Cowboys en propagandaslagen

Twaalf jaar geleden bezocht ik in gezelschap van Anneke Jos Mouthaan van 'Een Ander Joods Geluid' en IsraŽlische vredesactivisten de bezette gebieden. Terwijl we in Gaza-stad met een Palestijnse kinderen spraken schoten IsraŽlische militairen zonder aanleiding op onze groep. Nadat ik in een uitzending van de Humanistische Omroep Stichting de opnamen van de schietpartij had laten horen, werd ik in Trouw door een pro-Israel lobbyist beticht van antisemitisme. Ik had dat niet mogen uitzenden. Tijdens het begin van de tweede intifadah, in oktober 2000, was ik voor de VPRO-Radio op de Westoever en zag nabij Ramallah op enkele meters afstand van me hoe een dertienjarig Palestijns kind door een militaire scherpschutter met een hoge snelheidskogel door zijn rechteroog werd geschoten en stervende werd afgevoerd. Van zelfverdediging was geen sprake, de IsraŽlische soldaat schoot vanuit de bovenste verdieping van een hotel op een afstand van tenminste 400 meter. De journaliste Amira Hass van de IsraŽlische kwaliteitskrant Ha'aretz, die in tegenstelling tot de Nederlandse correspondenten op de Westoever woont, interviewde een van de sluipschutters. 'Wanneer de officieren te velde de scherpschutters opdracht geven te vuren, dan is de intentie om het hoofd te raken, want als hij schiet, doet hij dat om te dodenÖ Er zijn zelfs gewone soldaten die een rubber kogel afschieten maar een echte kogel ervoor plaatsen - dat verhoogt de kracht. Meestal doodt hetÖ Twaalf jaar en ouder mogen we neerschieten,' aldus de IsraŽlische militair. Hij gaf overigens toe dat het moeilijk is om leeftijden te schatten. 'De richtlijnenÖ veranderen elke dag, soms zelfs meermalen per dag. Wanneer er aan IsraŽlische zijde doden vallen, mogen wij meer schieten.' Over het aantal Palestijnse doden zei hij: 'Zes per dag is normaal, het kunnen er ook veel meer zijn.' Het alleen verwonden van kinderen wordt doorgaans als ondoeltreffend beschouwd, want 'verwondingen hitsen de gemoederen veel meer op.' Bij mijn terugkeer in Nederland schreef ik in Vrij Nederland dat het bijna vijf weken duurde voordat het NOS-Journaal voor het eerst meldde dat 'de Palestijnen de IsraŽlische militairen er al vaak van hebben beschuldigd dat ze schieten met het doel mensen te doden.' Kennelijk was die beschuldiging voorheen niet interessant genoeg om te vermelden, laat staan om de correspondent in IsraŽl te vragen zelf polshoogte te gaan nemen. Ik constateerde in mijn artikel dat er sprake was van selectieve berichtgeving. Opnieuw werd ik van antisemitisme beticht, ditmaal door Hans Laroes, adjunct-hoofdredacteur van het NOS-Journaal. Zonder ook maar ťťn door mij en anderen geconstateerd feit te weerleggen, bespeelde hij bij gebrek aan argumenten de sentimenten door te proberen de integriteit van de boodschapper van het slechte nieuws in twijfel te trekken.

Na het verschijnen van het officiŽle Srebrenica-rapport verklaarde de voorzitter van het Genootschap van Hoofdredacteuren, Pieter Broertjes: 'Het NIOD-rapport stelt dat de media teveel moraal, te weinig feiten, teveel standpunten, te weinig analyse en teveel emotie hebben geboden. Dat is nogal een scherp verwijt en ik denk dat we ons dat moeten aantrekken en dat we heel goed moeten kijken naar hoe we onze rol vervuld hebben en dat we in voorkomende gevallen daaruit lessen moeten trekken.' Maar op het moment dat de hoofdredacteur van de Volkskrant deze woorden sprak verviel een deel van de Nederlandse journalistiek weer in haar oude kwaal: te veel meningen, te weinig feiten. Veel over antisemitisme en Palestijnse propaganda, zonder eerst de feiten ter plaatse te geven. Sjifrah Herschberg, een van de drie Radio I-correspondenten in IsraŽl, wist zonder in de verwoeste Palestijnse steden te zijn geweest, al snel te vertellen dat Jenin een propagandaslag was, en dat het IsraŽlische leger niet wilde dat de Palestijnse lijken 'lekker' op straat bleven liggen, zonder overigens duidelijk te maken wat daar lekker aan was. En ook NRC- en NOS-Journaal correspondent Joris Luyendijk meldde op 18 april in zijn krant dat 'hoe dan ook het beeld [is] geschapen van een IsraŽlisch bloedbad bij de gevechten in het vluchtelingenkamp bij Jenin. Of het nu waar is of niet, die slag heeft IsraŽl verloren,' om vervolgens een IsraŽlische legerwoordvoerder uitgebreid aan het woord te laten. Zelf was Luyendijk niet ter plaatse geweest, noch in een van de andere gebombardeerde en beschoten bevolkingscentra. Eerder had deze journalist laten weten dat als er ergens geschoten wordt hij er niet naar toe gaat. Kennelijk had hij ook niet de talloze rapportages gelezen van Europese en Amerikaanse waarnemers, van onafhankelijke mensenrechtenorganisaties en vredesgroeperingen, en had hij ook niet de inmiddels vele Palestijnse getuigenverklaringen gehoord. Op 5 april j.l. kreeg de Nederlandse ambassadeur in Tel Aviv een petitie aangeboden ondertekend door 26 Nederlanders, werkzaam in IsraŽl en de Palestijnse gebieden. Daarin werd concreet melding gemaakt van een reeks ernstige schendingen van het humanitaire recht en werd de Nederlandse regering opgeroepen tot een 'wapenembargo tegen IsraŽl en onmiddellijke opschorting van het EU-Associatieverdrag' met de joodse staat. Ook daar was Luyendijk niet bij aanwezig, noch enig andere Nederlandse correspondent. Hij was er als verslaggever ook niet bij toen op woensdag 3 april enkele duizenden IsraŽlische en westerse vredesactivisten naar Ramallah vertrok om de belegerde bevolking daar voedsel en medicijnen te overhandigen. Een humanitaire actie die al snel beantwoord werd met geweld van het IsraŽlisch leger en de politie. Aangekomen bij een militaire wegversperring werden de demonstranten zonder aanleiding bestookt met stun grenades en werd er gericht op hen geschoten met gasgranaten. Een groep vrouwen die uit voorzorg als een levende muur tussen de militairen en de demonstranten stond kreeg daarbij de volle laag. Onder hen waren enkele oude joodse dames die het kamp hadden overleefd en nu door de gaswolken heen moesten vluchten. Vervolgens deed de politie een uitval en sloeg de menigte uiteen. Vredesactivisten die bewusteloos op straat liggende gewonden hielpen werden ingesloten en mishandeld. Een scherpschutter die op een militaire wachtpost lag, schoot af en toe over de hoofden van de demonstranten heen. Een van hen verklaarde naderhand: 'Dit is illustrerend. Als men al zo optreedt tegen de eigen bevolking kun je je voorstellen hoe gewelddadig men tegen de Palestijnen in bezet gebied tekeer gaat.' En ook was Luyendijk niet aanwezig bij een persconferentie van acht internationale mensenrechtenorganisaties die op zondag 7 april in Oost-Jeruzalem een persconferentie gaven, waarbij Amnesty International mede namens Human Rights Watch en de Internationale Commissie van Juristen de wereldgemeenschap opriep de gerapporteerde mensenrechtenschendingen ogenblikkelijk te onderzoeken omdat niet alleen in Jenin maar ook overal elders in belegerd gebied 'burgers onwettig zijn gedood en er berichten zijn over buitengerechtelijke executiesÖAmbulances zijn beschoten en medisch personeel en journalisten zijn het doelwitÖ Het IsraŽlische leger heeft moedwillig huizen vernietigd, auto's en gebouwenÖ en er zijn berichten over plunderingen. De kantoren van mensenrechtenorganisaties zijn met geweld binnengedrongen door het IsraŽlische leger dat dossierkasten leeggeroofd heeft en computers heeft stukgeslagen,' aldus Amnesty in een Urgent Action-oproep. Twee dagen eerder had het Internationale Rode Kruis laten weten haar werk op de Westbank nagenoeg te moeten staken omdat de IsraŽlische strijdkrachten op medisch personeel en ambulances schoten. Ambulancepersoneel in Nabloes, Bethlehem en Ramallah was beschoten op het moment dat ze zwaar gewonde Palestijnen op straat probeerden te verzorgen, waardoor de slachtoffers doodbloedden. 16 april berichtte oorlogsverslaggeefster Janine di Giovanni van de Londense Times vanuit het vluchtelingenkamp in Jenin: 'De vluchtelingen die ik de afgelopen dagen heb geÔnterviewd terwijl ik probeerde het kamp binnen te komen logen niet. Integendeel, zij onderschatten de slachting en de verschrikking. In meer dan een decennium oorlogsverslaggeving vanuit BosniŽ, TsjetsjeniŽ, SiŽrra Leone, Kosovo heb ik zelden een dergelijke moedwillige verwoesting, zulk een gebrek aan respect voor het menselijk leven gezien. Dit was niet alleen een stad van vechters, zoals de IsraŽlische soldaten me vertelden. Het was een stad van vrouwen, kinderen en bejaardenÖ Amnesty International heeft tot een onmiddellijk onderzoek opgeroepen naar "het vermoorden van honderden Palestijnen," daarbij stellend dat cruciaal bewijsmateriaal vernietigd zou kunnen worden aangezien IsraŽl "doorgaat de toegang te verhinderen."' En ook de gerenommeerde buitenlandse media, van de Britse Observer tot de Amerikaanse Washington Post lieten getuigen aan het woord. Maar niets daarover in het interview van Joris Luyendijk vanuit het door IsraŽl geannexeerde Oost-Jeruzalem. 'Het IsraŽlische leger mag het verzet in de Palestijnse stad Jenin hebben gebroken en het vluchtelingenkamp controleren, maar de propagandaslag om Jenin heeft het verloren,' is zijn mening. 'Tegen de tijd dat de feiten bovenkomen, is de nieuwscaravaan alweer vertrokken,' meent de correspondent. 'Ook de massaal bekeken Arabische satellietstations presenteren geruchten en beschuldigingen als feit.' Maar omdat hijzelf niet op zoek ging naar de feiten, bleef Jenin voor hem een propagandaslag. Hij sprak ook niet met VN-vertegenwoordigers die tijdens transporten van voedsel en medicijnen door het IsraŽlische leger werden beschoten. En hij las kennelijk ook niet de verklaring van Defence for Children International, op 2 april voorgelezen tijdens de 58ste Sessie van de VN Commissie voor Mensenrechten, waarin het gedocumenteerde feit staat dat sinds september 2000 meer dan 230 Palestijnse kinderen door IsraŽlische militairen en kolonisten zijn gedood, meer dan 7000 gewond zijn geraakt, velen van hen lichamelijk of geestelijk gehandicapt door het leven zullen moeten, meer dan 700 kinderen gearresteerd zijn, sommigen van hen gemarteld worden, en tienduizenden anderen getraumatiseerd zijn door de militaire aanvallen op hun huizen en gemeenschappen. Veel van deze feiten zijn oorlogsmisdaden, aangezien het ernstige schendingen zijn van de Vierde Geneefse Conventie. Ondertussen schildert Joris Luyendijk deze volksopstand in het NOS-Journaal af als een strijd tussen twee oude 'cowboys' die elkaar in een saloon met vuurwapens te lijf gaan. Een merkwaardige vergelijking als we weten dat het op vier na sterkste leger ter wereld met helikopters, F-16's, tanks etc. enkele honderden mannen met halfautomatische geweren aanvalt. Overigens zijn deze verzetsstrijders volgens het internationaal recht geen terroristen. Elk volk mag zich tegen een agressor verdedigen. Maar het cowboyverhaal past naadloos in het clichťbeeld. Waar twee vechten zijn twee fout. Deze versimpelde voorstelling van zaken werkt als fastfood voor wie de feiten en de context niet kent.

Waar het om gaat is dat IsraŽl in strijd met het internationaal recht en alle betreffende VN-resoluties al 35 jaar het land van een ander volk bezet houdt. Elke bezetting berust op repressie en dus op geweld, elke repressie roept verzet op, elk verzet veroorzaakt nog meer repressie tot uiteindelijk degene die onderdrukt wordt uit wanhoop een wandelende bom wordt die probeert zoveel mogelijk vijanden te vernietigen. Voor die onvermijdelijke ontwikkeling waarschuwde me al een decennium geleden Yehoshafat Harkabi, het voormalige hoofd van de IsraŽlische Leger inlichtingen Dienst. Daarom pleitte hij voor een algehele terugtrekking van IsraŽl uit de bezette gebieden en voor de stichting van een Palestijnse staat. Maar zijn heldere analyse verdwijnt maar al te vaak achter de vertekenende beelden van 'cowboys' en 'propagandaslagen.' Opmerkelijk is ook dat juist Joris Luyendijk ineens de IsraŽlische legervoorlichting interviewde en niet NRC-correspondent Salomon Bouman. Eerstgenoemde verzorgt voor verschillende Nederlandstalige media de berichtgeving over ongeveer 200 miljoen Arabieren. Bouman daarentegen bericht sinds jaar en dag over slechts 4,5 miljoen joods-IsraŽli's en citeerde in het verleden moeiteloos de woorden van legerwoordvoerders alsof ze vaststaande feiten betroffen. Zo meldde hij op woensdag 24 oktober 2001 via Radio 1 het volgende: 'Met de arrestatie van twee daders van de aanslag op de IsraŽlische minister van Toerisme Rahavem Ze'evi is voor premier Ariel Sharon de weg vrijgekomen om het IsraŽlische leger eervol uit de Palestijnse steden terug te trekken.' De volgende dag schreef hij in NRC: 'De IsraŽlische veiligheidsdiensten maakten gisteren bekend dat twee handlangers van de twee moordenaars van deze minister zijn gearresteerd.' Inmiddels waren de daders gedegradeerd tot handlangers, maar nog steeds waren ze geen verdachten, journalistiek en juridisch het enige juiste woord. Nu, een half jaar later blijft het IsraŽlische leger Arafats hoofdkwartier belegeren omdat de verdachten van de moord op Ze'evi in zijn kantoor zitten. Het 'eervol' terugtrekken is ook saillant. Na de moord op deze minister, die overigens een fervent pleitbezorger was voor het etnisch zuiveren van Groot-Israel, viel het leger het Palestijnse dorp Beit Rima binnen en voerde daar volgens getuigen enkele standrechtelijke executies uit. In tegenstelling tot Salomon Bouman, die veilig in Tel Aviv bleef, ging Peter Beaumont, buitenlandredacteur van de Britse Observer op onderzoek uit en sprak onder andere dr. Peter Qumri, geneesheer directeur van het hospitaal. 'Qumri stelde een lijst van dodelijke slachtoffers samen. "Ze zijn allen gedood door schoten in het hoofd, de nek en de borstkastÖ Ze schieten om te doden," zei hij, "ongeacht of ze het doelwit kunnen identificeren." Hij liet ons het ziekenhuis zien en wees op de muren waar twee granaten van IsraŽlische tanks waren geŽxplodeerd,' aldus Beaumont's verslag in de Observer. Maar geen woord hierover van de kant van Bouman. Geen woord ook over een opmerkelijk bericht in Ha'aretz. Daarover schrijft Beaumont: 'Volgens Ha'aretz werd de inval op Beit Rima al twee weken voor de moord op Ze'evi geplandÖ Het vermoeden rijst dat Beit Rima eruit is gepikt om geen andere reden dan dat het een makkelijk doel was voor de IsraŽlische strijdkrachten om een dodelijk voorbeeld te geven. De volgende keer - is de expliciete waarschuwing - zal de Palestijnse staat het doelwit zijn, niet slechts een dorpje.' En zoals nu gebleken is had Beaumont het bij het rechte eind. 'In de negen dagen durende militaire operatie sinds Ze'evi's dood, tegen zes Palestijnse steden - en Beit Rima - hebben de IsraŽlische politici en hoge legerofficieren hoog opgegeven over hun succes. Dertig mensen zijn gedood, zo claimen ze - veertig volgens andere cijfers. De meerderheid van hen, zo zeggen ze, waren "terroristen." Onder die "terroristen" bevonden zich tenminste zestien ongewapende burgers - onder wie vier vrouwen en vijf kinderen. In Ramallah en in Bethlehem, In Tulkarem, Jenin, Kalkilya en Beit Rima zijn het gewone burgers die een wrede les krijgenÖ en gestraft worden louter alleen omdat ze bestaan,' aldus Beaumont. En vanaf maart van dit jaar was de wereld opnieuw getuige van militaire wreedheden, zoals het vanuit de lucht bombarderen van dichtbevolkte vluchtelingenkampen. En opnieuw plunderde het IsraŽlische leger huizen en banken, zoals onder andere Christiane Amanpour op CNN liet zien. Maar opnieuw ook dreigen de feiten in een deel van de Nederlandse media te verdwijnen achter meningen. Terwijl in de bezette gebieden de IsraŽlische terreur voluit in gang was, sprak NRC-redactrice Carolien Roelants met Khader Shkirat, directeur van LAW, de door Nederland financieel gesteunde Palestijnse mensenrechtenorganisatie, die al een decenniumlang gedocumenteerd over de IsraŽlische schendingen van het humanitair recht rapporteert. Zeven kolommen tekst, vijftien vragen, waarvan zeven over de Palestijnse zelfmoordaanslagen. Hoewel Shkirat verklaarde de aanslagen niet te rechtvaardigen, bleef Roelants op dit onderwerp doorhameren. Shkirat probeerde een verklaring te geven voor die aanslagen, met als enige resultaat haar vraag: 'Dus u kunt zelfmoordterrorisme rechtvaardigen?' Geen enkele vraag stelde de NRC-redactrice over bijvoorbeeld de grove schendingen van de Vierde Geneefse Conventie door IsraŽl. In de feiten die de directeur van LAW had willen vertellen en de reden was van zijn bezoek aan Nederland, bleek ze niet geÔnteresseerd. Een week later, het IsraŽlische leger is op dat moment volgens internationale getuigen druk bezig de sporen van oorlogsmisdaden uit te wissen, stelt deze NRC-redactrice op de voorpagina van haar krant zich de vraag of hier nu sprake is van 'Anti-Israel of antisemitisch.' Hoe moeten wij 'de verklaring van leden van het comitť voor de Nobelprijs voor de vrede,' duiden 'dat de IsraŽlische minister van Buitenlandse Zaken Shimon Peres zijn Nobelprijs moet worden afgenomen.' En wat te denken van 'de veroordeling door de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties in Geneve van het "massaal doden" door IsraŽl van Palestijnen bij de militaire operatie bij Jenin.' Intussen weten we dan al wel dat volgens dezelfde Peres de strijd bij Jenin een 'slachting' was. Een paar dagen later, op 20 april - het IsraŽlische leger is nog steeds bezig in Jenin - krijgt de NRC-lezer de ultieme mening gepresenteerd. Onder de kop 'De Tweede Holocaust' wordt een artikel van de Amerikaan Ron Rosenbaum als volgt ingeleid: 'De vraag is niet ůf de tweede holocaust zal komen, maar wanneer. En opnieuw zullen Europeanen bereid zijn tot medeplichtigheid aan moord op de joden.' En zo zijn we stapsgewijs van kritiek op oorlogsmisdaden via antisemitisme in de tweede holocaust beland. De naakte feiten zijn vervangen door suggestieve meningen om elke terechte kritiek te criminaliseren en daarmee monddood te maken. Vorig jaar publiceerden 220 joodse Zuid-Afrikanen een zogeheten 'Gewetens-Verklaring', waarin zij de IsraŽlische behandeling van de Palestijnen op ťťn lijn stelden met de onderdrukking van de zwarte bevolking tijdens het apartheidsregime. Oktober 1981 omschreef Nahum Goldman, van 1955 tot 1968 president van de World Zionist Organisation het als volgt: 'We zullen moeten begrijpen dat het joodse lijden tijdens de holocaust niet langer meer als verdediging zal dienen, en we zullen zeker moeten nalaten de holocaust als argument te gebruiken om gelijk wat we ook mogen doen te rechtvaardigen. De holocaust gebruiken als een excuus voor het bombarderenÖ is een soort "ontheiliging", een banalisering van de onschendbare tragedie van de holocaust, die niet misbruikt moet worden om een politiek twijfelachtig en moreel onverdedigbaar beleid te rechtvaardigen.'

Ik heb de berichtgeving in NRC als voorbeeld genomen niet omdat ik de pest aan de krant heb, geenszins, maar omdat het exemplarisch is voor de Nederlandse neiging om te menen dat als twee vechten, twee fout zijn. Onlangs werd Joris Luyendijk gelauwerd met het gouden pennetje voor zijn neutrale houding, een houding waar de Nederlanders zo prat op gaan. Maar die houding komt voort uit dezelfde neutrale consequentieloze mentaliteit die tijdens de tweede wereldoorlog ertoe leidde dat procentueel meer joden uit het liberale Nederland werden gedeporteerd dan uit welk bezet Europees land dan ook. Nog voordat er een oekaze van de nazi's was uitgevaardigd hadden ambtenaren van het linkse Amsterdamse gemeentebestuur al lijsten van buurten aangelegd waarin concentraties joden waren aangegeven. En de rechters van de Hoge Raad bleven onder de nazi's zitten, zelfs nadat de president van ons hoogste rechtscollege vanwege zijn joodse afkomst was ontslagen. De meesten keken 'neutraal' de andere kant op toen onder hun ogen genocide werd gepleegd. Onlangs werd ook Sjifrah Herschberg onderscheiden. Ze kreeg een eervolle vermelding van de jury die de Zilveren Reismicrofoon toekent en wel voor haar 'uitgebalanceerde en evenwichtige berichtgeving over het Palestijns-Israelisch conflict,' zoals het zo treffend in het juryrapport staat omschreven. Conflict dus, waar twee vechten zijn twee fout. AD-verslaggever Othon Zimmermann verklaarde over de rol van de media in de Srebrenica-affaire: 'Ik snap best dat het gesimplificeerde beeld van de oorlog de overhand ging voeren. Dat is niet alleen beter te verkopen aan, maar ook makkelijker te snappen voor de lezers.' Opnieuw ontbreekt in een deel van de Nederlandse media de context van het Palestijns-Israelisch 'conflict'. In de week waarin het NIOD-rapport verscheen vond op de Westoever een soortgelijk bloedbad plaats, en opnieuw werden dezelfde fouten gemaakt. Teveel meningen, te weinig feiten, teveel standpunten, te weinig analyse en vooral ook te weinig zelf ter plaatse zijn om de feiten te achterhalen.

Kritiek op de staat IsraŽl heeft niets met antisemitisme te maken, maar alles met respect voor mensenrechten. De vraag is achter welk IsraŽl men staat, het IsraŽl van het extremisme en terrorisme of het IsraŽl van de vredesactivisten en humanitaire organisaties, van de reservisten die weigeren om in de bezette gebieden te dienen en nu in de gevangenis zitten omdat ze niet verantwoordelijk willen zijn voor het plegen van oorlogsmisdaden. Tot nu toe heeft de Nederlandse regering geweigerd om zelfs ook maar een wapenembargo tegen IsraŽl in te stellen, terwijl het toch in de top vijf staat van de landen waarnaar Nederland wapens exporteert. Ondertussen melden Nederlandse burgerwaarnemers van het Autonoom Centrum Amsterdam dat ze Nederlandse wapenonderdelen in het verwoeste Jenin en Nabloes hebben aangetroffen, zogeheten cartridge links van het type M13. De Nederlandse staat gaf exportvergunningen af voor levering van meer dan 13 miljoen van deze schakels aan IsraŽl. Nu de politiek zichzelf buitenspel heeft gezet hebben kerkelijke en humanitaire organisaties en een aantal individuele burgers een kort geding aangespannen om de Nederlandse regering te dwingen zich aan het humanitair recht te houden. De uitkomst is op het moment dat ik dit schrijf nog onzeker. Misschien moeten ook de humanisten hun stem verheffen.

De Humanist, mei/juni 2002

terug