Historicus Ronald Wright over de keerzijde van de vooruitgang



"Ik werd mij bewust hoe fragiel beschavingen zijn toen ik mij eind jaren tachtig voorbereidde op het schrijven van het boek ‘Stolen Continents’ over de verovering van Amerika door blanke Europeanen. Hele Indiaanse beschavingen die zich in isolement van de rest van de wereld hadden ontwikkeld en die bijna hetzelfde niveau hadden bereikt als die van de Oude Wereld, stortten plotseling ineen. Die gebeurtenis riep bij mij de vraag op hoe kwetsbaar onze eigen beschaving is voor een onvoorziene ramp. De milieuvernietiging of de klimaatverandering zou een even verwoestende of misschien zelfs ergere impact op ons kunnen hebben als die botsing van twee werelden na 1492 op de Indianen had. De monumentale ruïnes in het oerwoud van Midden Amerika laten zien hoe machtig en briljant die mensen waren, maar tegelijkertijd zijn ze de grafstenen van samenlevingen die op een of andere manier faalden. Toen ik door het verlaten Tikal liep, de oude hoofdstad van het Maya rijk op Yucatan, vroeg ik me onwillekeurig af hoe bijvoorbeeld Londen er als ruïne uit zou zien. Geen al te wonderlijke gedachte nu de gemiddelde temperatuur op aarde catastrofaal begint op te lopen en laagliggende gebieden zoals Zuidoost Engeland en Holland weer in moerassen kunnen veranderen."

Vooruitgangsvallen
Een mogelijke ondergang was ook een van de gedachten bij het schrijven van de ‘Kleine Geschiedenis van de Vooruitgang.’ Daarin stel ik de mythe van de vooruitgang ter discussie. Wanneer ik namelijk het verleden bestudeer dan zie ik dat vooruitgang een soort verleiding is en dat bepaalde samenlevingen in een – wat ik noem – ‘vooruitgangsval’ belanden. Iets dat als ware vooruitgang begint, iets waar men werkelijk profijt van heeft, kan zodra het een bepaalde omvang heeft bereikt of zekere tijd heeft geduurd een catastrofaal effect hebben. Ik denk dat het eerste voorbeeld daarvan is het perfectioneren van de jacht door de paleolithische mens aan het eind van het Stenen Tijdperk. De mens werd zo goed in het jagen dat op elk continent, behalve Afrika, het grote wild werd uitgeroeid. Daarom moesten de jagers van wortelen en konijnen gaan leven. Dus toen de technologie van het jagen zo ontwikkeld raakte dat de jager sneller kon doden dan de natuur kon regenereren, belandde men in feite in een vooruitgangsval. In sommige delen van de wereld kon de mens dankzij een serie toevallige omstandigheden aan die val ontsnappen door de uitvinding van de landbouw. Vervolgens ontstond een nieuwe vooruitgangsval. De eerste landbouwbeschavingen waren afhankelijk van irrigatie, vooral de Soemeriërs in Zuid-Irak. Oorspronkelijk was het een veelbelovende vooruitgang. Men kon water over het land laten lopen om zo de voedselproductie te verhogen. De bevolking nam daardoor toe, er ontstonden grote steden en beroepslegers en machtige regeringen, maar wat men zich niet realiseerde was de verzilting. Het water spoelde zonder ophouden zout uit de bodem, daarna verdampte het water of zakte in de grond weg en het zout bleef achter. Na een paar eeuwen ontdekten de Soemeriërs dat hun velden steeds minder opbrachten en toen hun beschaving na ongeveer duizend jaar ineenstortte, hadden ze hun land letterlijk vergiftigd. Veel van de woestijn in Zuid-Irak rond die oude vergane steden is in feite door de mens gemaakt. Het is een klassiek voorbeeld van een vooruitgangsval. Een voorbeeld uit de moderne tijd is de ontwikkeling van de kernbom. Kijk, door de uitvinding van het buskruit kon men betere wapens ontwikkelen, maar wanneer men een wapen uitvindt waarmee de wereld zo’n dertig keer kan worden opgeblazen dan bevindt de mens zich in een levensgevaarlijke situatie. En het is puur geluk dat we tot nu toe de aarde nog niet hebben opgeblazen. Met andere woorden: dikwijls brengt een vooruitgang inherente gevaren met zich mee, die zeer vaak niet te voorzien zijn. Bovendien is het moeilijk gevaren af te wenden zodra ze zichtbaar worden omdat men in toenemende mate afhankelijk van die vooruitgang is geworden.

De allerlaatste boom
Ook volstrekt irrationele motieven spelen een rol, zoals de geschiedenis van Paaseiland aantoont. Toen de Nederlandse ontdekkingsreiziger Jacob Roggeveen in 1772 als eerste Europeaan het eiland zag, vroeg hij zich onmiddellijk af hoe de bewoners van dit boomloze, bruine, kale eiland al die kolossale beelden hadden vervoerd van de steengroeven in het binnenland naar de platforms langs de kust. Een groot mysterie aangezien ze geen hout aantroffen en geen materiaal om kabels mee te maken, terwijl de grootste beelden van maar liefst 80.000 kilo soms toch drie tot vier kilometer zijn verplaatst. Niemand weet hoe ze dit precies deden maar in elk geval moeten ze daarbij hout en kabels hebben gebruikt. Pas tamelijk recent weten we uit archeologische onderzoek hoe het eiland er vroeger uitzag. Door het onderzoek van stuifmeel dat in moeraslagen in de kratermeren ligt opgeslagen weten we dat het eiland dicht bebost was toen de eerste Polynesiërs er rond het jaar 500 voet aan wal zetten. Net als de andere Zuidzee-eilanden was het een groen, water- en bosrijk eiland. Maar door de jaren heen putten de bewoners het milieu uit door steeds meer bossen te kappen. De beeldencultus was een ideologische vooruitgangsval geworden. Het maken van die beelden om de voorouders te eren werd een manie, waaraan al het andere ondergeschikt was gemaakt. Men was uiteindelijk bereid om letterlijk de allerlaatste boom te kappen in een poging het allerlaatste beeld te transporteren. En zelfs nadat de bomen waren verdwenen, bleven de eilandbewoners doorgaan met het maken van beelden, ook al konden ze die niet meer uit de steengroeve vervoeren en ze daar maar bleven liggen. Dus deze samenleving gebruikte al haar bomen voor een in wezen nutteloos project. Dat alles ten koste van haar milieu en van zichzelf. Toen de bomen eenmaal waren omgekapt, spoelde en woei de grond weg en nam het aantal mensen dat het eiland kon onderhouden dramatisch af. Na een paar eeuwen erosie eindigde deze cultuur in oorlogen en kannibalisme en werd zo het aantal bewoners teruggebracht tot een fractie van wat het eens was geweest. Hierop terugkijkend is het makkelijk om te zeggen dat die mensen in een primitieve tijd leefden, met simpele technologie en dat ze niet zo slim waren als wij. Mijn antwoord hierop is een citaat van James Watt, onder Ronald Reagan een tijdlang minister van Binnenlandse Zaken, die tegenover het Congres verklaarde dat het beschermen en conserveren van het milieu onbelangrijk was in het licht van de op handen zijnde wederkomst van Jezus Christus. ‘Nadat de laatste boom is geveld, zal Christus terugkeren,’ vertelde hij de senatoren. Dus: verblinding is van alle tijden. De bewoners van Paaseiland bezaten een religieuze toewijding die hen blind maakte voor een bepaalde werkelijkheid. Maar het zou dwaas zijn van ons om te denken dat de moderne wereld immuun is voor dit soort waanzin. We zien nu weer hetzelfde bij de huidige regering Bush waarvan het beleid, net als onder Reagan, sterk beïnvloed wordt door rechtse christelijke fundamentalisten. Zij geloven dat het niet uitmaakt wat de mens met de aarde uitspookt omdat God het allemaal zal oplossen. De inwoners van Paaseiland dachten naar alle waarschijnlijkheid hetzelfde: als ze maar dat laatste beeld zouden oprichten dan zouden de goden hen wel komen redden. Dus dat magische zelfvernietigende denken is in hoge mate onderdeel van het menselijk bestaan. Ik vind dat we ons daarvan bewust moeten zijn. In een bepaald opzicht schreef ik dit boek ook als een karakterschets van de homo sapiens die steeds weer dezelfde fouten maakt. Ik denk dat de enige manier om daaraan te ontsnappen is: het onder ogen zien dat we niet echt zo slim zijn als we denken te zijn, dat we onze intelligentie nog niet ten volle hebben ontwikkeld.

Veranderingstempo versnelt
Ik zie de mens als experimentele dieren, die voor een groot deel zichzelf hebben gecreëerd. Tijdens onze evolutie zijn we namelijk in toenemende mate gevormd door cultuur, tot op zekere hoogte weten we ons steeds beter te beschermen tegen de aanvallen van het weer, hitte, kou, honger, dorst. Hoe ingewikkelder onze culturen zijn geworden, des te meer we de natuur weten te trotseren en dit proces is uit de hand gelopen. In het begin voltrokken de ontwikkelingen zich heel langzaam, honderdduizenden jaren lang veranderde de technologie nauwelijks, maar tegen het eind van het Stenen Tijdperk en het begin van de Bronstijd versnelt dat proces zich razendsnel, vooral na de uitvinding van de landbouw. Daardoor is het tempo van culturele veranderingen versneld en blijft zich almaar versnellen. We zien daarbij dat de snelheid van de bevolkingstoename en die van de technologische veranderingen hand in hand gaan. Sinds de industriële revolutie is het veranderingstempo zo snel geworden dat de mensen de sociale en technologische veranderingen in hun eigen tijd kunnen waarnemen, iets dat iemand uit bijvoorbeeld de vijftiende eeuw niet kon. Zijn leven en dat van zijn ouders kende geen verschil. Vandaag de dag is die snelheid zo hoog dat de vaardigheden die wij op school leren binnen tien à vijftien jaar verouderd zijn. Toch zijn wij fysiek gesproken hetzelfde als de mens uit het Stenen Tijdperk, die op de laatste mammoeten joeg. Wij zijn jagers uit de ijstijd. De laatste 40. tot 50.000 jaar heeft er zich in ons maar zeer weinig fysieke evolutie plaatsgevonden, bijna alles is culturele verandering. Met andere woorden: wij gebruiken software uit de 21ste eeuw op hardware die de afgelopen 50.000 jaar niet verbeterd is en niet is aangepast aan de huidige tijd. Dat heeft een uitermate gevaarlijke situatie geschapen waarbij onze werktuigen steeds krachtiger zijn geworden maar onze wijsheid niet. Onze geestelijke mogelijkheden om te voorzien wat de consequenties zijn van onze technologische vernieuwingen hebben zich volstrekt niet uitgebreid. Dat blijft dezelfde oude apparatuur die we altijd al hadden. Omdat we onze technologie niet onder controle kunnen houden en niet in staat zijn ze allemaal sociaal nuttig te laten zijn, brokkelt de sociale cohesie af. Wij zijn in feite als een kind van vijf jaar dat leert een straalvliegtuig te besturen of als een aap met een machinegeweer. De periode vanaf het begin van de landbouw tot nu beslaat slechts 0.2 procent van de meer dan tweeënhalf miljoen jaar die de mensachtigen op aarde zijn. Van het eerste bewerkte vuursteen tot het eerste gesmolten ijzer duurde naar schatting drie miljoen jaar, van het eerste ijzeren werktuig tot de waterstofbom duurde slechts drie duizend jaar. Die explosieve ontwikkeling heeft een levensbedreigende situatie opgeleverd. Zeker nu in de leidende cultuur de ware macht in handen is gekomen van wat president Eisenhower noemde ‘het militair-industrieel complex.’ De Amerikaanse politici hebben enorme budgetten nodig om hun verkiezing te kunnen financieren. Dat geld komt van de grote concerns die hun winsten maken in de wapenindustrie of in andere hoog technologische wereldwijd opererende industrieën en die dus afhankelijk zijn van de Amerikaanse hegemonie om ongestoord te kunnen functioneren.

Vernietiging als economische groei
Het Amerikaanse rijk lijkt op dat van de Azteken, waarbij ondergeschikte staten hun eigen interne structuur mochten behouden zolang ze maar schatplichtig bleven aan de machtigste staat. Kwam men daartegen in opstand dan greep het leger in om te zorgen dat er geen eind kwam aan de stroom rijkdommen die de elite in het moederland in het zadel hield. Zoals we uit de geschiedenis weten loopt dat op een keer fout af, zonder dat de mens daar een les uit leert. Dat komt omdat wij meestal op korte termijn denken. Wij zijn maar zeer zelden in staat om op lange termijn te denken. We overzien de consequenties van ons handelen niet echt. De militaire en sociale kosten van het heersen over andere volkeren bijvoorbeeld spelen geen rol, net zomin als de milieuvernietiging als kostenfactor wordt gezien. Integendeel, de aanslag op water, lucht, grond wordt als opbrengst doorberekend in het bruto nationaal product. Het kappen van uitgestrekte wouden voor de productie van brandhout of papier of veegrond wordt niet gezien als een aanslag op de natuur maar als economische groei. Terwijl het toch een feit is dat een beschaving van de rente van de natuur zal moeten leven, het surplus, en niet van haar kapitaal, wil men tenminste overleven. Ons huidig gedrag is typisch voor falende samenlevingen die op het hoogtepunt van hun hebzucht en arrogantie zijn. Hebzucht is de brandstof van de kapitalistische motor. Wat dat betreft is de vooruitgangsbelofte op een desastreuze mislukking uitgelopen. Zoals gezegd, de moderne mens is ontwikkeld als jager/verzamelaar in de ijstijd, die elke dag weer voor het korte termijnprobleem stond eten te vinden. En wij zijn niet wezenlijk veranderd. Wij zijn erg goed in het oplossen van een acuut probleem waarmee we geconfronteerd worden. Wij zijn onvoorstelbaar ingenieus. We kunnen geweldig goed onze energie focussen om een probleem dat direct voor ons ligt op te lossen, maar als het probleem pas over tien of honderd jaar urgent wordt dan is het veel moeilijker voor de mens om zich daarop te concentreren. Bovendien spelen er ook te veel onzekere factoren mee. Daarom pleit ik in ‘Kleine Geschiedenis van de Vooruitgang’ onder andere voor het betrachten van een bepaalde bescheidenheid. We moeten inzien dat we niet zo slim zijn als we aannemen en niet zo goed vooruit kunnen kijken. En als we de consequenties van onze eigen activiteiten niet kunnen voorzien en er zijn redenen om aan te nemen dat er negatieve aspecten aan kleven die catastrofaal kunnen uitwerken, dan is mijn voorstel: doe het zeker niet.”

De Humanist januari/februari 2006

terug