Interview met Chalmers Johnson



In het begin van zijn boek ‘Blowback. The Costs and Consequences of American Empire’ schrijft Chalmers Johnson dat de Verenigde Staten na de Koude Oorlog in plaats van te demobiliseren juist zijn wereldwijd imperium in stand hield en zelfs uitbreidde. Hij verklaart deze ontwikkeling als volgt: ‘Ik denk dat de belangrijkste reden is wat men met een technische term noemt: “Militair Keynesianisme,” waarmee aangegeven wordt dat het militair-industrieel complex, de wapenindustrie, een integraal onderdeel is geworden van de Amerikaanse economie. In toenemende mate fabriceren wij in de Verenigde Staten niet zoveel. We hebben gezien hoe in de afgelopen decennia onze economie ernstig is uitgehold. Daarentegen produceren we wel massaal wapens, een buitengewoon lucratieve zaak, we verkopen ze wereldwijd. Het heeft nagenoeg niets te maken met de defensie van ons land maar alles met de commerciële belangen van de wapenindustrie. Die industrie is buitengewoon wonderlijk, het heeft maar één klant, er bestaat nauwelijks enige concurrentie en het is geen kapitalisme, maar staatssocialisme. Ik ben van mening dat het belangrijkste punt is dat de beleidsbepalers in de Verenigde Staten zich in 1991, ten tijde van de ineenstorting van de Sovjet Unie, zich simpelweg niet konden voorstellen dat hun economie zou groeien zonder door te gaan met het militair-industrieel complex en dus met de wapenindustrie. Meer algemeen gesproken was de Verenigde Staten eraan gewend geraakt een imperium te bezitten en om op elk continent de dienst uit te maken, te geloven dat het praktisch overal bij elk besluit betrokken moest zijn. Tegelijkertijd was het al in 1991 niet langer meer in een economische positie om zijn wereldwijd imperium te handhaven. Desondanks zocht het onmiddellijk na de val van de Sovjet Unie naar en vervangende vijand terwijl het zich dat niet kon permitteren. Eén van kwalijkste aspecten van het besluit om als het ware de Koude Oorlog voort te zetten was het feit dat de Verenigde Staten geen rekening hield met de mogelijkheid dat het dezelfde weg zou opgaan als de Sovjet Unie. Ook wij zijn in steeds grotere problemen geraakt door “imperial overstretch” (dat wil zeggen: het rijk kost meer dan het opbrengt), door een toenemend economisch verval en door de overmatige afhankelijkheid van de wapenindustrie. Daarnaast krijgen we steeds meer te maken met wat de CIA noemt “blowback,” een term daterend uit 1953 toen de Amerikaanse overheid in het geheim betrokken was bij de omverwerping van een democratisch gekozen buitenlandse regering, te weten de Iraanse premier Mohammed Mossadeq die de oliebronnen had genationaliseerd. Blowback betekent de onbedoelde consequenties van geheime buitenlandse operaties. Het is daarbij belangrijk te benadrukken dat het wraakneming betreft voor buitenlandse operaties die volstrekt geheim gehouden werden voor het Amerikaanse publiek, natuurlijk niet voor de slachtoffers ervan. Het resultaat is dat zodra er represailles volgen de Amerikaanse burger volstrekt onvoorbereid is en de gebeurtenissen niet kan zien in termen van oorzaak en gevolg. De aanslagen van 11 september 2001 zijn het duidelijkste voorbeeld daarvan. In plaats van te vragen waarom ze ons haten, had president Bush zich beter kunnen afvragen wie op aarde ons niet haat, en ons haat met goede redenen.

Waar mijn huidige boeken in feite over gaan is de mate waarin de Verenigde Staten een bepaalde macht heeft ontwikkeld die niet toegestaan is in onze bestuursvorm. Het Pentagon, de geheime diensten, de wapenindustrie die totaal verweven is met het Pentagon, zijn machtige instituten die niet meer democratisch gecontroleerd worden. Nagenoeg alles dat ze doen is geheim en ze vergroten de macht van de president enorm. Feiten waarvoor Eisenhower al 45 jaar geleden in zijn presidentiele afscheidstoespraak waarschuwde. Wat we nu zien is vergelijkbaar met de ontwikkeling van het oude Rome. De democratische republiek verandert stap voor stap in een militair imperium. Er is nu sprake van militarisme en niet in de allereerste plaats defensie. Militarisme is een manier van leven, waarbij de strijdkrachten worden verheerlijkt en de natie wordt verheven boven vrijheid en de democratische instituten die de vrijheid moeten garanderen. Bovendien is het gevaar van militarisme dat het instabiel is en net als bij andere imperia bevat het de zaden van zijn eigen vernietiging. Die radicale omslag is door de Koude Oorlog veroorzaakt. Het feit dat de Verenigde Staten na de val van de Sovjet Unie niet demobiliseerde, niet terugkeerde naar een burgerlijke, op vrede gerichte economie toont aan dat het een dekmantel was voor iets fundamentelers, namelijk de poging van Washington om na de Tweede Oorlog een imperium te scheppen dat het Britse rijk zou vervangen. En momenteel hebben we een president en een regering die voor altijd onbeheerste ambitieuze projecten nastreven. President George W. Bush verklaarde zelfs eens dat het zijn taak was om de wereld van boosdoeners te ontdoen, een absurde onderneming die alleen kan eindigen in het definitieve bankroet van de Verenigde Staten. Als grote vijand wordt vandaag de dag nog het islamitisch fundamentalisme gezien, maar geleidelijk aan wordt een nieuwe vijand gecreëerd, te weten China. Tegelijkertijd fabriceert China met zijn lage lonen in toenemende mate onze producten. Zowel de Republikeinse als de Democratische partij zijn volslagen schizofreen over dit onderwerp. De neoconservatieven, de militaristen, waarschuwen voor de opkomst van China, de nieuwe belangrijke macht in Oost Azië met de snelst groeiende economie op aarde, en het bevolkingrijkste land ter wereld. Het moet zonodig militair in bedwang worden gehouden, er worden al militaire oefeningen daarvoor gehouden. Aan de andere kant staan de Fortune500, de belangrijkste Amerikaanse industriële concerns, die bijna volkomen afhankelijk zijn van de Chinese productie. Zo is het grootste handelstekort ontstaan dat ooit door een natie is gemaakt. Bovendien zijn we tot op zekere hoogte ook anderszins volledig afhankelijk van China, het behoort tot de belangrijkste financiers van onze ontzagwekkende staatsschuld. Dit soort zaken hebben de Verenigde Staten in een buitengewoon kwetsbare positie gedrongen. Het is wonderlijk om te claimen een nieuwe Rome te zijn en tegelijkertijd de natie te zijn met de grootste buitenlandse schuld. Onze regering beledigt China regelmatig of provoceert het door bijvoorbeeld het voor de Chinese kust militaire oefeningen te houden met vliegtuigschepen en speciale eenheden, of door het steunen van het Indiase kernwapenprogramma. Het is extreem dwaas van ’s werelds grootste schuldenaar om door te gaan met het beledigen van zijn bankier. Onze bankier mag dan wel op dit moment belang hebben bij het drijvende houden van Amerika, maar dat belang kan snel veranderen. Het feitelijke probleem is dit: in de twintigste eeuw was het fundamentele vraagstuk in de internationale politiek of de gevestigde machten, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, zich konden aanpassen aan de nieuwe machten Rusland, Duitsland en Japan. Zoals we weten konden ze dat niet, en dit leidde tot twee desastreuze wereldoorlogen. De vraag voor de 21ste eeuw is nu of de gevestigde machten daartoe wel in staat zijn, en tot nu toe ziet het er niet goed uit. Onze taak ten opzichte van China is aanpassing, niet omsingeling, niet oorlog. Een oorlog met China zou de machthebbers in Beijing, die zich nu bijna totaal wijden aan de uitbreiding van de commercie, militariseren. En het zou een oorlog zijn die de Verenigde Staten, net als in Vietnam, verliest. Daarom is het speculeren over een oorlog met ’s werelds oudste en bevolkingrijkste samenleving het toppunt van dwaasheid. Ik heb in Hong Kong gewoond en de standaardgrap daar was dat China alleen maar een paar slechte eeuwen had doorgemaakt en dat het nu weer helemaal terug is. En inderdaad, China is terug en we zullen ons daaraan moeten aanpassen. Het Amerikaanse beleid van het sturen van troepenschepen, vliegdekschepen en kruisraketten naar het westelijk deel van de Stille Oceaan is een anachronisme. Het echte vraagstuk is hoe we ons aanpassen aan China als commerciële supermacht en aan de daaruit vloeiende enorme sociale en milieu schade. In plaats van een confrontatiepolitiek te voeren zouden we juist China moeten helpen met zaken die internationale consequenties hebben. Elke economische verandering heeft tegenwoordig wereldwijde gevolgen. Het verplaatsen van banen naar lage lonen landen heeft een ingrijpend effect op de Westerse wereld, want als hier een structurele werkloosheid ontstaat wie kan dan nog de producten kopen die daar worden geproduceerd? Juist dit soort fundamentele problemen leidt tot de ineenstorting van de wereldeconomie. Wie kan zich straks de enorme productiecapaciteit permitteren? Tegenwoordig lenen Amerikaanse burgers geld om auto’s te kunnen kopen die in Mexico zijn gemaakt en waarvoor de Mexicaanse arbeiders geen geld hebben. Het tragische is dat dit onderwerp door onze massamedia wordt behandeld alsof het een technisch economisch vraagstuk is, waarover in een esoterisch jargon wordt bericht. Zo is volgens de Amerikaanse pers ons probleem met China er één van wisselkoersen. De yuan zou ten opzichte van de dollar bewust door Beijing worden ondergewaardeerd waardoor de Chinese arbeid en dus hun producten te goedkoop zijn. Maar die beschuldiging is absurd, want ook al zou de Chinese munteenheid worden opgewaardeerd dan zal dit geen merkbaar effect hebben op de handelsstromen, de Westerse concerns zullen altijd naar de laagste lonen blijven zoeken. Het heeft dus allereerst te maken met onze irrationele economische politiek. Deze merkwaardige handelsstromen die volledig uit balans zijn, het onvermogen van de Amerikanen om zich hieraan aan te passen, hun overconsumptie, die kunnen allemaal niet blijven doorgaan en dat zal ook niet gebeuren. De vraag is alleen welke gebeurtenis dit proces zal veranderen. Het zou kunnen zijn dat de Chinezen en Japanners, die voornamelijk de Amerikaanse schuld financieren, op een bepaald moment besluiten hiermee te stoppen. Het zou de olie kunnen zijn. Sinds Nixon in 1971 de goudstandaard afschafte wordt de waarde van de dollar niet langer meer door goud maar voornamelijk door olie bepaald. Dat komt door de overeenkomst uit 1945 met Saoedi Arabië waarbij Washington de veiligheid van de koninklijke familie garandeerde in ruil voor de toezegging van het regime dat het de olie in dollars liet betalen. Daardoor moeten naties dollars kopen, terwijl ze weten dat het economisch niet verstandig is. Maar dit kan natuurlijk razendsnel veranderen en zou een genadeklap zijn voor de Verenigde Staten.

We moeten ons afvragen of de Verenigde Staten niet zelf een zogeheten schurkenstaat is geworden. We zijn namelijk veranderd in een militaristische natie die leeft van de exploitatie van de rest van de wereld. Kijk naar de ontelbare militaire interventies die de Amerikaanse regeringen in de tweede helft van de twintigste eeuw hebben laten uitvoeren. Eisenhower mag dan wel voor het militair industrieel complex hebben gewaarschuwd, tegelijkertijd was hij de slachter van Guatemala toen hij in 1954 de democratische regering van Guatemala liet omverwerpen. Overal ter wereld bestaat een geweldige wrok tegen de Verenigde Staten, van Latijns Amerika tot Indonesië waar de CIA in 1965 Soeharto aan de macht hielp tijdens een militaire staatsgreep waarbij vele honderdduizenden mensen werden vermoord. De Amerikaanse bevolking is van dit alles nauwelijks op de hoogte. Ze weten nagenoeg niets van wat de CIA allemaal uitspookt en ook niets van de geheime activiteiten van de dertien of veertien andere officiële inlichtingendiensten, die in dienst staan van de president en niet van het publiek en zelfs niet van het Congres. En in toenemende mate zullen we in deze eeuw worden afgerekend op onze buitenlandse misdaden en zal de internationale politiek beheerst worden door de blowback ervan. In mijn boek ‘The Sorrows of Empire’ laat ik zien hoe het militarisme, en de toenemende geheimhouding het einde inluiden van onze democratische republiek. De Verenigde Staten heeft tenminste 725 Amerikaanse militaire bases buiten het eigen grondgebied. In 2001 waren meer dan 250.000 Amerikaanse militairen in 153 landen gestationeerd, verspreid over de gehele wereld, en als we het burgerpersoneel erbij tellen dan was dat aantal meer dan een half miljoen. Dit militarisme is een manier van leven, waaraan we gewend zijn geraakt en dat gevestigde belangen heeft. Het schept banen en dat is ook één van de kenmerkende eigenschappen van het Militair Keynesianisme. Bekend is dat de werkgelegenheid één van de belangrijke aspecten was in de planning na de Tweede Wereldoorlog. Een belangrijke ideoloog van de Koude Oorlog Paul Nitze, directeur van de afdeling Policy Planning van het ministerie van Buitenlandse Zaken, vreesde net als veel toenmalige beleidsbepalers in het begin van de jaren vijftig dat de grote depressie van de jaren dertig zou terugkeren als de Verenigde Staten volledig demobiliseerde. Ze gingen ervan uit dat de economische depressie alleen dankzij de oorlogsproductie was overwonnen en dat op een andere manier volledige werkgelegenheid buitengewoon moeilijk zo niet onmogelijk zou zijn. En dus werd er op gigantische schaal in bewapening geïnvesteerd. Tussen het begin van de Koude Oorlog en het einde van de jaren negentig werd meer dan vijf biljoen dollar uitgegeven aan alleen al nucleaire wapens. Geen enkele daarvan werd ooit gebruikt. Het is een schoolvoorbeeld van de gedachte van de econoom John Maynard Keynes dat regeringen werk moeten schappen, zonodig door het begraven van geld in oude mijnschachten en vervolgens het weer te laten opgraven. Bewapening is een moderne equivalent hiervan. Ondertussen is het vreselijk moeilijk de Amerikaanse bevolking hiertegen te mobiliseren, doordat de massamedia volledig in handen zijn van belangrijke conglomeraten met enorme gevestigde belangen. Mijn vrouw zegt altijd tegen me: verzin nu eens iets optimistisch. Welnu, het enige optimistische dat ik kan zeggen is dat we waarschijnlijk gered worden door een faillissement. En ook in dat opzicht zal het erg veel lijken op de ineenstorting van de Sovjet Unie.

De Humanist juni/juli 2006

terug