Index

 

HISTORIE


 

 

Ruim anderhalve eeuw geleden vond een belangrijke verandering in de schilderkunst plaats: kunstenaars trokken naar buiten om te schilderen. Rond 1830 vestigde zich een groep in het dorpje Barbizon ten zuiden van Parijs. De bossen van Fontainebleau oefenden grote aantrekkingskracht uit op de “plein-air schilders”, zoals ze al snel werden genoemd. Het duurde niet lang of de “School van Barbizon” werd nagevolgd. Op diverse plekken in Nederland ontstonden kunstenaarskolonies, onder andere in Plasmolen.
Een tijdbalk is op te roepen door op de foto hiernaast te klikken.

Vanaf 1855 werd in de omgeving van Oosterbeek al volop in de open lucht geschilderd. Het exact weergeven van lucht, lichtval en de kleurnuances van het moment stond voorop. De landschapschilders leefden gemoedelijk samen met de bevolking van de vele buitenplaatsen.
Het hoogtepunt in hun onwikkeling bereikte deze groep landschapsschilders na het vertrek uit Oosterbeek. Pas in het Zuid-Hollandse vlakke polderland en aan zee kregen hun schilderijen de nuances en grijstonen die hen als “Haagse School” bekend maakten. Johannes Bosboom, J. Weissenbruch, B.J. Blommers en de drie gebroeders Maris werden geboren in Den Haag of kregen er hun opleiding.
Jozef Israëls, die al in 1855 in Zandvoort tussen de vissersbevolking was gaan wonen en werken, was een van de eerste sociale schilders. Behalve voor het pittoreske en romantische, had hij oog voor het verdriet en de armoede van het leven dat hij vastlegde.
Toen de Haagse School schilders Anton Mauve en Jozef Israëls zich eenmaal in Laren gevestigd hadden, rond 1885, volgden snel collega's uit Den Haag en anderen die een opleiding aan de Amsterdamse Rijksacademie achter de rug hadden. Het dorp en de omgeving, met uitgestrekte heidevelden en schaapskuddes, vormden een rustiek decor en de inwoners van Laren waren bereid te poseren voor de artiesten.

Behalve de vissers van Zandvoort en de heide van Laren, trok ook de bosrijke omgeving van de Plasmolen in Noord-Limburg, rond 1900 de eerste kunstenaars aan. Gedurende de eerste helft van de eeuw schilderden tientallen de omgeving en de bevolking. Voor velen was het verblijf in Plasmolen van korte duur, anderen raakten voorgoed geboeid.

Omstreeks 1900 vestigde de Amsterdamse notariszoon Jacques van Mourik zich in Plasmolen, de plaats die hij tijdens vakanties met zijn ouders had leren kennen. Op advies van de Haagse schilder Jacob Maris, had Van Mourik de Academie voor Beeldende Kunsten in Düsseldorf en de Rijksacademie van Amsterdam gevolgd. Tussen de houthakkers, stropers en heikneuters voelde de jonge schilder zich op zijn plaats. Zij vormden het onderwerp voor Jacques van Mouriks werk, samen met de afwisselende natuur. Hoe ongerept die natuur was, blijkt uit de opmerking van de natuurvorser/schrijver Jac.P. Thijsse: “De Jansberg bij Mook, met zijn onmiddellijke omgeving is, botanisch, wel een der rijkste landschappen van Nederland, misschien wel het rijkste.”

Na enkele jaren haalde Van Mourik zijn academievriend Dirk Ocker en zijn vrouw, het schildersmodel Paula Jannette, over om naar Plasmolen te komen. Ocker maakte toen deel uit van de schildersgroep “Gooise Tien” en werkte in Laren. Tijdens die periode had hij Larense interieurs geschilderd die naar Engeland werden doorverkocht. Door zijn theosofische levensopvatting, die resulteerde in tal van mystiek-wazige doeken met vrouwengestalten, in rode en groene tinten, duurde de tijd van “broodschilderen” slechts kort. Ocker vestigde zich in 1916 voorgoed in Plasmolen.
Sinds 1912 woonde de schilder Gerard Cox met zijn gezin in Mook. In het najaar trok hij met zijn nieuwe werk per woonwagen Limburg in om te gaan verkopen. Een van zijn dochters trouwde met Jacques van Mourik in 1916. Cox heeft de omgeving vastgelegd in talloze pastels: de heide, de armelijke boerderijtjes, houtsprokkelende vrouwen, de vennen en bossen.
J.S. Göbel beschreef in een toeristische gids de Plasmolen als volgt in 1909: “De eenvoudige landelijke hutten en boerenhoeven, hier en daar door groepjes bomen omgeven, liggen schilderachtig over de heideachtige bouw- en moeraslanden verspreid (...) terwijl er korten tijd geleden leemen hutten in aantal te vinden waren. Ten spijt der landschapschilders, die vaak den Plasmolen bezoeken, zijn die allen verdwenen. Toch kunnen deze schilders nog stof voor hun penseel genoeg vinden, in menige landelijke woning of in de eigenaardige groepering, waarin deze als 't ware zijn neergeworpen.”
Een trefpunt voor smokkelaars, stropers, houthakkers en een enkele boer was van oudsher de herberg aan de grote plas. Ook de schilders kwamen er en soms werd geëxposeerd in het houten huis dat Gerard Cox in de tuin van het hotel neerzette.
Onder de vele passanten in Plasmolen was de Haagse Theophile de Bock. Deze had, samen met Hendrik en Sientje Mesdag geschilderd aan het grote panorama vanaf het Scheveningse Seinpostduin dat nog steeds te zien is in het Haagse museum “Panorama Mesdag”.

Van een Plasmolense School is geen sprake, elk schilderde naar zijn aard, met eigen technieken, volgens eigen opvattingen. De natuur speelt een grote rol in het werk van de meesten en geeft een beeld van wat verloren ging, door de oorlog en door vooruitgang en toerisme.

De laatste tien jaar is er een duidelijke trend in Nederland waarneembaar. Diverse schilderskolonies die in navolging van de Haagse School ontstonden, kregen eigen musea, b.v. Bergen en Domburg, en hun werken worden uit de depots gehaald voor exposities. Vaak spelen gemeenten een belangrijke rol in deze initiatieven omdat ze inzien dat cultuurtoerisme een snel groeiend nieuw fenomeen is. De gemeente Mook en Middelaar verzocht de Stichting om het gemeentehuis aan te kleden met regiokunst, passend bij het imago van Mook als rustiek kunstenaarsdorp zoals het aan het begin van de vorige eeuw was.

Er kon al veel gerealiseerd worden, mede dankzij steun van fondsen en het bedrijfsleven in de regio. De feiten: ruim 150 artikelen over regiokunst werden gepubliceerd - in Mook zijn tientallen wissel-exposities gerealiseerd, die vele duizenden bezoekers hebben getrokken - daarnaast exposeert de Stichting permanent meer dan 100 werken in het Gemeentehuis van Mook - momenteel heeft de Stichting, die eind 1992 zonder bezit begon, een vaste collectie van ruim 625 stukken in bezit en beheer, en op ruim 170 andere werken kan voor exposities een beroep worden gedaan - elf publicaties over kunstenaars werden geschreven en uitgegeven, de eerste twee zijn herdrukt en diverse nieuwe uitgaven zijn persklaar - de Stichting verzorgt rondleidingen voor uiteenlopende groepen, organiseerde enkele donateursontmoetingen, vijf drukbezochte Kunstweekends en jaarlijkse Van Mourik Weekends - er is een Kunstkoffer ontwikkeld voor het onderwijs - de documentatieverzameling omvat inmiddels duizenden foto's, dia's en vele honderden artikelen, brieven etc. - toeristische wandel- en fietsroutes zijn uitgezet in de regio - een reeks exclusieve betaalbare geschenken, van kalender en wijn tot zilver, is in opbouw - het internetlexicon waarvan het eerste deel met 220 pagina’s is samengesteld, oogst veel waardering - ter gelegenheid van het 15-jarig bestaan kon in Mook een monument voor het Kunstenaarsverzet in de regio worden onthuld dat ook landelijk aandacht trok. De kring donateurs van de Stichting is hecht en groeit gestaag.


 



Op de foto's in de marge, van boven naar beneden:

De schilderkast en -stoel van Jacques van Mourik
Portret van Jacob Maris
De Beekweg in Plasmolen omstreeks 1900
De Ockers met Van Mourik in 1903
Portret van de jonge Jacques van Mourik
De herberg aan de plas rond 1910
Het gezin van Gerard Cox sr. voor zijn atelierwoning in Plasmolen
Het Torenhuisje van Jacques van Mourik aan de Geuldert
Zijn atelierwoning “Molenhorst” geëtst door Leo Niehorster
De plas voor het hotel met molen op de achtergrond, ca. 1915
Een kijkje in het documentatie-depot

 

 

In de loop van de jaren werd er veel geschreven over de kunstenaars en de stichting, maar ook geluidsopnamen en kleine reportages werden gemaakt door L1, de radio- en tv-zender van Limburg. Hieronder een interview naar aanleiding van de jubileumexpositie bij het 15-jarig bestaan.
Ook op de pagina's over het Monument voor het Kunstenaarsverzet in Mook en de toetreding van de kolonie tot Euro-Art zijn geluids- en beeldfragmenten te vinden.