Europese en Amerikaanse intellectuelen over geweld: Zuiver aan de zijlijn

Door Ger Groot

Wat is de balans van elf september? Na het succesvolle Amerikaanse militaire optreden, rest de terzijde geschoven intellectuelen de vraag naar de oorzaken van terreur en de rechtvaardiging van staatsgeweld. Kan het zijn dat de wereld zonder de rede soms beter af is?

Er spoelde in de week van de elfde september een golf van ontsteltenis en mededogen over de wereld. Welke kritiek het buitenlands beleid van de Verenigde Staten ook mocht hebben opgeroepen, op dat ogenblik beschouwde menigeen de uiting ervan als inopportuun en ongepast. Het duurde dan ook even voordat de intellectuele discussie in de publieke media op gang kwam en je kunt je afvragen of het niet juist de taak van intellectuelen was geweest van begin af aan boven het sentiment te staan.

Van een dergelijke preutsheid had radio-journalist Stan van Houcke geen last. 'De ontheemden, de machtelozen, de geterroriseerden, de onmondigen slaan terug met terreur,' noteerde hij in zijn dagboek enkele uren na de aanslagen. Het maakt deel uit van zijn zojuist verschenen bundel 11 september. Het keerpunt, waarin behalve zijn dagboek interviews opgenomen zijn met de Britse Midden-Oosten correspondent Robert Fisk van The Independent, de godsdiensthistorica Karen Armstrong, politicoloog Benjamin Barber (schrijver van Jihad vs. McWorld), kernfysicus Frank Barnaby en de lingust en politieke criticus Noam Chomsky, die eerder door radio 747 AM werden uitgezonden.

'Waarom accepteren we de wrede grofheid in het politieke handelen?' noteert van Houcke op 7 november, als de Amerikaanse actie tegen het Talibaan-regime begint, en die vraag vat de inslag van zijn boek goed samen. De grofheid betreft dan het rcksichtslose optreden van de VS in de wereldpolitiek, die volgens Van Houcke de directe oorzaak is van de recente gebeurtenissen. Hij documenteert die politiek uitvoerig, al dan niet bij monde van zijn gesprekspartners, van wie Chomsky het radicaalste standpunt inneemt. Volgens Chomsky is Amerika zlf een rogue state, een schurkenstaat. Het land heeft nooit geschroomd terreurbewegingen te steunen wanneer dat goed uitkwam en is volgens Chomsky het enige land dat ooit door het Internationaal Gerechtshof wegens staatsterreur - in Nicaragua - is veroordeeld.

In zijn vrijwel tegelijkertijd verschenen gespreksbundel 11 sept. Vragen en antwoorden gaat Chomsky uitvoerig in op deze episode uit Amerika's 'terroristische' geschiedenis en stoffeert hij haar met vele andere, van de Indonesische staatsgreep in 1965 tot het bombardement van een farmaceutische fabriek in Soedan in 1998, die de Amerikanen aanzagen voor een laboratorium voor biologische wapens.

De strekking van deze interviews, die Chomsky in de eerste vier weken na de elfde september werden afgenomen en waarin deze zichzelf uitentreure herhaalt, is duidelijk. In plaats van een militair antwoord te geven had de VS zich, net als Nicaragua, moeten wenden tot het Internationaal Gerechtshof om de uitlevering van Osama Bin Laden te vragen. Dt OBL terecht moet staan, is voor Chomsky duidelijk. Meermalen spreekt hij over 'de grootste terroristische aanslag die ooit in vredestijd is gepleegd'. Hij zou vermoedelijk vreemd hebben opgekeken van de woorden van de Nederlander Willem Oltmans in diens zojuist verschenen pamflet Not guilty (Papieren Tijger): 'Bin Laden vecht een bevrijdingsoorlog uit, zoals wij in Nederland tegen de nazi's deden.' In plaats van terrorisme onschuldig te maken, wijst Chomsky op het terroristische karakter van het ogenschijnlijk onschuldige: de Amerikaanse politiek.

Hij kan daar op zichzelf gelijk in hebben, maar verliest wel de harde werkelijkheid van de internationale politiek uit het oog. Wie vraagt of de Verenigde Staten door een dergelijk principieel, maar zachtmoedig antwoord als grootmacht niet ongeloofwaardig zouden worden, krijgt van Chomsky, tijdens een rede die dit boek niet meer heeft gehaald, de raad advies in te winnen bij de plaatselijke mafiabaas: 'He'll explain to you what credibility means.'

En daarmee zijn we terug bij de eerdere vraag: 'Waarom grofheid accepteren in de politiek?' Van Houcke bedoelt die vraag retorisch, maar ze moet wel degelijk worden gesteld. Want, zo moet ook Chomsky toegeven, meestal wrkt die grofheid wel. Ze ligt ten grondslag aan een langdurige buitenlandse politiek, waarvan de beginselen vlak na de Tweede Wereldoorlog door George Kennan werden vastgelegd en die Chomsky kort samenvat: 'We moeten ophouden te spreken over vage en [...] imaginaire doelstellingen als mensenrechten, het verhogen van de levensstandaard en democratisering. De dag is niet veraf dat we in pure machtsconcepten moeten handelen. Hoe minder we daarbij gehinderd worden door idealistische slogans, des te beter het is.'

Hoe constant deze factor in de Amerikaanse buitenlandse politiek is, viel luttele dagen na de aanslagen af te lezen aan een stuk van de journalist Robert Kaplan in Trouw. 'Om de mogelijkheid te vergroten dat Amerika in de komende decennia een dominante machthebber blijft, [...] zal men het militaire apparaat voortdurend moeten aanpassen aan nieuwe vormen van oorlogvoering', schrijft Kaplan in het stuk, dat is opgenomen in het Trouws dossier Grenzeloze haat. 'Amerika zal in toenemende mate goedaardige dictatoriale regimes tolereren als dat het land helpt in zijn nieuwe strijd, en daar schuilt dan niets amoreels of cynisch in. Want op de lange termijn zal de wereld beter af zijn met een Amerikaanse bevolking die zich veilig voelt.'

Tussen deze twee extremen heeft het intellectuele debat zich in de drie maanden na de elfde september afgespeeld. Daarbij ging het niet altijd zachtzinnig toe, zoals de Indiase schrijfster Arundhati Roy moest ervaren. In een fel stuk in The Guardian plaatste zij vraagtekens bij de Amerikaanse bewering dat de aanslagen gericht waren tegen de vrijheid, democratie en vooruitgang zelf. Was niet eerder de Amerikaanse hypocrisie, die zich voor eigen gebruik op deze waarden beriep maar weigerde die over de landsgrenzen, en dan vooral in de Derde Wereld, te verbreiden, de oorzaak daarvan? zo vroeg ze zich af.

Het kwam haar in Le Nouvel Observateur op een uitbrander van hoofdredacteur Jacques Julliard te staan, precies op het moment waarop zij aan de Parijse Sorbonne de jaarlijkse prijs van de Acadmie universelle des cultures in ontvangst mocht nemen. Nog heftiger waren de reacties, toen de London Review of Books begin oktober een reeks korte reacties van intellectuelen afdrukte. Vooral de opmerking van de classica Mary Beard, dat veel mensen meenden dat zoiets er 'voor de VS zat aan te komen', moest het ontgelden. 'Als ik nog eens in Engeland kom, zal ik jullie op kantoor opzoeken en jullie getikte linkse koppen in de hondenpoep drukken', brieste een zekere Todd Ojala per e-mail vanuit Amerika.

Ojala verontschuldigde zich later voor zijn 'aanval van passie', maar zijn reactie was typerend voor het intellectuele onvermogen temidden van alle ophef de nuance nog te onderscheiden. De Amerikaanse vaststelling dat 'wie niet voor ons is, wel tegen ons moet zijn' bleek zijn uitwerking niet gemist te hebben, zeker niet op de jonge politieke filosoof Luuk van Middelaar, auteur van het veelgeprezen boek Politicide, over de moord op de politiek in de moderne Franse filosofie. In een opmerkelijk stuk in Trouw kenschetste hij elke poging tot kritische afstand als rabiaat anti-amerikanisme. Het is dezelfde afkeer die bij Van Houcke doorklinkt, maar vanuit het omgekeerde standpunt: 'Dan is er nog die typische Nederlandse afwijking om te pas en te onpas het begrip 'genuanceerd' in stelling te brengen,' schrijft de laatste. 'Uiteindelijk eindigt het, zoals we uit de geschiedenis weten, in gesjoemel, corruptie en collaboratie.'

Van Houcke is - terecht - verontwaardigd over de uitspraak van voormalig VN-ambassadrice en Minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright, dat de dood van een half miljoen Irakese kinderen de boycot van Saddam Hoessein 'waard was geweest'. Van Middelaar twijfelt van zijn kant niet aan de heilzame wereldmissie van de VS. 'De grote politieke vraag is: kun je de mensenrechten over de wereld verspreiden zonder een Napoleon? [...] Wie denkt dat het Goede zich vanzelf aan de wereld op-dringt, zonder strijd of het gebruik van macht, vergist zich. Wie politiek denkt, weet dat het Goede niet vanzelf komt. Daar is wellicht een leger voor nodig. [...] Wat we moeten hopen, is dat Bush [...] Afghanistan met bommen en overvloed de moderniteit zal binnenslepen. Dat moet misschien hardhandig. De Russen wisten wel hoe.'

Met bommen kun je volgens Van Middelaar dus heel andere dingen doen dan volgens Roy. Dat vindt ook de Franse filosoof Bernard-Henri Lvy, die in zijn recente boek Rflexions sur la Guerre, le Mal et la Fin de l'Histoire (Beschouwingen over de oorlog, het kwaad en het einde van de geschiedenis), nog moedeloos moest bekennen, na een bezoek aan een vijftal 'vergeten' oorlogsgebieden, het ook niet meer te weten. Na de militaire overwinning in Afghanistan, waarin de Amerikanen het 'bewonderenswaardig goed hebben gespeeld', is de overtuigingskracht echter weer helemaal terug. Het aanpakken van de schurkenstaten, 'Irak voorop', moet de horizon openleggen voor de 'globalisering van de democratie,' zo schreef hij in Le Monde.

Toch is er ook onder minder bevlogen commentatoren over het algemeen weinig twijfel over de vraag of Amerika met geweld op de gebeurtenissen moest antwoorden. 'Ik ben het volledig oneens met de stupide verklaringen van sommige mensen ter linkerzijde dat je op geweld niet met geweld moet antwoorden', verklaarde de Franse politieke filosoof Claude Lefort in El Pas. 'Amerika kon niet anders', viel de Palestijns-Amerikaanse politicoloog Edward Sad hem bij. 'Terugvallen op veilige pacifistische attitudes is abstract en werkt hier niet', aldus de Sloveense filosoof Slavoj Zizek in het Duitse tijdschrift Novo. En de Amerikaanse politicoloog Michael Walzer sprak in de Duitse Tageszeitung zelfs over een 'gerechtvaardigde oorlog', zonder overigens te durven zeggen dat alle daarbij gebruikte middelen ook rechtvaardig waren.

Opmerkelijk is dat geen van hen een doorslaggevend argument geeft waarom dat geweld niet alleen bruikbaar maar ook noodzakelijk is, en dat biedt tegenstanders als Chomsky het nodige schootsveld. Het intellectuele onvermogen geweld een duidelijke plaats te geven in de redelijke betoogtrant waarin zij zich nu eenmaal bewegen, is wel begrijpelijk. Geweld gaat, hoe dan ook, de rationaliteit te buiten. Binnen de geweldsuitoefening speelt de rede weliswaar een grote rol (zowel het concept 'strategie' als de militaire spitstechnologie getuigen daarvan), maar de overgang ernaar is altijd een sprong waarin de rede haar failliet moet erkennen. Waar geweld wordt toegepast, is de verstandelijke gedachtenwisseling en argumentatie aan haar einde gekomen.

Intellectuelen kunnen weinig anders dan dat laatste constateren en zich overgeven aan het feit dat er vanaf dat moment een andere logica heerst. Dan komt de 'geloofwaardigheid' in het spel waarvoor geen redelijk criterium meer geldt. De intellectueel stuit op het brute feit dat iets zich aan zijn begrip onttrekt en dat het denken wordt overgenomen door het handelen, dat ook vaak letterlijk bruut wordt. Die nederlaag is niet iedereen bereid te accepteren, en voor wie zich compromisloos aan de redelijkheid blijft vastklampen, is elke geweldpleging inderdaad een exces. In de Realpolitik komt het intellectuele standpunt aan zijn einde, en de erkenning daarvan vergt van intellectuelen een fikse dosis zelfoverwinning en -relativering.

Dat betekent niet dat het geweld vanaf dat ogenblik bandeloos moet zijn. Het moet altijd weer terugkeren naar een politieke situatie waarin het ten einde is gekomen, en daarop heeft het - anders dan Van Middelaar lijkt te denken - van zijn kant ook de nodige invloed. Het doel van het Amerikaanse antwoord was het herstel van de geloofwaardigheid in termen van een zuivere machtspolitiek. Sympathiek klinkt dat niet, maar - zo moet ook Chomsky erkennen - zo werkt het wel.

Dat is iets geheel anders dan geloofwaardig te worden als kampioen van democratie en mensenrechten, hoe ijverig de Verenigde Staten het n ook onder de dekmantel van het andere trachten te verkopen. Daarbij gaat het niet om machtsprincipes maar om redelijke waarden, en je kunt een persoon, een land of een bevolking er wel toe overhalen, maar niet dwingen. Geweld is dn alleen maar contra-productief. Afghanistan 'de mensenrechten in bombarderen', is dan ook niet alleen absurd. Het houdt er bovendien geen rekening mee dat daarmee alleen maar de afkeer wordt gevoed tegen datgene wat men nu juist zou wil bereiken. Overwinnen is niet hetzelfde als overtuigen.

De positie van de Verenigde Staten is dus hachelijk. Enerzijds moet het land zijn machtspolitieke geloofwaardigheid herstellen, en daarin is het intussen redelijk geslaagd. Anderzijds moet het zijn democratische geloofwaardigheid opvijzelen, en daarin heeft het nog een lange weg te gaan en zijn de vooruitzichten twijfelachtig. Van een werkelijke wil tot dialoog met de rest van de wereld lijkt inmiddels zelfs minder sprake dan vr elf september. Het optimisme over Amerika's wil haar Alleingang te beindigen, is minder houdbaar gebleken dan Chomsky's waarschuwing dat het daarbij om niet meer dan tactische manoeuvres ging terwille van de strijd tegen het terrorisme.

Opmerkelijk genoeg ziet ook de bekende Amerikaanse pragmatische filosoof Richard Rorty niets in een dialoog met niet-westerse culturen. 'Ik geloof niet dat we iets van hen te leren hebben. Het moet eerder ons doel zijn de planeet te verwestersen', zei hij in de Sddeutsche Zeitung. In Nederland vertegenwoordigt de ethicus Paul Cliteur een dergelijk standpunt, dat nauw aansluit bij inmiddels tot slagzin verheven stelling van de politicoloog Samuel Huntington, dat ons een botsing tussen culturen te wachten staat.

Het is zeer de vraag of dat waar is, en nog meer of het westen - zelfs als het waar zou zijn - er goed aan doet luidkeels te verkondigen dat al het goede van ons komt. Alleen al om praktische redenen moet het proberen aan te knopen bij bij de culturen die het tracht te hervormen en laten zien dat deze hoge principes ook aan hen niet vreemd zijn. Opvallend is dan ook dat de meeste intellectuelen die zich de afgelopen maanden hebben uitgesproken, de gedachte van Huntington verwerpen. Zo wees Zizek erop dat de islamitische gebieden het, als het op tolerantie aankwam, op de Balkan van oudsher heel wat beter hebben gedaan dan de christelijke.

'De spanning tussen tolerantie en fundamentalistisch geweld ligt binnen de culturen zelf', meent Zizek. Ook in de VS heerst onder sommige groepen een grote malaise over de moderniteit. De uitspraak van tv-dominee Jerry Falwell dat God op elf september de VS om haar modernistische decadentie had willen straffen, verschilde nauwelijks van de retoriek van het islamitisch fundamentalisme. En ondanks alles had ook Rorty in de London Review of Books al tot zijn spijt moeten vaststellen dat Falwells woorden 'een gevoelige snaar hadden geraakt bij een aanzienlijk deel van mijn medeburgers.'

Over n ding lijken echter alle commentatoren het eens. De politiek is terug van weggeweest. Geen veiligheid zonder staat, en geen democratie zonder belastingen, zo omschreef de Duitse socioloog Ulrich Beck in Le Monde het failliet van de neoliberale idee van een minimale staat, waarin de politiek was vervangen door de economie. 'Het is imbeciel te denken dat alles aan de markt kan worden overgelaten', aldus de Franse socioloog Alain Touraine in El Pas. En Huntington weersprekend, laat Claude Lefort zich in diezelfde krant ontvallen dat juist de veronachtzaming van de politiek op den duur tot de gevreesde 'botsing tussen beschavingen' leidt. 'De geschiedenis is terug', roept ook Bernard-Henri Lvy in Le Monde.

De grootste ideologische verliezer van het intellectuele debat van de afgelopen maanden is daarmee Francis Fukuyama, die in NRC Handelsblad nog een wanhopige poging deed de gedachte van het 'einde van de geschiedenis' die hem beroemd maakte te redden. 'Wij staan dus nog steeds aan het einde van de geschiedenis, want er is maar n stelsel dat de wereldpolitiek zal blijven beheersen, en dat is het stelsel van de westerse, democratische rechtsstaat,' schreef hij. Het was een taktische terugtocht waarin het 'einde van de geschiedenis' niet langer een feit maar een waarde geacht werd aan te duiden. En dan heeft Fukuyama inderdaad gelijk. Dat zullen zelfs de westerse en niet-westerse critici van de VS beamen.

Teksten, interviews en voordrachten van Noam Chomsky en zijn medewerkers zijn te vinden op www.zmag.org/GlobalWatch

Noam Chomsky: 11 sept. Vragen en antwoorden. Vertaald door Luud Dorresteyn, Ruud Rook en Jean Schalekamp. De Arbeiderspers, 119 blz, f28,55 Stan van Houcke: 11 september. Het keerpunt. Atlas, 199 blz. f21,93 Grenzeloze Haat. Trouw Dossier NL, nr. 15. Trouw, 173 blz., f13,-

NRC/Handelsblad, 28 december 2001

terug