De poseurs 2

Pim Fortuyns klucht, die voor hem zo jammerlijk eindigde, bewijst andermaal hoe riskant het is als een poseur de altijd latent aanwezige ressentimenten van de massa mobiliseert. De deksel van Pandora's doos gaat open, onbeheersbare krachten komen vrij. Het besef van dat gevaar moet ook tot 'professor' Pim zijn doorgedrongen. Vlak voor zijn heengaan verklaarde hij tegenover journalisten: 'Vindt u mij eng? Nou, dan moet u nog maar eens goed naar mijn aanhang kijken!' Een inzicht waaraan hij geen enkele consequentie verbond voor z'n eigen manisch gedrag. Gelijk Narcissus, verliefd op zijn eigen spiegelbeeld, wist hij zich niet te bevrijden uit zijn ijdelheid en bleef de rol van verlosser spelen voor een publiek van rancuneuze kleinburgers, in tijden van rust de zwijgende meerderheid. In politiek opzicht welteverstaan, voor het overige is ze op bijna elk maatschappelijk gebied steeds manifester en vooral luidruchtiger aanwezig. Al in 1929 beschreef de Spaanse humanist Ortega Y Gasset in 'De Opstand der Horden' hoe de moderne samenleving in toenemende mate gedomineerd wordt door de middelmatigheid van mensen die in hun angsten en verlangens volstrekt identiek zijn en slechts gedreven worden door een mateloos egoïsme. 'De zoon der kleine luiden heeft sinds de tweede helft van de negentiende eeuw geen maatschappelijke versperringen meer op zijn weg. Dat wil dus zeggen, dat hij… vrij van banden en beperkingen is… De wereld waarin deze nieuwe mens van zijn geboorte af geplaatst is, noodzaakt hem op geen enkele manier tot beperking, zij legt hem geen enkel verbod op en dwingt hem tot geen enkele onthouding. Integendeel, zij zweept zijn begeerten op, die in beginsel tot in het oneindige kunnen toenemen. Want een feit is, en dit is van groot belang, dat deze wereld… niet alleen de volmaaktheden en wijdten heeft die ze inderdaad bezit, maar bovendien nog haar bewoners de waan geeft dat zij morgen nog rijker, nog volmaakter en nog wijder zal zijn, alsof zij plotseling was gaan groeien en er aan haar uitzettingsmogelijkheden geen grenzen waren gesteld… Dat wat men vroeger als een weldaad van het lot zou hebben beschouwd en waardoor men dankbaar gestemd zou zijn geweest ten opzichte van de verborgen bestiering van het leven, veranderde in een recht dat men niet dankbaar aanvaardt maar driest opeist.' Deze beschrijving voert hem tot de volgende conclusie over het karakter van de massamens: 'één trek van zijn wezen is de vrije ontplooiing van zijn begeerten en driften, met andere woorden van zichzelf, en een tweede kenmerkende eigenschap is zijn ingeboren ondankbaarheid ten opzichte van al hetgeen dat zijn bestaan zo heeft vergemakkelijkt. De beide trekken zijn de bekende eigenschappen van het verwende kind. Inderdaad, de ziel van de horden heeft zeer veel gemeen met die van een verwend kind… Verwennen is geen paal en perk stellen aan iemands wensen, iemand de indruk geven dat alles hem geoorloofd is en hij tot niets is verplicht.'

Wat Ortega Y Gasset beschrijft is de geest van de moderne consument, voor wie alles te koop moet zijn en het geluk direct opeisbaar, materieel of immaterieel. Een mentaliteit die versterkt wordt door de vloedgolf aan reclame, die de massamens meesleurt en hem in een voortdurende staat van ontevredenheid gevangen houdt. Het is niet wat men bezit dat het geluk bepaalt, maar wat men nog niet bezit. En om de 24uurs economie draaiende te houden wordt telkens opnieuw schaarste gecreëerd, de behoefte aan een of ander nieuw product. Maar omdat niets op aarde oneindig is en niet alle verlangens derhalve vervuld kunnen worden, leidt het consumentisme uiteindelijk tot de overtuiging dat men tekort wordt gedaan, tot het gevoel slachtoffer te zijn van de ander: van de politiek, de intellectuele elite, de buitenlander die hier komt potverteren, of van wie dan ook die op een ongelukkig moment als schuldige kan worden aangewezen voor dit gefrustreerd bestaan. Vlak onder de oppervlakte borrelt een reservoir van onvrede dat elke praatjesmaker kan aanboren in zijn jacht op macht en erkenning. Het is voor een demagoog die 'er zin an heeft' een fluitje van een cent om in dit troebel water te vissen. Niets belet hem om met een handvol vlot geventileerde meningen spreekbuis te worden van de onderbuikgevoelens. Voor hem en zijn volgelingen is politiek hetzelfde als funshoppen dat een instant bevrediging moet opleveren. En zo niet dan ontstaat vanuit een combinatie van ingeboren en gecultiveerde hebzucht, angst en onzekerheid een moeras van rancune. Met als resultaat dat na 2500 jaar westerse beschaving de Nederlandse LPF-stemmer onder andere een pornoboer tot volksvertegenwoordiger heeft verheven, van wie mag worden aangenomen dat hij 'in de geest van Fortuyn' zal handelen. Een uitverkiezing die in absurditeit wedijvert met keizer Caligula's voornemen zijn lievelingspaard Incitatus tot senator te benoemen. Toen ik het hoorde moest ik denken aan de woorden van de bejaarde prins van Salina. Over de ondergang van de adel zei hij in Lampedusa's roman 'De Tijgerkat': 'mocht deze klasse ooit verdwijnen, zoals dat al zo vaak is gebeurd, dan zou er dadelijk een andere opstaan… Die zou zich dan wellicht niet langer meer beroepen op het bloed, maar op, wat zal het zijn… op het feit dat iemand langer op een bepaalde plaats woont dan iemand anders of op zogenaamd diepgaander kennis van de een of andere voor heilig gehouden tekst.'

Ortega Y Gassets analyse heeft niets aan geldigheid ingeboet. Begeerte is een deugd geworden. De grote graaier is het rolmodel van de massa, de speculanten van de beursvloer zijn de hedendaagse helden, het zich ongegeneerd verrijken ten koste van de ander is een prijzenswaardig streven geworden, de jacht op winst de nieuwe geloofsbelijdenis. In het moderne bestaan heerst de mateloosheid, de vanzelfsprekendheid van de eis dat alle verlangens zullen worden bevredigd. Het is een geloof in de strikte zin van het woord, omdat het gebaseerd is op de onbewijsbare aanname dat de bomen tot in de hemel zullen groeien, de economische groei als perpetuum mobile. Een infantiel geloof met fundamentalistische trekken. Elke elementaire aanval erop wordt gezien als een soort heiligschennis of op zijn minst als een krankzinnige ontkenning van een door de natuur gedicteerde orde, waaraan uiteraard niet valt te tornen. Na de val van de Berlijnse Muur dacht een aanzienlijk deel van de intellectuelen echt dat 'het einde van de geschiedenis' was aangebroken, dat de kapitalistische democratie het definitieve antwoord was op de condition humaine, het absolute eindpunt van de menselijke evolutie. Voor de werkelijkheid van alledag was in deze geloofsovertuiging geen plaats, voor de psychologische consequenties ervan had men geen oog. Ze waren blind voor het feit dat de burger had plaatsgemaakt voor de consument, die verontwaardigd protesteert wanneer hij z'n zin niet krijgt. Maar niet iedereen geloofde in een ophanden zijnde wereldwijde heilstaat. Precies tien jaar geleden waarschuwde de juriste Heikelien Verrijn Stuart voor het gegeven dat: 'Slachtofferisten via erkenning of genoegdoening uit [zijn] op macht. Een macht die zij menen te hebben verdiend door een onschuld, die is geconstrueerd door hun slachtofferschap.' Ze bestreed vooral 'het excuus dat het slachtofferschap bood om zich niet verantwoordelijk te hoeven voelen.' Een paar jaar later wees de Duitse filosoof Peter Sloterdijk erop dat: 'Verantwoordelijkheid steeds lager [wordt] ingeschat, terwijl het slachtofferschap steeds hoger wordt gewaardeerd. Het is een ontwikkeling die buitengewoon gevaarlijk is voor onze samenleving. Deze slachtofferistische manier van denken is de belangrijkste vorm van ressentiment geworden… Het slachtofferisme, het verleidelijke gevoel slachtoffer te zijn, kan men overal om ons heen waarnemen, en is een extreem morele kracht geworden.' En de in asiel levende dichter Joseph Brodsky adviseerde in zijn laatste essaybundel 'On Grief and Reason': 'Probeer ten koste van alles te vermijden dat je jezelf de status van slachtoffer toestaat… probeer te onthouden dat menselijke waardigheid een absoluut begrip is… Bedenk tenminste, als dat andere je te hoogdravend in de oren klinkt, dat je door jezelf als slachtoffer te beschouwen alleen maar het vacuüm vergroot dat door gebrek aan persoonlijke verantwoordelijkheid ontstaat en dat demonen en demagogen zo graag opvullen.' Duidelijk is dat de slachtofferist er voetstoots van uitgaat dat hij (of zij) nooit zelf handelt, dus per definitie meent altijd onschuldig te zijn. Juist naar die onschuld is het slachtoffer op zoek. Het gevoel onschuldig te zijn vormt de kern van zijn identiteit. Vandaar dat hij niet anders kan dan zich fanatiek vastklampen aan zijn slachtofferrol. Schuldig is altijd de ander. Hij kent geen relativering, geen nuance, geen scepsis, geen ironie, geen satire. Hij kent alleen zijn eigen alles overstemmende weeklacht. Als een wereldvreemd kind weigert de slachtofferist de onvermijdelijke schaduwkant van het moderne bestaan te accepteren: de vervreemding, het isolement, de eenzaamheid, de anonimiteit, de melancholie en de talloze negatieve manifestaties die onlosmakelijk daaraan verbonden zijn, met de angst voor de misdaad als fixatiepunt. Hij is te vol van zichzelf en bezit te weinig verbeeldingskracht om een innerlijk proces op gang te brengen waarover Albert Camus schreef: 'De eerste stap van een geest die vervuld is van vervreemding is het besef dat hij dat gevoel van vervreemding deelt met alle mensen en dat de mensheid als geheel lijdt onder deze distantie ten opzichte van zichzelf en de wereld,' hetgeen bij een betrokken individu leidt tot een 'solidariteit van de ketenen' die ieder mens aan de ander bindt. De slachtoffferist evenwel is alleen solidair met zichzelf. In een razendsnel veranderende wereld en temidden van de multiculturele verwarring zoekt hij een houvast dat hij niet kan vinden in zijn rol van consument. Die vult de existentiële leegte niet; hoeveel hij ook verteert, de honger blijft. In de week voor Fortuyns dood schreef Arnon Grunberg: 'Juist zij die ogenschijnlijk nauwelijks reden hebben zichzelf als slachtoffer te zien, hebben hun identiteit opgebouwd rond de cultus van het slachtofferschap, een cultus die de verongelijktheid legitimeert en het falen excuseert. Welke machteloos wil zich niet laten vertegenwoordigen door een andere machteloos? En daar is Mr. Fortuun, het ex-slachtoffer dat nu alle andere slachtoffers zal leiden naar de vruchtbare velden waarop hij al enige tijd graast.'

De koers van de wereldgeschiedenis wordt nu grotendeels bepaald door de onverzadigbare begeerte van de westerse consument, die zich juist door zijn eigen egoïsme onophoudelijk slachtoffer voelt. Voelt, want de feiten weerspreken de legitimiteit van dat gevoel. Eind december vorig jaar berichtte Intermediar: 'Ondanks de verminderde groei blijven Nederlanders luxegoederen kopen. Het einde van het weeldetaboe.' Maar feiten tellen steeds minder, emoties zijn van doorslaggevend beland, waardoor elk benul voor verhoudingen zoek is geraakt. Welnu, op het gevaar af voor gek te worden versleten hier enkele feiten. Feit is dat 'de globalisering over de ruggen van de armen wordt gerealiseerd ten voordele van de rijken,' zoals in juni van dit jaar de toen demissionaire minister van ontwikkelingssamenwerking Eveline Herfkens kort samenvatte. Feit is dat eenvijfde van de wereldbevolking 86 procent van de geproduceerde goederen op aarde bezit en de overige viervijfde de resterende 14 procent. Feit is dat 1 miljard mensen van minder dan één dollar per dag moeten leven en de helft van de wereldbevolking van minder dan drie dollar per dag. Feit is dat meer dan de helft van de wereldbevolking jonger is dan achttien jaar, jonge mensen van wie de meerderheid opgroeit in repressieve maatschappijen, maar die onder de invloed van de massamedia wel gedreven worden door dezelfde aspiraties en hoop als hun leeftijdgenoten in het Westen. Feit is dat de kloof tussen rijk en arm wereldwijd de afgelopen veertig jaar is verdubbeld. Feit is dat elke tien seconden een kind in de derde wereld aan een ziekte sterft veroorzaakt door verontreinigd water. Meer dan een miljard mensen beschikken niet over zuiver drinkwater. Binnen 25 jaar zal dat aantal zijn verdrievoudigd. Feit is dat bijna 300 miljoen kinderen nauwelijks of geen onderwijs hebben genoten. Feit is dat miljoenen kinderen voor honger en geweld op de vlucht zijn. Feit is dat het rijke Westen overal ter wereld open grenzen afdwingt en het tegelijkertijd zijn eigen grenzen sluit. Feit is dat buiten Fort Europa tenminste 800 miljoen mensen permanent ondervoed zijn, honger lijden en dat de rijke wereld niet bereid is daar iets structureels aan te doen. Vorig jaar publiceerde HP/De Tijd een fotoserie waarop te zien was hoe toeristen op een Zuid-Spaans strand vrolijk bleven doorspelen terwijl enkele meters verderop een Afrikaanse economische vluchteling dood was aangespoeld. Die foto's illustreren de meedogenloze onverschilligheid voor het werkelijke lijden. Feit is dat hoe meer de globalisering toeslaat des te provincialer de rijke Westerling zich opstelt. En dit is maar een kleine greep uit al die feiten. Feit is dat vanuit dit perspectief bezien het gejammer van de westerse consument larmoyant en cynisch is, niets meer dan sentimenten die door populistische poseurs gewiekst worden geëxploiteerd. Onverzadigbare slachtoffers smeken om een verlosser.

De Humanist, september/oktober 2002

terug