Johannes Arends
Johannes Arends, geboren te Zeyen (Dr) op 5 januari 1853, overleden te Donderen op 4 december 1932, zoon van Jakob Jans Arends en Jantien Lamberts Staal. Beroep:landbouwer.
Hij is getrouwd te Vries op 20 mei 1882 met
Roelfien Hoving, geboren te Donderen op 20 februari 1857, overleden aldaar op of even voor 15 november 1921 (akte), dochter van Jan Harms Hoving en Roelfien Pieters Vedder.
Uit dit huwelijk:
1. Jacob. (jong overleden.) ?
2. Jan, geboren te Donderen op 16-1-1884.
3. Jantien, geboren te Donderen op 12-6-1886. Zij is getrouwd te Vries op 20-5-1911 met Jan Venekamp, geboren te Norg op 27-7-1889.
4. Roelfien, geboren te Donderen op 11-10-1888, overleden te Groningen op 3-12-1939. Zij is getrouwd te Vries op 17-5-1913 met Geert Santes, geboren te Vries op 23-3-1889.
5 Marchien, geboren te Donderen op 15 april 1892, overleden aldaar op 14 maart 1966. Zij is getrouwd te Vries op 8 maart 1913 met Albertus Thijs, geboren te Donderen op 6 juli 1893, overleden aldaar op 5 maart 1967, zoon van Lucas Thijs en Jantien Winters.
6 Jacob, geboren te Donderen op 20-7-1896, overleden aldaar op 27-7-1897.

Het gezin Arends: Johannes en Roelfien met zoon Jan en dochters (van links naar rechts) Jantien, Roelfien en Marchien.
"Mijn grootvader Johannes Arends en mijn grootmoeder Roelfien Hoving noemden wij altijd Opa en Otie. Opa was een grote forse man met een dikke blonde kuif haar, dat er op zijn 80ste nog allemaal was. Maar omdat hij aderverkalking kreeg, ging hij toen verstandelijk hard achteruit. Meestal keek hij ernstig. Hij was een echte boer en voor grapjes had hij geen tijd. Otie herinner ik mij niet anders dan wat ziekelijk en teer. Ze hadden drie meisjes en twee jongens. Eén jongen moest op de boerderij en de andere jongen moest dan maar doorleren. Helaas stierf toen de eerste, maar de andere wilde niet op de boerderij. De meisjes trouwden en de oudste kwam toen met haar man bij Opa inwonen op de boerderij.
Volgens Opa moest een boer heel goed kunnen melken en dat kon oom Jan (de man van opa's dochter Jantien) niet zo best, zodat hij bij de oude baas niet zo goed in de smaak viel.. Oom Jan is toen een paar keer teruggegaan naar Langelo, waar zijn ouders woonden, maar hij werd toen denk ik wel weerom gestuurd. Opa nam daarop een dienstmeisje aan en ze moest direkt leren melken. Opa stond er bij en zei: "Je moet zo hard trekken, dat het "broes" (= schuim) boven uit de emmer komt". Een meid moest vroeger net zo veel op de boerderij als in de woning helpen. Ze hadden ook een knecht (Jan Brink) en die was heel klein en krom. Opa was groot en recht, zodat ze samen een mooi span vormden. Opa was overigens wel goed voor de knecht en de meid, want ze bleven er jarenlang werken."
Jantje Thijs
Johannes Arends tweede zoon (Jan) werd onderwijzer te Groningen. Deze had twee zoons. De oudste studeerde medicijnen , maar overleed vrij jong aan hersen-tbc. De tweede (Albertus, gehuwd met A.A. Hoving) werd hoogleraar aan de Medische Faculteit van de Rijksuniversiteit Groningen (pathaloog-anatoom).
TERUG NAAR KWARTIERSTAAT HARTLIEF