Interview met Howard Zinn



‘De rijkdom van de natie is in bezit van een klein aantal machtige concerns en dat aantal wordt steeds kleiner. Aan het begin van de twintigste eeuw beheerden ongeveer tweehonderd invloedrijke ondernemingen de helft van de rijkdom, in het midden van de eeuw waren het er zo’n honderd en nu is er sprake van een relatief klein aantal zeer rijke ondernemingen met tentakels overal, niet alleen in de industriële en financiële sector maar ook in -en dit is nieuw in Amerika- de culturele sector. Het was altijd al zo dat er een verband bestond tussen degenen die de financiën beheerden en degenen die de bedrijven in handen hadden. JP Morgan was daar een voorbeeld van. Hij was een mega bankier en kreeg al gauw de macht over US Steel en vele andere bedrijven. De oliemagnaat Rockefeller had al gauw de Chase-Manhattan bank in bezit, dus die financieel-industriële verbanden bestaan al heel lang. Maar de laatste twintig a dertig jaar zijn die enorme concerns ook op het gebied van cultuur en communicatie actief. Ze bezitten de televisie netwerken. General Electric, Disney, General Motor en andere buitengewoon machtige financieel-industriële ondernemingen zijn nu de uitgeversbranche binnengedrongen en hebben de grootste uitgeverijen in hun macht. Uitgeverijen waren altijd onafhankelijk geweest in die zin dat ze onafhankelijk waren van de andere financiële reuzen. Nu is dat niet meer zo en zijn er nog maar een paar kleine uitgevers die onafhankelijk zijn en die nog niet in bezit zijn van die enorme financieel-industriële conglomeraten.

De scherpe scheiding tussen arm en rijk bestond al vanaf het begin van de kolonisatie van Noord-Amerika. Het was niet zo dat iedereen vanuit Europa op gelijke voet hierheen kwam en dat vervolgens enkelen rijk werden en anderen arm bleven. Ten tijde van de eerste kolonisten, die vanuit Engeland hierheen kwamen, was er een klein aantal aan wie de Britse koning grote stukken land had toegezegd, terwijl alle anderen met niets arriveerden. Heel veel blanke kolonisten die hierheen kwamen waren contractarbeiders, dat wil zeggen: ze moesten hun eigen overtocht afbetalen met zeven jaar arbeid. Daar hadden ze een contract voor getekend en dat maakte hen zeven jaar lang nagenoeg tot slaven. Daarnaast bezaten enkele blanke emigranten kleine stukjes grond. Met andere woorden: al vanaf het allereerste begin was het een klassenmaatschappij. Er waren grootgrondbezitters, kleine boeren, blanke contractarbeiders en natuurlijk daar weer onder de zwarte slaven, die vanaf 1619 naar Amerika gedeporteerd werden. In dat jaar arriveerde de eerste scheepslading zwarte slaven in Virginia en hun aantal groeide snel. Ten tijde van de Amerikaanse revolutie, rond 1776, bestond zo’n twintig procent van de bevolking van de kolonies uit zwarte slaven. Dus was er altijd al sprake van een zeer gelaagde samenleving met grote verschillen in rijkdom, in grondbezit, in macht en het was deze samenleving die in 1787 de voedingsbodem vormde voor de Grondwet van de Verenigde Staten. Die werd niet geschreven door een dwarsdoorsnede van de bevolking, door arm en rijk dus, maar door 55 rijke blanke mannen, slavenbezitters, kooplieden, groot grondbezitters. Zij waren degenen die in 1787 in Philadelphia bijeen kwamen en de Grondwet schreven, waarin de feitelijke economische verhoudingen in het land weerspiegeld werden.

De Onafhankelijkheidsverklaring was een prachtig instrument om te proberen de bevolking tegen Engeland te mobiliseren, en ik zeg met nadruk proberen omdat ze daar niet volledig in slaagden. Hoewel ze mooie woorden spraken over gelijkheid, vrijheid en het recht om naar geluk te streven, was de werkelijkheid voor grote aantallen Amerikanen volstrekt anders. Maar die onafhankelijkheidsverklaring was bedoeld als een soort bezielend document om de kolonisten over te halen mee te doen aan de strijd tegen Engeland. Het was een strijd waar alleen de hogere klassen in de kolonie van zouden profiteren en zeker niet de slaven of de contractarbeiders en ook niet de keuterboertjes met hun kleine lapje grond. De Onafhankelijkheidsverklaring was een poging om iedereen ervan te overtuigen dat ze allemaal één gezamenlijk doel hadden. Maar, zoals ik al zei, slaagden ze daar niet helemaal in. Zoals John Adams, één van de Founding Fathers die tweede president van de Verenigde Staten zou worden, toen al opmerkte steunde maar éénderde van de Amerikaanse kolonisten de revolutie tegen Engeland. Eenderde was er tegen en éénderde wist het niet. Natuurlijk, blijft die Onafhankelijkheidsverklaring, zoals alle retorische verklaringen in de geschiedenis, voortleven als een ideaal dat men bereiken wil. Tegelijkertijd is het misleidend zodra het mensen laat geloven dat het ideaal al bereikt is. En toen de revolutie voorbij was, toen de functie van de Onafhankelijkheidsverklaring als het ware erop zat, toen de oorlog voorbij was, werden die beloften vergeten. Vervolgens werd de Grondwet geschreven. In plaats van de woorden van de Onafhankelijkheidsverklaring, ‘leven, vrijheid en het recht om naar geluk te streven’ werden die woorden in de Grondwet ‘leven, vrijheid en het recht op eigendom.’ En eigendom betekende slaven, het betekende obligaties, het betekende grond. Eigendom was nu het belangrijkste dat moest worden beschermd door de nieuwe regering.

Om de grote verschillen in macht en rijkdom verteerbaar te maken voor de meerderheid werd naderhand de Bill of Rights geschreven. Het bestond uit amendementen, de eerste tien amendementen op de Grondwet en werd pas geschreven twee jaar nadat de eerste regering was geïnstalleerd. Uiteindelijk werden ze in de Grondwet opgenomen. Die Bill of Rights werd beloofd op het moment dat de Grondwet ter goedkeuring werd voorgelegd aan de diverse staten om zo de gewone mensen ervan te overtuigen dat de nieuwe Grondwet er een was die de vrijheden van het individu zou beschermen. En twee jaar later werd de Bill of Rights inderdaad door het Congres aanvaard. Natuurlijk betreft het hier buitengewoon belangrijke bepalingen: vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, van vergadering, het recht op een eerlijk proces, het recht op juridische bijstand. Niettemin zijn het bepalingen die gedurende de hele Amerikaanse geschiedenis in wezen niet erg veel betekend hebben, tenzij de bevolking zich organiseerde en erop stond dat er betekenis aan werd toegekend. Een voorbeeld hiervan is de vrijheid van meningsuiting. In het eerste amendement van de Grondwet staat dat het Congres geen wet zal maken die de vrijheid van meningsuiting beperkt. Welnu, die rechtsregel werd in 1791 aangenomen als onderdeel van de Bill of Rights, maar zeven jaar later, in 1798, werden de vreemdelingenwet en de wet op de ordeverstoring door het Congres aangenomen. En in die wet stond dat het een misdaad was om de regering van de Verenigde Staten in diskrediet te brengen. Dit is een duidelijke schending van het eerste amendement waarin staat dat het Congres geen wet zal maken die de vrijheid van meningsuiting beperkt. Al snel verdwenen mensen achter de tralies, vooral krantenredacteuren, voor het schrijven van artikelen waarin kritiek werd geleverd op de toenmalige regering. Het was ‘t eerste teken dat het vastleggen van bepaalde rechten in de Grondwet nog niet garandeert dat die rechten daadwerkelijk zullen worden nageleefd. En als de economische structuur van het land zo in elkaar zit dat een klein groepje mensen de rijkdom in handen heeft, dan beginnen ook de politieke rechten die de Bill of Rights garandeert aan betekenis te verliezen. Neem het recht op juridische bijstand. Daar kun je wel recht op hebben, maar als je geen geld hebt om advocaten in te huren dan heeft dat recht geen betekenis. Op haar beurt betekent de vrijheid van meningsuiting ook niet veel als je geen middelen hebt om je mening onder grote groepen mensen te verspreiden. Dat zie je dan ook vandaag de dag in de Verenigde Staten. Iedereen heeft formeel gezien evenveel recht van spreken, maar degenen die de tv en radiozenders bezitten en de kranten kunnen tegen miljoenen mensen spreken, terwijl gewone mensen slechts een tiental of hooguit een honderdtal mensen kunnen bereiken. Met andere woorden: de bepalingen in de Bill of Rights zijn weliswaar constitutionele rechten, maar tegelijkertijd ook nog niet bereikte idealen. De realiteit is dat die rechten afhankelijk zijn van macht en geld en tot nu toe hebben degenen met de meeste macht en het meeste geld in de Verenigde Staten bepaald wie die vrijheden in de praktijk kunnen brengen.

In feite is het werkelijke probleem dat het kapitalisme per definitie onverzadigbaar is. Het is nooit tevreden, het heeft nooit genoeg, niet genoeg geld, niet genoeg land. Het moet altijd expanderen. Je ziet dit de hele Amerikaanse geschiedenis door. In 1890, het jaar van het bloedbad bij Wounded Knee, waarbij Indiaanse mannen, vrouwen en kinderen massaal door het Amerikaanse leger werden afgeslacht en de Indiaanse geestkracht definitief gebroken werd, in dat jaar bepaalde de Amerikaanse overheid officieel dat de interne grenzen gesloten waren. Het continent van de Verenigde Staten was een eenheid geworden. Maar dat betekende zeker niet een einde aan de buitenlandse expansie, die ging gewoon door. De Verenigde Staten bleef over de grenzen heenkijken en acht jaar later, in 1898, verdreven het Spanje uit Cuba en Puerto Rico en de Virgin-eilanden. Vervolgens trokken de Amerikaanse strijdkrachten verder en verder, ook de Stille Oceaan over om onder andere met veel terreur de Filippijnen te veroveren. De Verenigde Staten werd een wereldmacht met een eigen imperium. Het was de start van een lange periode van Amerikaans expansionisme in elk werelddeel. En aan het begin van de Tweede Wereldoorlog stond de Verenigde Staten op het punt zijn macht over het Midden Oosten uit te breiden. Kort samengevat wordt het expansionisme gevoed door de begeerte naar land en rijkdom. Het beperkte zich eerst tot het oostelijk deel van het continent. Toen dat bezet was trok men steeds verder westwaarts. Er was goud in Californië, wat een van de belangrijke redenen was om een oorlog tegen Mexico te beginnen. Er was zilver in de westelijke staten, en uiteindelijk wist de Verenigde Staten ongeveer de helft van het toenmalig Mexicaans grondgebied te veroveren. Alles leverde winst op, de grond en de mineralen. En als je ermee wegkomt met het stelen van andermans land en het vermoorden van de oorspronkelijke bewoners, en je meent daartoe het recht te hebben, omdat je jezelf beschaafder vindt of omdat jouw god je dat heeft ingefluisterd, waarom zou je dan stoppen? De expansie over zee was daarom ook de logische volgende stap, gemotiveerd door het eenvoudige besef dat er overzeese grondstoffen en markten konden worden veroverd. De doctrine van de groei die geen grenzen kent. De Verenigde Staten trok het Caraïbisch gebied binnen en United Fruit Company kocht voor een habbekrats grote stukken land van de bevriende en corrupte Cubaanse regering en liet daar suiker verbouwen, een uiterst winstgevende handel. Imperialisme is buitengewoon lucratief. Expansie is buitengewoon lucratief. Ondernemingen zijn altijd op zoek naar het maximum aan resultaat voor een minimum aan kosten, dus zijn ze afhankelijk van gebieden waar de vitale grondstoffen liggen en waar goedkope arbeidskrachten leven om die maximaal te kunnen exploiteren. Bovendien zijn ze op zoek naar de belastingparadijzen, de landen waar de belastingmaatregelen het gunstigst zijn, met andere woorden de landen die onder de heerschappij van Washington staan.

Er is hier geen vrije pers. Een beroemde Amerikaanse auteur vatte het eens treffend samen in de uitspraak dat ‘de persvrijheid er is voor degene die een pers bezit.’ De gedrukte media zijn in toenemende mate in handen van enkele mega concerns. De massamedia worden steeds meer gemonopoliseerd. Aan het begin van de vorige eeuw had je twee, drie of vier kranten per stad. Nu heeft naar schatting negentig procent van de steden in de Verenigde Staten slechts één krant, in het bezit van een groot concern. Dat geldt ook voor radio en tv. Een groot deel is in handen van concerns als de wapenfabrikant General Electric, het amusementsimperium Disney of de energiegigant Westinghouse. Het gevolg is dat men op tv en radio geen informatie uitzendt die gewone werkende mensen werkelijk vooruit zou kunnen helpen. Het nieuws op die zenders wordt beheerst door belangrijke mensen: de president, leden van zijn kabinet, captains of industry, Congresleden. En dan is er nog de zogeheten ‘public television’ wat liberaler zou moeten zijn omdat het niet direct onder controle staat van een groot concern, maar ook bij public television zie je een erg beperkt assortiment aan meningen, zo ongeveer van het centrum tot rechts. Bovendien zijn de mensen die het vaakst op publieke zenders verschijnen de minister van buitenlandse zaken, de minister van defensie, belangrijke senatoren, kortom: de autoriteiten. Gewone mensen en mensen met dissidente meningen, hoor je niet in de massamedia. Er zijn wel een handjevol onafhankelijke radio en televisiestations en kranten, er zijn huis aan huisbladen, er zijn dus wel wat openingen maar die zijn uiterst beperkt. Op een bepaalde manier werkt het Amerikaans beheersingsmodel effectiever dan dat van een totalitaire staat, want in een totalitaire staat weet je zeker dat de regering alles in zijn macht heeft, er bestaat helemaal geen ruimte. Maar hier geven ze je een klein beetje ruimte zodat de indruk ontstaat dat er sprake is van persvrijheid en dus van een echte democratie.

Het communisme was een geweldig excuus om de Amerikaanse macht in de wereld uit te breiden. Ik bedoel: het is waar dat er een Sovjet Unie was en dat die Sovjet Unie zijn macht over Oost-Europa uitbreidde, maar dat feit werd uitvergroot, tot gigantische proporties opgeblazen. Zozeer zelfs dat elke opstand waar dan ook ter wereld, onmiddellijk werd gezien als een poging van de Sovjets of de Chinezen om de wereld te veroveren. Dus als er in Guatemala een nieuwe sociaal georiënteerde regering democratisch aan de macht kwam, werd dat meteen gezien als een onderdeel van de wereldwijde communistische greep naar de macht en ging de Amerikaanse overheid meteen aan de slag om die regering omver te werpen. Toen er een democratisch gekozen linkse regering in Chili aan de macht kwam, werd dat beschouwd als een onderdeel van het wereldwijd communistisch complot. Communisme was een begrip waar iedereen bang mee werd gemaakt, net als terrorisme vandaag de dag. En hoewel de Sovjet Unie een werkelijkheid was, werd die buitenproportionele angst gebruikt als rechtvaardiging om allerlei illegale praktijken te rechtvaardigen die niets te maken hadden met wat het communisme deed. Precies zo is het terrorisme een werkelijkheid. 11 september is echt gebeurd, maar het is tegelijkertijd ook een excuus geworden voor de Verenigde Staten om te doen wat het toch al wilde doen, namelijk zijn macht in het Midden-Oosten uitbreiden. Vergeet niet dat de Verenigde Staten niet wist waar de terroristen precies zaten. Desondanks besloot het toch zonder enig steekhoudend bewijs Afghanistan te bombarderen en binnen te vallen. En in het kader van -naar we mogen aannemen- de strijd tegen het terrorisme bezet de Verenigde Staten nu Irak, hoewel er geen enkel verband is aangetoond tussen het Saddam regime en de mensen die de Twin Towers hebben verwoest of degenen die tot het terroristennetwerk van Al Qaïda behoren. In werkelijkheid gaat die bezetting om de beheersing van de oliereserves. Elk ander argument is onzin. Irak is er uitgepikt omdat het vijfentwintig procent van alle oliereserves ter wereld bezit. Alles wat Amerika in het Midden-Oosten doet is gebaseerd op het streven de oliemarkt te beheersen. Het terrorisme is de smoes, de olie is de echte reden. Het gaat in de geschiedenis altijd om de beheersing van belangrijke grondstoffen. Hoewel men geen kapitalistische natie hoeft te zijn om oorlog te voeren over grondstoffen, kent het kapitalisme vanwege het winstmotief zeker een grote drijfveer om gewelddadig op te treden. Er zijn enorme winsten te behalen met oorlog voeren, dus is het kapitalisme, dat gebaseerd is op het maken van bedrijfswinsten, sterk geneigd oorlogen te beginnen. Dat zie je nu ook. Oorlog confisqueert de rijkdom van een land, draagt die rijkdom over aan ondernemingen om militair materieel te fabriceren, met als gevolg dat die concerns gigantisch profiteren van de oorlog. Oorlog is winstgevend voor de oorlogsindustrie. Welnu, als rond de vijftig procent van het federale budget gaat naar wat officieel defensie heet, dan moet er op zijn minst toch een vijand zijn en moeten er gewapende conflicten worden uitgevochten, want anders stort de Amerikaanse economie in elkaar. Met andere woorden: oorlog is een manier om de kapitalistisch economie op de been te houden. Als onze regering zou afzien van oorlogsvoering zou dit de ondergang betekenen van het militair-industrieel complex dat nu het grootste deel van het federale budget opslokt. Er bestaat een direct verband tussen kapitalisme en oorlog. De Verenigde Staten is het grootste kapitalistische land van de wereld en zoals we tevens zien de grootste oorlogvoerende macht in de wereld. De militaire begroting heeft een buitengewoon belangrijke rol gespeeld bij, je zou kunnen zeggen, bij het redden van het kapitalisme in de hele periode na de Tweede Wereldoorlog.‘

terug