Syrië

Tijdens mijn rondreis door Syrië ontmoette ik op straat Murhaf Baghdadi, student archeologie in Aleppo, de millennia oude handelsstad in Noord Syrië. Op een dag nodigde hij me uit zijn ouderlijk huis te bezoeken. Na door zijn moeder en broers hartelijk te zijn ontvangen met thee en mierzoet gebak spraken we over een computercursus die de staatstelevisie op dat moment uitzond. Al kijkende zag ik boven de televisie een foto hangen van zijn overleden vader, een jonge, modieus Westers geklede man met een Elvis Presley kuif. Naast zijn portret hing een foto van nog een andere jonge man. Ik vroeg Murhaf wie deze figuur was. ‘Mijn broer,’ antwoordde hij ‘die vecht op dit moment in Irak als mujaheddin tegen de Amerikaanse bezetting.’ Twee generaties, twee uitersten. Wat is er in die tussentijd gebeurd? Later, toen we in alle rust ten noorden van Aleppo tussen ruïnes uit de oudheid stonden, stelde ik Murhaf die vraag. Over de Westerse kleding van zijn vader zei hij het volgende:

‘Dat was de mode. Je zou kunnen zeggen dat we toen vrijer waren dan nu. Mijn vader had modieuze broeken aan en hij had een vetkuif en mijn moeder droeg een minirok. Dat was de Westerse invloed op de jeugd van toen. De mensen stonden destijds open voor een volstrekt andere manier van leven. Wij Syriërs staan altijd klaar om te imiteren. Eerst doen we na. En als hetgeen we nabootsen ons in het hart raakt en spoort met onze aard, nemen we het over en brengen er veranderingen op aan en creëren zo een eigen werkelijkheid. Indertijd was mijn vader dol op Westerse iconen. Tegenwoordig beseffen we dat de mensen toen blind waren. Ze zagen alleen maar de buitenkant van het Westerse bestaan. Nu hebben we een andere waarheid ontdekt; vroeg of laat kom je altijd achter de waarheid. Als iemand nu probeert te doen of hij een Amerikaan is, slaat hij een modderfiguur, juist vanwege dat slaafse navolgen. Er lopen jongens rond met lang haar en oorbellen. Dat past niet in onze traditie, in onze cultuur, onze religie. Wij vinden dat dit soort mensen van binnen leeg is. Het verschil tussen mijn vader en mijn broer is dat de Amerikaanse levensstijl destijds een verpletterende indruk op de Syriërs maakte. Maar een kleine generatie later beseffen we geleidelijk aan wat voor ons de essentie van het leven is. Onze overtuiging en onze meningen zijn veranderd. De Amerikanen achten zich superieur en bezorgden ons een inferioriteitsgevoel. Dat behoort nu tot het verleden. We proberen vandaag de dag de rollen om te draaien. We proberen te bewerkstelligen dat zij ons als superieur zien. Niet met geweld, maar door ons handelen, via onze cultuur, onze beschaving. Ikzelf deel het standpunt van mijn broer. Hij is een hoog opgeleide man. Mijn vader kon lezen noch schrijven, die deed alleen maar iets na wat hij mooi vond. Vroeger waren de mensen blind. Nu doen we langzaam onze ogen open. Nog steeds denken veel Amerikanen dat we een soort beesten zijn. Kijk maar naar hun politiek ten opzichte van de Arabische wereld. Vraag het maar aan ze. Ik heb met Amerikanen gesproken, tijdens mijn studie en op straat. Dan vroeg ik: ‘Waar komt u vandaan?’ En dan zeggen ze op zo’n arrogante toon: de ‘United States’ en kijken naar je alsof je een insect bent en zij God. Ik hoor meteen wat voor vlees ik in de kuip heb. Veel Amerikanen denken zo, louter en alleen omdat ze zoveel macht hebben. Die macht stoelt op militair geweld. Op een dag is dat afgelopen. Echte macht is gebaseerd op iemands menselijkheid. Dat hebben we hier. En niet alleen hier, natuurlijk. Op veel andere plaatsen ook. Daarom zijn we niet bang voor de Amerikanen of voor wie dan ook. Juist vanwege onze ligging hebben anderen ons altijd aangevallen. Oorlog en bezetting zijn voor ons heel normaal. Dat doet ons niets. Per slot van rekening: waar is het Britse imperium gebleven? Waar zijn de Fransen? Waar is de Sovjetunie? Waar is het Ottomaanse rijk? Waar zijn de Romeinen, de Grieken, de Hittieten? Ze zijn hier allemaal geweest en hebben hier een tijd geheerst. En nu zijn ze verdwenen en wij zijn er nog; alleen hun vingerafdruk is nog te zien. En die gebruiken we om ons leven beter te maken. De goede dingen nemen we van ze over, de slechte dingen laten we aan hen. De legers van talloze grote culturen zijn hier naar binnen gedrongen, ten koste van vele doden. Altijd waren we bezet. In sommige gevallen hebben ze ons geholpen, daarna zijn ze weer vertrokken en wie wonen hier nog steeds? De Syriërs, de Palestijnen, de Libanezen. Het deert ons niet echt. We weten dat het ook met de sterkste natie op aarde, Amerika, op een dag afgelopen zal zijn. Zo leert ons de geschiedenis. Als het tv-nieuws bericht dat drie Palestijnen zijn omgekomen en twee Israëli’s in het ziekenhuis liggen doet ons dat niets meer. Het is routine geworden. Al sinds 1948. Het is oorlog hier. Net als altijd. En zolang we dat beseffen, zijn we voor niemand bang. We weten namelijk dat indringers ooit zullen verdwijnen. Natuurlijk huilt mijn moeder nu mijn broer in Irak zit, omdat ze moeder is en hij haar zoon. Maar in wezen is haar zoon natuurlijk niet belangrijker dan al die zonen die de afgelopen honderd of tweehonderd of duizend jaar zijn omgekomen. Mijn broer is niet belangrijker dan een Palestijnse jongen. Niet belangrijker dan de mensen die elke dag omkomen in Irak. Ik doel niet alleen op moslims. Ik heb het over alle slachtoffers in de hele wereld. Ik heb het over mensen, ongeacht hun godsdienst of taal. Nogmaals: natuurlijk huilt mijn moeder en is ze bedroefd. En als haar zoon terugkomt, organiseert ze een groot feest. Als het nieuws slecht is en hij dood blijkt te zijn, zal mijn moeder tot aan haar dood verdriet hebben. Maar zo is het leven.

Het ware probleem is dat de Arabische wereld al eeuwenlang geen eigen ontwikkeling doormaakt, dat het honderden jaren lang cultureel en technologisch gestagneerd is. Daar zijn twee hoofdredenen voor. In de veertiende eeuw, ten tijde van de Mongoolse invallen toen Timoer Lenk hier dood en verderf zaaiden, deporteerde hij de beste vakmensen op elk gebied, alle wetenschappers, alle handwerkslieden, kunstenaars en geleerden naar zijn eigen hoofdstad Samarkand en naar Buchara. Dus ineens had deze hele regio geen intellectuele en kunstzinnige voormannen meer, het Arabische rijk was als het ware in één klap intellectueel onthoofd. Het ging daarbij niet om gewone mensen zoals ik, maar om de top, om de allerbegaafdste mensen, talentvolle individuen die vorm gaven aan de ontwikkeling van de cultuur. En alleen de ondergeschikten bleven achter, het tweede garnituur. De besten werden naar Samarkand en Buchara in het huidige Oezbekistan afgevoerd. Die klap kwam dubbelhard aan omdat een eeuw eerder al Djenghis Kahn alles, maar dan ook alles had vernietigd, van bibliotheken tot irrigatiekanalen, met als hoogtepunt de verwoesting van Bagdad, de hoofdstad van het bloeiende Arabische rijk. 34 dagen lang werd er gemoord, verkracht, verminkt. Alle eeuwenoude manuscripten, alle kunstschatten werden verwoest. Volgens historische bronnen kwamen daarbij 1,8 miljoen burgers om het leven. Tenslotte was de stad in brand gestoken en verdwenen de Mongolen. Welnu, nadat alles weer net met pijn en moeite was opgebouwd, werd het opnieuw kapot gemaakt door de horden van Timoer Lenk. Dat wat betreft de eerste reden. De tweede reden van de stagnatie was het Ottomaanse Rijk. Zoals gezegd: nadat alle vakmensen, alle experts naar Buchara en Samarkand waren gedeporteerd, kwam de kennis hier tot stilstand. Tot die tijd wilden mensen graag studeren om zichzelf te ontwikkelen, want er waren enorm veel vakmensen nodig. Maar door de gigantische verwoesting en het gebrek aan mensen die de cultuur weer konden opbouwen, stortte het openbare leven in en konden de kunsten en wetenschappen niet langer meer gestimuleerd worden. Dus bleef het opleidingsniveau laag. En omdat de totale infrastructuur kapot was en er geen sterke leiding meer bestond, kon de Arabische wereld zich ook niet verzetten tegen de daarop volgende invallen van de Ottomaanse Turken, die ons vanaf 1516 tot 1918 hebben bezet: meer dan vier eeuwen lang.

Tijdens het Ottomaanse Rijk werd iedereen geestelijk in slaap gehouden. In de tijd dat wij in slaap vielen, werd Europa wakker, klaar wakker. Terwijl men daar uit de slaap van de Middeleeuwen ontwaakte en de Renaissance werd geboren, stierf onze bloeitijd en begonnen onze Middeleeuwen. De regio hier was over haar hoogtepunt heen. Alles kwam tot stilstand, zelfs de tijd vertraagde zich. Een illustrerend voorbeeld van die bewust gecreëerde stagnatie is het feit dat de eerste Turkse drukpers in het Ottomaanse rijk pas in 1729 werd toegelaten, om overigens dertien jaar later weer te worden verboden en uiteindelijk in 1784 weer te worden geaccepteerd, drie eeuwen na de uitving van de drukpers in Europa! Het volk hoefde namelijk niets te weten van nieuwe ideeën en gedachten, dat hoefde alleen maar te gehoorzamen. En ook na de introductie van de drukpers was er de censuur tot in de twintigste eeuw. Die censuur bestaat nog steeds, onze eigen machthebbers hebben die praktijk klakkeloos overgenomen. Een ander onthullend voorbeeld is dat er pas in het midden van de negentiende eeuw uurwerken op publieke torens verschenen. Het volk hoefde de tijd niet te weten. De muezzins bepaalden met hun oproep tot gebed de tijdsindeling. De tijd was er om in groepsverband te bidden, niet om zelfstandig te handelen. Zo groeide de geest van serviliteit en niet die van eigen initiatief. En toen in 1918 het Ottomaanse Rijk ineenstortte, kwamen de Fransen hier. Op hun beurt beperkten die zo nodig met geweld de vrijheid van denken voor nog eens een periode van 26 jaar. Ze deelden de hele regio op: Libanon en Syrië voor Frankrijk; Jordanië, Palestina, Irak voor Groot-Brittannië. Kortom, we hebben vijfhonderd jaar lang geslapen. En nu zijn we wakker geworden. Maar er zit dus wel een verschil van vijfhonderd jaar tussen de Europeanen en ons. We moeten 26 uur per dag werken om die achterstand in te halen. We zouden graag net zo snel of zelfs sneller willen zijn dan zij, maar goed, dat vergt een fundamentele mentaliteitsverandering. Intussen wachten we in feite nog steeds. We wachten tot er iets nieuws wordt uitgevonden en dan kopen we het. Vergeet niet, vijf eeuwen slapen is een hele tijd. Ik denk niet dat we vijfhonderd jaar nodig zullen hebben om op gelijk niveau te komen, maar wel een aantal decennia. We hebben de energie, nu moeten we nog gestimuleerd worden. Ik zal je een voorbeeld geven: stel dat je inventief bent en je probeert iets te ontwerpen in de garage achter je huis. Al snel zal dan de politie verschijnen om je op te pakken. Want onze eigen overheid legt ons beperkingen op. Dus kunnen we geen eigen initiatieven ontplooien. Maar vele eeuwen geleden, vóór de komst van de Ottomanen, waren de mensen vrij. Ze konden alles doen wat ze wilden en de kalief en de gouverneur steunden hen financieel en intellectueel. Ze stimuleerden de bevolking en waren trots als er iets nieuws werd uitgevonden. Als je hier nu iets nieuws ontwikkelt, zit je al gauw in de problemen. Iemand met eigen denkbeelden is namelijk gevaarlijk voor de autoriteiten. Je zult gedwongen worden om bijvoorbeeld voor hen te spioneren. Zo kan de overheid een greep krijgen op dissidenten. Ze grijpen de mensen hier meteen bij hun nekvel. Onze grenzen worden van bovenaf bepaald. We hopen dat creativiteit de ruimte krijgt, maar zo is de situatie momenteel nu eenmaal. Desalniettemin gaan we beginnen, we zijn wakker geworden. Daar ben ik zeker van. Zodra de oudere generatie verdwijnt, treedt een volstrekt andere generatie naar voren. Het wordt dan 180 graden anders. En dan staan wij misschien in het midden van de cirkel.

Ik wil niet zeggen dat de Syriërs bijzonder zijn, maar ze willen zich wel graag ontwikkelen. De laatste jaren zijn hier heel veel dingen veranderd. We hebben een nieuwe president van 39 jaar, jong dus en ruimdenkend. Bashir Assad is arts, heeft in Londen gewoond. Zijn vader, Hafez, was welwillend, maar wel zeventig en hij wou persé volgens oude Franse richtlijnen uit de koloniale tijd werken, richtlijnen die zelfs in Frankrijk niet meer bestonden. Het gewone mensen hier zeiden: ‘De wereld verandert. We leven in een nieuw millennium en ondertussen wil de president nog voorschriften uit 1935 hanteren.’ Omdat hij oud was, was hij nogal bekrompen in zijn opvattingen. Na zijn dood ging het bewind over op zijn zoon en ging het roer om. In nog geen twee jaar is er veel moderne technologie gekomen: internet, mobiele telefonie, fax… Vier, vijf jaar geleden was internet hier nog verboden. Nu zijn er alleen al in Aleppo 900 openbare internetaansluitingen. Mobiele telefoons kostten vroeger 2000 dollar en nu 50. We kunnen momenteel van alles krijgen. In twee jaar tijd heeft Bashir Assad meer dan tweehonderd voorschriften veranderd. Alles is een stuk beter. We leven nog steeds niet in 2005, maar wel in 2003. Dat is toch veel beter dan te leven in 1935 of daaromtrent. We zien uit naar het komende jaren. Want Syriërs zijn ruimdenkend, het land is altijd een kruispunt van handelswegen geweest, een kosmopolitisch centrum. We hebben altijd graag talen geleerd. Iemand vertelde me eens dat hij in Japan computers had gezien en bestudeerd had, nog voordat hier computers hun intrede hadden gedaan. Na slechts twee maanden kon hij er al een namaken. We stonden dus klaar om allerlei dingen te gaan doen, alleen mocht dat vroeger niet. Maar nu zie je dat Syrië geleidelijk aan een steeds belangrijkere rol in de wereld speelt. Vooral door ons politiek beleid. In de komende jaren zal ons land een eigen plek verwerven. Dat hoop ik echt. We zijn er klaar voor, we kunnen meer dan anderen van ons verwachten. Wacht maar af… Wij zijn historisch altijd al in staat geweest ons aan te passen, om verschillende stijlen in ons op te nemen en er iets nieuws en eigens van te maken. Als we maar de kans krijgen.’

De Humanist, april 2005

terug