Voorwoord bij de nederlandse uitgave
DE VERLOEDERING VAN HET GEORGANISEERDE ANARCHISME IN NEDERLAND
Zonder de verdiensten van Ferdinand Domela Nieuwenhuis voor de
propaganda en verspreiding van het anarchisme in Nederland te willen
veronachtzamen, moet niettemin ook worden vastgesteld dat hij het tegelijk is
geweest die, door zijn negatieve opvatting over politieke organisatie van het
anarchisme, de anarchisten in Nederland aan het begin van deze eeuw reeds in een
isolement heeft gedreven waarvan zij zich tot op de dag van vandaag niet hebben
weten te ontdoen. Na de, door het stereotype sociaal-demokratiese verraad van de
SDAP (1) mislukte, spoorwegstaking van 1903 zette de aftakeling van het (toen
nog goeddeels anarcho-)syndikalistiese Nationaal Arbeids Secretariaat (NAS)
onafwendbaar in, nu de vrije socialisten onder invloed van Domela het NAS immers
als niet meer dan een arbeidersfederatie beschouwden en een ontwikkeling naar
hechte landelijke organisatoriese verbanden afwezen. Waar de syndikalisten het
samensmedende NAS als leerschool voor een anarchistiese maatschappij hadden
bedoeld, moesten zij op den duur het treurige politiek-organisatoriese failliet
van het anarchisme in Nederland onder ogen zien. Want ook al had de
syndikalistiese vakorganisatie nog in 1920 ruim 50.000 leden (2), bewust
anarchisties of syndikalisties was deze aanhang toen allang niet meer, zoals
drie jaar later bij de uittreding van het NAS en de formering van het
Nederlandse Syndikalisties Vakverbond (NSV) duidelijk bleek. De kansen om in de
massabeweging van arbeiders en boeren het anarchisme tot een organisatoriese
faktor van revolutionaire potentie, tot "de spreekbuis van de strijdende
massa" te ontwikkelen waren gekeerd. En in dat stadium van de opkomst van
de nederlandse arbeidersbeweging is dit falen, is Domela's charisma uiteindelijk
fataal gebleken.
Sindsdien hebben de anarchisten zich eigenlijk als politieke ballingen
van hun eigen denken in sociaal-kulturele emancipatiebewegingen als de
vrijdenkers- organisatie De Dageraad (nu: De Vrije Gedachte) en de
Internationale Anti- Militaristiese Vereniging (IAMV) moeten terugtrekken. Niet
dat het anarchisme daarmee monddood raakte; het wist integendeel de basis te
leggen voor doordringende libertaire en humanistiese stromingen in het
socialisme, waarvan het pacifisme nog geruime tijd het gevolg bij uitstek zou
blijken te zijn. In kultuur-filosofies opzicht hebben de anarchistiese
opvattingen en analyses in de vooroorlogse jaren een uitermate belangrijke
bijdrage geleverd. Maar de organisatoriese band met het proletariaat bleef
verbroken.
Na het uitbreken van de Spaanse burgeroorlog was het belang van
georganiseerde steun aan de specifiek anarchistiese strijdorganisaties ook
vanuit Nederland groter dan ooit. Maar tot meer dan incidentele en
propagandistiese steun was de versnipperde beweging hier niet in staat.
Enerzijds had de verwording van het pacifisme tot dogmatiese geweldloosheid een
verlammende uitwerking op het anarchisme gehad, anderzijds hadden de anarchisten
door gebrek aan heldere antwoorden op de krisis van het kapitalisme en de
opkomst van het fascisme beduidend aan invloed verloren. Zowel ideologies als
organisatories viel het anarchistiese kamp kort voor het uitbreken van de
wereldoorlog uiteen. In de illegaliteit van '40-'45 heeft het anarchisme als
politieke beweging dan ook geen rol van betekenis gespeeld. Tot in de jaren '60
zou deze ernstige tekortkoming zich doen gevoelen. Welliswaar leek de impuls van
de kort na de oorlog tot de Eenheidsvakcentrale (EVC) toegetreden
anarcho-syndikalisten aanvankelijk tot een herstel van het klassekarakter van
het georganiseerde anarchisme te leiden, maar de syndikalisten werden al spoedig
door de kommunisten overvleugeld en in 1948 volgde de definitieve breuk. Ook het
daarna opgerichte Onafhankelijk Verbond van Bedrijfsorganisaties (OVB) kon niet
voorzien in een syndikalisties alternatief voor de arbeiders; tot vandaag leidt
de OVB een kwijnend bestaan.
Niettemin bleef het anarchisme, als voortdurende verbazingwekkende bron
van inspiratie voor vele ondogmaties gezinde socialisten, een intrinsieke greep
op het gestadig ontwaakte verzet tegen de onterende koude oorlog behouden. De
hergroepering van het pacifisme in de jaren van de angst voor een nucleaire
wereldbrand bracht onder invloed van de met het anarchisme sympatiserende
Bertrand Russell een vredesbeweging op de been die de politieke letargie van de
in reformisme verstrikte arbeidersbeweging uiteindelijk zou doorbreken. Maar in
de op den duur tot machteloosheid van de regelmaat vervallen demonstraties kon
de jonge ban-de-bom-beweging haar kreativiteit niet lang botvieren. Het
provocerende, ontmaskerende anarchisme werd herboren in de provobeweging.
Organisatories stelde het provotariaat op zich weinig voor en bracht het geen
doorbraak in de massieve impasse van het georganiseerde anarchisme. Het vormde
echter ontegenzeggelijk de katalisator in de ontluikende groepering van het
jongerenverzet in kleine onafhankelijke maar politiek agressieve aksiegroepen.
Parijs, Berlijn, Rome 1968 zouden het besef van de noodzaak van afdoende
organisatoriese verbanden nog versterken. Maar de ongenuanceerde deklasse-
ringsteorie, die het "klootjesvolk" (proletariaat)in de moderne
verzorgings- staat de fakto niet als potentieel revolutionair wilde erkennen
leidde het provotariaat uiteindelijk in machteloze banen en maakte het
anarchisme veeleer tot een vrijblijvend toevluchtsoord voor de talloze
ontwortelde en politiek dakloze jongeren, voor wie elke schijnbare legitimatie
van hun onverminderde geprivilegieerdheid welkom was. Politieke direkte aksie
werd ludiek en daarmee, in de stuiptrekkende kabouterbeweging,
krachteloos. Niet omdat het ludieke element op zich de aksie ontkrachtte, maar
omdat het van middel tot doel werd. De epigonen van deze incidentele marginale
aksie hebben jarenlang het schrale overblijfsel van het georganiseerde
anarchisme, de nog altijd bestaande Federatie van Vrije Socialisten (FVS), van
een slagvaardige bundeling van krachten weten te weerhouden.
De trieste kortwieking van de organisatiekracht van het anarchisme, de
verenging van het anarchisme tot stempelkussen onder invloed van de nieuwe
charismata van Roel van Duyn, heeft de militante anarchisten die weigerden het
standpunt van de Klassenstrijd te verlaten, naar andere werkterreinen gedreven.
In de studentenbeweging, het Vietnam-protest, de boykot-volkstelling aksie, de
milieubeweging, wijk- en buurtgroepen, het vormingswerk en vooral de
soldatenbeweging hebben deze anarchisten zich aktief ingezet en het belang van
struktureel organisatories werk opnieuw ingezien. Sinds 1972 heeft dit in
bepaalde anarcho-kringen tot verscheidene, soms nog premature, organisatoriese
experimenten geleid. Bij de diskussies die aan deze, vooralsnog niet aan de
grote klok gehangen, activiteiten ten grondslag lagen dook in een vroeg stadium
het zogenoemde Archinow-platform op, synchroon aan de
gedachtenwisselingen over het organisatiekoncept van de Organisation Révolutionnaire
Anarchiste (ORA) in Frankrijk en Engeland, die de tekst van dit platform tot
basistekst hadden gekozen. Een, zij het nog zwakke en niet uitgekristalliseerde,
proeve van deze diskussies - met name op het vlak van kritisering van het
kontinue isolement van het anarchisme als gevolg van het ontbreken van
organisatoriese perspektieven en het uit de weg gaan van konkrete
verantwoordelijkheid - is in de loop van de laatste twee jaar onder meer door
leden van de groep rond het anarcho-socialistiese tijdschrift De As aangedragen.
"Anarchisten kunnen zich onmogelijk identificeren met de hier-en-daar
weerslag van oorspronkelijke anarcho-opvattingen, of ze nu worden verwoord
binnen nog altijd parlementair opererende partijen als PSP en PPR, aan de basis
van vakbonden als NW en NKV, of binnen organisaties als de KWJ, de soldatenbond
BVD, de socialistiese studentenbonden etc. Zulke weerslag kan incidenteel worden
toegejuicht, misschien is ze zelfs door anarchisten op de plek tot stand
gebracht of sterk beïnvloed. Maar duurzame resultaten, waarmee anarchisten
zich kunnen identificeren, worden niet incidenteel tot stand gebracht. Ze dienen
verworvenheid te zijn van brede, op kontinuering en konsolidering gerichte,
infrastrukturele organisatie. Zulke organisatie zal bij uitstek funksioneren
dwars door alle aktiviteit ter linker zijde van de barrikades. Ter linker zijde:
daar bevinden zich ook veroveraars van de macht, die zelf willen heersen en zich
ter versluiering inlaten met de onderdrukten. Daar zullen anarchisten de
ontmaskering moeten bewerkstelligen, door juist datgene te doen wat verboden is
en na te laten wat verplicht wordt. Anarchisten organiseren zich welliswaar
dwars door alle aktiviteit links van de barrikades, maar niet naar willekeur:
zij zoeken die klasse-specifieke organisaties, waar het revolutionair potentieel
het grootst is omdat de repressie er het meest direkt wordt ervaren:
gastarbeiders, woonwagenbewoners, Zuid Molukkers, Surinamers, werklozen,
uitzendkrachten, gevangenen, politieke vluchtelingen"(3). "In de
tweede plaats zal de anarchosocialist zich moeten manifesteren binnen de
politieke massa-organisaties van de arbeidersklasse, met name de vakbeweging. Nu
momenteel rechts te hoop loopt tegen de arbeidersbeweging, vanuit het NW
radikalere geluiden klinken en zelfs het bestuurlijk kader van de PvdA even
instemmend over de aloude anarchistiese eis van arbeiders-zelfbestuur als
relativerend over het parlementarisme spreekt (vgl. de brochure
Doe-het-zelf-bestuur, Vormingswerk PvdA 1975), mag het anarchisme zich niet
(meer) isoleren in een welliswaar sympatieke, maar marginale syndikale
organisatie als het OVB. Het is tenslotte een wijdverbreide misvatting dat een
politieke ideologie een hechte politieke organisatie nodig heeft. De vraag of
voor anarcho-socialistiese activiteiten een landelijke organisatie van
anarchisten noodzakelijk is, kan dan ook ontkennend beantwoord worden. Bakoenin
stelde al dat de arbeidersklasse zich in zijn hoedanigheid als arbeider moet
organiseren"(4).
Voor de formulering van patronen waarin de socialistiese strijd zich
zal kunnen voordoen wil ik uitgaan van de idee van klassenstrijd. Tenminste twee
stromingen laten zich aftekenen. De ene stroming is de reformistiese, die de
klassenstrijd op de tweede plaats stelt. De huidige sociaal-demokratiese
beweging stelt zich op dit standpunt. Voor zover deze beweging over
klassenstrijd spreekt gebeurt dit in termen van een wedstrijd. Twee ploegen,
twee klassen (kapitaal/arbeid) staan tegenover elkaar opgesteld. Zij gaan een
wedstrijd spelen, de klassenstrijd voeren. Reformisten gaan daarmee uit van het
bestaan van klassen voor en onafhankelijk van de klassenstrijd; de klassenstrijd
wordt op zekere dag aangebonden, met andere woorden: de klassenstrijd bestaat
pas nadien, zodat er op dit moment niet over gedacht en aan gewerkt hoeft of kan
worden. De andere stroming is de revolutionaire, die de klassenstrijd primair
stelt. Revolutionairen beschouwen het bestaan van de klassen en de klassenstrijd
als een en hetzelfde. De uitbuiting van de ene door een andere klasse bepaalt de
deling op dat zelfde moment; uitbuiting is reeds klassenstrijd! De klassenstrijd
wordt daarmee als veranderd gezien in de produksiewijze. (-) Vaak wordt nu
gedacht dat de burgelijke demokratie de klassenstrijd heeft doen verdwijnen. Dat
is gezichtsbedrog. Het kompromis van de (burgerlijke)demokratie doet die
klassenstrijd helemaal niet verdwijnen. Ze is er juist uitdrukking van
(Lefebvre). In de strijd van de burgelijke klasse tegen de feodaliteit moest zij
een beroep doen op het volk. De burgerlijke demokratie is in de strijd
ontwikkeld en uit de strijd voortgekomen als een kompromis tussen bourgeoisie en
"hetgewone volk". (-) In het verleden is meermalen door sommige
anarcho-socialisten aangedrongen op het zich invoegen in de organisaties van de
brede lagen van de arbeidende bevolking. Ik deel die mening om reden van
propagandisties-strategies belang. Natuurlijk weet ik net als ieder ander dat de
arbeidersbeweging in een burgerlijke maatschappij tweeslachtig is. Zij
weerspiegelt in die zin de tegenspraak die eigen is aan de burgerlijke
maatschappij. Die hele maatschappij, elk instituut daarvan, is met die
tegenspraak doordrenkt. (-) Wil de mens een beetje zinvol kunnen handelen, dan
moet hij de immense komplexiteit (de chaotiese ongekende omgeving om hem heen)
wat inzichtelijk gaan maken. Maar hij kan niet alle komplexiteit totaal
inzichtelijk maken, zodat hij steeds stukjes komplexiteit aanpakt. Zo dringt hij
het chaotiese terug (reduksie). (-) Elk instituut is nu de generalisatie van
bepaalde reduksies. (-) Waarom heb ik deze teoretiese omweg gemaakt? Wel,er
wordt beweerd dat anarcho-socialisten niet in parlementaire lichamen kunnen
zitten zonder hun principes geweld aan te doen. Het parlementarisme wordt
voorgesteld als het moment waarop anarcho-socialisten hun deelname in het
bestaande systeem moeten onthouden. Maar mij moet eens genoemd worden welk
instituut in een burgelijke maatschappij niet behept is met tegenspraken op
basis waarvan ik moet besluiten mij van deelname te onthouden"(5).
Deze citaten, waaruit de goede verstaander nog de nodige tegenspraak kan
distilleren als maatgeving voor het stadium van diskussie, wijzen duidelijk op
de kern van de gedachtenwisseling: anarchisten moeten zich niet in
eigen en zeker niet in klasse-onafhankelijke organisaties opsluiten, maar
intreden - al of niet in onderling organisatories verband - in bestaande
klasse-organisaties. Zij moeten zich ondubbelzinnig op het standpunt van de
klassenstrijd stellen en niet talmen aan de fronten van deze strijd op te
duiken. Juist over deze problematiek handelt nu het hierbij aangeboden Organisatories
platform van de Revolutionaire Anarchisten. Dat wil zeggen: het Platform
wordt gekenmerkt door de verwerping van de "syntese-opvatting" -
hierboven ook in de beide nederlandse verschijningsvormen van de
deklasseringsteorie en de klootjesvolkanalyse ontleed -, die pretendeert het
sociale anarchisme te kunnen verenigen met het individualisme, dat de
klassenstrijd verwerpt. Het Platform toont het belang aan van het inzicht dat
revolutionair anarchisme en organisatie in de arbeidersbeweging niet te
scheidenzijn. Op dit punt is met name het Algemeen Gedeelte van belang.
Binnen het nederlandse anarchisme heeft "het Archino~platform"(zoals
uit het hierna volgende voorwoord bij de franse uitgave blijkt, was Archinow
niet de enige auteur) de laatste jaren op verdachte wijze een kwalijke faam
gekregen. Daarvoor zijn enkele direkt aanwijsbare oorzaken, die zijdelings reeds
in het korte historiese overzicht hiervoor ter sprake kwamen. De "syntese"-aanhangers
hebben handig gebruik weten te maken van de in het anarchisme nogal wijd
verbreide misvatting, dat organisatie synoniem is met autoriteit. Organisatie
zou machtspolitiek zijn en als zodanig in strijd met het anarchisties beginsel
van volledige verwerping van gezag en autoriteit. De paragraaf "Verwerping
van het gezag" in het Algemeen Gedeelte spreekt op dit punt duidelijke
taal. Een andere verdachtmaking van het Platform betreft de lezing, dat het
uitsluitend zou handelen over militaristiese vormen van (geheime) organisatie
van anarchisten. Daarbij werd dan verwezen naar de militaire achtergrond van de
auteurs, alle afkomstig uit de autonome revolutionaire strijdgroepen van Nestor
Machno. Dat het hier niet om een militaire achtergrond gaat, maar om een
revolutionaire strategie in de burgeroorlog, werd wijselijk verzwegen.
Het Opbouwend Gedeelte van het Platform, en met name de paragraaf "Verdediging
van de Revolutie" verschaft hierover duidelijkheid. Het Platform wijst elke
dwang kategories af! Voorts hebben met name funktionarissen van de Federatie van
Vrije Socialisten in de jaren 1972-74 al degenen die het organisatievraagstuk
volgens het Platform binnen de FVS ter diskussie wilden stellen konsekwent en
via uiterst doorzichtige manoeuvres in verband met terrorisme, sabotage,
politieke moord & doodslag trachten te brengen. Het feit dat de "aanhangers"
van het platformkoncept zich inderdaad - en terecht - bij menige gelegenheid in
woord en daad solidair hebben betoond met het lot van al of niet anarchistiese
gewapende strijders en stadguerillero's die in handen van medogenloze
staatsvervolgings-apparaten waren gevallen, speelde deze funktionarissen daarbij
gemakkelijk in de kaart. Dat het een met het ander niets van doen heeft, spreekt
intussen voor zich. Er was evenwel een merkwaardige reden waarom de
stelselmatige ontluistering van het Platform zich zo gemakkelijk kon ontplooien.
Deze reden is de eenvoudigst denkbare, en als zodanig tegelijkertijd een
kurieuze barometer van de deplorabele infrastruktuur van het recente nederlandse
anarcho-gebeuren: er was geen adekwate vertaling van het Platform voorhanden!
Welliswaar heeft in "kader"-kringen van de FVS korte tijd een schamper
en nauwelijks te lezen stencil gecirculeerd dat de tekst van het Platform
pretendeerde te bevatten, maar een dermate abominabele vertaling als dat vod
presenteerde vermag de titel werkelijk niet dragen. (Nader onderzoek heeft
inmiddels uitgewezen dat de tekst vertaald was uit een engelse vertaling - in
het voorwoord waarvan nota bene verontschuldiging wordt gevraagd voor het feit
dat niet beschikt kon worden overeen korrekte vertaling - die weer genomem was
van de eveneens slechte franse vertaling uit het russies . . .). Ook ervan
uitgaande dat vele nederlandse kameraden het frans redelijk beheersen kunnen we
nog niet aannemen dat het Platform gemeengoed was: de eerste uitgave van de ORA
in 1972 is namelijk vrijwel niet verkrijgbaar geweest omdat de ORA met
heruitgave wilde wachten op een herziene vertaling, die pas in 1975 is
uitgekomen.
Nog een enkel woord over het ontstaan van het Platform. De
russiese anarchisten die de gewetenloze uitroeiing onder Trotzky van de
strijdgroepen van Nestor Machno in 1921 wisten te overleven en vervolgens ook
nog aan de terreur van de Tcheka konden ontkomen, hebben zich aanvankelijk in
Berlijn, later voor een deel in Parijs gevestigd. Daar formeerden zij een
anarchistiese groep in ballingschap, waarin behalve Machno zelf vooral zijn oude
strijdmakker Petr Andreevich Archinow aktief was. Deze groep heeft via
haar krant Dielo Trouda (Zaak van de Arbeiders) analyses en historiese studies
gepubliceerd over de russiese revolutie, het verraad en de afleidingsmanoeuvres
van de bolsjewisten, de Tchekaterreur, de vervolging van revolutionaire
anarchisten in Rusland. De groep voerde intensieve diskussie over het falen van
de russiese anarchisten om tegenover de bolsjewisten de strijdorganisaties van
de arbeiders te beschermen en te verbinden. Dielo Trouda konkludeerde dat dit
falen allereerst een kwestie van organisatoriese zwakte, van gebrek aan eenheid
en verbinding van de talrijke anarcho-groepen in Rusland sinds 1905 moest zijn
geweest. Uit deze diskussie ontstond een organisatories koncept, het Platform.
Bijna een halve eeuw later is het, opnieuw in Parijs, weer boven water gekomen,
met name door toedoen van de broers Cohn Bendit (6). Op 16 mei 1968 droeg
Gabriel het lied voor dat de gewapende strijders van Machno's ruiterleger voor
Machno en zijn vrouw hadden gezongen: "hoera,hoera/Op mars/de vrijheid
tegemoet/voor moedertje Galia/voor vadertje Machno/We zullen verslaan/
verpletteren in de slag/wij zullen overwinnen/de laatste kommissaris"
Nu het Platform, zoals betoogd, op bepaalde punten wederom aktueel is
geworden, wil dit niet zeggen dat met deze uitgave beoogd wordt overschatting
ervan uit te lokken. Per slot van rekening is de tekst vijftig jaar oud en op
het vlak van de organisatoriese koncepten hebben de ervaringen met de
anarchistiese kollektieven in de Spaanse revolutie en de daarop volgende
burgeroorlog - tien jaar na de totstandkoming van het Platform - duidelijker
taal gesproken dan ooit in de geschiedenis van de arbeidersbeweging. De lezer
zal evenwel verbaasd kunnen konstateren dat belangrijke gedeelten van het
Platform zonder meer van toepassing kunnen worden gebracht op juist die
ervaringen. Maar dat neemt verscheidene zwakke passages niet weg. De woordkeus
is niet altijd even gelukkig en een zekere dichterlijke verheerlijking en
romantisering van de arbeid steekt nogal af bij de nuchterheid van de algemene
analyse. Ook de opmerkingen over het belang van de boerenstand en een
aanzienlijk gedeelte van de ekonomiese analyse zijn zwaar uit de tijd. Vergeten
we niet dat de tekst is geschreven tegen de achtergrond van een uitgesproken
plattelands-samenleving, namelijk die van Rusland in 1926 met 85% boeren.
Tenslotte op een specifiek punt een vertaaltechniese verantwoording.
Het gaat om het begrip revolutionaire anarchisten. In de franse
tekst wordt dit begrip telkens afgewisseld met de in Nederland niet ingevoerde
term
anarcho-kommunisten. De oorzaak hiervan ligt in de geschiedenis van het
russiese en franse anarchisme. Enerzijds om verwarring met het hier geladen
gebleken(7) begrip libertair marxisme te voorkomen, anderzijds omdat het
Platform op de essentiele punten (La plateforme d'organisation des forces
revolutionnaires de l'anarchisme: eerste alinea Organisatories Gedeelte) steeds
de term revolutionair anarchisme gebruikt en tenslotte ook omdat de nederlandse
anarchisten die zich op het Platform baseren deze term gebruiken, hanteert onze
vertaling in alle gevallen: revolutionair anarchisme. Dat dit begrip van
toepassing is op die stroming in het anarchisme die zich op het standpunt van de
klassenstrijd stelt en ook bereid is daaruit de noodzakelijke konsekwenties te
trekken - teoreties zowel als prakties -, zal de lezer nu spoedig bevestigd
zien.
Boudewijn Chorus. Groningen, 1976.
(1) Albert de Jong: De spoorwegstaking van 1903; Heemstede 1953, heruitgave
A.U., Amsterdam 1973.
(2) Hans Ramaer: Van Domela tot Provo, - anarchisme
in Nederland; Maatstaf aug.-sept.1976, arbeiderspers, Amsterdam. In dit nummer
ook interessante gegevens over Nestor Machno c.s., de russiese revolutie en het
anarcho-syndikalisme.
(3) Boudewijn Chorus: Anarchisme-diskussie; De As
15/16, aug. 1975, Stg. Pamflet, Groningen.
(4) Hans Ramaer:
Anarchisme-diskussie; De As 20, apr. 1976.
(5) Thom Holterman:
Anarchisme-diskussie; De As 21/22, aug. 1976. Zie ook zijn brochure Over
arbeidersstrijd en arbeiderskontrole; Tegengif nr. 1, Stg. Pamflet, Groningen
1976.
(6) Gabriel & Daniel Cohn Bendit: Linksradikalisme, remedie tegen
een verkalkt communisme; Kritiese Biblioteek/Van Gennep, Amsterdam 1969. Zie met
name blz. 276 e.v. de overeenkomsten met het Platform.
(7) "Als
korreksie op een binnen de anarchistiese beweging gegroeide traditie van
anti-marxisme mogen de zich onder meer op Guérin baserende
libertair-marxisten nuttig werk gedaan hebben, nu zij sinds enige tijd het nivo
van intellektualistiese zelfbevrediging niet te boven komen, is er geen sprake
meer van maatschappelijke relevantie. Het libertair-marxisme is gedevalueerd tot
anarchisme-als-filosofie, een stroming die het anarchisme dialekties heeft
gekortwiekt tot kenteorie" (4).