PJOTR ARSJINOF, DE MACHNOVSTSJINA
EN HET PLATFORM.

EEN KRITISCHE TOELICHTING.

Pjotr Andrejewietsj Arsjinof werd in 1887 als zoon van een fabrieksarbeider in de Oekraïnse stad Jekaterinoslav geboren. Hij leerde zichzelf het slotenmakersvak en kwam als zodanig aan het werk bij de spoorwegen. In 1904 stuurde die maatschappij hem naar Kisil-Arwat in Centraal-Azie. Hier kwam hij in contact met de revolutionaire beweging, raakte in de ban van het socialisme en werd lid van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (bolsjewistisch). Zijn hieruit voortvloeiende medewerking aan de revolutionaire arbeiderskrant 'Molot' (Moker) werd door het tsaristische regime als politieke agitatie bestempeld, wat tot gevolg had dat hij moest vluchten. Hij keerde naar de Oekraïne terug waar op dat moment de revolutie van 1905 in alle hevigheid woedde. Op het hoogtepunt van die revolutie, in oktober, trachtte de tsaar haar anders dan met geweld te bedwingen. Hij slaagde daarin dankzij het 'Oktober Manifest', wat de instelling van de Rijks Doema (een adviserend en wetgevend orgaan), algemeen kiesrecht en een aantal burgerlijke vrijheden zoals recht op vereniging, vergadering en vrijheid van pers beloofde. De bourgeoisie scheen de grote overwinnaar te zijn, later zou blijken dat het een Pyrrhusoverwinning was.'

Het manifest veranderde zeer weinig aan de sociaal-economische positie van de arbeiders en boeren, welke een van de voornaamste oorzaken van de revolutie was geweest. Arsjinof weet, volgens Voline, die onveranderde toestand en dus het falen van de revolutie aan het reformisme van de sociaal-democratie. De reformisten (minimalisten) betwijfelden of Rusland als een feodale samenleving meteen de sprong naar een socialistische samenleving kon maken. Zij achtten een overgangsfase in de vorm van een democratische burgerlijke republiek noodzakelijk. De Sociaal-Revolutionairen en de anarchisten waren de maximalistische visie toegedaan: de directe overgang van feodalisme naar socialisme was wel mogelijk. Overigens speelde ook de bolsjewistische vleugel van de sociaal-democratie toen met die maximalistische gedachte en zou deze later als beginsel aangenomen worden.

Arsjinof verweet de bolsjewisten tevens dat zij té ver afstonden van de werkelijke eisen en verlangens van de arbeidende klasse. Hij vond dat het anarchisme beter aansloot bij die aspiraties en trok zijn conclusie: hij verliet de partij en voegde zich bij de anarcho-communistische beweging. Hij stelde zich meteen in dienst van het anarchisme, verspreidde lectuur, lichtte arbeiders en boeren voor en organiseerde met enkele kameraden een geheime cel. Door die laatste daad gaf hij al blijk een leerling van Bakoenin te zijn. Eind 1906 pleegde hij, samen met enkele kameraden een bomaanslag op een politiebureau waarbij meerdere doden vielen. Dankzij een perfecte organisatie werden zij niet opgespoord. Drie maanden later, op 7 maart 1907, vermoordde hij Wassilenko, een directeur van de spoorwegen die sinds de revolutie van 1905 talloze opstandige arbeiders had aangegeven. Arsjinof werd nu wel gearresteerd en in de gevangenis gezet, maar wist een maand later te ontsnappen en naar het buitenland te vluchten. In 1909 keerde hij naar Rusland terug om zich daar in te zetten voor de sociale revolutie. Hij smokkelde nu regelmatig wapens en subversieve literatuur de Oostenrijks-Russische grens over totdat het noodlot opnieuw toesloeg. Op een van zijn overtochten werd hij door Oostenrijkse grenswachten gearresteerd en vervolgens tot gevangenisstraf veroordeeld. Na een jaar werd hij aan Rusland uitgeleverd en daar tot zo jaar veroordeeld, welke hij door moest brengen in de beruchte Boetirki te Moskou. In deze gevangenis ontmoette hij in 1911 de man wiens lot hij bijna zijn hele leven zou delen: Nestor Machno. Machno was in 1908 tot levenslang veroordeeld wegens zijn aandeel in terroristische acties. Dit was niet de enige overeenkomst tussen hem en Arsjinof. Ook Machno had zijn eerste schreden op het revolutionaire pad gezet 'in de schoot van de sociaal-democratie' voordat hij anarchist werd. In hun latere leven zouden nog meer overeenkomsten aan te wijzen zijn.

Zoals voor zovele andere jonge revolutionairen was de gevangenis voor Machno een universiteit. Zijn leermeester werd Pjotr Arsjinof. Deze liet Machno kennis maken met de werken van Bakoenin en Kropotkin, bracht hem begrip bij voor de Russische literatuur en onderwees hem in revolutionaire strategie en tactiek. Door hun langdurig contact heeft Arsjinof - onbewust - een zeer grote invloed uitgeoefend op het denken van Machno. Avrich schrijft iets onvriendelijker dat Arsjinof zijn bewondering voor Bakoenin en Kropotkin aan Machno opdrong. Zeker is in ieder geval dat Arsjinof de steun en toeverlaat, vriend en mentor en later de ideoloog en historiograaf van Machno werd.

Maartrevolutie 1917
In maart 1917 brak in Rusland een politieke revolutie uit, welke vergaande gevolgen had. De onmiddellijke oorzaak van de revolutie was de eerste wereldoorlog. Het Russische leger slokte de hele agrarische en industriële produktie op, waardoor de burgers een tekort aan voedsel, kleding en brandstof kregen. Het produktie-apparaat was echter ook niet in staat het leger voldoende van goederen te voorzien. Deze situatie veroorzaakte verzet tegen de tsaar en tegen de oorlog welke zich uitte in rellen en stakingen. De, door de tsaar verdaagde, Doema sloot zich bij het verzet aan en nam de regeringstaak over. De tsaar zag zich gedwongen af te treden ten gunste van een Voorlopige Regering o.l.v. Lwow. Een van de eerste daden van de nieuwe regering was het verlenen van een algehele amnestie, waardoor Arsjinof en Machno weer op vrije voeten kwamen. Machno keerde met zijn verworven kennis naar de Oekraïne terug, terwijl Arsjinof in Moskou bleef waar hij zich bij de Federatie van Anarchistische Groepen voegde. Een jaar later vertrok hij naar het Donetzbekken in het oosten van de Oekraïne om zich daar met propa- gandistische zaken bezig te houden. In 1919 verscheen Arsjinof in de westelijke Oekraïne waar hij zich aansloot bij de Nabat en de Machnovstsjina.

De anarchistische Nabat (Alarm) Confederatie was bedoeld als een samenwerkingsverband, een platform, van alle anarchistische stromingen. Het eerste congres van de Nabat riep alle aanhangers van die stromingen op een 'Verenigd Anarchisme' te creëren, waarin elke deelnemende groep en elk individu een grote mate van zelfstandigheid werd gegarandeerd. De basis van die samenwerking moest liggen in een nieuwe, door de anarcho-syndicalist Voline (Wollin) ontworpen doctrine: de 'Synthetische Verklaring van Principes', beter bekend onder de namen 'Verenigd Anarchisme' en 'Synthese'. Voline meende dat het "syndicalisme, het (libertaire) communisme en het individualisme de drie exponenten waren van een en hetzelfde proces", en wel het proces van "de constructie - via de syndicalistische methode van klasse-organisatie van de arbeidende massa - van een anarcho-communistische samenleving, welke de noodzakelijke materiële basis wordt van de volledige ontwikkeling van de vrije, individuele persoonlijkheid". Zijn organisatie zou moeten bestaan in vrijheid en vrijwilligheid, en uitgaande van deze doctrine zag de Nabat het als haar taken libertaire ideeën te verspreiden, zonder deze aan anderen op te leggen en de sociale revolutie theoretisch te organiseren. In de Machnovstsjina zag zij een uitstekend voertuig voor die ideeën.

De Machnovstsjina
De Machnovstsjina was een beweging van opstandige boeren welke in het zuiden van de Oekraïne, aan de benedenloop van de Dnjepr opereerde. In naam opstond zij in de nazomer van 19 18 in feite was zij een jaar eerder ontstaan als gevolg van de Maart Revolutie. Zij was er tevens een uit de lange rij van boerenopstanden die Rusland gedurende eeuwen teisterden.

De bevolking van Rusland bestond in 1917 voor 85% uit boeren, waarvan een meerderheid verkapt lijfeigene was. Deze feodale toestand bestond al eeuwen, en even lang probeerden de boeren daar een eind aan te maken. Zodra zich daartoe een kans voordeed grepen zij die aan, zoals tijdens de revoltes van Bolotnikof, Rasin en Poegatsjew. Deze en andere opstanden faalden echter. In 1861 begreep het tsaristisch regime, onder druk van grootgrondbezitters en het boerenverzet, dat het feodalisme zich aan het overleven was, en dat een landbouwhervorming noodzakelijk was. De hieruit voortkomende 'boerenbevrijding' had echter een averechts effect. De beoogde onafhankelijkheid van de boeren werd belemmerd door de hoge financiële offers die de boeren zich zouden moeten getroosten. Bovendien schiep de 'bevrijding' een landtekort en een landbouwersoverschot. De ontevredenheid en het verzet dat tot de hervorming leidde verdwenen dan ook niet, maar namen toe. Het verzet stak nog diverse malen de kop op, zoals in 1903 en 1905. De revolutie van 1905 dwong de tsaar tot de aanname van het 'Oktober Manifest', wat een verbetering van het politieke klimaat beloofde. Deze hoop ging al snel verloren toen de tsaar de eerste Doema ontbond. Verontwaardigd door dat optreden kwamen de boeren opnieuw in opstand. De tsaar reageerde op twee manieren: eerst trachtte hij met terreur en geweld het verzet te breken, vervolgens beloofde hij de boeren een nieuwe hervorming. Hij gaf minister Stolypin opdracht die hervorming te bewerkstelligen welke in 1910 uitmondde in een aantal wetten. Maar ook deze hervorming had een averechts effect. Het bevoordeelde de rijke en zeer rijke boeren, veroorzaakte een toename van de Kulakki en schiep mogelijkheden voor 'stadse' kapitalisten zich via grondspeculatie te verrijken. De pachters, arme en landloze boeren zagen geen kans aan grond te komen of hun bezit uit te breiden. Het gevolg was dat het aantal landloze boeren toenam en daarmee de ontevredenheid.'

De frustraties van de boeren vonden een nieuwe uitlaatklep in maart 1917, daarin in niet geringe mate gesteund door vooral anarchisten en sociaal-revolutionairen. Een tweede uitlaatklep vonden zij in november 1917 toen de bolsjewisten, mede dankzij de steun van de boeren, de macht overnamen.

De Wolnitsa
Vanaf maart 1917 braken in heel Rusland boerenopstanden uit die gekenmerkt werden door gewelddadigheden jegens de grootgrondbezitters en door massale grondonteigeningen. Hetzelfde proces vond in de Oekraïne plaats. Hier hadden de boeren slechts twee eisen: vrij zijn van elke autoriteit en een eigen stuk grond. Twee eisen die samengevat werden in één term: de Woljnitsa. Het waren tevens eisen die het roemruchte verleden van de Oekraine maar vooral van de kozakkengemeenschappen deden herleven.

Kozakken (vrije krijgsmannen) waren oorspronkelijk vluchtelingen die de lijfeigenschap in Polen, Litouwen en het Moscovitische rijk ontvlucht waren en zich rond 1450 in de maagdelijke steppegebieden van de Oekraïne gevestigd hadden. Na ongeveer een eeuw als nomaden rondgezworven te hebben, stichtten zij bij o.a. de rivieren de Don, de Dnjepr en de Koeban gemeenschappen. Vooral de Don- en Dnjepr(beter bekend als de Zaporoger kozakken) kozakken zouden een grote rol in de Oekraïnse geschiedenis gaan spelen.

De Oekraïne was toen al zeer belangrijk en gewild vanwege haar rijkdommen aan vruchtbaar land (de zwarte aarde), uitgestrekte wouden met een overvloed aan wild, sappige steppen en uitstekende visgronden. Dankzij die natuurlijke rijkdom was zij een speelbal in de handen van haar directe buren: Groot-Rusland, Turkije, Perzië en Polen. Eeuwenlang vochten deze staten om het bezit van de Oekraïne en om de gunst van de kozakken. Dezen kozen echter nooit partij maar verbonden zich aan de hoogste bieder, en vormden zo een hoogst onberekenbare factor in elke oorlog waarin zij mee streden, inclusief de burgeroorlog van 1918-1921.

Binnen hun eigen gebieden waren de kozakken heer en meester en zij verdedigden deze vrijheid tegen ieder die haar wilde onderwerpen. Vanwege die vrijheid werden de kozakken- gebieden vrijplaatsen voor vluchtelingen uit o.a. Polen en Groot-Rusland. De kozakken namen iedereen op ongeacht kleur, ras of godsdienst (met uitzondering van Joden) en ongeacht of zij gevluchte lijfeigenen of misdadigers waren. De eerste kozakkengemeenschappen waren democratisch ingericht: alle mannen hadden stemrecht, de leider (hetman c.q. ataman) was verkiesbaar en afzetbaar, besluiten werden in algemene vergaderingen genomen, en iedere nieuwkomer mocht zich kozak noemen. Sociaal-economisch gezien waren die eerste gemeenschappen communistisch ingericht: de weidegronden waren gezamenlijk, geroofde goederen werden onder iedereen verdeeld, er was nauwelijks sprake van privébezit en iedereen was gelijk aan elkaar.

Maar door de ontwikkeling van de economie, voornamelijk landbouw, kaapvaart en daaruit volgende handel, en de groei van de gemeenschappen - waarvan een aantal kozakken profiteerden en rijk werden - ontstond er een standsverschil. Eenzelfde proces vond plaats op politiek terrein, want "naarmate het bestuur van elke gemeenschap sofistischer werd, werden de kozakken-instituties ordelijker en omringd met formaliteiten", zodat rond 1700 de democratie plaats gemaakt had voor een oligarchie. Tegen 1700 hadden zich twee klassen gevormd: de 'gerespecteerden' en de 'naakten'. Van deze twee klassen kregen de 'gerespecteerden' op den duur de politieke en sociaal-economische macht in handen. Naast deze twee klassen ontstond die van de nieuwkomers. Zij kregen geen kans meer kozak te worden en moesten van een klein stukje grond leven. Maar, ondanks het standsverschil, was de situatie van de 'naakten' en nieuwkomers beter dan van hun 'gelijken' in Groot-Rusland: zij leefden in een zelfstandig gebied waar zij konden doen en laten wat zij wilden. Lang duurde die toestand niet. In navolging van Duitse en Poolse grootgrondbezitters die elders in de Oekraïne woonden voerden de 'gerespec- teerden' rond 1700 het lijfeigenschap in, waarmee het feodalisme ook in de kozakkengebieden vaste grond aan de voet kreeg.

De autonomie van de kozakken gebieden werd voortdurend bedreigd door Polen en Groot-Rusland. Vanaf 1569 maakte de Oekraïne deel uit van Polen, en dit land deed alle moeite de vrije kozakken te onderwerpen. Hierin slaagde zij pas in 1638, maar de 'vrede' zou slechts negen jaar duren. In 1647 trok Bogdan Khmelnitski, een door Polen beledigde 'gerespecteerde' Zaporoger-kozak tegen dat land ten strijde, daarin gesteund door zijn eigen kozakken en door Tataren, boeren, lijfeigenen en misdadigers. Deze strijd, die aanvankelijk puur persoonlijk was en later een politiek en sociaal karakter kreeg, duurde tot 1654 en eindigde in een overwinning voor de Oekraïne En voor Groot-Rusland. De Oekraïne dankte deze overwinning namelijk aan haar economische en militaire steun. Het gevolg hiervan was dat de kozakken bij het verdrag van Perejaslav een verbond met de tsaar sloten. Deze verklaarde dat de Oekraïne een autonome staat zou blijven en dat de hetman als hoofd van die staat erkend werd. Bovendien mochten de kozakken als zelfstandige klasse blijven bestaan. Toch zou het nog geen honderd jaar duren voordat alle kozakken aan het gezag van de tsaar onderworpen waren. De 'gerespecteerden' leverden als gevolg van hun economische en militaire afhankelijkheid steeds meer macht in, en tussen 1721 en 1728 verloren zij hun autonomie helemaal. In de eeuwen die volgden zouden zij zich steeds meer met het tsaristisch regime identificeren en tenslotte als haar waakhonden eindigend.

De 'naakten' daarentegen verbonden hun lot steeds vaker aan dat van de lijfeigenen en arme boeren, tot in de twintigste eeuw toe. Dit was het geval bij o.a. de boerenopstanden van Rasin en Poegatsjew. Deze opstanden hadden niet alleen een sociaal-economisch, maar ook een politiek karakter. Enerzijds waren die revoltes gericht tegen de macht van de staat, van de groot- grondbezitters (kozak of niet) en de kerk, anderzijds waren zij gericht op een verbetering van het eigen lot. De ontevredenheid en het verzet uitte zich ook in het optreden van de haidamaks, welke bestonden uit misdadigers en rebellen die vonden dat de maatschappij hen te hard aanpakte. Zij trokken, samen met wraakgierige boeren, ten strijde tegen vreemde groot- grondbezitters, ambtenaren, Polen, Joden en rijke boeren.

In het jaar van de 'boerenbevrijding' stonden in de Oekraine dus twee partijen tegenover elkaar. Aan de ene kant de 'gerespecteerden', aan de andere kant de massa van 'naakten', arme boeren en lijfeigenen: de geprivilegieerden tegenover de gedepriveerden. De bevrijding van de lijfeigenen veroorzaakte hetzelfde probleem als in de rest van Rusland, namelijk landtekort en de daaraan gepaard gaande strijd tussen bezitters en niet-bezitters. In deze strijd mengden zich nieuwkomers die aangetrokken waren door de economische expansie van de Oekraïne, maar wie de voet dwars gezet werd door de 'gerespecteerden'. De expansie, veroorzaakt door de vondst van grote voorraden steenkool en ijzererts, had nog meer gevolgen. Er was sprake van een enorme groei van het industriële proletariaat waardoor de kozakken in de minderheid raakten. Zij zochten steun voor hun problemen in Moskou, maar kregen daar geen gehoor. Zij voelden zich in de steek gelaten, zonderden zich af van de moderne tijd en droomden van het verleden waarin de Oekraïne zelfstandig was. In de Oekraïne was nu de voedingsbodem aanwezig voor een aantal conflicten: tussen Moskou en de Oekraïne, tussen kozakken en niet-kozakken, tussen stad en platteland en tussen arme en rijke boeren. De revoluties van 1917 veroorzaakten een escalatie waardoor de Oekraïne in een kluwen van strijdende partijen veranderde waarin kozakken zich aan de zijde van de Roden, de Witten, de Duits-Oostenrijkse bezetters of de nationalistische Rada schaarden; de arme boeren gesteund werden door anarchisten en sociaal-revolutionairen en het industriële proletariaat voornamelijk voor de bolsjewisten koos. Na november 1917 werd de Oekraïne het toneel van een nationale Oekraïnse revolutie, een Grootrussische socialistische revolutie, een nationale en internationale contra-revolutie en een anarchistische sociale revolutie.

De Oekraïnse Revolutie
Het conflict tussen de arme en rijke boeren - kozak of niet - ontvlamde na de Maart Revolutie. De boeren begonnen met het onteigenen en herverdelen van de grond, brachten grootgrondbezitters om en staken de grote landerijen in brand. Met de komst van Nestor Machno, die op 2 maart uit de Boetirki ontslagen was, brak een nieuwe fase aan. Hij verzamelde een groep anarcho-communisten om zich heen en verspreidde met haar libertaire ideeën onder de boeren en arbeiders. Onder zijn leiding werden communes en sowjets opgericht en werd er een Boerenunie gesticht. Machno dacht er zelfs aan zich verkiesbaar te stellen voor de gemeenteraad. Hij zag zich in deze periode als een lid van de revolutionaire avant-garde, waarmee ook hij zich als leerling van Bakoenin afficheerde.

Toen in november de tweede revolutie uitbrak was zij in de Oekraïne in feite al verwezenlijkt: de boeren hadden de grond in eigen bezit en er ontbrak een duidelijk machtscentrum. De boeren zagen hun ideaal van de Woljnitsa bereikt, maar dat 'vrije leven' was van korte duur. In maart 1918 sloot Lenin met Duitsland de vrede van BrestLitowsk, waarbij hij o.a. de Oekraïne afstond. Onmiddellijk daarna stroomde zij vol met Duits-Oostenrijkse legertroepen, welke vergezeld werden door de verdreven grootgrondbezitters. Zij zagen nu de kans schoon hun bezit weer terug te nemen, daarin gesteund door de bezetters. Deze gewelddadige 'Agrarische Reactie' lokte een aanvankelijk zwakke maar vervolgens snel groeiende tegenactie uit van de boeren. Zij vormden vrijkorpsen om de tweevoudige vijand te bestrijden en te verdrijven. Ook Machno had zo'n legertje geformeerd, doch hij begreep snel dat dergelijke groepjes geen kans van slagen hadden tegen de georganiseerde Duits-Oostenrijkse legertroepen. Daarom wijdde hij zich in juli en augustus 1918 aan het verenigen van al die vrijkorpsen in één groot leger. Uit die succesvolle vereniging ontstond de Machnovstsjina, en daarmee voldeed Machno onbewust aan de wens van de Nabat.

De Machnovstsjina
Machno was toen "niet alleen de organisator en leider der boeren, maar in niet geringe mate ook de verschrikkelijke volkswreker", en de boeren zagen in hem de wedergeboorte van Rasin en Poegatsjew. Machno was voor hen de grote bevrijder wiens komst door Poegatsjew op zijn doodsbed was voorspeld; en werd Poegatsjew bij zijn leven als een 'goede' tsaar beschouwd, Machno kreeg de erenaam 'Batjko' (vadertje). En evenals zijn illustere voorgangers heette Machno onzichtbaar en dus onoverwinnelijk te zijn, en werd aldus het middelpunt van veel legendes.

Wanneer men de diverse opstanden met elkaar vergelijkt, dan is er eveneens sprake van een groot aantal overeenkomsten, zeker wanneer men de initiale fase van de Machnovstsjina (maart 1917 - september 1918) bekijkt. De drie opstanden vonden plaats tijdens of na een belangrijke oorlog; elke opstand werd gekenmerkt door bruut geweld en onmenselijk lijden; elke opstand vond zijn oorsprong in het zuiden; in elke opstand was de scheidslijn tussen banditisme en rebellie zeer smal; de opstanden waren destructief en de opstandelingen hadden geen visie op of programma voor de toekomst; de opstandelingen maakten gebruik van guerrilla-tactieken; elke opstand had als doelstelling de terugkeer naar het goede oude verleden waarin men vrij kon leven en werken. Het is vooral deze in wezen conservatieve geestesgesteldheid van de boeren die als een rode draad door de diverse opstanden loopt.

Met zijn opstandelingen zou Machno tot augustus 1921 de strijd aanbinden met o.a. de Rada, de hetman Skoropadski, de Witten en de bolsjewisten. Zij vochten tegen de Rada, gevormd door de nationalistische kozakken, omdat die een burgerlijke republiek wilde vestigen. De Rada had zich bovendien in een kwaad daglicht gesteld door eenzijdig een vrede met Duitsland en de andere centrale mogendheden te sluiten, nog voor Lenin dat zou doen. Onmiddellijk na die eenzijdige vrede trokken Duits-Oostenrijkse troepen de Oekraïne binnen, en begonnen zij de macht naar zich toe te trekken. Eind april 1918 zetten zij de Rada af ten gunste van hun eigen stroman Skoropadski. Machno en de zijnen vochten tegen de Witten - waarvan de kern uit merendeels oudere kozakken bestond - omdat zij een contra-revolutionair regime nastreefden.

De verhouding met de bolsjewisten lag aanmerkelijk anders en gecompliceerder. Om die relatie ten dele te begrijpen moeten we de houding van Lenin ten aanzien van de boeren in ogenschouw nemen. Volgens Lenin had de boer een Januskop: was hij arm dan was hij revolutionair, was hij rijk dan was hij contra-revolutionair. De Machnovstsjina stelde de boeren in staat bezit te verwerven dus 'rijk' te worden waardoor zij bourgeois en dus contra-revolutionair werden. Om diezelfde reden was Lenin ook nooit akkoord gegaan met de onteigeningen door de boeren. Hij aanvaardde die acties slechts om zo de boeren voor zich te winnen, daarom ook nam hij het agrarisch program van de sociaalrevolutionairen over. Kolakowski omschrijft Lenin's houding als volgt: "Ze (de Partij) moet, in één woord, alle tegen het bestaande systeem gerichte destructieve energieën ten eigen nutte aanwenden, al moeten ook alle maatschappelijke groepen die de dragers zijn van die energieën volgens haar opvatting in de toekomst als afzonderlijke maatschappelijke krachten vernietigd worden". De Machnovstsjina was zo'n destructieve energie en moest derhalve vernietigd worden, na haar eerst gebruikt te hebben. De bolsjewisten gebruikten de Machnovstsjina in hun strijd tegen de contra-revolutie om haar vervolgens te bestrijden.

Ook het anarchisme was een destructieve energie. In zijn in 1917 verschenen 'Aprilstellingen' en 'Staaf en Revolutie' verkondigde Lenin libertair ogende ideeën en ondersteunde hij anarchistische leuzen ten einde "des te zekerder over de golven van de revolutie de politieke macht te kunnen grijpen en haar (de Partij) staatssocialistische doeleinden te verwezenlijken". En waarschijnlijk legde Lenin de nadruk op het anarchistische 'einddoel' mede met het oog op de anarchisten, die een belangrijke en actieve rol in de revolutie speelden". Een aantal anarchisten, waaronder Serge, Berkman en Goldman steunde Lenin, maar een meerderheid hield zich afzijdig van Lenin. De sowjet-anarchisten kregen in maart 1918 ongelijk toen de eerste anarchistenrazzia plaatsvond.

De Nabat
Anarchisten die konden ontkomen vluchtten naar de Oekraïne waar zij zich bij de Nabat of de Machnovstsjina voegden. Hierdoor werd de opstandige boerenbeweging nog meer gecompromitteerd bij Lenin en stond haar einde helemaal vast. De Machnovstsjina als een "contra-revolutionaire anarchistische koelakkenbende" was vanaf haar ontstaan door de bolsjewisten ten dode opgeschreven.

De relatie met de eigen aanhang was eveneens gecompliceerd. De Machnovstsjina bestond voornamelijk uit boeren die "behept waren met een speciale liefde voor de vrijheid", maar waarvan een minderheid anarchist was. Bij de beweging voegden zich 'geschoolde' anarchisten zoals Voline, Baron en Arsjinof die binnen de beweging of binnen de Nabat een taak vonden. Overigens waren zowel Voline als Arsjinof en Machno van mening dat te weinig 'geschoolde' anarchisten zich het lot van de Machnovstsjina aantrokken. Machno verzuchtte meer dan eens dat die anarchisten hun tijd verdeden met abstract geneuzel en muggezifterij en dat zij een papieren revolutie voerden.

De Nabat steunde de boerenbeweging wel en voorzag haar van een organisatorisch program. Het slagen van dat program, de Synthese, hing af van het succes van de Machnovstsjina, met andere woorden: de Synthese was afhankelijk van een militaire organisatie. De Nabat kon zich echter niet verenigen met die afhankelijkheid. Ook binnen de Nabat heerste onenigheid: slechts een gedeelte achtte de Machnovstsjina anarchistisch, de rest zag in haar een overgangsfase naar de libertaire samenleving. Weer anderen beschouwden haar als niet-anarchistisch vanwege haar militaire karakter. De Nabat was bedoeld als een platform voor alle anarchistische richtingen, maar faalde daar in omdat de anarcho-syndicalisten weigerden deel te nemen. Uit onvermoede hoek bestond er nog een oppositie tegen de Synthese, belichaamd in Arsjinof en Machno. Zij prefereerden een strakke organisatie met een gecentraliseerde leiding en meer discipline die de bevolking zou moeten leiden in plaats van begeleidend, en botsten zo met de Synthese. Tekenend in dit opzicht is het feit dat Arsjinof de Synthese helemaal niet noemt, en de Nabat slechts zijdelings. In ieder geval faalden de Nabat en de Synthese al voordat zij hun bestaansrecht konden bewijzen, en in de loop van de tijd verspeelden zij zelfs dat recht.

De Nabat had de vestiging en de organisatie van de libertaire samenleving als doel en zij ging daarbij uit van de wensen en verlangens van de arbeidende klasse. Zij nam géén initiatieven en gaf géén leiding maar moedigde de boeren en arbeiders aan zélf hun situatie te veranderen. Zij stelde hen voor zelf congressen te organiseren welke beleidsbepalend zouden moeten zijn op elk terrein van de samenleving. Met deze oproep boekte zij aanvankelijk succes, vooral bij de boeren. Het belangrijkste programmapunt van alle congressen - vier in totaal - betrof de militaire situatie. Deze behelsde de verdediging van de revolutie tegen vijanden van binnenuit en buitenaf. De eersten werden bestreden door twee veiligheidsdiensten, de Razvedka en de Kommissaya Protivmachnovskikh Del. De vijanden van buitenaf werden bestreden door het opstandelingen- leger, dat uit, door en voor het volk bestond, maar niet anarchistisch was. Het opereerde ongeregeld en altijd in kleine eenheden en voerde zo een perfecte guerrilla. Het leger was geformeerd uit vrijwilligers en opstandelingen die via een vrijwillige mobilisatie gerekruteerd waren. Joll schrijft daarentegen dat Machno voor dienstplicht koos om zo boeren tegen mogelijke represailles van vijanden te beschermen. Iedereen kon zich verkiesbaar stellen voor de leidinggevende posten, maar de opperbevelhebber had het laatste woord inzake benoemingen. Het leger was georganiseerd volgens het principe van zelfdiscipline, en de besluitvorming volgens het democratisch centralisme. De leiding was in handen van de Regionale Revolutionaire Raad, welke in naam ondergeschikt was aan de congressen. In feite berustte de macht binnen het leger bij de - ongekozen - opperbevelhebber Nestor Machno en zijn raad van staven. Dienaangaande spreekt Nomad van een "anarchistische adel" en Voline van een 'camarilla', hetgeen een ongunstig licht werpt op het functioneren van het oppercommando.

De Machnovstsjina veranderde eind 1919 begin 1920 van karakter. In oktober 1919 kwam het laatste congres bijeen, een congres dat niet door de boeren - arbeiders hielden zich in deze fase bijna helemaal afzijdig - georganiseerd was, maar door de anarchisten. Dit congres vond net na de zeer belangrijke veldslag met de Witte generaal Denikin plaats. De euforie van hun overwinning op Denikin vertroebelde volgens Arsjinof de geest van de Machnovisten, waardoor zij de grootste fout van hun leven maakten. Arsjinof achtte het toen absoluut noodzakelijk dat er een groot revolutionair leger gevormd werd dat het hele overwonnen gebied zou kunnen beschermen, in plaats van zich terug te trekken naar het opstandige gebied. Sommige militanten, waaronder Voline (?), waren er echter van overtuigd dat nu de tijd gekomen was zich, in een beperkt gebied, te concentreren op de activiteiten van de boeren en arbeiders. Dit verlangen, zich voornamelijk aan positief werk te willen wijden, was in de ogen van Arsjinof onhoudbaar. Ik geloof dat dit voorval het begin was van een definitieve breuk tussen de Machnovstsjina en de Nabat, en tussen Arsjinof/Machno en Voline en het begin was van een kentering binnen de Machnovstsjina. Voline werd eind december 1919 zoals zovele anderen door vlektyphus getroffen en enkele weken later door de bolsjewisten gearresteerd. De enige leidende ideoloog die de Machnovstsjina nu nog restte was Arsjinof die zich in april 1919 bij de boerenbeweging had gevoegd, en zich sindsdien bezig hield met culturele en opvoedende taken en met de redactie van de opstandelingenkrant 'Poetj k Swobode' (de Weg naar de Vrijheid). Arsjinof stond, zoals reeds is gezegd, niet sympathiek tegenover de Synthese, en hij vond in deze een bondgenoot in Machno. Zij konden zich niet verenigen met een begeleidende rol van de anarchisten, en zeker niet wanneer zij zo ongeorganiseerd waren, want "Gebrek aan organisatie is eng verbonden met gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, beiden tezamen leiden echter tot een vervlakking der ideeën en een leegte in de practijk". Dat dit verwijt de Synthese gold zal de lezer duidelijk zijn. Hiertegenover stelde hij dat "het anarchisme ( - ) de eenheid van wil en handelen en een juist beeld van zijn historische taak (moet) veroveren". Ook Machno koppelt de desorganisatie van de anarchisten aan hun gebrek aan verantwoordelijkheid om te concluderen dat die desorganisatie een gevaar is voor de anarchisten. Ik geloof dat Arsjinof en Machno gebruik maakten van het verdwijnen van Voline om hun ideeën, die ik - vooruitlopend op de gebeurtenissen in Parijs in de jaren twintig - als 'proto-Platformisme' zou willen omschrijven, in praktijk te brengen. Een eerste aanwijzing hiervoor is het wegvallen van de congressen als beleidsbepalend orgaan. Vermeldenswaard in dit opzicht is een uitspraak van Machno, gedaan tegenover zijn kameraden in december 1917: "Gedaan met die vergaderingen. Het is tijd om te handelen". Een tweede aanwijzing is het verdwijnen van de 32 leden tellende militaire raad ten gunste van een 7-koppige. Een derde is de carte blanche inzake militaire aangelegenheden voor Machno. Een vierde aanwijzing is het feit dat de Nabat in september 1920 de Machnovstsjina niet meer als anarchistisch erkende en haar steun introk. In de loop van 1920 verloor de Synthese haar greep op de Machnovstsjina en haar plaats werd ingenomen door het 'proto-Platformisme'!

De Machnovstsjina verloor ook de steun van het volk. De verhouding met de arbeiders was slecht. De Machnovstsjina was voornamelijk een boerenbeweging, en de boeren hadden weinig op met de steden en hun bewoners. Machno bijvoorbeeld verafschuwde de steden "met hun politieke vergif - welke altijd naar leugen en verraad stinken." De boeren weigerden meer te produceren dan ze zelf nodig hadden, enerzijds omdat hun surplus geconfisqueerd werd, anderzijds omdat de arbeiders niets in ruil konden aanbieden. De verhouding verslechterde door een aantal maatregelen die de Machnovstsjina in de steden name, en wel in die mate dat een groot deel van het industriële proletariaat opnieuw de zijde van de bolsjewisten koos. Het noodzakelijk geachte samengaan van stad en platteland werd zo een mislukking.

De problemen op dat platteland waren even groot. De meeste boeren zagen in het anarchisme één van de middelen om hun ideaal te verwezenlijken. Dat dit ideaal, de Woljnitsa, in aanleg overeen kwam met libertaire beginselen was voor hen meegenomen. Er werden zeer weinig communes en sowjets gevormd, de meeste boeren kozen voor de particuliere landbouw. In geval van nood werd de zijde van de Machnovstsjina gekozen, niet om het anarchisme, maar om de bescherming die zij kon biedend. Bleek die bescherming onvoldoende, of bleek een vijand een hoopvollere toekomst te kunnen bieden, dan aarzelde een groot aantal boeren niet de zijde van een vijand te kiezen. De meeste boeren waren niet anarchistisch, een conclusie die onderbouwd wordt door een uitspraak van Arsjinof waarin hij toegeeft dat het anarchistisch ideaal niet genoeg boeren kon lokken.

In de loop van 1920 bleek dit ideaal steeds minder haalbaar, wat tot gevolg had dat de boeren geleidelijk hun steun introkken. Bovendien waren zij moe, verarmd, uitgeput en geestelijk aangeslagen door de zesjarige oorlog. De Machnovstsjina kwam manschappen, paarden en voedsel tekort. Om het eerstgenoemde probleem op te lossen ging zij over tot een dwangmatige 'vrijwillige' mobilisaties, de andere twee werden opgelost door over te gaan op 'vrijwillige' confiscaties, daden die haar zaak onder de verarmde boeren geen goed gedaan zullen hebben. De boerenbeweging veranderde begin 1921 nogmaals van karakter. Naarmate zij meer op zichzelf kwam te staan en kleiner en zwakker werd, gedroeg zij zich wreder, gewelddadiger en minder ideëel. Zij werd weer een jacquerie en het geweer beheerste opnieuw de beweging. In de lente en de zomer van dat jaar voerde Machno en het overblijfsel van zijn leger, nu maximaal 3000 man groot, een wanhopige strijd tegen de bolsjewistische overmacht. Het lot van Machno en de resterende 300 opstandelingen werd bezegeld in augustus 1921 toen zij de Russisch-Roemeense grens overstaken.

Arsjinof maakte hun lot niet mee. Hij was in februari 1921begonnen aan een vijfde manuscript over de geschiedenis van de Machnovstsjina, en had zich daartoe afgezonderd van de beweging. In 1922 werd hij met vele andere anarchisten Rusland uitgezet en vestigde hij zich in Berlijn. Daar richtte hij samen met Voline (!), die in 1921 uitgewezen was, het maandblad 'Anarkhitcheskii Vestnik' (de Nieuwe Anarchisten) op en vormde met anderen de 'Groep van Anarcho-Communisten in het Buitenland'. Een jaar later vond hij de 'Groep van Russische Anarchisten in Duitsland' bereid zijn manuscript over de Machnovstsjina uit te geven waarmee de eerste uitgave van het onderhavige werk een feit werd. In 1925 verhuisde hij samen met de 'Groep van Anarcho-Communisten' naar Parijs, dat met Berlijn een van de centra was waar de ontheemde Russische anarchisten naar toe trokken. In ballingschap spraken zij over hun falende rol in de Russische Revolutie, over de zwakheid van de anarchistische beweging en over het 'wat te doen' op de toekomstige tweede dag.

Aangezien het 'wat te doen' afhankelijk was van de analyse van hun falen en hun zwakte, ging daar de eerste aandacht naar uit. Vrij spoedig ontstond er een scheiding van geesten ten aanzien van de analyse en daaruit voortvloeiende gevolgen voor de tweede dag. Voline zag als oorzaak van de zwakheid en de desorganisatie en dus het falen van de anarchisten een veelheid van factoren, waaronder: de afwijkende opvattingen over anarchistische basisprincipes (de notie van de sociale revolutie; de notie van het geweld; de notie van de overgangsfase etc.); de geestes- gesteldheid van de massa en de repressie van de anarchistische beweging wanneer zij zich begint te profileren. Als oplossing zag hij de aanname door de anarchisten van zijn, tijdens de Nabat-periode ontwikkelde Synthese. De Synthese werd meteen aangevallen door de 'Groep van Russische Anarchisten in het Buitenland', waarvan o.a. Ida Mett en Machno lid waren, en Arsjinof de secretaris was. Deze groep verpakte hun aanval in een alternatief: 'Het Organisatorisch Platform van de Algemene Anarchisten Bond', uitgegeven in 1926 in Parijs in de vorm van een brochure.

Het Platform zag als voornaamste oorzaak van de zwakheid en het falen van de anarchisten hun desorganisatie, en stond met die zienswijze recht tegenover de Synthese. Het verwierp de Synthese dan ook omdat zij "teoreties en prakties ongerijmd" was, omdat "een dergelijke organisatie, die in teoreties en prakties opzicht uitgesproken heterogene elementen zou inkorporeren, ( - ) maar een mechaniese verzameling van individuen (zou) zijn die stuk voor stuk een andere konsepsie hebben van de anarchistiese problemen". Het Platform zag als leidraad voor de hele anarchistische beweging een organisatie die "de meerderheid van de betrokkenen in de anarchistiese beweging omvat en een algemene, taktiese en politieke lijn in het anarchisme brengt". En de enige methode om tot een algehele organisatie te komen was gelegen in "de vereniging van aktieve anarchistische strijders (...) op basis van een homogeen programma". Het Platform zou moeten dienen als de eerste stap naar de vereniging van de - echte (!) - libertaire krachten in één strijdbaar revolutionair collectief: de Algemene Anarchisten Bond. In tegenstelling tot de Synthese stelde het Platform de organisatorische eenheid voorop, gevolgd door de theoretische. De opstellers van het Platform pleitten voor een strakke organisatie met een uitvoerend comité, dat een wat betreft ideeën en organisatie leidende functie zou krijgen. In het verlengde hiervan zouden de anarchisten ook als leiders van het proletariaat op moeten treden, in plaats van als begeleiders. Voor de verdediging van de - eenmaal aangebroken - tweede dag zou een beroep gedaan moeten worden op een anarchistisch leger, dat aan één opperbevel onderhevig was. Binnen de Bond en binnen het leger zou geen plaats zijn voor afwijkende meningen, en was het woord van de meerderheid wet. Het Platform was, in mijn ogen althans, een blauwdruk achteraf van de Machnovstsjina zeker wat betreft de periode na de kentering.

Het Platform wekte zeer grote weerstanden op, eerst bij de Russische vervolgens bij de niet-Russische anarchisten. Felste Russische tegenstander was Voline, die samen met o.a. Flesjin en Sobol een antwoord schreef, dat op haar beurt een tegenantwoord uitlokten. Voline en de zijnen verweten Arsjinof, die als de voornaamste auteur beschouwd werd, dat hij "de vorming van een leidinggevend politiek centrum" en "de organisatie van een leger en een politiemacht, ter beschikking staand van het politieke centrum, noodzakelijk achtte, wat in feite neerkwam op de instelling van een tussentijds politiek gezag met een Statistisch karakter". Voline's slotconclusie ten aanzien van het Platform was helemaal vernietigend: "Het enige wat echt nieuw is in het Platform, is een naar het bolsjewisme neigend verborgen revisionisme en de erkenning van een overgangsfase. Voor de rest brengt het Platform ons niets nieuws." In antwoord hierop schreef Arsjinof in de slotconclusie van zijn antwoord: "Wij hopen aangetoond te hebben dat het programma van de auteurs van de 'Réponse' (bedoeld wordt het 'A propos du Projet' van Voline c s.) totaal ongefundeerd is, dat wij aangetoond hebben dat zij politiek gezien de luiers nog niet ontgroeid zijn, en dat zij de meest typische specimens zijn van de chaos binnen onze beweging. Wat betreft het ethisch aspect van de 'Réponse' zij kan niet anders aangeduid worden dan als het document van de laster. . Bovendien verweet Arsjinof hen en al hun medestanders dat zij geen echte anarchisten waren, en zeker niet revolutionair.

Van de niet-Russische anarchisten was met name de Italiaan Malatesta fel tegen het Platform. Hij verzette zich niet tegen een organisatie, evenmin als Voline dat deed, mits zo'n organisatie gecreëerd en gehandhaafd werd uit de vrije wil van de aangeslotenen en zonder dat er sprake was van enig gezag. Hij achtte het dan ook niet mogelijk een Algemene Bond te stichten omdat "zo'n bond een obstakel vormt voor individuele activiteiten en mogelijk een oorzaak is voor een hardere factiestrijd". De door Arsjinof voorgestelde Bond was volgens hem naar vorm en inrichting "een regering en een kerk" omdat de geest en de tendens autoritair bleef, en het opvoedend effect altijd anti-anarchistisch was en zou zijn. In zijn ogen waren deze kameraden "geobsedeerd door het succes van de bolsjewisten in hun land", en wilden zij hen als voorbeeld nemen voor hoe het wel moest.

In de aanvallen op het Platform werd steeds vaker gewezen op de bolsjewistische kenmerken die het - vermeend of niet - bevatte. En in het verlengde daarvan werd nu ook Arsjinof zelf beticht een sowjetanarchist te zijn. Zijn tegenstanders zagen hun oordeel bevestigd toen hij in 1930, gebruik makend van een amnestie, naar de sowjetunie terugkeerde en weer lid werd van de partij. Om die stap te begrijpen is inzicht nodig in het denken van Arsjinof. In het begin van deze toelichting is vermeld dat hij blijk gaf een leerling van Bakoenin te zijn; in de rest van zijn revolutionaire leven versterkte hij die indruk. Arsjinof werd blijkbaar geleid door twee tendensen in Bakoenin's denken, namelijk de rol van de anarchisten als leidende minderheid, en de oprichting van een strakke revolutionaire organisatie. Zijn hele leven lang echter was hij getuige van het tegendeel, wat hem in 1927 tot de volgende bittere opmerking bracht: "Versnippering, desorganisatie en afwezigheid van een collectieve tactiek zijn bijna altijd tot anarchistische principes verheven". Hij was tevens getuige van het falen van de anarchistische beweging en van het succes van de bolsjewisten en trok daaruit zijn eerste conclusies. Het constante geruzie in Parijs overtuigde hem ervan dat het anarchisme andere methoden zou moeten gebruiken wilde zij overwinnen, waaronder bolsjewistische. Hiermee streefde Arsjinof zijn leermeester voorbij en toonde zich 'plus Bakounine que Bakounine'. In 1931 was hij voorstander van de dictatuur van het proletariaat als overgangsfase naar de volledige arbeidersdemocratie. Het proletariaat zou daartoe gedwongen zijn wilde zij een succesvolle greep naar de macht door de bourgeoisie voorkomend. Als bewijs en als argument voerde hij het falen van de Duitse revolutie van 1918 - 1923 en het falen van de Italiaanse fabrieksbezettingen van 1920 aan. Zijn oordeel hield tevens een waarschuwing in voor de zich libertair ontwikkelende situatie in Spanje. Tegelijk betekende het een veroordeling van de Machnovstsjina, welke hij nu een utopie en een hersenschim noemde.

Op het moment dat Arsjinof de Machnovstsjina afwees woonde hij weer in Rusland. Hij was in het conflict met de andere anarchisten alleen komen staan, alleen Machno steunde hem nog openlijk. Met de komst van Stalin en diens eerste 5-jarenplan zag hij in Rusland een verschuiving naar links ontstaan, en besloot hij, moe, teleurgesteld en vol walging voor de onverantwoor- delijke, demagogische anarchisten naar zijn geboorteland terug te keren. Hij verwachtte een rol te kunnen spelen in de nieuwe revolutionaire ontwikkelingen, en had daarbij zijn hoop gesteld op het revolutionaire élan van de jonge communisten maar kreeg daartoe geen kans. Hij kwam om in een van Stalin's zuiveringen, de dag en het jaar zijn niet bekend.

Frans Lodewijkx, 1983

Uit: Arsjinof, P., Geschiedenis van de Machnobeweging, Haarlem 1983