Dag van de Filosofie 3



In zijn uitgebreid gedocumenteerde boek ‘Barbarian Virtues’ concludeert Matthew Frye Jacobson dat zijn landgenoten onwetend zijn over het begin van het Amerikaans kolonialisme. Er is sprake van ‘publiek geheugenverlies.’ Dit onderwerp is volledig ‘verdwenen uit de openbare discussie… Niet alleen weten de meeste Amerikanen niets over de wijze van optreden tijdens de Filippijns-Amerikaanse Oorlog; velen weten niet eens dat een dergelijke oorlog heeft plaatsgevonden.’ Jacobson, hoogleraar Amerikaanse Studies aan de Yale Universiteit, wijst erop dat het verzwijgen van deze fase in de eigen geschiedenis een vals beeld heeft opgeroepen over de ware drijfveren van de VS. De Amerikanen ‘mystificeren… de Amerikaanse betrokkenheid in mondiale aangelegenheden,’ en ‘stellen hun land graag voor als de redder van alle volkeren in de wereld – een natie die verlossing en beschaving brengt, baken van vrijheid, toevluchtsoord van de onderdrukten,’ zelfs als in werkelijkheid hun land anderen met geweld onderdrukt. Zolang men de eigen motieven blijft verzwijgen, kan elke interventie als een altruïstische daad worden voorgesteld en kan de VS zich blijven presenteren als ’s werelds grootste voorvechter van vrijheid, democratie en mensenrechten, wat een grove vertekening is van de realiteit. Het gewelddadig overzees expansionisme begon onmiddellijk nadat het Amerikaans grondgebied op de Indianen was veroverd. De reden waarom dit feit uit het collectieve bewustzijn verdween, is volgens Jacobson de volgende: ‘Zonder de Filippijnen wordt het makkelijk om te geloven dat er een radicale historische cesuur bestaat die de oorlogen op de prairies in het midden van de negentiende eeuw (tegen de Indianen.svh) en de Zuidoost Aziatische oorlogen in het midden van de twintigste eeuw scheiden: dat Amerikaanse soldaten naar gebieden in Vietnam verwezen als ‘Indianen Land’ wordt een zaak van louter en alleen een metafoor, niet van diepere ideologie. Toch werd onze eerste landoorlog in Azië niet in 1950-53 uitgevochten (in Korea. svh) maar in 1899-1902, en het werd gevoerd door hoofdzakelijk Amerikaanse officieren die hun praktische training hadden gekregen in campagnes tegen de “wilden” van de Westerse prairies in de jaren 1870.’ In werkelijkheid bestaat er geen cesuur in de Amerikaanse geschiedenis, het expansionisme is een continuïteit, door de Amerikaanse historicus Howard Zinn als volgt samengevat: ‘Toen de eerste kolonisten hier aan de Oostkust aan land kwamen, hadden ze hun ogen al gericht op de Westkust.’ Maar het kolonialistische motief wordt in de officiële geschiedschrijving niet behandeld. De herinnering eraan is uitgewist. De VS is volgens de officiële versie van de werkelijkheid nooit kolonialistisch geweest. Wanneer het intervenieerde dan was dat om ‘radicale heethoofden die een bedreiging vormden voor de stabiliteit’ in toom te houden. Nadat in 1954 een door de CIA georganiseerde militaire coup in Iran de democratische regering ten val had gebracht, schreef de New York Times in een redactioneel commentaar: ‘Onderontwikkelde landen met rijke hulpbronnen hebben nu een voorbeeldige les gekregen in de hoge kosten die moeten worden betaald zodra een van hen bezeten raakt van fanatiek nationalisme… Iran’s ervaring [kan] de macht elders versterken van redelijkere en op langere termijn denkende leiders, die een helder begrip.. hebben van de principes van fatsoenlijk gedrag.’ Zo werd de publieke opinie gevormd door Amerika’s invloedrijkste krant. Het was in de ogen van de leidende elite een daad van onfatsoenlijk ‘fanatiek nationalisme’ geweest dat het Iraanse parlement democratisch en unaniem had besloten de eigen oliebronnen te nationaliseren. ‘Rijke hulpbronnen’ moesten in handen blijven van Westerse concerns. Alleen al de gedachte dat dit een schoolvoorbeeld van neokolonialisme is, was voldoende om gestigmatiseerd te worden als ‘een rabiate communist.’

In zijn door academici geprezen studie toont dr. Jacobson aan hoe in het tijdperk dat de negentiende met de twintigste eeuw overbrugde een breed scala aan Amerikaanse politici, zakenmensen, sociale wetenschappers en militaire expansionisten hadden gepleit voor het afdwingen van een nieuwe wereldorde onder leiding van de VS. In het kader daarvan werden in de Stille Zuidzee, aan het einde van de negentiende eeuw, Hawaï, Guam en Samoa geannexeerd en de Filippijnen veroverd. Ze moesten dienen als bunkerhavens voor Amerikaanse marineschepen, zodat het Verre Oosten kon worden verplicht zijn markten open te stellen voor Amerikaanse goederen. Zoals altijd werd dit imperialisme natuurlijk omkleed met mooie woorden. Het was de ‘White Man’s Burden,’ om ‘onze kleine bruine broeders,’ die overal ter wereld leven ‘op een hoger beschavingspeil te brengen.’ Pseudo wetenschappelijke theorieën over de ‘blanke suprematie’ legitimeerden een ‘Vooruitgangsideologie’ die de werkelijke drijfveer verhulde, te weten: een combinatie van racisme en economische uitbuiting. Alle huidige woordenpraal ten spijt over ‘het brengen van democratie, het beschermen van de mensenrechten en nation building’ is er in wezen niets veranderd. Het enige verschil met vroeger is het taalgebruik, zoals Jacobson duidelijk maakt. ‘Een ongegeneerde discussie over raciale verovering is al lang verdwenen uit het Amerikaanse politieke debat; er bestaat simpelweg niet langer meer een plaats in het nationale zelfbeeld voor de retoriek van “braak liggende ruimtes” en van “ongeschiktheid voor eigen bestuur” of van glorieuze oorlogen tegen de “wilden” die gangbaar waren in de tijd van Theodore Roosevelt. En toch merken de Amerikanen nog steeds dat ze in het bezit zijn van een imperium gekenmerkt door talloze bondgenootschappen met plooibare dictators, door een ononderbroken geschiedenis van militaire interventies, door een defensie budget van twaalf getallen, en door een mondiaal netwerk van militaire bases… Niettegenstaande enige oppositie koos de VS bewust voor imperiale macht inclusief de antidemocratische bagage en zelfs het bloedvergieten dat dit met zich meebrengt; en vele Amerikanen – niemand meer dan Teddy Roosevelt- vonden het prachtig.’ (de cursivering is van Jacobson.) En ook nu zijn er talloze ideologen die het Amerikaans gewelddadig ingrijpen overal ter wereld -van Grenada tot Irak- toejuichen.

Met deze wetenschap als achtergrond begon ik aan het ’Groot Amerika Debat’ georganiseerd door de Faculteiten der Wijsbegeerte van de Universiteit van Tilburg waar ik met stijgende verbazing luisterde naar het verhaal van de spirituele wijsgeer Govert Buijs over ‘deze nieuwe drager van de imperiale waardigheid,’ die als ‘oudste democratie ter wereld [begrijpelijkerwijs] kopschuw [is] om zich nu met huid en haar te binden aan een internationale rechtsorde,’ terwijl ‘het huidige Europa de moreel-politieke kern van het Amerikaans imperium [mist] – en het is er jaloers om.’ Een natie die bovendien ook nog eens ‘de eerste supermacht in de wereldgeschiedenis,’ is ‘die na de aanvankelijke totstandkoming geen veroveringsoorlogen gevoerd heeft en nooit een koloniale macht is geweest.’ In een uur tijd zouden de aanwezigen in de Theaterzaal antwoord moeten hebben op de vraag: ‘Staat Amerika garant voor de wereldvrede?’ Geen abstract filosofisch thema dus, maar een vraag waar een groot publiek mee uit de voeten kon. Na mij sprak professor Gido Berns, decaan van de Tilburgse Faculteit der Wijsbegeerte, die verklaarde dat (ik citeer nu het universiteitsblad Univers) ‘een internationale rechtsorde niet zonder macht [kan] en Amerika op dit moment het enige land [is] dat de nodige machtsbasis heeft,’ zonder overigens duidelijk te maken over welke rechtsorde hij sprak en hoe een imperium dat zelf meermaals de internationale rechtsorde op flagrante manier schendt en zich volgens dr. Buijs niet ‘met huid en haar’ hoeft te ‘binden aan een internationale rechtsorde,’ tegelijkertijd diezelfde rechtsorde in stand kan houden. Kennelijk was dit een te verwaarlozen detail, want onze gespreksleider, Bert van Roermund, hoogleraar rechtsfilosofie aan de Tilburgse Faculteit der Wijsbegeerte, schakelde meteen over naar de filosoof Herman Philipse, universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Zijn mening was dat ‘de Amerikanen nooit een wereldorde [zullen] creëren waarin andere landen evenveel kans krijgen. Maar elk ander land zou hetzelfde doen. En dan heb ik liever de VS dan Rusland bijvoorbeeld.’ Het leek erop of we moesten kiezen tussen ‘Mussert of Moskou.’ Dr. Philips deed me denken aan een generaal die de voorafgaande oorlog uitvecht, want zoals bekend is de Berlijnse muur al lang gevallen. De wijsgeer Buijs was het met professor Philipse eens dat de enige keus die voor de mensheid openstaat die is tussen Washington en Moskou. Bovendien -ik citeer wederom uit Univers: ‘gaat recht samen met macht en dan vertrouwt hij (Buijs. svh) Amerika die macht toe.’ Omdat ik me in een hooggeleerd gezelschap bevond, verwachtte ik dat de gespreksleider onmiddellijk zou vragen of het omgekeerde ook waar is: gaat macht altijd met recht samen? En, zouden we niet de acht bij een supranationaal instituut, bijvoorbeeld de VN, moeten leggen? Maar nee, die vragen kwamen bij de gespreksleider niet op. Mijn academische gespreksgenoten waren het eens met de opvatting van Buijs dat ‘in tegenstelling tot vele imperia in de geschiedenis de VS zich namelijk wel heeft gebonden aan een constitutie en verdragen waaraan ze gehouden kunnen worden.’ Door wie of wat en wanneer werd er niet bij verteld, want dat was kennelijk wederom een bagatel in een groot filosofisch universum, dus niet de moeite waard om besproken te worden. Terwijl dit toch een legitieme vraag zou zijn gezien de verklaring van president Bush jr. dat inzake Irak ‘de VS van Amerika het soevereine recht heeft geweld te gebruiken,’ en zich dus niets hoefde aan te trekken van het VN Handvest of de uitspraken van de Veiligheids Raad. Niet dat het land een onmiddellijke bedreiging vormde, maar het zou dat ‘over een jaar of vijf jaar’ kunnen zijn. Om de overtuigingen die ik gehoord had ter discussie te stellen en zo een werkelijke debat los te maken, kwam ik met een aantal feiten. Eén procent van de Amerikanen bezit veertig procent van alle rijkdommen. Meer dan tweeënveertig miljoen mensen hebben in de VS geen ziektekostenverzekering. Een op de vijf kinderen gaat er hongerig naar bed. Een miljoen mensen zit er achter tralies, een absoluut wereldrecord, vijftig procent van de kiesgerechtigde Amerikanen stemt al lang niet meer, rond de helft van de federale begroting gaat naar wat officieel ‘nationale veiligheid’ heet, ten koste van onderwijs, gezondheidszorg en sociale wetgeving, etcetera. Met andere woorden: over wat voor soort land spraken we? Een democratie? Een plutocratie? Een préfascistische staat? Een combinatie van alledrie? Of iets wat nooit eerder in de geschiedenis is voorgekomen? Maar opnieuw geen discussie. In plaats daarvan stelde professor Van Roermund de vraag of de VS zich ooit aan de internationale rechtsorde zal binden. Ik antwoordde dat zolang Amerika er geen belang bij heeft dit niet zal gebeuren. ‘Alleen als het internationaal terrorisme pas echt goed losbarst,’ dan zal de VS er baat bij hebben zich aan de regels van de internationale rechtsorde te houden.

In de loop van het gesprek zei ik dat ‘tot nu toe de terroristen godzijdank rationeel zijn geweest.’ Op dat moment werd mijn betoog onderbroken door het geschreeuw van iemand uit de zaal, die al eerder als door een wesp gestoken op mijn opmerkingen had gereageerd. Hij wilde ogenblikkelijk weten wat er rationeel was aan drieduizend doden in New York. Omdat er een wezenlijk verschil bestaat tussen rationele handelingen en immoreel gedrag gaf ik als voorbeeld het optreden van Madeleine Albright. Mei 1996 verscheen ze als Amerikaanse ambassadrice bij de VN in het befaamde CBS-programma ’60 Minutes.’ Haar werd een reactie gevraagd op een VN-rapport waarin melding werd gemaakt van de dood van een half miljoen Irakese kinderen onder de vijf jaar, die om het leven waren gekomen als gevolg van de jarenlange sancties en de Amerikaanse en Britse bombardementen die de infrastructuur volledig hadden verwoest. De interviewster Lesley Stahl voegde eraan toe: ‘Dat zijn meer kinderen dan in Hiroshima stierven… Is dat de prijs waard?’ Albright antwoordde: ‘Wij denken dat het de prijs waard is.’ Toen de interviewster aandrong en de ambassadrice vroeg of de Amerikaanse regering ‘zelfs met de hongerdood’ van kleuters akkoord ging, rechtvaardigde Albright deze genocidale politiek met de opmerking: ‘Weet je Lesley… het is moeilijk voor mij om dit te zeggen, want ik ben een humaan mens, maar mijn eerste verantwoordelijkheid is om ervoor te zorgen dat Amerikaanse troepen niet weer opnieuw de Golfoorlog hoeven uit te vechten,’ aldus de vrouw die ooit eens tegen een verbijsterde Colin Powell, destijds opperbevelhebber van de strijdkrachten, had gezegd: ‘Wat voor zin heeft het om over een voortreffelijk militair apparaat waarover jij altijd spreekt te beschikken, als we het niet kunnen inzetten?’ Nog geen zes maanden na haar uitspraak werd mevrouw Albright bevorderd tot minister van Buitenlandse Zaken. Vier jaar later confronteerde de Australische onderzoeksjournalist John Pilger de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken James Rubin met haar uitspraak. Zijn reactie kwam erop neer dat Pilger te ‘idealistisch’ was. ‘Bij het uitvoeren van politiek beleid moet men een keuze maken tussen twee kwaden… en helaas zijn de gevolgen van de sancties groter dan we gehoopt hadden,’ aldus Rubin. Hij adviseerde Pilger niet zo naïef te zijn. Er bestaat nu eenmaal een ‘echte wereld’ waar ‘werkelijke keuzes moeten worden gemaakt.’ Nauwelijks boven het geschreeuw van de man in de zaal uitkomend zei ik dat het om het leven brengen van een half miljoen weerloze kinderen ‘terrorisme is op megaschaal.’ Maar hoe moreel verwerpelijk een dergelijke politiek ook is, ze blijft rationeel als we uitgaan van de definitie die door het Amerikaanse leger wordt gehanteerd, dat terrorisme omschrijft als ‘het bewust geplande gebruik van geweld… om doelen te bereiken die politiek, religieus, of ideologisch van aard zijn.’ Op mijn voorbeeld van mega terrorisme reageerde professor Philipse, die kennelijk de draad was kwijt geraakt, met de kwalificatie dat dit een ‘eenzijdige’ voorstelling van zaken was. Ook Saddam Hoessein was schuldig aan de dood van die kinderen, een excuus dat Madeleine Albright destijds niet gebruikte, omdat deze ‘democrate’ slim genoeg was om te beseffen dat ze zich daarmee op hetzelfde misdadige niveau zou plaatsen als een dictator en bovendien wist wat in het VN-rapport stond. Hoe dan ook, mijn verklaring bracht de schreeuwende en heftig gesticulerende man in de Theaterzaal niet tot bedaren, waardoor ik niet de gelegenheid kreeg om het onderscheid tussen rationeel en irrationeel terrorisme te geven. Als ik de mogelijkheid had gekregen zou ik de waarschuwing hebben kunnen vertellen van professor Yehoshafat Harkabi, die veertien jaar geleden wees op het immens veel grotere gevaar van irrationeel terrorisme. Het voormalige hoofd van de Israëlische Leger Inlichtingendienst legde me uit dat als de dagelijkse terreur van de Israëlische bezetting doorging de wanhoop en uitzichtloosheid onder de Palestijnen zo groot zou worden dat ze geen andere uitweg meer zouden zien dan de vijand een alles vernietigende slag toe te brengen. Met andere woorden: het zogeheten Samson Complex, het gevoel dat men voorgoed verloren heeft en daarom de vijand mee zal sleuren in de ondergang. Vandaar ook dat generaal Harkabi voor een onmiddellijke terugtrekking uit de bezette gebieden was en het staken van het Israëlisch terrorisme.

Van irrationeel terrorisme is pas sprake als terroristen bijvoorbeeld een ‘dirty bomb’ zouden plaatsen in de haven van Rotterdam, waardoor het hele Europese achterland getroffen wordt, of de Hoover Dam zouden opblazen waardoor de economie van Californie (de op vijf na grootste ter wereld) geen elektriciteit meer heeft en tot stilstand komt. De speculanten op de beurzen zullen dan in paniek raken en de wereldeconomie zal ineenstorten.Toch waren het bewust doden van Irakese kinderen en het gevaar van het Samson Complex met al zijn verstrekkende gevolgen geen onderwerp van gesprek voor het filosofisch gezelschap in Tilburg. Het kan gebrek aan kennis zijn geweest, aan energie, aan intellectuele moed of domweg het ontbreken van verbeeldingskracht; in elk geval stapte men weer snel over naar een ander gespreksonderwerp.

Meer over het ‘Groot Amerika Debat’ in de volgende aflevering.


terug