vriendelijke man die vanwege zijn slechte rug en dikke buik niet kan knielen, maar op een stoel zit als hij bidt.’ Duidelijk wordt ook dat Mohammed van mening is dat de pers de islamieten steevast stigmatiseren. Zijn religieus geïnspireerde radicalisering, op gang gebracht door de dood van zijn moeder, wordt ‘aangewakkerd door zijn onvrede met het leven van Marokkanen in Nederland,’ aldus de Volkskrant. Eenmaal uit het ouderlijk huis ‘kwam Mohammed toch met de politie in aanraking. Hij belandde zelfs in de gevangenis, naar verluidt wegens geweldsdelicten… Tijdens zijn detentie overlijdt Mohammeds moeder. Dat moet een keerpunt zijn geweest. “Hij ging toen drinken en ook blowen,” zegt Aziz,’ tegenover het AD. Zijn HBO-opleiding maakte hij niet af.

De mens leeft in een wereld die gedicteerd wordt door oorzaak en gevolg. De geschiedenis is geen toevallige opeenvolging van onuitgelokte incidenten. Bovendien wordt geen enkel mens in isolement gevormd. Ook Mohammed B. niet. De vraag is dan ook in wat voor wereld hij opgroeide. Allereerst in een samenleving waarin een politicus, die de islam een ‘achterlijke religie’ noemde, postuum tot de ‘Grootste Nederlander aller tijden’ werd gekozen. Daarmee maakte het tv-publiek overduidelijk dat het eens zo geprezen poldermodel nu definitief tot het verleden behoort. Islamitische Nederlanders zagen geschrokken toe hoe het ‘tolerante’ land een dood geschoten demagoog uitriep tot de belangrijkste historische figuur van de christelijke handelsnatie, juist omdat hij geen moslim meer het vaderland wilde binnenlaten en het verbod op discriminatie uit de grondwet wilde schrappen. Een week daarvoor al was bekend geworden dat ’veertig procent van de Nederlanders hoopt dat moslims zich in Nederland niet meer thuis voelen.’ Misschien dat autochtonen zich er niet van bewust zijn, maar allochtonen ontvangen van hen 1001 signalen dat ze er niet echt bijhoren, dat ze niet werkelijk worden geaccepteerd. Het begint al met het woord allochtoon, ook voor iemand die in Nederland geboren en getogen is, maar van wie de ouders van buiten Europa zijn gekomen. In de Verenigde Staten en in Frankrijk wordt een immigrant niet een allochtoon genoemd. Het is in feite een denigrerende term als we afgaan op de dikke Van Dale: ‘van elders aangevoerd; gevormd uit van elders aangevoerd materiaal.’ Tegelijkertijd onthult dit woord ook de wijze waarop vaak onbewust naar Turkse en Marokkaanse immigranten en hun kinderen wordt gekeken. In tijden van toenemende sociale spanningen blijkt al snel dat de zogeheten autochtonen hen blijven zien als buitenstaanders, vreemden uit een ‘achterlijke cultuur’ tegen wie men alles kan zeggen, die men in hun ziel mag krenken en wier diepste overtuiging men mag schofferen. Een ander signaal: vier dagen voor de moord op Van Gogh publiceerde het Brits medisch tijdschrift The Lancet een Amerikaans/Irakees wetenschappelijk onderzoek, waarbij geschat werd dat als gevolg van de Amerikaanse bezetting tot nu toe tenminste 100.000 Irakese burgers om het leven zijn gekomen. Geen van de landelijke media in Nederland besteedde er enige aandacht aan, op NRC na die er pas mee kwam nadat de hele internationale pers er uitgebreid over had bericht. Veertien uur na het bekend worden stond er ‘s ochtends nog steeds niets over op NRC’s interneteditie. Ook het Radio 1 Journaal meldde het niet en evenmin het NOS Journaal, dat op die dag nog wel in zijn acht uur editie ’s avonds op de valreep wist te vertellen dat één buitenlandse gijzelaar ergens in Irak dood was aangetroffen. Kennelijk telt het leven van een islamiet minder dan dat van een christen of een jood. Henk Hofland wees in De Groene Amsterdammer van 3 december op ‘een nieuwe apartheid, in en door de nieuwsvoorziening… Schoteltelevisie en websites compenseren het tekort dat door de apartheid van de westelijke media wordt veroorzaakt. Ze bevestigen dat de apartheid in Irak dagelijks wordt gepraktiseerd. Iraakse levens, is de conclusie, zijn minder waard dan Amerikaanse.’ Aan die observatie kan men toevoegen dat de impliciete boodschap als zou de gruwelijke dood van drieduizend Amerikaanse burgers moreel weerzinwekkender zijn dan de dood van honderdduizend Irakese burgers ronduit obsceen is. Desalniettemin: 100.000 dode Irakese islamieten was geen nieuws voor de overgrote meerderheid van de landelijke media. En dat terwijl Nederland militairen in Irak heeft gestationeerd ter ondersteuning van Amerikaanse strijdkrachten. Van al deze feiten zijn de Arabisch sprekenden in Nederland op de hoogte. Zij kunnen het nieuws namelijk ook via onder andere Al Jazeera volgen. Ze zien geheel andere beelden dan de gemiddelde Nederlandse televisiekijker. Die vaak gruwelijke tv-beelden dringen via de schotelantenne wereldwijd de huiskamers binnen en functioneren als tegenpropaganda. Honderden miljoenen mensen beschikken op die manier over informatiekanalen waarop de ongekuiste versie van de werkelijkheid in het Midden Oosten wordt getoond. Voor hen blijven de slachtoffers niet onzichtbaar, zij zien de grove verkrachting van de menselijke waardigheid elders. Ook cultuurhistoricus Thomas von der Dunk was opgevallen dat 100.000 Irakese doden onvermeld bleef en tevens geen enkele politieke reactie ontlokte, terwijl tegelijkertijd premier Balkenende wel ‘een herverkiezingfelicitatie naar Bush [zond]… Realiseert men zich in Den Haag wel hoe dat overkomt op sommige moslims hier, die zich even vanzelfsprekend met hun geslachtofferde geloofsgenoten ginds identificeren als Maxime Verhagen pal voor gediscrimineerde christenen in Turkije staat?’ Voor het lot van bijna 300 miljoen Arabische buren van Europa en voor de naar schatting één miljoen moslims in Nederland bestaat geen echte belangstelling. De omroepen hebben slechts één correspondent in de Arabische wereld, terwijl voor viereneenhalf miljoen joods Israëli’s een tiental Nederlandse correspondenten in het beloofde land gestationeerd is.

Als chef van ‘Het Maandblad van NRC Handelsblad’ verbaasde Laura Starink zich onlangs over een ‘shi’itisch meisje’ dat in de fotoreportage ‘De bruiden van Bagdad’ in het december nummer van de glossy bijlage figureerde. Het betrof hier overigens een volwassen vrouw van twintig jaar oud, genaamd Leyla, wier ‘vader is gesneuveld in de oorlog tussen Iran en Irak.’ Ze leeft in de armenwijk van de Irakese hoofdstad. Starink schreef in een inleidend commentaar over Leyla: ‘Als de vrouw-voor-de-spiegel alleen is met de fotografe werpt zij haar zwarte kleed af. Plots ontluikt een twintigjarige schoonheid. Leyla heeft in het leven maar één droom: ze wil martelares worden. Dat fanatisme is zo intrigerend omdat het zo totaal onbegrijpelijk is… Zij trekt ten strijde tegen de Amerikaanse heidenen die haar dictator hebben verdreven. Leyla is misschien nog wel moeilijker te doorgronden dan de Marokkaan Mohammed B. die Theo van Gogh met messen heeft doorboord om Ayaan Hirsi Ali te treffen.’ (cursiveringen zijn van mij. svh) Kennelijk weet de adjunct hoofdredactrice van NRC iets niet wat het ‘shi’itisch meisje’ maar al te goed weet, namelijk dat vóórdat de Amerikaanse strijdkrachten ‘haar dictator’ verdreven de Amerikaanse CIA precies veertig jaar eerder de partij van ‘haar dictator’ via een gewelddadige coup aan de macht had geholpen. Op die manier probeerden ‘de Amerikaanse bevrijders’ de nationalisatie van de oliebronnen te voorkomen. Bovendien konden nu de invloedrijke Irakese communisten vernietigd worden, hetgeen gebeurde, met als gevolg dat het toenmalige hoofd van de CIA voor het Midden Oosten, James Critchfield, naderhand tevreden kon spreken van ‘een grote overwinning.’ In 1980 profiteerde ‘haar dictator’ nog eens van de aanzienlijke militaire en financiële steun van de Verenigde Staten toen Saddams troepen het shi’itische Iran binnenvielen en daar honderdduizenden shi’iten om het leven brachten tijdens een bloedbad waarbij -in de woorden van Henry Kissinger- 'het uiteindelijke Amerikaanse belang… is dat beide partijen zullen verliezen.' Een ander feit dat Laura Starink kennelijk ontging, maar zeker niet ‘het shi’itische meisje,’ is dat elf jaar later president Bush senior een oproep had gedaan aan 'de Irakese militairen en het Irakese volk om de zaken in eigen hand te nemen en om Saddam Hoessein te dwingen op te stappen.' Maar toen de shi’itiische bevolking in Zuid Irak in maart 1991 daadwerkelijk in opstand kwam, weigerden de Amerikaanse troepen de rebellen toegang te verlenen tot de militaire wapendepots in Irak. Ondertussen lieten de Amerikaanse strijdkrachten de Republikeinse Garde hun linies passeren om de opstandelingen te kunnen aanvallen. Daarbij werd vanuit Irakese helikopters kerosine gesproeid over grote groepen vluchtende burgers en vervolgens met lichtspoorkogels in brand werd geschoten, terwijl 'ik met mijn eigen ogen de Amerikaanse helikopters zag die boven de [Irakese] helikopters vlogen... Ze namen foto's en ze wisten precies wat er gebeurde,' aldus een rebellerende brigadier generaal. Wat Leyla ook weet en Laura niet is dat de shi’iten zwaar hebben geleden onder de vernietiging van de totale infrastructuur van het land en de jarenlange economische sancties, die uiteindelijk meer dan een miljoen doden hebben veroorzaakt, aldus de schattingen van de Verenigde Naties. Een mensenoffer die volgens de voormalige minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright ‘de prijs waard' was geweest. Daarnaast is Irak twaalf jaar lang gebombardeerd. 13 augustus 1999 berichtte de New York Times: ‘Amerikaanse oorlogsvliegtuigen hebben op een methodische manier en met zo goed als geen publieke discussie Irak aangevallen. In de laatste acht maanden hebben Amerikaanse en Britse piloten meer dan 1100 raketten afgevuurd op 359 doelen in Irak.’ Een maand later vertelden Amerikaanse functionarissen de Wall Street Journal dat er binnen afzienbare tijd geen doelen meer over zouden zijn: ‘Er resteert alleen nog maar een enkel bijgebouw.’ Al op 16 juni 2000 schreef Edward Cody, buitenlandredacteur van de Washington Post, dat ‘burgerslachtoffers routine zijn geworden’ in de bombardementscampagne die jaarlijks een miljard dollar kostte. Desondanks gingen deze oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid gewoon door. Tegenover de Washington Post verklaarde William Looney, brigadier-generaal van de Amerikaanse luchtmacht die de bombardementscampagne tegen Irak leidde: 'Ze weten dat wij hun land bezitten… wij dicteren de manier waarop zij leven en spreken. En dat is wat Amerika zo groots maakt. Het is een goede zaak, want er zit daar veel olie die we nodig hebben.'

Eerder al had de voormalige VN-coördinator van het Humanitaire Programma in Irak, Dennis Halliday, de economische boycot 'volkerenmoord' genoemd. Na uit protest te zijn opgestapt zei hij: 'Ik had opdracht gekregen om een politiek uit te voeren die voldoet aan de definitie van genocide: een bewust beleid dat in feite meer dan een half miljoen individuen… heeft vermoord. We weten allemaal dat het regime van Saddam Hoessein de prijs voor de economische sancties niet betaalt… Het zijn de gewone mensen die hun kinderen verliezen, of hun ouders… Juist de bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties en de Verklaring van de Rechten van de Mens worden opzij geschoven. We voeren een oorlog, via de VN, tegen kinderen en burgers van Irak, en met onvoorstelbare gevolgen: gevolgen die u niet zou verwachten in een oorlog onder de richtlijnen van de Geneefse Conventies. Wij gebruiken burgers als doelwit.’ In een brief schreef hij: ‘Ik treed af omdat de politiek van economische sancties totaal bankroet is. We zijn met een proces bezig waarbij een hele samenleving vernietigd wordt. Het is zo simpel als dat… Vijfduizend kinderen sterven elke maand…. Ik wil niet aan het hoofd staan van een programma dat resulteert in dergelijke cijfers.’ Na een loopbaan van 34 jaar bij de VN waar Halliday uiteindelijk de op één na hoogste functie bekleedde, zei hij tegenover de gerenommeerde onderzoeksjournalist John Pilger: ‘De genocide in Irak is de test voor onze wilskracht. Ieder van ons moet de stilte doorbreken: om degenen die verantwoordelijk zijn in Washington en Londen bewust te maken dat de geschiedenis hen zal vernietigen.’ De Amerikaanse toneelschrijver Arthur Miller zocht een verklaring voor het collectief zwijgen in het volgende: ‘De gedachte dat de staat krankzinnig is geworden en zoveel onschuldige mensen straft is ontoelaatbaar. En dus moet het bewijs innerlijk ontkend worden.’ En ook op die manier worden de slachtoffers onzichtbaar en hun motieven onbegrijpelijk. Maar dat doorgaans de Westerse massamedia met haar veelgeprezen ‘vrijheid van meningsuiting’ daaraan meedoet is pas echt onbegrijpelijk. Vooral ook omdat de bewijzen voor het oprapen liggen. Zo rechtvaardigde Robert Gates, de Nationale Veiligheids Adviseur van Bush senior, de vernietigingspolitiek publiekelijk met de opmerking: 'Irakezen zullen de prijs moeten betalen zolang Saddam aan de macht is.' In 2001 hadden de bombardementen op Irak langer geduurd dan de Amerikaanse invasie van Vietnam. Door al dit geweld was binnen een decennium het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking gedaald tot slechts eenzesde van het vooroorlogse bedrag. Het waren vooral de shi’iten, de allerarmste groep, die het slachtoffer werden van het Amerikaans en Brits terrorisme. In tegenstelling tot Laura weet Leyla daar uit eigen ervaring alles van. En onder andere die concrete ervaringen met de wrede kant van het democratische Westen hebben haar wereldbeeld meer gevormd dan de westerse propaganda over ‘civil society’ en ‘nation building.’ In de harde praktijk van de dagelijkse werkelijkheid hebben de inwoners van de derde wereld allang geleerd dat het Westen de bescherming van de mensenrechten alleen predikt zolang ze de economische belangen niet belemmeren.

De woorden van Laura Starink illustreren een schrikbarende onwetendheid. Van een zelfde onwetendheid getuigde NOS-Journaal verslaggever Wouter Kurpershoek in maart 2003 toen hij zich in een reportage verbaasde over het feit dat de Amerikaanse/Britse ‘bevrijders’ in het zuiden van Irak niet door de shi’itische bevolking met gejuich werden ontvangen, maar dat men zelfs ‘negatief’ op hun komst reageerden. Omdat het NOS-Journaal geen eigen correspondent ter plaatse had, was de immer hard werkende, multi-inzetbare Kurpershoek met te weinig achtergrondinformatie afgereisd om het grote wantrouwen van de locale bevolking te kunnen snappen. Waar het hier in wezen om gaat is gekweekte onwetendheid; er is immers sprake van een bewuste keuze om geen correspondenten te stationeren in een van de belangrijkste gebieden op aarde, waar de meest vitale grondstof ter wereld wordt opgepompt. Maar ook het journalistieke beleid van de NRC liet geen ruimte over voor een gedegen continue diepgravende berichtgeving uit de Arabische regio, waarbij de gebeurtenissen in een brede context werden geplaatst. De krant had jarenlang maar één correspondent voor het hele islamitische gebied, dat zich van Marokko tot India uitstrekt. Die was niet in staat om in de diverse landen zelfstandig onderzoek te verrichten, met als gevolg dat niet alleen de lezers maar ook de adjunct-hoofdredactrice volstrekt verbijsterd zijn zodra de contraterreur toeslaat. Door een gebrek aan kennis en interesse beschikt men over geen enkel aanknopingspunt om de situatie waarin honderden miljoenen anderen leven te kunnen begrijpen. Het is ook opmerkelijk dat de ‘kwaliteitskrant’ al geruime tijd geen enkele correspondent meer in de Arabische wereld heeft. Omdat nagenoeg alle Nederlandse massamedia de slachtoffers in het Midden Oosten grotendeels onzichtbaar hebben gemaakt, blijven hun motieven ‘totaal onbegrijpelijk’ en is hun handelwijze moeilijk ‘te doorgronden.’ Men komt niet verder dan een kwalificatie als ‘fanatisme’ tegen de ‘Amerikanen‘ die ‘haar dictator hebben verdreven.’ Overigens verzwijgt Laura Starink daarbij dat secretaris-generaal Kofi Annan in september 2004 de Amerikaanse inval ‘illegaal’ heeft genoemd, in strijd met het VN-Handvest en het internationaal recht, waarmee nog eens wordt benadrukt hoe hier goed en kwaad door elkaar heen lopen. Desondanks zijn in haar visie niet de Amerikanen fanatiek, bezeten van een idee, maar juist degenen die zich tegen de illegale bezetting verzetten. In dit simplistische, manicheïsche wereldbeeld wordt een islamitische Nederlander die een andere Nederlander vermoordde, omschreven als een ‘Marokkaan,’ die als het ware zomaar pardoes ‘Theo van Gogh met messen heeft doorboord.’ Zijn Marokkaanse achtergrond is evenwel niet de reden van de moord, net zomin als Volkert van der G.’s Nederlandse achtergrond de reden van de moord op Fortuyn was. En ook zijn islamitische achtergrond is niet de drijfveer, net zo min als het ontbreken van een religieuze overtuiging Volkert van der G. motiveerde. Mohammed B. gebruikte de godsdienst als kapstok, net zoals Volkert van der G. een ideologie als kapstok gebruikte en net als op zijn beurt de Amerikaanse president het christendom misbruikt voor zijn ‘kruistocht tegen het terrorisme.’ Het extremisme wordt gevoed niet door een of andere religieuze of ideologische identiteit, maar juist door het ontbreken van een identiteit, niet door macht maar juist door een gevoel van machteloosheid. Het is een probleem waarmee alle culturen altijd worden geconfronteerd. Uit de Europese geschiedenis weten we dat er soms een collectieve identiteitscrisis kan ontstaan, meestal als gevolg van een uitzichtloze sociaal-economische situatie, het verlies van een oorlog of een andere traumatische ontwikkeling. Desondanks gebruikt de chef van NRC’s Maandblad de woorden Marokkaan en messen die in de context waarin ze gebruikt worden geen objectieve feiten zijn, maar stigmatiserende beelden. Deze beelden verhelderen niets, men hoeft niet over ze na te denken, ze dwingen niet tot inleving en prikkelen niet de verbeeldingskracht. Ze mobiliseren slechts de primaire gevoelens: angst en daarmee haat en op die manier vervuilt de allesoverheersende beeldcultuur de cultuur van het woord. Ik ga er vanuit dat Laura Starink dit alles niet beoogt, maar het werkt wel zo in een eendimensionale massacultuur, waarin ‘de macht van de afbeelding alleen maar [is] toegenomen’ en er sprake is van ‘beeldterreur,’ zoals onlangs de schrijver Henk van Woerden in dezelfde NRC schreef. In tegenstelling tot de simplificatie van de journalistiek toont de literatuur de complexiteit. In de roman Blackbox analyseert de Israëlische auteur Amos Oz de identiteitsloosheid van fundamentalisten: ‘Geloof uit on-geloof: hoe meer hij zijn geloof in zichzelf verliest, des te sterker wordt zijn fervente geloof in de verlossing, des te intenser zijn dringende behoefte verlost te worden…. In dezelfde mate waarin zijn zelfrespect, zijn bestaansgrond, ja de zin van zijn leven verloren gaan, wordt de recht-vaardiging van zijn geloof, zijn volk, zijn ras, het ideaal dat hij aanhangt of de beweging waaraan hij trouw gezworen heeft, verheven, vergroot, verheerlijkt en geheiligd.’ Het gaat in deze roman over joodse fundamentalisten, maar het mechanisme geldt voor alle religies, alle ideologieën en alle culturen, want zoals Oz stelt: ‘De mens houdt zich bezig met persoonlijke zaken zolang hij zaken heeft en zolang hij een persoonlijkheid heeft. Als die afwezig zijn, gaat hij zich, uit angst voor de leegheid van zijn leven, vol vuur bezighouden met zaken van anderen: hij brengt hen op het rechte spoor. Tuchtigt hen. Probeert te onderrichten wie malende is en te verpletteren wie dwalende is. Schenkt andere gunsten of vervolgt hen meedogenloos. Tussen de nobele fanaticus en de moorzuchtige fanaticus is uiteraard een verschil van morele gradaties, maar geen verschil in aard.’ Dat is tevens de reden waarom elkaar bestrijdende fundamentalisten zoveel op elkaar lijken, vertelde Oz me toen ik hem veertien jaar geleden over dit onderwerp interviewde. De atheïst die de gelovige te vuur en te zwaard bestrijdt, verschilt nagenoeg in niets van zijn opponent. En de grootste fanatici zijn doorgaans degenen die tot een andere religie of rationalistisch ‘geloof’ zijn bekeerd. December 2004 waarschuwde de AIVD in een rapport aan de Tweede Kamer dat de radicalisering onder moslim jongeren de afgelopen drie jaar razendsnel is toegenomen. Het gaat daarbij om jongeren die via onder andere internet met de ideologie van de radicale islam in aanraking komen. Tegelijkertijd benadrukken de analisten van de inlichtingendienst dat de politici het radicaliseringsprobleem niet moeten versimpelen. Het betreft hier niet een simpel politiek probleem, maar een gecompliceerd sociaal psychologisch verschijnsel. ‘Omdat hij niets te doen weet met zijn holle, troosteloze leven, valt hij anderen om de hals of grijpt hij hen naar de keel.’ Maar dit is de wijsheid van een schrijver en niet die van een politicus.

Professor Muqtedar Khan van het Brookings Instituut, een van de oudste denktanks in Washington, verklaarde recentelijk over Irakezen die een zelfmoordaanslag plegen: ‘De dood van hun eigen families, de vernietiging van hun huizen – al deze zaken leiden tot frustratie en woede en uitzichtloosheid en ze willen de vijand dezelfde frustratie en uitzichtloosheid laten voelen, dus nemen ze hun toevlucht tot deze vorm van geweld.’ Dat geldt niet alleen voor de shi’iten maar ook voor de soennieten. Dit heeft niet met fanatieke godsdienst te maken, maar wel met schreeuwend onrecht. Volgens ABC News heeft de recente aanval op de stad Fallujah met de ‘invallen in privé woningen en militaire bombardementen die Irakese burgers doodden, jonge Irakezen geradicaliseerd.’ Men hoeft de Irak-foto’s maar te bekijken van Geert van Kesteren in zijn boek ‘Why Mister, Why?’ over het Amerikaanse geweld en met een beetje empathie kan men begrijpen waarom iemand tenslotte bereid is zich op te offeren. Niet ‘elke-vrouw-voor-de-spiegel’ die ‘haar zwarte kleed afwerpt,’ is meteen een van ‘De bruiden van Bagdad,’ ook al ‘ontluikt plots een twintigjarige schoonheid.’ Niet alles is keukenmeiden romantiek. Hoe ‘onbegrijpelijk’ het ook moge klinken: niet voor ieder ‘shi’itisch meisje’ vertegenwoordigt ‘Sex and the City’ het hoogste ideaal, met al die eenzaam achtergebleven vrouwen, die dag en nacht hunkeren naar ‘kerels, kopen en natuurlijk sex.’ Levend temidden van zoveel verschrikkingen identificeren sommige vrouwen zich eerder met Jeanne d’Arc dan met Carrie Bradshaw. Dat dit 'zo totaal onbegrijpelijk is' zegt meer over de Laura's hier dan over de Leyla’s daar. Het meest opmerkelijke is misschien wel het feit dat enkele Irak-foto’s van Geert van Kesteren door het maandmagazine van NRC in augustus 2003 waren gepubliceerd. Hoewel aangekondigd als een fotoreportage over ‘De moordmachine. Na de val van Saddam gingen in Irak de massagraven open. Overal zoeken wanhopige familieleden naar hun dierbaren. In de haast gaat veel bewijsmateriaal verloren,’ zag de doorsnee NRC-lezer toch iets volstrekt anders dat ernstig verontrustte. Een van hen, Maikel Steur, schreef: ‘veel beelden van arrestaties met voeten op hoofden geplaatst en getrokken wapens. Gegevens van arrestanten worden met gaffer-tape aan het hoofd geplakt… De MACHT waarmee de Amerikanen te werk gaan stoort me enorm. Ik heb medelijden met de angst van de arrestanten. Zijn de Amerikanen dan zulke enorme hufters?’ Tekenend voor de sfeer in de Nederlandse massamedia is het onvermogen zich te verplaatsen in de positie van de onderdrukte. Iemand die geen last heeft van dit soort wereldvreemdheid is Chalmers Johnson, een van de meest gerespecteerde geleerden in de Verenigde Staten. Al meer dan een jaar vóór 11 september 2001 waarschuwde hij voor grootscheepse terroristische aanslagen, die volgens hem niets anders zijn dan ‘blowback… de onbedoelde consequenties van politieke beleidsdaden die voor het Amerikaanse volk geheim waren gehouden.’ In zijn geruchtmakende boek ‘Blowback’ over ‘de kosten en consequenties van het Amerikaans imperium’ schreef deze emeritus hoogleraar: ‘Ik ben van mening dat de lichtzinnige verkwisting van onze hulpbronnen aan irrelevante wapensystemen… en terroristische aanvallen op Amerikaanse installaties en ambassades, alle voortekenen zijn van een eenentwintigste eeuwse crisis in Amerika’s informeel wereldrijk, een rijk gebaseerd op de uitbreiding van militaire macht naar elke uithoek van de wereld en op de inzet van Amerikaans kapitaal en markten om een wereldwijde economische integratie af te dwingen op onze voorwaarden, tegen welke kosten voor anderen dan ook.’

Een ander voorbeeld van autisme. Na jarenlang voor de VPRO over het Midden Oosten te hebben bericht, kreeg ik van de hoofdredacteur radio, Arend Jan Heerma van Voss, te horen dat voor ‘dit soort programma’s geen ruimte meer is.’ Een andere Midden Oosten-specialist bij de VPRO, Rik Delhaas, vernam van Kees Schaepman, eindredacteur van het programma De Ochtenden op Radio 1 en tevens voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, dat zijn contract niet zou worden verlengd. Ook uit de wijze van verslaggeving blijkt de journalistieke onevenwichtigheid en het totale gebrek aan inlevingsvermogen. Zo spreekt Sjifrah Herschberg, correspondente in Israël voor het Radio I Journaal, steevast van ‘Israëlische militaire acties,’ ook wanneer het gaat om rücksichtsloze strafexpedities waarbij vrouwen, kinderen en bejaarden gedood worden. Daarentegen heten de Palestijnse aanslagen altijd terroristisch. Twee jaar geleden kreeg zij van de Nipkov Stichting een eervolle vermelding voor haar ‘uitgebalanceerde en evenwichtige berichtgeving over het Palestijns-Israelisch conflict.’ Maar nogmaals: via de Arabische zenders ziet een aanzienlijk deel van de Nederlandse islamitische gemeenschap de ongecensureerde beelden van de terreur die Israël in de bezette gebieden uitoefent, daarbij politiek en financieel gesteund door het Westen. Op zijn beurt schreef de voormalige correspondent van NRC/Handelsblad Salomon Bouman over het ‘Palestijnse vraagstuk,’ zodat zijn lezers meteen wisten aan welke kant hij en zijn krant stonden. Voorbijgegaan wordt aan het feit dat het hier een al meer dan drie decennia durende illegale bezetting betreft. Bovendien wordt onophoudelijk de suggestie gewekt dat het om een conflict gaat tussen twee gelijkwaardige partijen, terwijl het in werkelijkheid een volksopstand betreft die in 1987 begon met blote handen, stenen en katapulten tegen Israëlische tanks, hogesnelheidskogels, en gevechtshelikopters. Ik heb gezien hoe Israëlische sluipschutters stenengooiende Palestijnse kinderen beschoten, waarbij sommigen dodelijk werden getroffen en anderen ernstig gewond werden afgevoerd. Ik heb zwaar verminkte kinderen zien sterven in het grootste Palestijnse ziekenhuis in bezet Oost-Jeruzalem. Het is de alledaagse werkelijkheid van de Israëlische onderdrukking. Het lot van die kinderen wordt niet belicht in de vaderlandse berichtgeving. Ze zijn de naamloze, gezichtsloze, anonieme slachtoffers van geopolitieke belangen. Geen enkele aandacht besteedt de Nederlandse pers aan het feit dat alleen al de afgelopen vier jaar tijdens de tweede intifada tenminste 660 Palestijnse kinderen om het leven zijn gekomen als gevolg van het Israëlisch geweld. 9000 zijn daarbij gewond geraakt, een aanzienlijk aantal van hen zal lichamelijk gehandicapt verder door het leven moeten. Ontelbaar zijn de Palestijnse kinderen die geestelijk getraumatiseerd zijn. Tenminste 3000 kinderen zijn sinds het begin van de tweede intifada opgepakt en 335 kinderen zitten in Israëlische gevangenissen of detentiecentra. Volgens de internationale mensenrechtenorganisatie Defence for Children International worden Palestijnse kinderen tijdens verhoor door de Israëlische politie of militairen gemarteld. Alles bijeen is hier sprake van ernstige schendingen van de mensenrechten, het oorlogsrecht, de Conventie voor de Rechten van het Kind, die door Israël is ondertekend. Het Westen accepteert dit. Sterker nog: hoewel de Europese Unie de nederzettingenbouw in de bezette gebieden een schending van het internationaal recht beschouwt, heeft het toch een associatieakkoord met Israël gesloten, waardoor de EU de belangrijkste handelspartner van de joodse natie is geworden. Ondertussen exporteren Nederlandse bedrijven met goedkeuring van de politiek verantwoordelijken wapenonderdelen naar Israël, tot componenten voor het fabriceren van kernwapens aan toe. Zelfs de Nederlandse rechter weigert zich uit te spreken over de vraag of de wapenexportvergunningen niet in strijd zijn met het nationaal en internationaal recht. Desondanks blijven de Nederlandse media met al haar correspondenten in Israël zwijgen. Vanwaar dit autisme? Vanwaar het onophoudelijk meten met twee maten en die overduidelijke hypocrisie die geen enkele islamitische Nederlander ontgaan? Uit plaatsvervangende schaamte? Ideologische overwegingen? Racisme? Een combinatie van deze factoren? Of is men blind voor de Israëlische wreedheden uit schuldgevoel voor de onverschilligheid tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen de overgrote meerderheid van de Nederlanders de andere kant opkeek terwijl hun joodse medeburgers werden gedeporteerd met behulp van Nederlandse verraders, hoofdstedelijke ambtenaren, Nederlandse politieagenten, het Amsterdams Gemeentelijk Vervoersbedrijf en de Nederlandse Spoorwegen, die zich er keurig voor lieten betalen? Met als resultaat dat, op Polen na, vanuit Nederland verhoudingsgewijs de meeste joden naar de vernietigingskampen werden afgevoerd, bijna tweemaal zoveel als in België en driemaal zoveel als in Frankrijk. En dit cijfer staat helemaal in schril contrast met dat van Denemarken waar ‘slechts’ anderhalf procent van de joodse burgers tijdens de oorlogsjaren is omgekomen, terwijl driekwart van de joodse Nederlanders in de vernietigingskampen werd vermoord. Hun bezittingen verdwenen in de zakken van hun niet-joodse landgenoten, die na de oorlog luidkeels verkondigden hoe groot hun vriendschap met de joden was geweest en trouwens nog steeds was. Simon Kuper, correspondent van The Financial Times schreef onlangs in zijn krant dat in Denemarken ‘de joden [niet] werden gered omdat zij joden waren, maar omdat zij niet als joden werden gezien,’ maar gewoon als landgenoten. Dit in tegenstelling tot de Nederlanders, die ‘als groep – los van een paar duizend op zichzelf staande personen en cellen - nooit zelfs maar geprobeerd [hebben] de joden te beschermen.’ In tegendeel zelfs, uit alle onderzoeken blijkt dat van hoog tot laag het hele systeem met de Nazi’s collaboreerde. Begrijpelijk dat men na 1945 vanuit een schuldbesef de werkelijkheid verdraaide en de Nederlanders zich na de oorlog als de grootste vrienden van Israël toonden. Het spreekt voor zich dat als het nu geen Palestijnse maar joodse kinderen had betroffen er tijd en ruimte te kort zouden zijn geweest om er aandacht aan te besteden. Hoe dan ook: het verzwijgen tekent het gebrek aan onafhankelijkheid en journalistieke integriteit.

Wat de jury van de Nipkov-prijs ook moge beweren, kenmerkend aan de verslaggeving over het Midden Oosten is nu juist dat ze alles behalve evenwichtig is. Dat werd nog eens onderstreept in juni 2002 toen Amira Hass, de joods-Israëlische correspondente van de kwaliteitskrant Haaretz, in de Amsterdamse Balie sprak. De bijeenkomst vond plaats onder voorzitterschap van Max van Weezel, die in Nederland wordt beschouwd als de deskundige bij uitstek van het Israelisch-Palestijns conflict. Amira Hass, wier werk door de Israëlische auteur David Grossman is geprezen als ‘een van de zeldzame tekenen van gezond verstand, moed en menselijke waardigheid’ leeft al jarenlang tussen de Palestijnen in bezet gebied. Dit in tegenstelling tot de Nederlandse correspondenten. De meesten van hen spreken geen Arabisch en gaan zelden of nooit naar de bezette gebieden, met als excuus dat ze zich daar als joodse journalisten niet welkom voelen. Nadat Amira Hass ruim een uur lang voor een volle zaal over de Israëlische terreur tegen de Palestijnse burgerbevolking had verteld, stelde - de toen nog adjunct-hoofdredacteur van Vrij Nederland - Van Weezel de vraag: ‘Waarom hebben wij in Holland niet enkele van de ontwikkelingen gezien waarover Amira Hass schreef en zag in Gaza en Ramallah? Waarom hebben wij daar nooit over gediscussieerd?’ Een luid gejoel steeg op. Een jonge vrouw in het publiek reageerde met de opmerking: ‘Spreek voor je zelf. Je moest je schamen dat je dit vraagt. Als je het had willen zien dan had je het makkelijk kunnen zien. Veel buitenlandse journalisten hebben daarover geschreven, veel mensen hier zijn in Israël geweest en zagen zelf wat daar gebeurde. Als journalist zou je hebben moeten spreken met de mensen die daarheen gingen en terug kwamen, en verhalen te vertellen hadden,’ daarbij verwijzend naar onder andere joodse Nederlanders in de zaal die spontaan applaudisseerden. Het was de spijker op de kop. Veel Nederlandse journalisten zijn zodra het Arabieren betreft bevooroordeeld, ook de op andere terreinen zo progressieve verslaggevers. Het was hetzelfde Vrij Nederland dat in 2000 een Israëlische aanslag op een Tanziem-leider omschreef als ‘een knappe surgical action,’ zonder te vermelden dat daarbij twee onschuldige voorbijgangers, huisvrouwen van middelbare leeftijd, gedood werden. Kennelijk een te verwaarlozen detail, collateral damage. Vier jaar later schrijft de Vrij Nederland-columnist Joshua Livestro, voormalig persoonlijk assistent van eurocommissaris Frits Bolkestein, dat de taferelen in de Abu Ghraib gevangenis hem ‘doen denken aan een uit de hand gelopen studentenfeestje.’

Amnesty International noemde de martelingen in Abu Ghraib oorlogsmisdaden en de Amerikaanse mensenrechtenorganisatie SOA Watch, die al sinds 1990 onderzoek doet naar de folterpraktijken van de Amerikaanse strijdkrachten voegde daaraan toe dat ‘hoe schokkend het martelen van gevangenen ook mag zijn, in het beleid van het Pentagon is het niets nieuws. Al tenminste een decenniumlang traint het Amerikaanse leger Latijns Amerikaanse soldaten in marteltechnieken … op de zogeheten School of the Americas,’ in Fort Benning, Georgia. Human Rights Watch publiceerde begin juni van dit jaar het 38 pagina’s tellend rapport ‘The Road to Abu Ghraib’ waarin deze mensenrechtenorganisatie gedocumenteerd aantoont dat ‘de verschrikkingen van Abu Ghraib niet slechts de daden waren van individuele soldaten. Abu Ghraib is het resultaat van besluiten die door de Bush regering zijn genomen om de regels terzijde te schuiven, aldus HRW-directeur Kenneth Roth. ‘De Bush regering keurde een welbewuste politiek goed waarbij illegale ondervragingstechnieken werden toegestaan en waarbij vervolgens twee jaar lang rapporten over folteringen en andere mishandelingen door Amerikaanse troepen werden verdoezeld of genegeerd.’ Een feit dat elke islamiet die op internet is aangesloten of een schotelantenne onmiddellijk te weten kan komen. In 0,20 seconde kan iedereen met een computer de laatste details opvragen en weten dat het martelen nog steeds doorgaat. De New York Times berichtte op 20 december j.l. dat ‘FBI memoranda mishandelingen beschrijven van gevangenen door militair personeel in Irak.’ Volgens ‘pas vrijgekomen regeringsdocumenten’ worden ‘gedetineerden geslagen… en worden brandende sigaretten in hun oren gestopt.’ Twee dagen later meldde de Washington Post dat Amerikaanse militairen nu ook worden verhoord over ‘het doodschieten van gevangenen in Irakese detentiekampen.’ Uit de documenten, die op last van een rechter in handen kwamen van een Amerikaanse organisatie voor burgerrechten, blijkt dat eveneens in de gevangenis van Guantánamo Bay op grote schaal wordt gemarteld. Slechts één druk op de knop en via google heeft men al dit nieuws thuis. Niet langer meer hebben de Westerse massamedia het monopolie op de berichtgeving. De meeste Arabisch sprekenden in Nederland krijgen hun informatie tevens van de niet ‘embedded’ maar juist onafhankelijk opererende Arabische zenders, waardoor ze een breder beeld hebben van de Westerse terreur in het Midden Oosten. Het was dan ook van cruciaal belang voor de Amerikanen toen ze Bagdad binnentrokken om de berichtgeving van de Arabische zenders met geweld te stoppen. De Amerikaanse luchtmacht bombardeerde de redactiekantoren van zowel Al Jazeera als Abu Dhabi televisie in Bagdad, waarbij de correspondent van Al Jazeera om het leven kwam. Inmiddels is het nieuwe kantoor van Al Jazeera gesloten door de - door de Verenigde Staten aangestelde - Irakese autoriteiten en mag het niet vanuit Irak berichten. Het simpele feit is namelijk dat zonder propaganda oorlog en dus terreur tegen de burgerbevolking niet mogelijk zijn.

Decennialang heeft in de Nederlandse media de pro-Irael en daarmee anti-Arabische berichtgeving de boventoon gevoerd. Tegelijkertijd werden Arabische slachtoffers doorgaans onzichtbaar gemaakt. Op die manier heeft het bijgedragen aan een negatieve houding ten opzichte van Arabieren. Het was de al eerder genoemde Salomon Bouman die, na 37 jaar correspondentschap in Israël, begin december 2004 verbaasd constateerde: ‘Toen ik vorig jaar naar Nederland terugkeerde, werd ik getroffen door de stemmingmakerij, zowel in de media als in de politiek, tegen allochtonen en tegen de islam in het bijzonder.’ Bewust dan wel onbewust is een onderhuidse en soms zelfs openlijke minachting voor islamieten gekweekt. En dat zal de Nederlandse islamitische gemeenschap niet zijn ontgaan. Zeker niet als zelfs buitenlanders het zagen. Een Amerikaanse collega wees me eind vorig jaar erop dat de Arabieren in Nederland dezelfde rol spelen als de joden in het Europa van voor de Tweede Wereldoorlog. ‘Nu wordt een ander semitisch volk gebruikt als de spreekwoordelijke zondebok voor alles dat economisch of sociaal fout gaat,’ voegde hij eraan toe. Hij had gelijk: wanneer men in sommige artikelen het woord Arabier vervangt door Jood dan blijkt al snel dat we met een moderne variant van het aloude antisemitisme te maken hebben. Onder de kop ‘islamofobie is vergelijkbaar met antisemitisme’ verklaarde begin december rabbijn Awraham Soetendorp tegenover de NRC: ‘Wat nu de moslims in Nederland overkomt, is levensgevaarlijk. Vooral de trend om alle islamieten over één kam te scheren en als bedreigend af te schilderen. Dat lot trof de joden in de jaren ’30, in Duitsland maar ook in Nederland.’ Nu de economische problemen niet langer meer kunnen worden afgekocht, duikt onmiddellijk de altijd latent aanwezige rassenhaat zijn kop weer op. Het collectief ter verantwoording roepen van alle islamieten voor de daad van één individu, is een van de duidelijkste kenmerken van racisme. Ook dat signaal is de islamitische Nederlanders niet ontgaan. Tegen deze achtergrond bezien, is de schijnbaar plotselinge omslag van Mohammed B. niet langer meer zo raadselachtig en moeilijk ‘te doorgronden,’ en dat ‘fanatisme’ niet langer meer ‘zo totaal onbegrijpelijk.’

terug