Hunter S. Thompson: The Proud
Highway. The Fear and Loathing Letters,
Volume 1(1955-1967). Saga of A Desperate Southern Gentleman.
Samengesteld door Douglas Brinkley,
met een inleiding van William Kennedy.
Villard, 633 blz. f 65,60
Door Sjoerd de Jong
Toen er een jongens-pop op de speelgoedmarkt kwam die zijn sterke gelijkenis droeg, moet 'outlawjournalist' Hunter S. Thompson hebben beseft dal hij ergens sinds de jaren zestig, op die lange wilde rit naar de roem, een verkeerde afslag had genomen. Hij begon tussen Ken Kesey, Tom Wolfe en andere ambitieuze nieuwkomers in de literaire wereld. Hij eindigde dertig jaar later als superster op de schappen tussen Batman, Spiderman en Rambo.
De 'gonzojournalist' HunterThompson, auteur van de gedrogeerde schelmenroman Fear and Loathing in Las Vegas (1971) en van Fear and Loathing on the Campaign Trail (1973), een verslag van de presidentsverkiezingen, is in Amerika een folk-held. Hij verpersoonlijkt het exuberante individualisme van de jaren zestig, toen de 'tegencultuur een vrijgevochten leven voor iedereen propageerde en, als voorschot daarop, een generatie tieners alvast kennismaakte met de alcoholische en chemische geneugten van 'getting fucked up. In Thompsons reportages, of ze nu gingen over een paardenrace of de presidentsverkiezingen, werd de lof gezongen van roes en ontregeling. Niet eens omdat zo'n toestand toegang zou bieden tot een hoger inzicht, zoals psychedelische heiligen als Timothy Leary de natie voorhielden, maar omdat het nu eenmaal het beste wapen was van een man tegen de bizarre tijden waarin hij leefde en gewoon, omdat het lol was.
Behalve een icoon werd Thompson, die zijn publieke imago van drank, drugs en rock 'n' rol zorgvuldig heeft gekoesterd, een bezienswaardigheid. Bewonderaars en toeristen bezochten zijn schuilplaats in de Rocky Mountains, om zich te vergapen aan het inmiddels bejaarde drugsmonster - een bedevaart die vorig jaar bijvoorbeeld werd gemaakt door twee vooral met ontzag gewapende verslaggevers van het weekblad Vrij Nederland. Soms wordt het bezoek door Thompson, die al jaren worstelt met een writer's block, gerecycled tot nieuw materiaal. Zo werd een aanklacht wegens seksuele intimidatie, aanhangig gemaakt door een ex-pornoster die de schrijver in diens Owl Farm had opgezocht, in 1990 nationaal nieuws - door Thompsons fanclub aangegrepen voor dronken feestjes bij de rechtbank en door hemzelf de uitgave van een zoveelste bundel oud Werk.
Toch is ook Thompson ambivalent over zijn roem. Al in 1980, toen Hollywood zich voor het eerst waagde aan een verfilming van Fear and Loathing in Las Vegas, klaagde hij: 'De mythe heeft het overgenomen. Als persoon sta ik alleen naar in de weg.' En de inleiding van The Great Shark Hunt (1979),een eerste compilatie van zijn journalistieke en literaire werk, ondertekende hij met 'HST Nummer 1, RIP'.
Dat was goed gezien. Liefhebbers van zijn werk wijzen erop dat Thompson sinds het enthousiasme van zijn vroege werk, niet veel meer heeft geproduceerd dan gebundelde ditjes en datjes: columns,opgegraven oud werk, en kladjes en faxen, zoals in zijn laatste boek Better than Sex, een vergeefse poging het oude politieke vuur op te stoken temidden van de Clinton-campagne in 1992. Van zijn voornemen een 'nieuw soort journalistiek' te bedrijven, met een grotere persoonlijke inbreng van de schrijver, is weinig meer over dan meer of minder amusante causerieën achter schrijfrnachine en Six.
Dat is een lucratief maar triest lot voor een man die ooit niets liever wilde dan Schrijver Worden, en 's nachts complete romans van Hemingway overtypte om gevoel te krijgen voor stijl en cadans. 'Hunter wilde een serieuze schrijver zijn', zegt een vriend in een van de vier (sic) hagio- en biografieën die begin jaren negentig over Thompson zijn verschenen. 'Zijn reincarnatie als stripfiguur heeft hem beroemd gemaakt en hem veel geld opgeleverd, maar ook artistiek geruïneerd.' Een eerlijke, maar onorthodoxe mening, die maar weinig wordt gehoord in het koor van bewonderaars dat de chemische 'Doctor Gonzo' om zich heeft verzameld - onder wie overigens veel rijkeluiskinderen, zoals een zoon van ex-president Ronald Reagan.
Het onlangs verschenen The ProudHighway, het eerste deel van zijn brieven The Fear and Loathing Letters, is niet het zoveelste zwaktebod. Het is juist eerder een nobele poging Thompson te bevrijden uit zijn artistieke ruine. Alleen al de vormgeving is menens: deze gebonden uitgave zou recht doen aan grotere schrijvers dan de slapstick-artiest dieThompson is geworden. Maar ook inhoudelijk blijkt het ernst te zijn. Hier vinden we, zij het nog in statu nascendi, die vreemde combinatie van wildheid, morele verontwaardiging bluf en sarcasme die Thompson in zijn hoogtijdagen, beginjaren zeventig, tot een uitzonderlijk auteur maakte. Let wel: auteur, en geen journalist, want het idee dat Thompson 'newjournalism' bedreef, of enige andere vorm van journalistiek, is volgens inleider William Kennedy, 'een van de meest ondergewaardeerde oplichterijen van onze tijd'.
Kennedy kan het weten. Hij was hoofdredacteur van The San JuanStar op Porto Rico waar Thompson in 1959 met een brutale brief solliciteerde als verslaggever. Kennedy antwoordde hem: 'U bent waarschijnlijk niet zo goed als u denkt te zijn, en vermoedelijk ook maar half zo onaangepast als u lijkt. Thompson schreef hem in stijl terug 'Denk niet dat het feit dat je me niet uitnodigt voor een gesprek, me ervan zal weerhouden je toch op te zoeken om je tanden in je keel te trappen.' De twee werden, kortom, vrienden en hielden contact.
Maar Kennedy had gelijk. Thompson was geen verslaggever, al werd hij op grond van zijn rabiate reportages door Tom Wolfe en anderen onthaald als held van de 'Nieuwe Jourrialistiek' en wordt hij ook in de flaptekst van dit boel nog 'Amerika's invloedrijkste journalist' genoemd. In feite was de journalistiek voor Thompson altijd een tweede keus, een object voor satire en spotlust maar ook een toevluchtsoord, omdat hij uiteindelijk te onzeker was over zijn literaire talent, en toch eerder een imitator van Hemingway, van Mailer dan een leerling. Maar over de vraag of zijn reportages feit of fictie waren, hoeft volgens William Kennedy niemand zich lang het hoofd te breken: 'Zijn werk is een grote verzameling leugens en dat is, natuurlijk, een klassieke definitie van wat literatuur is.'
Het begin van Thompsons schrijvers leven is mooi gedocumenteerd in dit eerste deel met afwisselend onzekere en blufferige brieven. Ze beslaan de periode van zijn laatste schooltijd in 1955 tot 1967, het oogstjaar na publicatie van zijn eerste boek. Thompson was een dwangmatig brievenschrijver, op zichzelf al een aardige ontdekking voor wie meent dat de man altijd heeft geleefd conform zijn ongedisciplineerde imago. Hij schreef er meer dan twintigduizend, aan vriend en vijand, jarenlang en vrijwel dagelijks. Zelfs van de oudste bewaarde hij kopieën, een 'verbazingwekkend hamster-trekje', aldus samensteller Douglas Brinkley, dat wijst op zijn lang gekoesterde visioen van een literaire toekomst. De geautoriseerde uitgave van de correspondentie, in drie delen, is een project van de University of New Orleans, die ook de documentatie bewaart van Stephen Ambrose, de biograaf van Richard Nixon, sinds de jaren vijtig Thompsons aartsvijand en representant van het bloedeloze suburbane Amerika dat hij verafschuwde.
Die jaren vijftig, toen Thompson in Kentucky van school kwam en vroogtijdig uit de luchtmacht ontslagen werd wegens wangedrag, was de tijd van Norman Mailer, Henry Miller, Allen Ginsberg en andere vernieuwende Amerikaanse schrijvers. Ze hadden gemeen dat ze het leven direct, sensueel en ongefilterd door de ratio op papier wilden krijgen. De keurig geknipte welvaartsdroom van suburbia vroeg om schrijvers die nog iets van de wildernis konden vangen. De onge Thompson spiegelde zich aan hen, en aan de taalbeheersing van hun grote voorgangers als William Faulkner, Hemingway, Scott Fitzgerald en MarkTwain, die wel beschouwd wordt als de aartsvader van de Amerikaanse journalistiek. Uit zijn brieven blijkt Thompsons verlangen zich in de rijen van de groten te scharen, hoewel hij worstelt met het half-bewuste besef dat hij nooit hun niveau zal halen. Hij gaat van baantje naar baantje en van vriendin naar vriendin, voortdurend klagend over geldzorgen, eenzaamheid en zijn miskenning door de hersenloze idioten die aan het roer staan in de krantenwereld en de uitgeverij - al is hij in zijn sollicitatiebrieven aan die idioten niet alleen provocerend brutaal, maar ook gedienstig en af en toe zelfs onderdanig.
Herkenbaar kleinmenselijk is
de zuidelijke macho Thompson ook in zijn brieven aan vrouwen. Nu weer is hè boten
verongelijkt ('Word je nog steeds vetter en vetter?'), dan weer sussend en zwijmelend
('Mijn kleine prinses..'), of hypocriet klaaglijk over zijn vrouw tegen haar beste
vriendin ('Sandy's enige talent is haar vermogen om lief te hebben').Van politieke
overtuigingen blijkt niet veel, maar gaandeweg articuleert Thompson het personalistische
anarchisme dat zijn handelsmerk zou worden en dat nog steeds met 'links' wordt
geassocieerd, maar dat ook veel weg heeft van het witte vigilantisme van de Michigan
Militia. 'Er zijn twee grote kwaden in de wereld', schrijft Thompson in 1964 plechtig,
'armoede en overheden.' Op het hoogtepunt van de Free Speech Movement in Berkeley schrijft
hij, op de vraag of hij geen reportage over het onderwerp moet maken: 'Ik zou liever naar
het strand gaan om een beetje menselijk te blijven in de geur van mijn eigen zweet. In
deze wereld wil ik zo hard mogelijk blijven, en ik put niet veel kracht uit het zitten in
een meute en het schreeuwen van slogans.' Een krachtpatser-pose die hij een brief later
alweer relativeert: 'Ik ontleen mijn gespierde taal aan een algeheel gebrek aan geld, en
mijn apocalyptische visioenen aan een overdaad aan drank.'
Naarmate de jaren vorderen en zijn professionele toekomst hopelozer lijkt, worden
Thompsons brieven radelozer en gekker, tot en met persoonlijke brieven waarin hij de
toenmalige president Johnson uitmaakt voor een 'seniel politiek beest' en de
uitgever ven Newsweek, Philip Graham, schrijft dat de inhoud van zijn weekblad 'even
voedzaam is als een hamburger van een maand oud'. Maar tegelijk, en dat tekent de dubbele
bodem in Thompsons 'woedende' brieven, spreekt tussen de beledigingen door ook de hoop dat
Graham zijn talent zal herkennen - wat hem een uitnodiging opleverde voor een gesprek. Dit
eerste deel brieven eindigt halverwege de jaren zestig, als Thompson freelancer.
Onverwachts breekt dan het succes aan met een boek over de Hell's Angels, een motorbende
die door de landelijke pers is ontdekt als archetypische burgerschrik en zich goed leent
voor Thompsons fascinatie met gewelddadige randfiguren. Het boek Hell's
Angels ( 1966), dat Thompson nationale bekendheid oplevert, is geschreven in
een vlotte maar conventionele stijl waarin nog weinig te merken is van het dolle proza dat
hij 'gonzo journalistiek' zal noemen en dat het onderwerp zou worden van scholierenlol en
exegeses in de Columbia Review of Journalism. In 19 schreef
Thompson nog, met zijn vermogen tot zelfrelativering: 'New Journalism is niet meer dan een
geactualiseerde versie van de beste Oude journalistiek', zoals die van Mark Twain. Zo is
het effect van deze verzameling brieven tweeledig. Ze geven een 'informele offbeat
geschiedenis' van de jaren vijftig en zestig, aldus samensteller Brinkley, en ze laten
Thompson zien als een literaire wannabe met half-uitgekristalliseerde
ambities, lang verwijderd van het mediamieke maniërisme dat hij zich na zijn
doorbraak zou aanleren. Hij doet zijn best, en krijgt nog geen bewonderend applaus van
minder excentrieke vakbroeders die hem zouden lanceren als 'onze gekeurmerkte gek, die
patrouilleert langs de rand van de waanzin,en rapporteert dat de paranoïde geesten gelijk
hadden' zoals John Leonard vanThe New York Times hem later beschreef.
Tegelijk heeft The Proud Highway een melancholieke,
en niet zo trotse, werking op de lezer. In deze correspondentie is een ruw talent aan het
werk, waarvan de lezer weet dat het verstrikt zal raken in de commerciële wetmatigheden
van de massa-roem. Zonder ooit het oorspronkelijke doel te halen: een Serieuze Schrijver
worden.
Ongevraagd overgenomen uit De Volkskrant