Dag van de Filosofie 4

______


Ruim twee eeuwen geleden verklaarde Thomas Jefferson, de opsteller van de Amerikaanse Onafhankelijkheids Verklaring en latere president: ‘Ik hoop dat wij de opkomst zullen belemmeren van de aristocratie van onze rijke ondernemingen, die nu al onze regering voor een machtsstrijd durven uit te dagen en de wetten van ons land trotseren.’ Meer dan een halve eeuw later zei Abraham Lincoln, president tijdens de Burger Oorlog: ‘Ik zie in de nabije toekomst een crisis naderen die mij nerveus maakt en me doet huiveren voor de veiligheid van mijn land. Als gevolg van de oorlog zijn ondernemingen op een troon gezet en zal er een tijdperk volgen van corruptie in hoge kringen, en de financiële macht van het land zal trachten om haar heerschappij te verlengen door het manipuleren van de vooroordelen van de bevolking, tot alle rijkdom in een paar handen is en de Republiek vernietigd.’ Een eeuw nadien merkte president Franklin D. Roosevelt op: ‘De waarheid is, zoals u en ik weten, dat een financiële groep in de machtige centra de regering van de VS bezit, al sinds de dagen van Andrew Jackson.’ (Amerikaans president van 1829-37. svh) Twee decennia later waarschuwde president Dwight Eisenhower, tijdens de Tweede Wereldoorlog opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten, voor het ‘militair-industrieel complex,’ waarvan ‘de totale invloed – economisch, politiek, zelfs spiritueel – in elke stad, elk staatsparlement, elk kantoor van de federale regering merkbaar is… We moeten niet nalaten zijn ernstige gevolgen te doorgronden. Onze bodem, hulpbronnen en levensonderhoud zijn daar allemaal bij betrokken; evenals het hele bouwwerk van onze samenleving.’ Drie decennia later zei de voormalige minister van Justitie Ramsey Clark: ‘Wij zijn geen democratie. Het is een groot misverstand en een belastering van het begrip democratie om ons dat te noemen. In werkelijkheid zijn we een plutocratie: een regering van de rijken.’ Op het toppunt van zijn macht verklaarde Benito Mussolini: ‘Het zou passender zijn om fascisme corporatisme te noemen, omdat het een fusie is tussen de macht van de staat en die van de grote ondernemingen.’ Het Amerikaanse zakentijdschrift Fortune schreef in 1934 dan ook juichend dat de corporatistische ‘spaghettivreters’ een ondernemersvriendelijk klimaat hadden geschapen en de buitenlandse investeringen er sterk gestegen waren. Hetzelfde gold in de periode na het aantreden van Hitler, tot hij te expansionistisch werd en een bedreiging voor het imperialisme van Groot Brittannië en de VS vormde. Van 1933 tot 1939 schoten de Amerikaanse investeringen in Nazi Duitsland omhoog. De dreiging van de ‘massa’ van ontevreden arbeiders was bedwongen, ‘de stabiliteit’ was weer verzekerd. Nog in 1938 had onderminister van Buitenlandse Zaken Sumner Welles, een van de belangrijkste vertrouwelingen van president Roosevelt, verklaard dat het Pact van Munchen - waarbij Duitland het Tsjechische Sudetenland mocht annexeren - ‘de gelegenheid bood voor het vestigen… van een nieuwe wereldorde, gebaseerd op rechtvaardigheid en rechtsregels.’ En nog steeds voert de VS een ‘economische politiek die het Amerikaanse zakenleven mogelijk maakt om zo vrij en vaak zo monopolistisch mogelijk te opereren,’ aldus de Amerikaanse historicus en politiek adviseur Alan Tonelson, die eraan toevoegde dat ‘de VS dikwijls verschrikkelijke dingen kan doen om te krijgen wat het altijd al wil,’ te weten de hegemonie op economisch en dus politiek gebied.

Dit alles mag dan wel bekend zijn in welingelichte kringen, in het hooggeleerd gezelschap te Tilburg was het geen onderwerp van gesprek. Men was blij dat de VS als overwinnaar uit de Koude Oorlog was gekomen en dat die nu ‘de internationale rechtsorde’ mocht dicteren. Geen woord over de Verenigde Naties als mogelijk platform voor het bepalen van een nieuwe wereldorde. Ondanks alle eerder beschreven bezwaren tegen de Amerikaanse hegemonie, stond als paal boven water dat de VS de loop der geschiedenis mag bepalen omdat het ‘op dit moment het enige land [is] dat de nodige machtsbasis heeft.’ Een argument dat in het interbellum mede had bijgedragen tot de opkomst van het ‘corporatistisch fascisme.’ Onaangename feiten werden tijdens het ‘Groot Amerika Debat’ nagenoeg geheel genegeerd, tegenstrijdigheden en ongerijmdheden bleven onbesproken. De miljoenen weerloze slachtoffers die overal ter wereld door een geopolitieke strijd waren gevallen en nog steeds vallen, speelden geen enkele rol. Het lot van al die getroffen derde wereldbewoners was verdwenen achter een tot niets verplichtende woordenstroom. En ook het hartverscheurende verdriet van hun nabestaanden was onzichtbaar geworden. Geen woord over de 567.000 Irakese kinderen die al voor 1995 als gevolg van de jarenlange sancties en de Amerikaanse en Britse verwoestingen om het leven waren gekomen. Alleen het feit dat Amerika de Koude Oorlog had gewonnen, was belangrijk genoeg om te vermelden. Tegen het eind van het gespreksuur stelde professor Van Roermund de vraag wat de grondslagen van een internationale rechtsorde zouden moeten zijn. Een opmerkelijke vraag aan het gezelschap, omdat niemand een deskundige op dit gebied was. De vraag had beter gesteld kunnen worden aan bijvoorbeeld de Tilburgse hoogleraar Internationaal Recht Willem van Genugten, een alom gerespecteerd expert op dit gebied of - als men het in morele termen had willen bespreken - aan Paul Cobben, de Tilburgse hoogleraar Geschiedenis van Moderne en Hedendaagse Wijsbegeerte, die zich in het verleden met kennis van zaken meermaals publiekelijk heeft uitgesproken over morele kwesties. Maar nee dus, zij waren geen gespreksdeelnemers. Het was ook niet verwonderlijk dat de vraag op niets uitliep. De man die het gesprek meermaals met zijn geschreeuw had verstoord, stelde de retorische vraag of Saddam Hoessein dan geen schurk was. Ik antwoordde dat Saddam altijd een despoot is geweest en dat het daarom ook zo verwerpelijk was dat Washington hem tot enkele maanden voor de invasie van Koeweit financieel en militair had gesteund, twaalf jaar nadat Koerdische burgers in Halabja waren vergast. In 1994 meldde de Senaats Commissie voor het Bankwezen dat het ministerie van Handel de levering had opgespoord van ‘biologische grondstoffen,’ dezelfde grondstoffen die nadien door de VN inspecteurs werden gevonden en vernietigd. Deze Amerikaanse verschepingen gingen tot tenminste november 1989 door. Een maand later autoriseerde president Bush senior nieuwe leningen aan zijn bondgenoot Saddam om zo ‘de Amerikaanse exporten te verhogen,’ aldus de verklaring destijds van het ministerie van Buitenlandse Zaken. En dat terwijl een onderzoeksteam van de Senaats Commissie Buitenlandse Betrekking al in 1988 een ‘overweldigende hoeveelheid bewijsmateriaal’ had aangetroffen ‘van het op grote schaal inzetten van chemische wapens tegen burgers.’ De commissievoorzitter, senator Claiborne Pell, die nadien de Preventie van Genocide wet introduceerde, noemde het lijdzaam toezien ‘terwijl mensen worden vergast’ een daad van ‘medeplichtigheid,’ even verwerpelijk als het wereldwijde zwijgen ‘toen Hitler een campagne begon dat culmineerde in de bijna volledige uitroeiing van Europese joden.’ Hij waarschuwde dat ‘wij niet opnieuw stil kunnen zijn over genocide.’ De wet die unaniem door de Senaat was aanvaard, werd vervolgens gesaboteerd door het Witte Huis, waardoor het nooit van kracht werd. De nu alom als groot staatsman geprezen president Reagan was namelijk fel tegen het invoeren van sancties om Saddam te dwingen de mensenrechten te respecteren. En ‘The Great Communicator,’ die volgens Bush senior ‘nooit laaghartig [was] en altijd een geweldig voorbeeld [stelde],' zette zijn steun aan Saddam onverminderd voort. Maar dat soort informatie beviel de hevig gebarende man kennelijk niet, want nog voor het einde van het gesprek marcheerde hij woedend de Theaterzaal uit. Na afloop van de bijeenkomst vertelde een van de organisatoren dat de opgewonden man Trouwjournalist Yoram Stein was, en dat enkele aanwezigen haar hadden gevraagd Stein te verzoeken niet door het gesprek heen te schreeuwen of de zaal te verlaten. Ik sprak nog met wat studenten die me bedankten voor mijn deelname omdat ze veel van de feiten die ik had gegeven niet kenden en ze bovendien blij waren dat ik geprobeerd had het gesprek niet in vrijblijvende abstracties te laten verzanden.

De daaropvolgende maandag verscheen in Trouw een verslag van de discussie, waarin Yoram Stein mij onder andere de volgende woorden in mond legde: ‘de terroristen [zijn] nog eigenlijk mild geweest. Amerika had erger verdiend,’ daarmee het beeld oproepend dat ik terrorisme goedkeur. Omdat ik bovendien niet het risico wilde lopen om ‘als terroristenvriend’ geen visum voor de VS te krijgen, eiste ik in een email gericht aan de hoofdredacteur van Trouw een onmiddellijke rectificatie en excuus in de krant en op de website. Ik wees de hoofdredacteur Frits van Exter erop dat in het recente verleden de VS kritische buitenlandse journalisten een visum heeft geweigerd en dat ik voor het schrijven van een boek nog enkele deskundigen in Amerika ging interviewen. Na nog wat druk te hebben moeten uitoefenen, verscheen de volgende dag onder het kopje ‘FEILEN’ een rectificatie in Trouw met als laatste woorden: ‘Onze excuses aan betrokkene,’ die ik - grootmoedig als ik ben - bij deze accepteer. De vraag is alleen waarom Yoram Stein juist deze woorden in mijn mond had gelegd? Ik wilde hierover opheldering, vooral ook omdat de journalist van Trouw het debat niet gehaast in een notitieboekje had opgeschreven, maar volgens de hoofdredacteur op een geluidsband had opgenomen, die Stein in alle rust had kunnen afluisteren. Ondanks mijn herhaald verzoek bleef Van Exter een antwoord hierop schuldig. Begrijpelijk ook, want de enige verklaring voor deze vorm van verslaggeving is dat het geen journalistiek is, maar ideologie. Het is ook geen op zichzelf staand incident. Vooral de redactie van het Trouw katern ‘De Verdieping’ werpt zich al langere tijd op als de zelfbenoemde bewakers van het ‘bedreigde’ joods/christelijke erfgoed. Niet verwonderlijk als men weet dat op de identiteit van de krant toezicht wordt gehouden door de Stichting ter Bevordering van de Christelijke Pers in Nederland. Dat leidt tot een journalistiek waarbij de mening aan het feit voorafgaat. Dat meningen belangrijker zijn dan de feiten werd medio 2003 bevestigd door hoofdredacteur Van Exter zelf. In een interview met ‘Extra,’ een kritisch maandblad over de massamedia, zei hij: ‘Soms, moet je wel kiezen.’ Zo rechtvaardigde hij de partijdige berichtgeving van zijn krant over de Amerikaanse inval in Irak, waarbij zelfs werd opgeroepen om de Amerikaanse bezetting te steunen, vanwege de massavernietigingswapens waarover Saddam zou beschikken. Vanaf dat moment werd een kritische verslaggeving terzijde geschoven. ‘Het ging om het ene woord tegenover het andere woord, over de vraag of er wapens in Irak zouden zijn,’ en dus koos Trouw voor de geloofwaardigheid van Powell’s betoog in de VN, waarbij hij ‘bewijzen’ presenteerde die niet op feiten waren gebaseerd, zoals de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken inmiddels heeft toegegeven. Van wie Trouw moest kiezen blijft onbeantwoord of het moet Van Exter’s opmerking zijn dat journalisten ‘een belangrijk onderdeel van die samenleving uit[maken]’ en ‘dat de aandacht van de media natuurlijk voor een belangrijk deel gestuurd wordt… door de politieke machten… Dat geldt voor de nationale politiek, maar natuurlijk ook voor de internationale politiek… Het heeft voor een deel te maken met de vluchtigheid van het medium. Deels ook volgen de media elkaar, sommige zijn dominanter, en andere lijden aan kuddegedrag… Als je volgend bent, dan betekent dat als een autoriteit, of iemand die gekozen is om een bepaald gezag uit te oefenen, zegt “ik vind dit een belangrijk onderwerp, daar gaan we nou es wat aan doen,” dat je dat ook bekijkt. De dingen waar hij (sic) het niet over heeft, die volg je dus minder… het werkt voor een deel reflexmatig. Reflexen zijn het, je bent daar geconditioneerd in.’ Het reflex van een letterknecht, die het als zijn taak ziet om de al dan niet geheime agenda van autoriteiten aan het grote publiek te verkopen. Van het werkelijk controleren van de macht door de massamedia is dan ook geen sprake. Niets nieuws onder de zon; iedere serieuze journalist weet dat Van Exter gelijk heeft.

Al in de jaren twintig van de vorige eeuw had de befaamde Amerikaanse columnist Walter Lippmann geschreven dat journalisten als ‘gespecialiseerde klasse’ de taak hebben om de ‘gemeenschappelijke belangen… die voor het overgrote deel de publieke opinie ontgaan’ zo te presenteren dat ze door de massa aanvaard werden, waarbij natuurlijk de ‘gemeenschappelijke belangen’ vooral de rijken dienden. Met andere woorden: de media moesten de visie van de machtigen propageren. De toonaangevende Lippmann, een fervent adept van de imperialistische presidenten Theodore Roosevelt en Woodrow Wilson, was uiterst sceptisch over de mogelijkheid van een ware democratie in een complexe moderne samenleving. Het gewone volk kon zijn eigen belangen niet zomaar gaan formuleren, want dan zou het een chaos worden. ‘Het publiek moet zijn plaats weten,’ zodat ‘verantwoordelijke mensen… niet gestoord door het gestamp en het gebrul van een verbijsterde kudde’ hun beleid kunnen bepalen. De enige ‘functie’ in een democratische samenleving van ‘onwetende en bemoeizuchtige buitenstaanders’ was die van ‘geïnteresseerde toeschouwers.’ Zij mochten tijdens verkiezingen hun stem geven aan - door coöptatie gekozen – beleidsbepalers en verder niets. Om dit proces mogelijk te maken moest de pers worden gebruikt. Zij was verantwoordelijk voor ‘het fabriceren van consensus… een zelfbewuste vaardigheid en standaard instrument van een regeringen die namens het volk besturen.’ Keer op keer onderstreepte Lippmann het belang dat journalisten de juiste ‘reflexen’ ontwikkelden en voldoende ‘geconditioneerd’ zouden worden waardoor ‘de aandacht van de media natuurlijk voor een belangrijk deel gestuurd’ kon worden ‘door de politieke machten.’ Hij besefte de propagandistische waarde van een gecontroleerde pers, die er diep van doordrongen is dat ze ‘moet… kiezen.’ Als lid van Wilson’s Commissie voor Publieke Informatie, speciaal in het leven geroepen om de oorlogspropaganda te coördineren, was hij erin geslaagd de sentimenten zo te bespelen dat de Amerikaanse bevolking deelname aan de Eerste Wereldoorlog uiteindelijk accepteerde. Maar niet alleen Lippmann, die onder president Wilson als assistent van de minister van Oorlog diende, was zo negatief over de wenselijkheid van een echte democratie. Het was de heersende opvatting in brede kringen van de Amerikaanse elite. Zo verklaarde Robert Lansing, minister van Buitenlandse Zaken onder president Wilson, dat de grote massa van de bevolking ‘onwetend en geestelijk onvolwaardig’ was en dus via de pers in de juiste richting gemanipuleerd moest worden. En ook Reinholdt Niebuhr, hoogleraar Praktische Theologie uit New York, de ‘officiële theoloog van het establishment,’ waarschuwde voor ‘de domheid van de gemiddelde mens… het proletariaat,’ die niet de rede volgde maar het geloof en daarom door de media gevoed moest worden met ‘emotioneel krachtige oversimplificaties,’ die dienden om de ‘noodzakelijke illusie,’ in stand te houden. De illusie dat de VS een echte democratie was, waarbij iedere burger in alle vrijheid de politieke koers van zijn land bepaalt. Volgens deze vooraanstaande adviseur van degenen die ‘de verantwoordelijkheden van de macht onder ogen zien,’ moest dit een ‘noodzakelijke illusie’ blijven, wilde tenminste de economische en politieke elite ongestoord haar werk kunnen doen, wat in de praktijk neerkwam op het uitbuiten en onderdrukken van het ‘proletariaat’ dat wereldwijd ‘onwetend en geestelijk onvolwaardig’ was. Het volk moest door de media gedisciplineerd worden en gedirigeerd, anders zou de Westerse beschaving ten onder gaan, zo vreesde Niebuhr. Het resultaat van deze strategie is niet uitgebleven, want ondanks of beter nog dankzij de overvloed aan massamedia is de constatering van de Britse auteur John Berger correct dat ‘er grote delen van de... arbeiders en middenklasse bestaan die zich niet helder kunnen uitdrukken als gevolg van de grootscheepse culturele deprivatie. De middelen om datgene wat ze weten te vertalen in gedachten is hen ontnomen… Ze bezitten geen voorbeelden die ze kunnen volgen, waarbij woorden ervaringen duidelijk maken.’ Een avondje televisie kijken en men weet wat Berger bedoeld. ‘Wat kan er, uitgezonderd halve waarheden, grove simplificaties of onbenulligheden, overgebracht worden aan dat halfgeletterde massale gehoor, dat… overal de voorstelling mag bijwonen?’ zo schreef de hoogleraar George Steiner, die aan Yale en Oxford doceerde. Op zijn beurt noemt de auteur Milan Kundera journalisten ‘termieten van de reductie,’ die ‘over de hele wereld dezelfde simplificaties en clichés uit[strooien], waarvan mag worden verwacht dat ze door de meerderheid zullen worden aanvaard, door allen, door de hele mensheid.’ Iedereen die deze consensus verbreekt, iedereen die weigert de rol van propagandist te spelen, vormt per definitie een bedreiging en moet dan ook met alle wapens bestreden worden. Dit verklaart ook waarom Yoram Stein mij woorden in de mond legde. Hij was niet geïnteresseerd in wat ik gezegd had, maar in welk beeld hij van mij kon oproepen. Hij verzon gewoonweg een citaat om me te kunnen afschilderen als iemand die van mening is dat ‘de terroristen nog eigenlijk mild zijn geweest. Amerika had erger verdiend,’ daarmee het beeld oproepend dat ik terreur toejuich. Nogmaals: deze werkwijze is geen journalistiek, het is ideologie. Het is een poging om publiekelijk iemands integriteit te vernietigen teneinde hem of haar politiek kalt te stellen. Het was die andere ‘Great Communicator’ Joseph Goebbels die ooit eens verklaarde: ‘Wij spreken niet om iets te zeggen, maar om een bepaald effect te bereiken.’

Meer over het ‘Groot Amerika Debat’ in de volgende aflevering.


terug