A A N T E E K E N I N G

op de

G   R   O   N   D   W   E   T ,


door

Mr.   J. R.   T H O R B E C K E,

Hoogleraar te Leiden




TWEEDE UITGAVE.



A M S T E R D A M,

bij     J O H A N N E S     M Ü L L E R



1 8 4 1.





I N D E X

Voorrede der Eerste Uitgave (1839)           Voorrede der Tweede Uitgaaf (1841)


EERSTE HOOFDSTUK
Art. 1
Art. 2
Art. 3
Art. 4
Art. 5
Art. 6
Art. 7
Art. 8
Art. 9
Art. 10




Voorrede der Eerste Uitgave


Dit geschrift is de uitvoering van een jaren lang gekoesterd plan. Hoevele Grondwetten de laatste halve eeuw zag ontstaan, de Schrijver kent op geene van haar een commentarius, die trachtte te zijn wat men zich voorstelt bij de geregelde verklaring van eenig ander wetboek. Men gaat den historischen oorsprong der onderscheidene bepalingen na; men onderzoekt de gronden waarop zij rusten; men leidt de regels der uitlegging en toepassing af. Men ontwikkelt de theorie van een stellig burgerlijk regt, zonder in een zoogenaamd natuurregt te vervallen. Is het mogelijk, in den eigen trant over eene Grondwet, terwijl men afgetrokken bespiegeling ter zijde laat, een praktisch boek te schrijven?
     Als bijlage vindt men de Schets van Hogendorp, tot hiertoe, behalve één Hoofdstuk, dat de Heer de Geer in de Antecedenten opnam, niet uitgegeven. Het is bekend dat de Commissie tot zamenstelling der Grondwet van 1814 die Schets, welke een nieuwe ziel zocht voor de Republiek, als leiddraad volgde. Men kan nu punt voor punt zien, hoe groot de invloed van dat stuk ook op onze Grondwet is geweest.
     Doch de Schets van Hogendorp was niet de eenige bron. De Grondwetten van 1814 en 1815 zijn niet als het werk van van die jaren alléén te beschouwen, maar als het gemeenschappelijk werk der tijden, die ons Land sedert den val der Republiek beleefde.
Ik heb vele artikelen der vroegere Constitutien onder den tekst laten afdrukken. Die wetten zijn niet in elks bezit, en die ze bezit, heeft ze niet altoos en overal in zijn bereik. Een aangehaalde plaats wordt daarenboven zeldzaam opgeslagen. Om meer dan ééne reden wenschte ik de vergelijking der Grondwet met de beginselen en denkbeelden, waaruit zij vloeide, gemakkelijk te maken. Schoon niet om uit voorgaande Staatsregelingen aan de tegenwoordige steelswijze op te dringen, wat deze niet kent. Het is, dunkt mij, een vaste regel, dat door eene nieuwe algemeene Grondwet alle stukken der vorige grondwettige orde, die zij niet uitdrukkelijk brkrachtigt, worden opgeheven.
     De kennis, hoe men tot deze of gene bepaling kwam, en van den tijd waarin zij ontstond, is niet slechts een hulpmiddel om haar wel te verstaan; zij kan ook het oordeel over de tegenwoordige gepastheid der instelling rigten. En ik meen geenszins te verbloemen, dat ik tevens schreef met het oog op eene herziening, waarvan de noodzakelijkheid sedert lang kon worden bevroed. Zij werd reeds op den 20 Januarij 1831 van Koningswege in de Tweede Kamer der Staatengeneraal aangekondigd[1]. De onbekrompen zin dier aankondiging beantwoordt volkomen aan den vrijen stand, dien Gouvernement en Vertegenwoordiging, voor zulke eene, anders bedenkelijke, ja hagchelijke taak, op dit tijdstip bij ons hebben. Een zoo gelukkig oogenblik komt zeldzaam. Om het te verzuimen staat te veel op het ´t spel, en het spel is welligt niet zoo moeijelijk te winnen. Men denke verschillend over de hoofdbeginselen onzer Grondwet; maar wie zal het niet voor noodig houden, dat zij met zich zelve, en dat de instellingen, er uit geboren, met die beginselen eenstemmig zijn? Niemand zal willen, dat wezenlijke leemten en gebreken, die de Grondwet, uit haar zelve beoordeeld, openbaart, na eene herziening voortduren. Wij hebben van onze geschiedenis niet geleerd, in staatkundige beschaving bij eenig volk achter te blijven.
     Bovenal echter zal het onderzoek de oefening der Grondwet treffen. Heeft zij tot dus verre gewerkt zoveel zij kon en behoorde? Eene verbetering der letter ware onvruchtbaar zonder verlevendiging en volmaking der praktijk. De Grondwet mag niet een loutere vorm, zij moet eene nationale kracht wezen. En hoeveel reden wij hebben om die te vestigen, toont ieder blik, dien wij werpen op Frankrijk. Onze legers, onze vestingen, onze rivieren zullen een algemeen gevaar, en dat als ´t ware de lucht vervult, niet van ons afwenden. Maar ons zedelijk, ons constitutioneel te versterken, ja onoverwinnelijk te maken, dit hangt van ons af. In onzen tijd beslist physischen overmagt op den duur niet meer, doch heeft een klein volk met een zwak politisch gestel en karakter alles te duchten. Men moet werken zoo lang het dag is, en wij hebben, tot eene grondwetgeving, nooit een beteren gehad.




Leiden,
24 Augustus 1839.


[1] «Onder deze omstandigheden roept onze eigene Staatshuishouding de bijzondere aandacht in, en het oogenblik is daar, om in de Grondwet van het Koningrijk die wijzigingen te brengen, welke hare toepassing alleen op Noord-Nederland, ten gevolge der scheiding, vordert. Z.M. zal dit werk doen voorbereiden, en binnen kort eene wet over dit onderwerp aan UEd. Mog. voordragen, bij welke gelegeneheid tevens zal kunnen overwogen worden, of het doelmatig zij, om de daarstelling van het beginsel der ministeriële verantwoordelijkheid, hetwelk thans geen deel van ons Staatsregt uitmaakt, in aanmerking te nemen, en of de ervaring ook de voordragt van andere wijzigingen der Grondwet geacht zou kunnen worden aan te raden.»




Voorrede der Tweede Uitgaaf


De hoop, die men, toen de voorgaande bladzijden werden geschreven, van eene herziening koesterde, is te leurgesteld. De geschiedenis dier, men mag wel zeggen, nationale, te leurstelling ware een leerrijk werk. De herziening moest niet enkel toets zijn van ´t geen de Grondwet was, maar van ´t geen wij politisch waren, en, in zelfregeling vermogten. De proef kwam niet schitterend uit. Men zag de gebreken en wat men behoefde. Doch de moed ontbrak.
     Intusschen was het oog op de eerste wet van den Staat toch niet vruchteloos zoo lang gevestigd. Tot hiertoe een meestal gesloten, kreeg zij allengs de plooi van een open liggend boek. Dat zij meer dan eene grens of belemmering, dat zij een beginsel van regering moest zijn, deze overtuiging won veld. Men begon te letten op ´t geen de gewone wetgever tot verwezenlijking der Grondwet had kunnen en moeten doen. Men begon haar te erkennen voor de grond aller andere wetten, en aan verordeningen, strijdig met de Grondwet, regtskracht te betwisten. Had men haar tot dus ver aangemerkt als een zamenstel van staatkundige regelen, niet altoos zóó streng te nemen, naar de geliefde spreekwijs «voor velerhande beschouwing vatbaar»; de waarde eener vaste constitutionele regstkennis werd nu duidelijker gevoeld.
     Bestemd om hiertoe eene bijdrage te zijn, werd de Aanteekening met eene opmerkzaamheid ontvangen, welke de tweede uitgaaf gaarne zou verdienen. De eerste liet het doorgaans bij eene Schets, de tweede is meer uitgewerkt, en in zooverre een nieuw boek. Men zal, geloof ik, weinig artikels vinden, waaraan de hand niet andermaal werd gelegd.
     De eerste vellen waren afgedrukt, toen ik het Journal van Raepsaet[1] ontving. Het vergunt een blik in de werkplaats, waaruit de beschrijving der Grondwet van 1815 voortkwam. Raepsaet was eenzijdig, maar opregt. Zijn gezigtspunt ten aanzien van Belgie was ´t zelfde, dat Hogendorp, bij het schrijven der Schets, had voor Noordnederland. Zijn verhaal is niet onbelangrijk, schoon over ´t algemeen verre zoo belangrijk niet, als men zou wachten of wenschen. Hij woonde ook de laatste raadplegingen der Commissie, en met name die over de algemeene redactie en het verslag, niet bij. Niet te min heeft het historisch gedeelte der uitlegging door het Journal gewonnen, in zooverre het over de persoonlijke denkbeelden van de leden der Commissie en den loop harer handelingen licht geeft. Men beoordeele het gebruik, dat ik er van, gelijk van het rapport, maakte. Men kent vaak aan eene subjectieve of psychologische historie der vervaardiging eener wet een gezag toe, dat zij in mijn oog niet kan hebben. Of de ontwerpers of wetgevers dachten aan al wat in het gestelde is opgesloten; aan al wat de zamenhang medebrengt of ´t geen er duidelijk bij ten gronde ligt; hebben zij er aan gedacht of niet, dachten zij welligt aan iets anders? Dat is vooreerst de vraag niet. Gemaakt, is de wet, onafhankelijk van de individuële meening van den wetgever, aan de regels der uitlegging onderworpen. Welke is de gedachte, in de wet uitgedrukt? Ik zou niet durven beweren, dat de maker, wanneer hij hiervan, buiten de wet, eene verklaring geeft, in den regel meer is dan een ander uitlegger, of dezen eenigszins kan binden.
     Inzonderheid is het de ontwikkeling der grondwettige begrippen, die thans verder, dan twee jaren geleden, werd voortgezet. Verder, dat is nog niet zeer ver. Er was te veel te zeggen, om niet kort te zijn. Onderscheidene der voorgedragene hoofdstellingen wijken af van de algemeene denkwijs. Ik hoop, dat zij niet te min de onpartijdigheid van oordeel zullen ontmoeten, waarmede ik de tegenbedenkingen wensch te ontvangen. Op mijne meening komt niets, op de redenen alles aan. Ik heb getracht ze te verklaren; men kan ze met betere redenen wederleggen.
     Ook de vergelijking met vreemde Staatsregelingen is uitgebreid. Niet om nuttelooze geleerdheid ten toon te spreiden, maar om aldus tot den gemeenen stam der Staatsinstellingen, waarvan de onze een tak zijn, te naderen. De Staatskunst is aan den ingang van een tijdperk, waar zij niet een betreden pad te volgen, maar haren weg te zoeken en te banen heeft. Op dezen weg is geene natie met zich alleen. Zij gaat voort, of wordt gesleept, in bestendige gemeeschap met de overige. Men zou het constitutionele jus gentium, in den romeinschen zin, als werktuig van uitlegging kunnen misbruiken. Is het daarom verwerpelijk?
     Noch als middel van uitlegging, noch van kritiek, die mij toeschijnt, de hervorming, welke men van het eind der vorige eeuw dagteekent, steeds op zijde te moeten blijven. Die groote verandering is, dunkt mij, eerst in den beginne; in veele opzigten nauwelijks meer dan ontkennend; de grondtrekken zijn hier en daar nog schemerachtig; de begrippen nog lang niet in hun vollen wasdom; zouden de vormen, die men, hier of elders, dikwerf in den drang van het oogenblik, vaak uit navolging, koos, de eenig juiste zijn?
     In de wetgeving, en regeerkunst over ´t algemeen, mag ook nu nog, meen ik, individualiseren, inrigten naar den bijzonderen landaard en stand, als eene voorwaarde van wél slagen worden beschouwd. Mits het geschiede in harmonie met die algemeene beginselen, welke eene wereldkracht zijn geworden, en die geen Rijk straffeloos verzaakt. De kring is nog ruim, de vrijheid groot genoeg. Doch het is eene vrijheid om te doen, om te formeren, niet om te rusten. Het is niet eene oude orde, die behoud, het is een nieuwe maatschappij, die voltooijing vraagt.




Leiden,
25 Augustus 1841.


[1]Journal des Séances de la commission qui a été chargée, par le Roi, en 1815, de rédiger un projet de Constitution pour le Royaume des Pays-bas.




EERSTE HOOFDSTUK


VAN HET RIJK EN DESZELFS INWONERS

De zamenstelling van het Eerste Hoofdstuk is het werk der Commissie van 1815. Men vond een dergelijk Hoofdstuk noch in de Schets van Hogendorp, noch in de Grondwet van 1814; doch wel voorgang in de vroegere Staatsregelingen. De beide eerste Titels van die van 1798 handelden, in navolging der fransche Constitutie van 1795[1], van de verdeeling der Republiek en van de uitoefening van het stemvermogen der burgeren. De Staatsregelingen van 1801 en 1805 lieten insgelijks op de Algemeene Beginselen en Bepalingen eene reeks van artikelen volgen over de territoriale verdeeling en het stemrecht. De Constitutie van het Koningrijk Holland vatte die twee Afdeelingen in ééne, de Eerste, zonder opschrift te zamen. De Tweede was getiteld van den Koning.
     In Art. 1, 2 en 3, die van het Rijk spreken, vindt men art. 53, 54 en 55 der Grondwet van 1814, gewijzigd, weder. De grondwet van 1814 had de aanleiding, tot beschrijving dier artikelen, genomen van art. 10 der Staatsregeling van 1805, vergeleken met art. 21 der Staatsregeling van 1801, en art. 3, 7 en 8 der Staatsregeling van 1798.


[1] Constitution de la Rép. fr. de 1795 Tit. I. Division du territoire: Tit. II. État politique des citoyens. Die van 1791 had in éénen, den tweeden, zaamgevat: De la division du Royaume et de l´état des citoyens. men ziet ligt, waarom de fransche Constitutie van 1799 het eerste stuk wegliet, en in haren Isten titel slechts sprak: de l´existence des droits de cité.


Artikel 1

[Het Koningrijk der Nederlanden bestaat uit de volgende Provincien: Noord-Braband, Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Utrecht, Vriesland, Overijssel, Groningen en Drenthe, mitsgaders het Hertogdom Limburg, behoudens de betrekkingen van dat Hertogdom, met uitzondering der vestingen Maastricht en Venlo en van derzelver kringen, tot het Duitsche Verbond.]

Artikel 1 geeft eene algemeene territoriale omschrijving van het Rijk bij benaming en opstelling zijner provincien. De eerste bron is art. 3 der fransche Constitutie van 1795, door onze Staatsregeling van 1798 art. 3 gevolgd.
      Het begrip eener algemeene Grondwet brengt mede, dat zij in de eerste plaats het landgebied beschrijve en verdeele, of althans de regelen der verdeeling vaststelle. Het is de fransche Charte en in de duitsche Constitutien, met eene enkele uitzondering[1] , nagelaten. Doch wij kwamen er, bij de oprigting van den Staat in 1814 en 1815, van zelfs toe, het voorbeeld onzer vroegere Grondwetten te betrachten[2].
      De reden echter, door het Gouvernement[3] bijgebragt, «dat de territoriale omschrijving in de nederlandsche Grondwet (...) onmisbaar is, omdat het bestaan en de attributen van provinciale Staten een der hoofdbestanddeelen zijn van die Grondwet» schijnt aan twijfel zeer onderhevig. Want men kon eene optelling als die van art. 81, en andere de provincien aangaande bepalingen, zeer wel, gelijk in andere Grondwetten, hebben zonder art. 1 en 2.
      Eene beschrijving, zoo als art. 1 die bevat, is in de eerste plaats juris publici. Zij is juris gentium slechts in zooverre, als de buitenste omtrek tevens bij overeenkomst met andere Mogendheden wierd geteekend of door haar erkend.
      De tegenwoordige benaming en optelling der provincien, waaruit het Rijk bestaat, zijn die van de wet van 4 September 1840[4], bepalende de verandering van de artikelen 1, 2 en 153 der Grondwet van 1815, art. 1.
      De splitsing van Holland in twee provincien was bij de tweede, veranderde redactie der eerste vijf ontwerpen van herziening van Koningswege voorgesteld ten gevolge van het verlangen, in de verbalen van de Afdeelingen der Tweede Kamer over de eerste redactie geuit[5]. men heeft Holland gesplitst om vermeende redenen van nut, niet op grond eener betoogde noodzakelijkheid. Dit betoog schijnt evenwel, van wege art. 227, een vereischte.
      Mitsgaders het Hertogdom Limburg: reeds op den 16 Augustus 1839 had de nederlandsche gezant aan de duitsche Bondsvergadering kennis gegeven van het besluit des Konings, om de deelen van Limburg, welke hij, volgens art. 4 van het verdrag van 19 April 1839 moest bezitten[6], onder den titel van Hertogdom met het Koningrijk vereenigd te houden[7]. Dezen zin toch schijnen de zeer duistere bewoordingen te hebben: «Von dieser Ueberzeugung geleitet, haben Seine Majestät, zunächst in Folge der mit dem herzoglich Nassauischen Hause abgeschlossenen Uebereinkunft, festgesetzt, dass die obenerwähnten, grossentheils schon alt-Niederländischen, nach dem IV Artikel des Londoner Vertrags unter Allerhöchstihre Regierung zurückkehrenden Gebietstheile für ewige Zeiten nach der für die Niederländische Krone bestehenden Successionsordnung vererbt werden sollen. Allerhöchstdieselben haben ferner beschlossen, dass jene Gebietstheile ungetrennt bleiben, und als Herzogthum Limburg wieder hergestellt werden sollen, wogegen das Königreich der Niederlande im Besitz der beiden Städte und Festungen Mastricht und Venlo, mit ihren Rayons, verbleiben wird. Seine Majestät beabsichtigen, an die Stelle des durch den II Artikel des Londoner Vertrags abgetretenen Theils des Grossherzogthums Luxemburg, mit dem ganzen Herzogthum Limburg, so wie es jetzt von Allerhöchstihnen gebildet worden, dem Deutschen Bunde beizutreten, und wenn auch Allerhöchstdieselben bei dieser Erklärung sich vorbehalten müssen, nach Maassgabe der obenangedeuteten Verhältnisse, das Herzogthum Limburg unter dieselbe Verfassung und Verwaltung mit dem Königreich der Niederlande zu stellen, so verbinden Seine Majestät doch damit die Zusicherung, dass dieser Umstand die Anwendung der Deutschen Bundesverfassung auf das erwähnte Herzogthum in keiner Weise hindern soll.»
      Uit de woorden «wogegen das Königreich der Niederlande im Besitz der beiden Städte und Festungen Mastricht und Venlo, mit ihren Rayons, verbleiben wird» zou men kunnen opmaken, dat het Koningrijk dus niet in het bezit der overige deelen van Limburg zal blijven. Dan de uitdrukking, welke tot dit besluit leidt, schijnt haren oorsprong verschuldigd aan de dwaling, die men straks andermaal zal ontmoeten, van nederlandsche zijde, dat een land, bevat in het duitsche Verbond, daardoor grondgebied van dit Verbond wordt.
      Niet veel juister ware eene andere gevolgtrekking, welke de aangehaalde woorden echter volkomen regtvaardigen. Zij moeten doen denken, dat Maastricht en Venlo niet tot het Hertogdom Limburg behooren. Dit denkbeeld wordt versterkt door het gezegde, dat het oogmerk des Konings is «mit dem ganzen Herzogthum Limburg, so wie es jetzt von Allerhöchstihnen gebildet worden, dem Deutschen Bunde beizutreten» en door de opgave der bevolking van het Hertogdom[8], geschat op 147.527 zielen, waarin die van Maastricht en Venlo niet is begrepen. Het blijkt intusschen zoo uit art. 1, als uit de tweede alinea van art. 2 der Grondwet, dat het Hertogdom de genoemde steden wel bevat. De meening was, ondanks de uitdrukking, niet, dat zij buiten het Hertogdom, maar buiten de betrekking van het Hertogdom tot het duitsche Verbond zouden blijven. Men wilde slechts zeggen, dat die betrekking op de genoemde steden en hare kringen niet toepasselijk zou zijn.
      Het voorstel des Konings om het aldus geformeerde Hertogdom, ter vervanging van het bij art. 2 van het verdrag van London afgestane deel van Luxemburg, in het duitsche Verbond te begrijpen, werd door de Bondsvergadering bij Besluit van 5 September 1839[9] aangenomen. Zoo dat nu aan het verkleinde Groothertogdom en het Hertogdom Limburg gezamenlijk (collectiv) de regten wierden toegekend, tot dus verre met het Groothertogdom Luxemburg alléén verbonden.
      Behoudens de betrekkingen van dat Hertogdom (...) tot het Duitsche Verbond: die betrekkingen verhinderen geenszins, dat het Hertogdom Limburg, gelijk voorheen Luxemburg, eene provincie zij van het Rijk. Waartoe dan behoudens? Het geldt hier de bepaling van het grondgebied, en het duitsche Verbond heeft geen grondgebied over de landen, in het Verbond begrepen. De grondwet van 1815 art. 1 zeide ten aanzien van het Groothertogdom Luxemburg: «onder dezelfde Souvereiniteit als het Koningrijk der Nederlanden geplaatst zijnde, zal het dezelfde Grondwet hebben, behoudens deszelfs betrekkingen tot het Duitsche Verbond.» Aldus werd het begrip juist uitgedrukt. Waarom dit voorbeeld niet gevolgd? Men vond zich belet door het misverstand, zoo even aangemerkt; een misverstand dat, blijkens de redevoering van den Minister van Buitenlandsche Zaken van 31 Augustus 1840 in de dubbele Kamer[10], de onderhandelingen met den Bondsdag van den beginne af vergezelde, om ten laatste over te gaan in de Grondwet. Dewijl in den loop dier onderhandeling sprake was van territoriale schadevergoeding voor het afgestane deel van Luxemburg, meende men aan deze zijde, dat het duitsche Bondgenootschap grondgebied heeft over de landen der Bondgenooten. Dit denkbeeld, met het wezen van ieder volkenregtelijk bondgenootschap lijnregt in strijd, wordt ten aanzien van het duitsche Verbond met name uitgesloten door art. 1 der Acte van 8 Junij 1815 en art. 1 en 2 der Slotacte van 8 Junij 1820[11]. De reden, waarom tot afstand van een deel van het Groothertogdom Luxemburg de toestemming van den Bondsdag werd vereischt, was eene geheel andere, dan die men zich voorstelde. Zij ligt in de laatste woorden van art. 6 der Slotacte van 8 Junij 1820[12]. Het is dus niet het grondgebied van de nederlandsche Kroon over Limburg, maar de werking der Grondwet in andere opzigten, die, voor dat Hertogdom, door de verbindtenis met het duitsche Bondgenootschap kan worden beperkt.
      De regten op Luxemburg, aan de Walramsche lijn van het huis van Nassau bij het «Erbverein» van 1783 en de Weener Congresacte voorbehouden, zijn, ten gevolge van het verdrag van 27 Junij 1839[13], op het Hertogdom Limburg niet overgebragt.
      De regtsgrond, weshalve het Groothertogdom Luxemburg heeft opgehouden, deel van het Koningrijk der Nederlanden te zijn, is dezelfde, waardoor de scheiding der overige provincien, die nu het Koningrijk Belgie uitmaken, volle regtskracht erlangde. Het is de weglating dier landen uit art. 1 der Grondwet, bij de herziening van 1840.
      De overzeesche bezittingen van het Rijk zijn niet opgeteld, zoo min als bij de vroegere Staatsregelingen. Inderdaad kon eene constitutionele optelling dier bezittingen onder de omstandigheden, in welke onze Grondwetten vóór 1815 werden ontworpen, niet wel geschieden. Daarom onthield zich ook de Staatsregeling van 1798 hierin haar voorbeeld, de fransche Constitutie van 1795, te volgen, die bij art. 7 de kolonien, volgens art. 6 «parties intégrantes de la république», in departementen verdeelde. Dan de staatsregelingen van 1801[14], 1805[15] en 1814[16] hadden ook de omschrijving uitdrukkelijk bepaald bij het grondgebied der Republiek of der Vereenigde Nederlanden in Europa. Hierdoor werd de vraag, op welken voet de kolonien in den Staat waren vervat, of ´t zij als aanhangsel, ´t zij als goederen, tot den Staat behoorden, in ´t midden gelaten. Het is erkend, en ook niet wel te ontkennen, dat zij een gedeelte zijn van het Rijk[17]. Zij zijn er het grootste deel van. Men mag het dan als een gebrek aanmerken, dat zij in de grondwettige geographie van het Rijk niet zijn opgenomen. Deze moest volledig wezen. Of zoo er reden was, om haar niet buiten Europa uit te strekken, moest dit zijn gezegd.
      Over de regtelijke werking der constitutionele beschrijving in art. 1 en 2 bij afstand, zie op art. 57.




Proeve van herziening: [Het grondgebied van het Koningrijk der Nederlanden in Europa bestaat uit de provincien: Noord-Braband, Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht, Vriesland, Overijssel, Groningen, Drenthe en het Hertogdom Limburg. Op het Hertogdom Limburg is de grondwet toepasselijk behoudens de regten van het Duitsche Verbond.]


 
[1] Die van het Keurvorstendom Hessen van 1831 art. 1.
[2] Ook de Constitutien van Spanje van 1812 art. 10 en van Portugal van 1822 art. 20 en van 1826 art. 2 behelzen eene staatkundige geographie. En in deze Constitutien bevat zij tevens de bezittingen in andere werelddeelen. De belgische Grondwet van 1831 volgde bij art. 1 de onze.
[3] In de Memorie ter beantwoording van de processen verbaal der Afdeelingen van de Tweede kamer der Staten Generaal in dubbel getal omtr. de dertien wetten p. 4, 5.
[4] Staatsblad n° 48.
[5] Ter ondersteuning der splitsing heeft men zich beroepen op de vroegere scheiding van het Zuider- en Noorder-Quartier. Doch zie Slingelandt, Staatkundige Geschriften I. p. 99 sq. 207 sqq. 239 sqq.
[6] Het verdrag zeide: [il sera assigné à S.M. le Roi des Pays-Bas,] «soit en sa qualité de grand-duc du Luxembourg, soit pour être réunis à la Hollande» [, les territoires dont les limites sont indiquées ci-dessous].
[7] Zie de mededeeling in de Staatscourant 2 November 1839 Bijvoegsel.
[8] In de volgende alinae: «Da zufolge des angestellten Berechnungen die Bevölkerung des abgetretenen Theils des Grossherzogthums Luxemburg 149.572 Seelen bträgt, während diejenige des Herzogthums Limburg sich auf 147.527 Seelen beläuft, so kann dieser geringe Unterschied ohne allen Einfluss auf den bisher für das Grossherzogthum Luxemburg bestandenen Matrikularansatz bleiben.».
[9] Zie het besluit in het aangehaalde Bijvoegsel der Staatscourant.
[10] Staatscourant van 3 September 1840.
[11] Vergelijk ten overvloede Klüber, Öffentliches Recht des teutschen Bundes und der Bundesstaaten, 3de uitgave, § 78 p. 82, noot e p. 83, § 212 p. 261; vergelijk noot A bij § 137 p. 155.
[12] «Eine freiwillige Abtretung auf einem Bundesgebiete haftender Souverainetätsrechte kann ohne solche (ausdrückliche) Zustimmung (der Gesammtheit) nur zu Gunsten eines Mitverbündeten geschehen.» Waarom? Afstand van grondgebied, door een bondgenoot aan een niet duitschen Staat gedaan, doet inbreuk op de kracht van het Bondgenootschap, om de uitwendige veiligheid van Duitschland te handhaven, of verandert zijne betrekking, als Mogendheid, naar buiten. De Bondsdag gaf uit dien hoofde, in het geval van Luxemburg, zijne toestemming niet dan voorwaardelijk.
[13] Zie den tekst der overeenkomst in het Bijvoegsel tot de Staatscourant 1839 2 November.
[14] Art. 21.
[15] Art. 10.
[16] Art. 53.
[17] «Die bezittingen zijn (...) een gedeelte van het Rijk; dit ligt in den aard der zaak, en wordt, zooveel des noods, bevestigd door art. 58 der Grondwet.» Antwoord der Regering op de bedenkingen der Afdeelingen, rakende het ontwerp van Wet, ingekomen den 14 November 1825, (bij de Geer, Antecedenten p. 83 not. 2).


Artikel 2

[De Provincien van Noord-Braband, Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Utrecht, Vriesland, Overijssel, Groningen en Drenthe, behouden hare tegenwoordige grenzen.
Het Hertogdom Limburg bestaat uit dat gedeelte der voormalige Provincie van dien naam, hetwelk bij de tractaten van den 19den April 1839, daarvan niet is afgescheiden.]

Territoriale bepaling der provincien, volgens de wet van 4 September 1840[1] art. 2. Toen het artikel in 1840 werd voorgesteld en aangenomen, kon men van de provincien Zuid- en Noord-Holland eigenlijk niet zeggen, dat zij hare tegenwoordige grenzen zouden behouden. Want als provincien tot dus verre niet bestaande, hebben zij wederzijds nog geen provinciale grenzen. Men bedoelde, de lijn, die tot hiertoe de beide Gouvernementen Zuid- en Noord-Holland scheidde, voortaan tot grondwettige grens tusschen de twee nieuwe provincien te maken. En zoo is het artikel uitgelegd in het Koninklijk Besluit van 10 October 1840[2].




Proeve van herziening: [De negen eerstgenoemde provincien behouden hare tegenwoordige grenzen; het Hertogdom Limburg bestaat uit dat gedeelte der voormalige provincie van dien naam, hetwelk daarvan bij de verdragen van den 19den April 1839 niet is afgescheiden.]


 
[1] Staatsblad n° 48.
[2] Staatsblad n° 67. Inleiding.


Artikel 3

[De meer juiste bepalingen, welke nader omtrent de grensscheidingen der provincien onderling mogten noodig en dienstig worden geoordeeld, zullen bij eene wet worden geregeld, met inachtneming, zoo wel van de belangen der ingezetenen als van het gerijf der algemeene administratie.]

Mogt eene juistere grensscheiding, dan aangewezen is in art. 2, noodig of nuttig wezen, zij wordt overgelaten aan de wetgeving. Regelend beginsel dier wetgeving.
      De meening van het artikel zal wel zijn, die misschien juister aldus wierd uitgedrukt: De wederzijdsche grenzen der provincien kunnen, zoo verbetering noodig of nuttig wordt geoordeeld, worden gewijzigd door eene wet, met inachtneming enz.
      Dan, al leest men dus, een strijd met het vorige artikel is onmiskenbaar. Art. 2 zegt, de provincien behouden hare tegenwoordige grenzen; deze zijn derhalve grondwettig; en art. 3 zegt: de wet kan ze veranderen. Stond er in art. 2: «De tegenwoordige grenzen der provincien (...) zullen worden beschouwd als bij de wet vastgesteld»: men ware vrij geweest.
      Het artikel is gevloeid uit de Grondwet van 1814 art. 55[1], dat zelf eene uitbreiding was van art. 10 der Staatsregeling van 1805[2].
      De grondwet van 1814 zeide: de verdere grensscheidingen: dat is, die naauwkeuriger lijnen, welke nog niet zijn getrokken door de beschrijving in het voorgaande artikel. Er werd dan ondersteld, dat de grenzen, in dat artikel aangewezen, hier en daar onbepaald waren. Men wist er in het frans geen weg mede. Men vertaalde les rectifications des limites: en wederom uit het fransch, zoo als wij lezen in den aanhef van ons art. 3.
      Hoever kan de ruimte, die het artikel geeft, worden uitgestrekt? De wet van 20 Julij 1814 n° 22 gebood: «ingevolge het bepaalde bij art. 55 der Grondwet, dat met alteratie van het bij art. 54 van de Grondwet bepaalde» enz. Mag men zóóver gaan, dan verleent art. 3 een regt om art. 2 ter zijde te stellen, en aan de gewone wetgeving de bevoegdheid om de Grondwet niet te eerbiedigen. Er staat niet: «De tegenwoordige grenzen van de provincien (...), en van het Hertogdom Limburg (...) kunnen niet worden veranderd dan door de wet.» Art. 3 lijdt slechts eene zeer beperkte toepassing. De zin toch kan niet wel een andere zijn, dan dat, met behoud der grondwettige grensscheiding als regel, de verbetering, op sommige punten bij uitzondering te maken, overgelaten wordt aan de wet.
      Voorschriften omtrent eene onderverdeeling der provincien, welke door de Staatsregelingen van 1798 art. 5, 7, van 1801 art. 22, van 1805 art. 11, en van 1806 art. 13[3] als beginsel was vastgesteld, tot welks uitvoering eene wet noodig scheen, waren uit de Grondwet van 1814 reeds weggelaten. Onze Grondwet heeft slechts in één opzigt dergelijke onderverdeeling verordend bij art. 133.




Proeve van herziening: [De wederzijdsche grenzen der provincien kunnen echter, zoo verbetering noodig of nuttig wordt geoordeeld, worden gewijzigd door eene wet, met inachtneming zoowel van de belangen der ingezetenen, als van het gerijf van het algemeen bestuur.]


 
[1] De Wet bepaalt de verdere grensscheidingen tusschen de Provincien of Landschappen, gelijk mede aan welke van deze zullen worden toegevoegd zoodanige andere districten en plaatsen, welke bevorens tot geen derzelve hebben behoord, welke nader verkregen, of welker jurisdictie tusschen onderscheidene Provincien of Landschappen is verdeeld of in verschil geweest.
[2] De Wet bepaalt, aan welk Departement of Departementen de Landen zullen worden toegevoegd, met welke het Gemeenebest reeds is, of verder als eene, aan hetzelve verschuldigde, schadevergoeding mogt worden vergroot, mitsgaders zoodanige voormalige Heerlijkheden of Districten, welke tot geen der vorige Gewesten of Departementen behoord hebben; zullende de Wet mede bepalingen kunnen maken omtrent zulke Districten en Plaatsen, wier jurisdictie tusschen onderscheidene Gewesten verdeeld of questieus is. Vergelijk de Staatsregeling van 1798 art. 7, 8. De fransche Constitutie van 1795 art. 4 had gezegd: les limites des départemens peuvent être changées ou rectifiées par le corps législatif, onder zekere voorwaarde.
[3] Vergelijk de wet van 13 April 1807 art. 3.


Artikel 4-10. Van de inwoners


Artikel 4

[Allen die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden, het zij ingezetenen of vreemdelingen, hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen.]

Bescherming van persoon en goederen gelijk voor allen, die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden, ingezetenen of vreemdelingen.
      Het artikel is nieuw. Het wordt in geene onzer vroegere Staatsregelingen aangetroffen, hoewel het met een oog op art. 9 der Staatsregeling van 1798[1] kan zijn ontworpen. In de overige europische Grondwetten ontbreekt zulk een constitutionele grondslag van het vreemdelingenregt insgelijks, behalve in die van Frankrijk van 3 September 1791[2], van Polen van 3 mei 1791[3] en 26 November 1815[4], van Meiningen, Altenburg, Brunswijk[5] en Belgie[6]. In 1815 nog zeldzaam onderwerp van grondwetgeving, heeft dit gewigtig stuk sedert, zoo als natuurlijk is, meer en meer eene plaats in de Staatsregelingen gevonden, en den gewonen wetgever bezig gehouden.
      Volgens de mededeeling van den Heer Dotrenge aan de Staten-Generaal[7] hebben, in de Commissie tot herziening der Grondwet van 1814, vooral de leden uit de noordelijke provincien op dit artikel gestaan. De roem van gastvrijheid, aan de voormalige republiek eigen, gepaard met het natuurlijk belang van een handeldrijvenden, inzonderheid kleinen, Staat, om den buitenlandschen omgang en de volksvermeerdering te begunstigen, schijnt hun voorname drijfveer te zijn geweest.
      Welke regten verzekert onze Grondwet aan den vreemdeling?
      Ten zijnen aanzien gelden, dunkt mij, evenzeer als ten aanzien van den ingezeten, art. 164, 165, 172, 166, 167, 169, 170, 17[1], 168, 162, 163. En over ´t algemeen mag, krachtens art. 4, bij de publiekregtelijke instellingen tot bescherming van persoon en goederen, zoo als bij de vormen of voorwaarden van strafvordering, noch door de wet, noch door het Bestuur, onderscheid worden gemaakt tusschen den vreemdeling en den ingezeten. Insgelijks zijn, ten gevolge van art. 4, op den eersten toepasselijk art. 149, 158, 159, zoo verre het namelijk om de in art. 4 genoemde aanspraak te doen is; voorts art. 188, 191, 194 eerste alinea, en art. 255.
      Mag de vreemdeling aan de grens worden afgewezen? Mag hij worden uitgezet of uitgeleverd?
      Het artikel spreekt van binnenkomen niet. Eene magt van eigendunkelijke afwijzing schijnt niet te min met het beginsel van art. 4 strijdig[8]. Het wil ons grondgebied openen; en die magt strekte om te sluiten. Die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden slaat niet enkel op vreemdelingen, maar desgelijks op de ingezetenen. Mag men uit die woorden opmaken, dat het Gouvernement het inkomen aan den vreemdeling kan verbieden, de gevolgtrekking is even juist, dat de ingezeten, van buiten wederkeerende, kan worden afgewezen. Inderdaad verhindert het artikel de werking niet eener wetgeving van politie, die aan ieder, welke verlangt te worden binnengelaten, de vervulling van zekere voorwaarden, bijvoorbeeld het wettig bewijs, wie hij is, oplegt. Doch dat die regels voor den vreemdeling en den ingezeten gelijk zijn, dit schijnt art. 4 te eischen.
      Uitzetting of uitlevering is op den vreemdeling niet toepasselijk, dan in zoo verre ook de ingezeten er voor bloot staat. Niet alleen de geest, ook de letter van art. 4 brengt dit, dunkt mij, mede.
      De meerderheid van de Tweede Kamer der Staten-generaal heeft evenwel, blijkens haar verhandelingen van 23 December 1817 en 22 Januari 1818[9] en 28 November tot 2 December 1829[10], toen uitzetting van vreemdelingen door het Gouvernement niet onbestaanbaar geacht met de Grondwet[11].
      De mogelijkheid eener onvoorwaardelijke toepassing van het artikel ontkennende, raakte men met het artikel zelf verlegen. Immers, zoo art. 4 niet belet, dat een vreemdeling, anders dan de ingezeten, worde uitgedreven, welk onderscheid is er dan, ten aanzien van de bescherming aan vreemdelingen toegestaan, tusschen Nederland en de Landen, waar het beginsel van vreemdelingenregt, bij art. 4 vastgesteld, noch constitutioneel noch bij de gewone wetgeving ingevoerd is? Ook werd in de Statengeneraal door hen zelven, die voor de uitzetting spraken, het verlangen naar eene wet op dit stuk gevoeld en beleden; zonder dat men zeide wat die wet moest behelzen. Het Gouvernement zette uit, doch onthield zich deel aan de raadpleging te nemen.
      De mogelijkheid der toepassing is zigtbaar in het voorbeeld van Grootbritanje. In Engeland is de onbeperkte vrijheid van binnen te komen en te vertoeven, onder de bescherming der wetten, een oud regt van den vreemdeling. Van wege het misbruik, dat hiervan, tijdens de fransche omwenteling, werd gemaakt of gevreesd, deed het Ministerie van W. Pitt, in de eerste dagen van 1793[12], een jaar vóór de schorsing der Habeas-corpus-acte, de zoogenaamde Alien-bill door het Parlement aannemen. Bij die wet werd het Gouvernement onder andere gemagtigd, om de vreemdelingen, verpligt tot opgave hunner namen en woonplaats, en aanvrage eener verblijfkaart, uit het Rijk, zoo de publieke veiligheid het eischte, te verwijderen, of ook zoodanige gevaarlijke personen dadelijk bij hunne aankomst af te wijzen [13].
      Deze magt, na den vrede van Parijs, in 1814[14] en 1815[15] door bijzondere Parlementsacten telkens voor één jaar, en in 1816[16] nog voor twee jaren op nieuw geregeld, werd in 1818 voor de vierde maal aangevraagd[17]. Lord Castlereagh droeg de verlenging der wet aan het Lagerhuis voor, gelijk die voorgedragen was van den beginne, als van een buitengewonen, exceptionelen maatregel, tegen de engelsche Constitutie en de oude britsche gewoonten alleen geregtvaardigd door bijzondere omstandigheden [18].
      Toen, en vervolgens in 1820 en 1822, steeds onder heftige tegenspraak, vernieuwd, ging zij voor de laatste maal door in 1824[19]. Zij is in 1826 vervangen door eene wet, die de vreemdelingen eenvoudig verpligt, bij hunne inkomst, tot opgave van hunnen naam en van hunne gekozen of te kiezen verblijfplaats; en om, geroepen, voor den Secretaris van Staat te verschijnen, ten einde op nieuw te worden geregistreerd[20].
      Op de eigen aanleiding, welke in Engeland de Alien-act te weeg bragt, hadden de Statengeneraal der Republiek[21] en de Staten der Provincien, zonder den ouden regel van politie af te schaffen, hunne Publicatien van voorzorg omtrent het inkomen en verblijf van vreemdelingen in November 1792 uitgevaardigd[22].
      In Frankrijk, waar men door geen constitutionele bepaling, als die van art. 4, gebonden is, heeft het Gouvernement evenwel zijne toevlugt genomen tot de wetgeving, om de magt te vestigen, welke de wet van 21 April 1832[23] voor een jaar, en hare vernieuwing sedert telkens voor denzelfden tijd of voor twee jaren gaf.
      Tot uitlevering van vreemdelingen heeft ons Gouvernement, blijkens onderscheidene stukken[24], zich steeds bevoegd geacht.
      De vraag is ook hier: kan de ingezeten worden uitgeleverd? De Kroon heeft dit eens aangenomen bij het Tractaat met Hannover van 23 Augustus 1817 art. 3. Dan is het, geloof ik, regstreeks in tegenspraak met art. 165 der Grondwet[25], ten zij de wet den ingezeten, in zekere gevallen, aan eene vreemde regtbank onderwierp. Zulk eene wet echter zou, meen ik, den eersten pligt van een Staat jegens zijne onderdanen, dien van bescherming en eigen regtsbedeeling, verzaken[26].
      Zoo de ingezeten niet kan worden uitgeleverd, kan het, krachtens art. 4, de vreemdeling even min.
      Men ducht, wanneer de Grondwet de magt van wet en Gouvernement over de vreemdelingen, inzonderheid ten aanzien van afwijzing en uitzetting, binnen zoo nauwe grenzen beperkt, gevaar voor den Staat[27]. Inderdaad kan de wederkeer van zoo buitengewone omstandigheden, als die in Engeland de Alien-Act, en in de Republiek de Publicatien van 1792 deden aannemen, niet voor onmogelijk worden verklaard. Wat dan?
      Art. 4 dekt den vreemdeling zoo goed, als den ingezeten, tegen willekeurige behandeling. Men kon aan den eersten bescherming verzekeren bij de wet, zonder dat deze wet dezelfde ware, als voor den laatsten[28]. Ons artikel doet meer. Het stelt den vreemdeling, ten aanzien der bescherming van persoon en goederen, gelijk met den ingezeten. Moest men aan de voorziening van zeldzame, doch mogelijke, gevaren een beginsel opofferen, dat onzen Staat evenzeer tot eere strekt, als dat het door zijn belang wordt aangeraden? Dit ware de wijsheid van den wetgever zoo min waardig, als wanneer hij het middel verzaakte, geschikt om een toekommstig misbruik van het grootmoedigste regt, dat hij gaf, te keeren.
      Maar welk middel? Eene wet, als de Alien-act, kan, onder de heerschappij van art. 4, bij ons niet worden gegeven. Zij ware eene schorsing der Grondwet, waartoe het alvermogende britsche Parlement bevoegd is, doch die, naar onze instellingen, buiten het bereik ligt van den gewonen wetgever.
      Er blijft, zoo het bovenstaande betoog juist is, niet overig, dan bij art. 4 te voegen, dat aan de wetgeving wierd vrijgesteld om, in buitengewone gevallen, de volle werking van het artikel voor een zekeren tijd te schorsen, en het Gouvernement met die magt over de vreemdelingen te bekleeden, die men noodig keurde.
      Acht men het daarenboven in het belang des Lands en eener algemeene justitie, dat de Koning verdragen kunne aangaan met vreemde Mogendheden over de uitlevering van misdadigers en deserteurs inzonderheid, zoo wordt, dunkt mij, vereischt, dat de Grondwet ook die uitzondering op den regel uitdrukkelijk make.
      Werkelijk is bij de herziening der Grondwet voorleden jaar in of van wege alle Afdeelingen der Tweede Kamer eene bijvoeging verlangd[29], in den geest van het voorstel der Proeve art. 4[30]. Doch het verlangen bleef van de zijde der Kroon zonder antwoord.




Proeve van herziening: [Allen, die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden, hetzij ingezetenen of vreemdelingen, hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen.
De werking van dezen regel kan, met opzigt tot vreemdelingen, in buitengewone omstandigheden voor zekeren tijd worden geschorst door eene wet, die den Koning met zulk eene magt over de vreemdelingen bekleedt als noodig schijnt.
De Koning kan verdragen met vreemde Mogendheden sluiten over uitlevering van vreemdelingen, opgeeischt van wege geregtelijke vervolging. De wet bepaalt echter de algemeene voorwaarden, op welke dergelijke verdragen mogen worden aangegaan, en inzonderheid de misdrijven, uit hoofde van wier vervolging de Koning zich tot uitlevering kan verbinden.]


 
[1] Ieder ingezeten der Bataafsche Republiek heeft (...) aanspraak op de bescherming van persoon en goederen.
[2] Tit. VI. «Les étrangers qui se trouvent en France sont soumis aux mêmes lois criminelles et de police que les citoyens français, sauf les conventions arrêtées avec les puissances étrangères: leur personne, leurs biens, leur industrie, leur culte sont également protégés par la loi.»
[3] Chap. IV. Voulant encore encourager, de la manière la plus efficace, la population dans les domaines de la républiique, nous assurons la liberté la plus entière (...) aux étrangers qui viendront s´établir en Pologne. (...) Ainsi, tout homme étranger (...) dès l´instant qu´il mettra le pied sur les terres de la Pologne, pourra librement et sans aucune gêne, faire valoir son industrie de la manière et dans tel endroit que bon lui semblera; il pourra arrêter à son gré et pour le temps qu´il le voudra, telles conventions que bon lui semblera, relativement à l´établissement qu´il désirera former, sous clause de paiement en argent ou en main d´ouevre. Il pourra encore se fixer à son choix, à la ville ou à la campagne; enfin il pourra, ou rester en Pologne, ou la quitter, s´il le juge à propos, après avoir préalablement satisfait à toutes les obligations qu´il y aura volontairement contractées.
[4] Art. 32. Tout étranger, après s´être légitimé, jouira à l´égal des autres habitans, de la protection des lois et des avantages qu´elles garantissent. Il pourra, comme eux, rester dans le pays, en sortir en se conformant aux règles qui serons établies, y rentrer, acquérir une propriété foncière, et se qualifier pour demander sa naturalisation.
[5] Zie beneden noot [28].
[6] Zie lager noot [27].
[7] Redevoering in de Tweede Kamer der Statengeneraal, Staatscourant 1818 n° 32. 6 Februari.
[8] Zie mijn opstel in het Regtsgeleerd Bijblad, uitgegeven door den Tex en van Hall, 1839. p. 516 sq.
[9] Staatscourant 1818. n° 15, 28. Bijvoegsel n° 29-34.
[10] Staatscourant 1829. n° 282-286.
[11] Zie over de redenen dier meerderheid het aangehaalde opstel in het Regtsgeleerd Bijblad l.c. p. 513 sqq.
[12] Zie Annual Register 1793. p. 35 sq. 38 sqq.
[13] Zie de wet van 8 Januari 1793 l.c. Chronicle p. 110 sqq.
[14] An act to repeal an act for establishing regulations respecting aliens arriving in or resident in this kingdom, in certain cases, and for substituting other provisions until the end of the next session of parliament in lieu thereof.
[15] An act to repeal an act of the last session of Parliament, for establishing regulations respecting aliens arriving in this kingdom or resident therein; and to establish, for twelve months, other regulations respecting aliens arriving in this kingdom, or residing therein, in certain cases.
[16] An act for establishing regulations respecting aliens arriving in or resident in this kingdom, in certain cases, for two years from the passing of this act. Zie Annual Register 1816. General History p. 54 sqq.
[17] Annual Register 1818 p. 122 sqq.
[18] «In de Nederlanden», zeide de Minister, «waar geene dergelijke wetsbepaling bestaat, hebben uitgewekene Franschen zich nedergezet, en een stelsel van vijandelijkheden ontwikkeld, terwijl zij eigenaren zijn geworden van dagbladen, welke eene algemeene verontwaardiging hebben verwekt. Zij hebben zelfs de onbeschaamdheid zóó ver gedreven, dat zij de ondersteuning van eene groote europische Mogendheid hebben ingeroepen, ten einde den staat van zaken op het vaste land te veranderen en eene dynastie op de troon te herstellen, welke regtvaardig van denzelven verdreven is geworden. Men is zelfs te weten gekomen, dat het complot tegen den Hertog van Wellington gesmeed is geworden door personen, in de Nederlanden woonachtig, en lieden welke zich in Frankrijk bevonden.» De minister meende hieruit te kunnen besluiten, dat het Huis zich moest beijveren om middelen te beramen tegen die verhitte gemoederen, welke, hier en daar verspreid, den vrede van Europa willen verstoren. Staatscourant 1818. 13 Mei n° 111.
[19] Mem. of Liverpool p. 620, 621. Stapleton, Political life of Canning II. p. 181.
[20] Stapleton ibid. p. 182. 7 Geo. IV. c. 54. An act for the registration of aliens. Zie Annual Register 1826. p. 166 sq.
[21] Publicatien van 10 November (Nederlandse Jaarboeken 1792 p. 1406 sq) en van 16 November 1792 (ibid. p. 1415 sqq).
[22] Aanschrijving van Holland van 11 October 1792 (ibid. p. 1349 sq.); Publicatien van Holland van 15 November (ibid. p. 1412 sqq.): dat, hoezeer (...) deze Republiek, (...) als een commercieerende Staat, alle vreemdelingen, die zig op een vreedzame en onschuldige wijze naar herwaards begeven, heeft geadmitteerd, er nogthans zodanige omstandigheden kunnen plaats hebben, welke, zo zij al aanstonds geene geheele exceptie op den algemeenen regel medebrengen, egter, in tijds, eenige Precautien noodzakelijk maken.
Dat de tegenwoordige staat van zaken in Europa in het algemeen, en hetgeen er zedert eenige weeken in de nabuurschap van deze Republiek meer bijzonder, is voorgevallen, al reeds eene meer dan gewoone affluentie van vreemdelingen naar deze Landen veroorzaakt heeft, en bij aanhoudendheid blijft veroorzaken, van welken, zo wel de menigte als de verschillende relatien deze voorzorg dadelijk vereischen; ten einde daardoor voor te komen inconvenienten, welke door eene ongelimiteerde admissie, zo voor de goede ordre binnen deze Provincie, als voor het belang van zodanige vreemdelingen zelve, zouden kunnen proflueeren.
Zie voorts Publicatien van Utrecht van 20 November (ibid. p. 1461 sqq); van Zeeland van 26 November (ibid. p. 1450 sqq).
[23] Art. 1. Le Gouvernemnt est autorisé à réunir dans une ou plusieurs villes qu´il désignera, les étrangers réfugiés qui résideront en France.
Art. 2. Le Gouvernement pourra les astreindre à se rendre dans celle de ces villes qui leur sera indiquée. Il pourra leur enjoindre de sortir du royaume, s´ils ne se rendent pas à cette destination, ou s´il juge leur présence susceptible de troubler l´ordre et la tranquillité publique.
Art. 3. La présente loi ne pourra être appliquée aux étrangers réfugiés qu´en vertu d´un ordre signé par un ministre.
Art. 4. La présente loi ne sera en vigueur que pendant une année, à compter du jour de sa promulgation. Zie le Moniteur 31 Mars 1833 p. 905 sqq.; Supplément au Moniteur 15 mars 1836 n° 75 p. 477.
[24] Circulaire van den Procureur-Generaal bij het Hoog Geregtshof in 's Hage van 30 December 1815; Circulaire van den Minister van Justitie van 22 October 1819; Koninklijk Besluit van 1 September 1827; bij H.P. Kluit, de deditione Profugorum, p. 182 sqq.
[25] Evenzeer als men in Frankrijk gelooft, dat het keizerlijk decreet van 23 October 1811 strijdt tegen art. 53 der Charte. Zie Rauter, Traité du droit criminel § 55.
[26] Straffeloosheid behoeft daarom niet te zijn geschonken. Men kan den weg tot vervolging van het buiten lands gepleegd misdrijf bij onze regtbanken openen.
[27] Daarom heeft ook de belgische Constitutie van 1831 art. 128 ons artikel aldus gewijzigd: «Tout étranger, qui se trouve sur le territoire de la Belgique, jouit de la protection accordée aux personnes et aux biens, sauf les exceptions établies par la loi.» Dit verdient, geloof ik, geen navolging. Het is te onbepaald, daar de "exceptions" geenerlei constitutionele grens hebben, en wel eens de Grondwet zouden kunnen overschaduwen. Zoo is het in Belgie gegaan, meer nog door oudere, dan door de twee nieuwe wetten, die van 1 October 1833 sur l´extradition, en van 22 September 1835 sur les expulsions. Zie Britz, Législation criminelle de la Belgique, in Revue étrangère et française de législation, de jurisprudence et d'économie 1840 n° 9. p. 733. Intusschen is die wet van 1 October 1833 sur l´extradition de opmerking waardig van elke wetgever, wien dergelijke taak wacht.
[28] Zoo als de Constitutien doen van Meiningen van 23 Augustus 1829 art. 18; van Keurhessen van 5 Januari 1831 art. 19 en van Saxen van 4 September 1831 art. 24; van Altenburg van 29 April 1831 art. 94-98; van Brunswijk van 12 October 1832 art. 28, 206. Vergelijk het Beijersche vreemdelingenregt in Edict über das Indigenat van 26 Mei 1818 art. 16-19 coll. art. 4, 5.
[29] Zie Handelingen over de herziening der Grondwet, bij Belinfante uitgegeven, I, p. 39, 65 sq., 106 sq., 130, 168, 176, 188, 205.
[30] Proeve van herziening der Grondwet volgens de Aanteekening van J.R.T. (5 Januari 1840) art. 4.


Artikel 5

[De oefening der burgerlijke regten wordt bij de wet bepaald.]

De oefening der burgerlijke regten is denkelijk navolging van art. 7 van de Code Napoléon. Anders had men welligt, en, zoo het schijnt, beter, gezegd: Het genot der burgerlijke regten.
      Ook dit artikel is nieuw. Terwijl de Grondwet de bescherming van persoon en goederen, waarop ingezetenen en vreemdelingen aanspraak hebben, van het genot der civiele regten onderscheidt, heeft zij de regeling van de burgerregtelijke bevoegdheid der vreemdelingen overgelaten aan de wet. En deze [1] heeft voor die bevoegdheid denzelfden regel aangenomen, dien art. 4 voorschreef ten aanzien der bescherming van persoon en goederen[2].
      Voor ´t overige is de grondregel, dat het burgerlijk regt niet anders, dan door de wet, kan worden geregeld, ook bevat in art. 161.




Proeve van herziening: [De oefening der burgerlijke regten wordt bij de wet bepaald.]


 
[1] Wet houdende algemeene bepaling art. 9. De Constitutie van Altenburg van 29 April 1831 art. 94 stelt de vreemdelingen privaatregtelijk volkomen gelijk met de onderdanen.
[2] De burgerlijke wet, den vreemdeling aan ons regt onderwerpende, erkent dus in hem geen persoonlijke eigenschap, noch regtshandeling, op ons regt niet gegrond. Een stelsel, afwijkende van dat der meeste andere Landen. Aan de andere zijde volgt, dunkt mij, uit het aangehaalde art. 9 evenzeer, en zou reeds, had art. 5 der Grondwet de regeling van het burgerlijke regt niet overgelaten aan de wet, uit art. 4 der Grondwet onmiddellijk volgen, dat de vreemdeling ook in civilibus regt kan vragen bij onze regtbanken tegen den vreemdeling, beide zoo als van zelfs spreekt, zich bevindende op het grondgebied van het Rijk.


Artikel 6-10. Na in art. 5 de bron te hebben bepaald, waaruit het privaatregt, ´t zij van vreemdelingen, ´t zij van ingezetenen, alléén zal moeten worden afgeleid, handelt de Grondwet in het overig gedeelte van het Hoofdstuk over de staatsburgerlijke regten, die, zegt art. 1 van het Burgerlijk Wetboek, «alleen overeenkomstig de Grondwet worden verkregen». Intusschen heeft zij het woord burger gemijd. Het wordt enkel in art. 132 gebruikt van stedelijke ingezetenen.


Artikel 6

[De oefening van het stemregt in de steden en ten platten lande, zoowel als de bevoegdheid om deel te nemen aan de provinciale en plaatselijke Besturen, wordt bij de wet geregeld.]

Artikel 6 wijst het gezag aan, waardoor twee bijzondere stukken van politische bevoegdheid zullen worden geregeld. Hoe is men tot het afzonderlijk voorstellen dier twee stukken gekomen?
      Bij onze Staatsregelingen vóór de Grondwet van 1814 waren:
1°. algemeene gronden en regels der stemgeregtigheid, als eener staatsburgerlijke bevoegdheid,
2°. algemeene bepalingen omtrent de voorwaarden der uitoefening van het stemregt, ook in zoo verre deze uitoefening plaatselijk was of van iets plaatselijks afhing,
3°. algemeene beginselen omtrent de verkiesbaarheid tot departementaal en gemeentebestuur, hetzij door de Staatsregeling zelve vastgesteld, hetzij aan de gewone wetgeving te bepalen overgelaten[1].
      Hierin komen bijkans alle nieuwere europische Grondwetten met de onze vóór 1814 overeen, terwijl zij het stemregt en de bevoegdheid van deelneming aan provinciaal en plaatselijk bestuur behandelen en beschrijven als deelen van het algemeen lidmaatschap van Staat, of daaraan ondergeschikt.
      Van waar dat wij in 1814 dezen weg verlieten?
      De Schets van Hogendorp, welke de Commissie, belast met het opstellen der Grondwet van 1814, tot leiddraad harer overwegingen nam, liet het begrip van Staatsburgerschap geheel ter zijde. Zij kent, behalve de keus van afgevaardigden tot de Staten van de provincien, door de provinciale Ridderschappen en stedelijke Regeringen, beide op den ouden voet, en van afgevaardigden tot de Statengeneraal, door de Staten der provincien, te doen, geen ander dan een locaal stedelijk stemregt, ondergeschikt aan voorwaarden, in ieder stad afzonderlijk voor te schrijven.
      De bevoegdheid om te zitten in de provinciale Staten, in de Ridderschappen en in de stedelijke Regeringen blijft, volgens diezelfde Schets, op den voet der oude Reglementen, in welke, met overleg van den Souvereinen Vorst en behoudens de Grondwet, veranderingen te maken, aan het goedvinden der genoemde corporatien wordt vrijgesteld. Art. 39 en 40.
      De grondwet van 1814 volgde, gelijk meestal, het ontwerp van Hogendorp, behalve dat zij van nieuws oprigtte waar Hogendorp enkel herstel van het oude had begeerd. Zij liet:
1°. de zamenstelling der provinciale Staten aan den Souvereinen Vorst, die uit elke provincie eene commissie benoemt, om hem dienaangaande te dienen van advijs; art. 74, vergelijk art. 77.
2°. de zamenstelling der stedelijke Regeringen aan de bijzondere reglementen, te ontwerpen en te bekrachtigen, als in art. 78 wordt geboden. Door die zelfde reglementen moest de inrigting en verkiezing worden geordend der kiescollegien, welke de Grondwet van 1814 bij art. 79 en 80 uit de Schets overnam.
3°. de inrigting der besturen van heerlijkheden, districten en dorpen, desgelijks aan nadere reglementen, wier vervaardiging in art. 81 wordt beschreven.
      Aldus werd de regeling dezer stukken zoowel buiten de Grondwet, als buiten de gewone wetgeving, gesloten.
      Men ziet den weg, waarop men in 1815 kwam tot vaststelling van art. 6:
De oefening van het stemregt in de steden en ten platten lande, zoowel als de bevoegdheid om deel te nemen aan de provinciale en plaatselijke besturen, wordt bij de provinciale en plaatselijke reglementen geregeld.
      Het artikel werd, schoon niet uitgedrukt bij de Grondwet van 1814, getrokken uit hare bijzondere bepalingen; het omschreef den gemeenen grondslag dier bepalingen, met uitbreiding van het stemregt over het platte land[2].
      De regeling, daar art. 6 der Grondwet van 1815 van sprak, werd bevat in drieërlei reglementen:
1°. die voor het bestuur van de steden der noordelijke provincien van 4 Januari 1824, en voor Amsterdam in ´t bijzonder van dezelfde dagteekening;
2°. die omtrent de zamenstelling van de Staten der provincien van 30 Mei 1825 en van Vriesland in ´t bijzonder van 31 Julij 1825:
3°. die op het bestuur ten platten lande van 23 Julij 1825.
      Terwijl men nu de regeling van het stemregt en van de bevoegdheid om deel te nemen aan de provinciale en plaatselijke besturen op die reglementen liet aankomen, volgde men niet alleen de Schets van Hogendorp en de Grondwet van 1814; men bekrachtigde ook wat men reeds had gedaan. Er waren reeds in de noordelijke provincien reglementen uitgevaardigd, regelende hetgeen art. 6 er aan opdroeg.
      De theorie, daar art. 6 de uitdrukking van was, rustte op de gedachte, dat de bijzondere, provinciale of plaatselijke, toestand het rigtsnoer voor die regten moest zijn. Bij voorbeeld, zoo zij naar gegoedheid of opbrengst in belastingen wierden toegemeten, was, bij een alom gelijken maatstaf, de grootste ongelijkheid het gevolg. De bijzondere plaatselijke gesteldheid echter, waarmede men, om ware gelijkheid te vinden, te rade moest gaan, scheen langer onderzoek te vorderen, dan dat men er op ´t oogenblik van de invoering der Grondwet mede gereed kon zijn.
      Van wege het onderscheid tusschen de provincien, ja tusschen de verschillende deelen eener zelfde provincie, schenen dan ook die regten geene geschikte stoffe der gewone wetgeving, zoo verre deze het met algemeene, door geheel het Rijk geldende, voorschriften te doen heeft.
      Men mogt dus uit de bron, die art. 6 opende, eene groote verscheidenheid van provinciale en plaatselijke stelsels te gemoet zien. Dan de geest van den tijd, die eenvormigheid wil, deed het zijne. Wat toch verkreeg men bij de uitkomst? Bepalingen, die, wat den vorm aangaat, ieder slechts voor hare bijzondere provincie of plaats kracht hebben; maar, wat den inhoud betreft, algemeen, voor alle provincien en plaatsen, behoudens eenige uitzondering, dezelfde zijn. De uitzondering en het verschil bestaat voornamelijk in de som der op te brengen belasting en het aantal der kiezers.
      Zouden de politische regten, bij art. 6 genoemd, door de reglementen gevestigd, aan de veranderlijkheid dezer voorschriften steeds onderworpen blijven? Men verzekerde het burgerlijk regt door de wet; en deze politische bevoegdheden zouden geen vaster grond hebben dan een provinciaal of plaatselijk reglement?
      Hierin zag men bezwaar. Art. 7[3] der Grondwet van 1815 lijfde dus die reglementaire beschikkingen, zoo als zij op het eind van het tiende jaar na de afkondiging der Grondwet in werking zouden zijn, in de Grondwet zelve in.
      Hierdoor geraakte men, vooreerst, in strijd met de reden, die, bij art. 6, dit geheele stuk had doen onttrekken aan eene algemeene wetgeving, en overlaten aan bijzondere reglementen. Het stemregt in de steden en ten platten lande, en de bevoegdheid om deel te nemen aan de provinciale en plaatselijke besturen, moesten van eigenschappen of een toestand afhangen, die in de onderscheidene provincien en plaatsen konden verschillen. Hoe meer individueel de eigenschappen, des te veranderlijker. En eene regeling, op zoo uiteenloopende en wisselvallige fondamenten gebouwd, maakte men in de Grondwet vast! Hoe, zoodra veranderde omstandigheden in ééne provincie of plaats afzonderlijk verandering der aangenomen regels eischten?
      Ten andere werd aan de Grondwet eene reeks van beschikkingen opgedrongen, buiten de grondwetgevende magt gemaakt, en nooit aan hare goedkeuring voorgelegd, noch als deelen der Grondwet afgekondigd. Beschikkingen, verspreid in reglementen, die, wat hunne overige deelen betrof, van een gezag van geheel anderen aard bleven afhangen.
      Ten derde: wanneer dit reglementaire gezag uitkwam op zoo eenzelvige verordeningen, als wij hebben, waarom dan niet liever de gewone wetgeving ingeroepen? De wijze waarop die reglementen, bij koninklijk Besluit bekrachtigd, waren tot stand gebragt, was ten eenen male duister. De gronden, op welke men bij de uitdeeling der regten, in art. 6 genoemd, was afgegaan, waren onbekend. Eene wet, die den toets der publieke raadpleging had doorgestaan, telken jare, des noods, voor verbetering vatbaar, kon oneindig beter dan zulk een halfslachtig, in de schemering opgetrokken zamenstel, de deugdelijkheid van het werk waarborgen.
      Deze redenen, en de gebreken, welke men in de bepalingen der reglementen ontdekte, leidden in 1840, bij de herziening der Grondwet, tot het voorstel, van wege de Afdeeingen der Tweede Kamer verlangd, om, met weglating van art. 7, art. 6 dus te wijzigen, als bij de wet van 4 September 1840[4] art. 1 geschiedde.
      Welk is het gebied der wetgeving, die art. 6 nu voorschrijft?


      I.   Ten aanzien van het stemregt, heeft zij, vooreerst, enkel te doen met dat in de steden en ten platten lande. Dus niet met den eersten stand of de ridderschap. Dit is eene groote onvolkomenheid, doch daar de Grondwet de schuld van draagt.
      Ten andere heeft het stemregt, met betrekking tot de steden, hier een zeer engen zin, indien, bij gevolgtrekking uit art. 132 der Grondwet, stem- en kiesregt moeten worden onderscheiden. Stemregt duidde dan enkel den eersten trap aan van het kiesregt, het regt om kiezers te kiezen. Het stemregt, door de kiezers uit te oefenen, ware er niet in begrepen. Deze is de zin, door het Gouvernement[5] aan stemregt en art. 6 gegeven.
      Aangaande het platte land heeft de Grondwet die twee trappen, of de afzondering van stem- en kiesregt, nergens uitdrukkelijk voorgeschreven, ten zij men onder verkiezing door den landelijken stand ter provinciale vergadering in art. 133 iets anders, dan de oefening van het stemregt moest verstaan.
      Neemt men deze beperkende uitlegging van oefening van het stemregt in de steden en ten platten lande aan, dan vallen onder het bereik der gevorderde wet alleen de volgende stukken, tot hiertoe door de reglementen geregeerd:


      A. In de steden: die de wet, of door ze te noemen, of door de bepaling, wat een stad is, zal moeten kenmerken in overstelling tegen dorpen:


    a. Vereischten tot oefening van het stemregt. Reglement voor het bestuur der steden, art. 2 coll. art. 109, art. 4-9, 11. De wetgever is hier gebonden door de eerste zinsnede van art. 132 der Grondwet.
      Redenen van uitsluiting. art. 3.
      Omtrent de voorwaarde van ingezetenschap heeft de Administrateur voor het binnenlandsch Bestuur, bij Aanschrijven van 22 October 1824[6], verklaard, dat vreemdelingen aan het Rijk, in eene der steden wonende, niet als stemgeregtigden mogen worden beschouwd. Dan dit belet zoo min, als art. 109 van het reglement, dat de vreemdeling, schoon volgens art. 8 der Grondwet tot geene bediening benoembaar, na een jaar inwoning, mits hij de gevorderde belasting opbrenge, stemregt heeft.
      Een ander punt, dat scherpe herziening zeer verdient, is de hoogte van de opbrengst in de beschreven middelen, als voorwaarde van de stemgeregtigheid. Werd het patentregt van die middelen te regt uitgesloten? Is de bepaling der opbrengst in ´t algemeen en overal op juiste gronden gemaakt? Zoo die gronden juist waren vóór vijftien of twintig jaren, zijn zij het in de verschillende oorden van het land nog? Men schijnt bij het regelen van dien census soms opgeklommen te zijn met de bevolking. Doch men bleef aan deze reden geenszins getrouw. Waarom, bij voorbeeld, eischte men in Middelburg ƒ 30, terwijl, bij eene toen omstreeks gelijke bevolking, in Zwolle of Arnhem niet meer dan ƒ 15 worden gevorderd? Waarom in ´s Hage ƒ 33, in Utrecht, zoveel minder volkrijk, ƒ 45? In Groningen evenveel als in Middelburg, en in Leyden, met meer inwoners dan Groningen, ƒ 27? Bij dergelijk onderzoek ware noodig, dat men een volledig overzigt had van het getal der stemgeregtigden in ieder stad, vergeleken met hare bevolking. Dit toch is het doel van eenen verschillenden, hier rijzenden, daar dalenden, census, dat evenredig, zooverre niet bijzondere omstandigheden, als eene overgrote menigte van armen of daglooners, hinderlijk zijn, een gelijk deel van de bevolking der onderscheidene steden stemregt erlange. Dan mag ook de vraag worden overwogen, of de stembevoegdheid niet, bij uitzondering op den regel die haar aan den census bindt, diende te worden medegedeeld aan sommige andere personen, in ´t bezit van de overige vereischten, behalve van dat der schatpligtigheid? De betaling van een zekere som in de belastingen is geen kenmerk van persoonlijke waardigheid. Behoort men niet aan deze, waar zij uit bepaalde teekenen mag worden vermoed, regt te doen[7] ? Schijnt het redelijk, dat de nederlander, advocaat of regter te Amsterdam, die geen ƒ 50 in de beschreven middelen opbrengt, van het stemregt is verstoken, terwijl de vreemdeling, die er een zeer matig winkelhuisje bewoont, na een jaar verblijf stembevoegd kan zijn?
      Onder de redenen van uitsluiting zijn er verscheidene of niet overeenkomstig met onze burgerlijke en strafwetgeving, of door deze reeds gevestigd, of uitstekend onbillijk. Hoe moet voorts crimineel worden verstaan? Zoo, dat correctioneel er onder is bevat?
    b. Opmaking van de lijsten der stemgeregtigden. Reglement voor het bestuur der steden, art. 12. Dit onderwerp, door de reglementen slechts aangeroerd, dient door de wet naauwkeurig te worden uitgewerkt. De middelen, om elks politische regt te doen gelden, moeten met niet minder zorg, dan het burgerlijk regt, zijn verzekerd.
    c. Wijze van oefening. Reglement art. 12-20. Den wetgever bindt de tweede zinsnede van art. 132 der Grondwet.
      Het kon van grooten en heilzamen invloed zijn, zoo de opneming der uitgebragte stemmen, daar art. 16 van het reglement van handelt, in eene openbare zitting van den raad geschiedde, en het procesverbaal publiek wierd gemaakt.
      Ook schijnt de instelling van art. 20, in een bekrompen geest ontworpen, verandering te behoeven.
    d. Toezigt over de handhaving der vastgestelde regels. Reglement art. 80 eerste alinea. Zie boven onder b.


      B. Ten platten lande.


    a. Vereischten. Reglement omtrent de zamenstelling van de Staten der provincie, art. 20, 22, 28-32.
      Redenen van uitsluiting. art. 21, 25.
      Hier komen de meeste der boven[8] geopperde vragen of bedenkingen weder, en andere komen daarbij.
      Waarom moet de stemgeregtigde ten platten lande nederlander zijn, en in de steden niet? Of liever: waarom is de hoedanigheid van nederlander niet evenzeer in de steden een vereischte, als op het platteland? Ten platten lande zullen vreemdelingen veel zeldzamer, dan in de steden, worden gevonden. Ten platten lande telt het kiesstelsel een trap minder, dan in de steden. De kiezers, door de de stemgeregtigden benoemd, kiezen de leden der provinciale raden onmiddellijk. Zoo dit verschil de reden is, weshalve hier alleen nederlanders, daar ook vreemdelingen stembevoegd kunnen zijn, ontstaat de vraag, of zij voldoende mag worden gekeurd.
      Ten andere is het getal der stemgeregtigden ten platten lande meer, dan in de steden, beperkt door de vereischte opbrengst in de directe belastingen. Deze is hooger, dan doorgaans de census in de steden, ja zij overtreft of evenaart in de meeste provincien dien der hoofdsteden[9]. Men zou het omgekeerde wachten; daar, bij gelijke som, het aantal der bevoegden op het platte land reeds geringer, denkelijk veel geringer zal zijn, dan in de steden. Men overwege, of hier niet sterke gronden pleiten voor uitbreiding van het stemregt door verlaging der census. Of is de ingezeten eener landgemeente, wiens vermogen met dat van een stedeling gelijk staat, min rijp, dan deze, om behoorlijk te kiezen?
    b. Opmaking van de lijsten der stemgeregtigden. Reglement op het bestuur ten platten lande, art. 50. Reglement omtrent de zamenstelling van de Staten der provincie, art. 27, 33-35.
    c. Wijze van oefening, dat is, volgens de bestaande reglementen, van benoeming der kiezers. Reglement omtrent de zamenstelling van de Staten der provincie art. 26, 37-44. coll. art. 46.
    d. Toezigt, en beslissing over verschillen of bezwaren. Reglement op het bestuur ten platten lande art. 50. Reglement omtrent de zamenstelling van de Staten der provincie, art. 64.


      Deze onderwerpen wacht regeling bij de wet. De wet moet er zich bij bepalen, indien, zoo als de aangehaalde uitlegging wil, onder oefening van het stemregt dat der kiezers niet mede mag worden verstaan. Is echter deze beperking verdedigbaar?
      Art. 130 derde alinea der Grondwet laat de bepaling «der wijze, op welke de leden der provinciale Staten, die ter benoeming van den stedelijken stand staan, zullen gekozen worden», uitdrukkelijk over aan de reglementen voor het bestuur der steden. Over dit stuk heeft dus de wet geene magt.
      Art. 131 gebiedt de invoering van kiescollegien in de steden, en zegt, door wie, hoe dikwijls, en met welk doel zij zullen worden bijeengeroepen.
      Deze punten dient de wet dus te laten staan. Doch waarom zouden de verdere voorschriften ten aanzien dier instelling, nu vervat in de reglementen voor het bestuur der steden, niet behooren tot de wetgeving over de oefening van het stemregt in de steden? De Grondwet zegt geenszins, dat die voorschriften door eene andere, dan door de gewone wetgevende, magt zullen worden gegeven. Stemregt heet kiesregt. In het woord zelf is geene beperking bij een eersten trap, of uitsluiting van andere trappen vervat.
      Over de verkiezing door den landelijken stand behelst de Grondwet geen regel hoegenaamd, dan dat elke provincie zal worden verdeeld in districten. art. 133. Door wie zal die verdeeling geschieden? Wie zal voorts de oefening van het kiesregt regelen? De Grondwet beantwoordt deze vragen niet, ten zij men aanneme, dat het antwoord in art. 6 is opgesloten.
      Niemand zal twijfelen, of de beschikkingen der provinciale en plaatselijke reglementen over het stemregt der kiezers waren, uit krachte van art. 7 der grondwet van 1815, evenzeer een deel der Grondwet geworden, als die over het kiesregt der stemgeregtigden. Wel nu, in de plaats van dat geheele deel der Grondwet treedt, volgens het herziene art. 6, de wet.
      Men vrage, hoe de magt, die de provinciale en plaatselijke reglementen heeft gemaakt, er toe kwam, de regeling van het gansche kiesregt, door alle trappen heen, in de reglementen op te nemen? Men zal zeggen: op grond van art. 6. En volgens de verandering van dat artikel erft nu de gewone wetgevende magt de eigen taak, die het oude art. 6 aan de provinciale en plaatselijke reglementen had toevertrouwd.
      Men mag hieruit, schijnt het, opmaken, dat niet alleen niets belet, het kiesregt in de steden en ten platten lande in zijn ganschen omvang, behoudens de aangestipte uitzonderingen, aan de wet, bij art. 6 verordend, te onderwerpen, maar dat de Grondwet het niet anders wil. Hoe ver breidt zich dan de kring der wetgeving uit over de grenzen, tot hiertoe beschouwd? Welke zijn, buiten de genoemde, de deelen der reglementen, die door wettelijke bepalingen moeten worden vervangen? Zie op Art. 131, 132, 133.


      II.   Ten aanzien der bevoegdheid om deel te nemen aan de provinciale en plaatselijke Besturen zal de wet hebben te regelen:


      A. Zoveel aangaat de provinciale Besturen:


      a. De vereischten om tot lid van de provinciale Staten te kunnen worden gekozen. Reglement omtrent de zamenstelling van de Staten der provincie, art. 1, 2 eerste alinea, art. 3.
      Moet bevoegdheid uitsluitend in den zoo even aangenomen zin worden verstaan? Of bedoelt art. 6 ook die, welke de gedane keuze geeft? Met name de bepaling van den tijd, voor welken ieder lid wordt gekozen, of gekozen, bevoegd is te zitten? Een punt, nu geregeld bij art. 10 en 11 van het reglement omtrent de zamenstelling van de Staten der provincie. Het kan, in twijfel, aan wie de bepaling er van grondwettig behoort, tot hetgeen art. 6 «bevoegdheid om deel te nemen» noemt, het kan ook, en juister welligt, als uitwerksel der keuze, tot het kiesregt worden gebragt. Zie op Art. 127 en 128.


      b. Redenen van uitsluiting. Reglement omtrent de zamenstelling van de Staten der provincie, art. 4.
      Hier wordt, onder c en d, de uitoefening van het lidmaatschap der Staten ontzegd aan de leden, ambtenaren van het publiek ministerie en alle andere ambtenaren, van den Hogen Raad, van de provinciale hoven en criminele regtbanken, en van alle regterlijke collegien, zonder onderscheid, nu bestaande of in het vervolg daar te stellen, aan dewelken collegialiter, of aan eenige leden van dewelke in het bijzonder, hetzij doorgaande en bestendig, hetzij bij afwisseling, eenige criminele regtspraak mogt zijn opgedragen.
      Reeds naar de reglementen omtrent de zamenstelling der provinciale Staten van 26 Augustus 1814[10] art. 3a waren de leden van den Hoogen Raad en van het provinciaal geregtshof als leden der Staten niet verkiesbaar. Dan dit stemde overeen met het beginsel, bij art. 60 der toenmalige Grondwet aangenomen. Dat beginsel bij de Grondwet van 1815 afgeschaft zijnde, heeft men evenwel de uitsluiting, door art. 3 der reglementen van 1814 ingevoerd, in die van 1824 behouden, ja uitgebreid. De grond is nu de criminele regtspraak. Moet crimineel hier in den engeren zin worden verstaan, of in den wijderen, die ook het correctionele begrijpt? Waarom maakt voorts criminele regtsmagt onbevoegd? En waarom civiele niet? Vergelijk de wet op de regterlijke organisatie art. 9 tweede alinea. Zie op Art. 94.
      Bij f en g van art. 3 rijst de vraag, waarom godsdienstleeraars en onderwijzers der jeugd van de provinciale Staten zijn uitgelsoten, en niet van de Statengeneraal?
      Onder h worden uitgesloten zij, die van eenige bediening door den Koning of van Koningswege zijn ontzet, of ontslagen anders dan met vermelding, dat het ontslag op hun verzoek, of eervol, is gegeven, zoo lang zij van de onbevoegdheid, om te worden benoemd, door den Koning niet zijn ontheven. Een koninklijk Besluit van 10 December 1829[11] heeft deze uitsluiting, die door de reglementen[12] ook toepasselijk is gemaakt op de verkiesbaarheid tot kiezer en tot lid van een plaatselijk gemeentebestuur, voor afgeschaft verklaard. Hoe zwak politische regten door reglementen van administratieven oorsprong zijn gewaarborgd, blijkt niet duidelijker dan uit de bepaling zoowel, die bij eene wetgevende vergadering gewis nimmer doorging, als uit hare afschaffing. Bij art. 91 van het reglement omtrent de zamenstelling van de Staten der provincie, bij art. 110 van het reglement voor het bestuur der steden, en art. 126 van dat op het bestuur ten platten lande, behoudt de Koning aan zich het regt, om, zoo eenige verandering noodig mogt zijn, daarin nader te voorzien. Door dit artikel nu tracht het genoemde Besluit de koninklijke magt tot afschaffing te bewijzen. Doch hoe kon aldus worden vernietigd wat, volgens art. 7 der Grondwet van 1815, een deel was van de Grondwet? Met hetzelfde regt kon een koninklijke pennestreek alle politische regten, door die reglementen verleend, hebben geschrapt. Maakte voorts de Koning de provinciale en plaatselijke reglementen volgens de Grondwet alléén? Zoo niet; mogt ook geen reglementair artikel den Koning de magt geven, om ze bij Besluit te veranderen.
      Art. 4i van het reglement omtrent de zamenstelling van de Staten der provincie zegt: «ook zullen de leden der Staten elkander niet nader dan in den tweeden graad van bloedverwantschap mogen bestaan, voor zoverre zij door hetzelfde collegie zullen benoemd zijn.» Volgens de reglementen van 26 Augustus 1814 art. 1 sloten bloedverwantschap en zwagerschap niemand van de vergadering der Staten uit. Behooren broeders in dergelijk collegie, als dat is der provinciale Staten, te zamen te zitten? Of zij gekozen zijn door een en hetzelfde, dan door verschillende collegien, behoort in allen gevalle geen onderscheid te maken. Zie op Art. 83.


      B. Zoveel aangaat de plaatselijke Besturen:


      a. De vereischten om tot lid van het gemeentebestuur te kunnen worden gekozen. Reglement voor het bestuur der steden art. 44. Reglement op het bestuur ten platten lande, art. 3, 4, 5.


      b. Redenen van uitsluiting. Reglement voor het bestuur der steden, art. 45-51. Reglement op het bestuur ten platten lande, art. 6-10.
      Vele der zoo even gemaakte aanmerkingen vinden hier op nieuw toepassing. Zie op Art. 130, 131, 152.
      Oefening van het stemregt is in art. 6 denkelijk gezegd bij navolging van het voorgaande artikel. Wat men bedoelde, had men zuiverder uitgedrukt met eenvoudig te schrijven: het stemregt. Zoo als de fransche tekst der Grondwet van 1815 zeide: le droit de voter.


      In Art. 6 is gehandeld over die politische regten der ingezetenen, welke louter plaatselijk of provinciaal zijn; Art. 7 en 8 spreken van de bevoegdheid om zoodanige publieke bedieningen te bekleeden, welke de algemeene regeling of het algemeene bestuur van den Staat aangaan.


Proeve van herziening: [Het stemregt in de steden en ten platten lande, zoowel als de bevoegdheid om deel te nemen aan de provinciale en plaatselijke besturen, wordt door de wet geregeld.]


 
[1] Zie Staatsregeling van 1798 art. 10,29,156 sqq., 191, Reglement letter A, behoorende tot Titul II. Staatsregeling van 1801 art. 24-28,62,73. Staatsregeling van 1805 art. 12-14,62,66. Staatsregeling van 1806 art. 14-17. Vergelijk Wet van 17 April 1807. (Verzameling van wetten van het Koningrijk Holland II. p. 14 sqq.)
[2] Zie de aanleiding in Hogendorp, Bijdragen tot de huishouding van de staat, VIII p. 208.
[3] De beschikkingen dezer reglementen, het regt en de bevoegdheid, in het vorig artikel gemeld, betreffende, zoo als dezelve op het einde van het tiende jaar na de afkondiging dezer Grondwet in werking zijn, zullen beschouwd worden een deel van deze Grondwet uit te maken.
[4] Staatsblad n° 53.
[5] Bij de Memorie ter beantwoording van de Processen verbaal der Afdeelingen van de Tweede Kamer in dubbel getal, omtrent de 13 wetten, houdende wijzigingen in de Grondwet bl. 5.
[6] Handleiding tot de kennis van het Staatsbestuur III bl. 508.
[7] Vandaar, bij voorbeeld, in de Preussische Städteordnung van 1831 de bepalingen van § 17 en 59.
[8] Onder A a.
[9] In Holland, Zeeland en Utrecht worden ƒ 30, in Noord-Braband, Gelderland en Overijssel ƒ 25, in Groningen ƒ 20, in Drenthe ƒ 10 gevorderd.
[10] Bijvoegsel tot het Staatsblad 1813-14 p. 566 sqq.
[11] «Herzien de bepalingen, voorkomende in de door Ons, in de jaren 1824 en 1825, vastgestelde reglementen omtrent de zamenstelling van de provinciale Staten, en voor de stedelijke en plattelandsche besturen, ten gevolge van welke de benoembaarheid tot de daarbij vermelde ambten, posten en bedieningen wordt ontzegd aan hen die door Ons, of Onzentwege, mogten zijn ontzet of ontslagen uit ambten, posten en bedieningen, anders dan met vermelding, dat zoodanig ontslag op hun verzoek of eervol is gegeven, zoo lange zij, door Ons, van de bevoegdheid om benoemd te worden, niet zullen zijn ontheven;
      In aanmerking nemende, dat aan Ons, ten slotte van dezelve reglementen, is voorbehouden, om dezelve zoodanig te veranderen, als Wij, in der tijd, zouden oordeelen te behooren;
      Overwegende, dat de onderwerpelijke bepalingen tot die gedeelten der voormelde reglementen behooren, welker wijziging, naar gelang der behoefte, aan Onze zorg, grondwettig, verbleven is;
      Gezien de rapporten van Onze ministers van binnenlandsche zaken, en van justitie;
      Den raad van state gehoord;
      Hebben besloten en besluiten:
      De bepalingen, voorkomende in de bestaande reglementen omtrent de zamenstelling van de provinciale Staten, en voor de stedelijke en plattelandsche besturen, met betrekking tot de onbevoegdheid van sommige, in den hoofde dezes bedoelde, personen, om benoemd te worden tot de bij die reglementen tevens vermelde ambten, posten of bedieningen, worden, bij deze, gehouden voor vervallen en buiten werking gesteld.» Handleiding tot de kennis van het Staatsbestuur V. bl. 484 sq.
[12] Reglement omtrent de zamenstelling van de Staten der provincie , art. 24; voor het bestuur der steden, art. 23, 45; op het bestuur van het platte land, art. 6.
[13]


Artikel 7

[Tot leden der Staten-Generaal, hoofden of leden van de Departementen van Algemeen Bestuur, leden van den Raad van State, Commissarissen des Konings in de Provincien, en leden van den Hoogen Raad, kunnen alleenlijk benoemd worden Nederlandsche ingezetenen, geboren binnen het Rijk of deszelfs buitenlandsche bezittingen, uit ouders aldaar gevestigd. Die uit zoodanige ouders, ter oorzake van 's Lands dienst afwezend, of anderzins op reis zijnde, buiten het Rijk geboren zijn, worden met de vorigen gelijk gesteld.]

Voorregt en voorwaarden van het inboorlingschap in den engeren zin.
      De vorige Staatsregelingen kennen slechts ééne soort van inboorlingschap, waartoe eenvoudig geboorte binnen de Republiek[1], of ook in de kolonien of bezittingen van den Staat worden geeischt[2]. De Grondwet van 1814 noemt enkel «Nederlanders»[3], zonder te zeggen wie het zijn. De bepaling van dat bijzonder inboorlingschap, welks voorwaarden art. 8 omschrijft, is eerst met de Grondwet van 1815 ontstaan.
      De Staatsregeling van 1798 gaf aan de inboorlingen geen ander voorregt, ten aanzien van publieke bedieningen, dan met opzigt tot het lidmaatschap van het Uitvoerend Bewind[4]. De volgende Staatsregelingen strekten dat voorregt al verder en verder uit. Volgens die van 1801 moesten inboorlingen zijn, niet alleen de leden van het Staatsbewind (art. 29), maar ook die van het Wetgevend Ligchaam (art. 54), van de departementale Besturen (art. 62), van het Nationaal Geregtshof (art. 90), en van het Nationaal Syndicaat (art. 99); volgens de Staatregeling van 1805, behalve de leden van de vergadering van Hun Hoog Mogenden (art. 19), en van het Nationaal geregtshof (art. 78), die van den Staatsraad (art. 44), zoo als de Raadpensionaris (art. 42); volgens die van 1806 art. 30 ook de Ministers van Staat[5]. Maar al die Staatsregelingen vorderden, tot het bezit dier voorregten, boven het inboorlingschap in den wijderen zin, waarin zij het verstaan, inwoning hier te lande gedurende een zeker aantal van jaren vóór de benoeming; een vereischte, dat de grondwet van 1815, zonder bepaling van jaren, heeft behouden. Aldus sloot zij zich onmiddellijk aan de vroegere Staatsregelingen [aan]. De grondwet van 1814[6] toch legde aan de «Nederlanders» enkel het voorregt toe van verkiesbaarheid tot leden van de vergadering der Statengeneraal. De Schets van Hogendorp eischte, in hen, zelfs de hoedaanigheid van Nederlander niet.
      Dan beantwoordt art. 8, nu het geene inwoning van een zeker aantal jaren eischt, wel aan het doel? Iemand, hier te lande geboren uit ouders hier gevestigd, zij vervolgens van zijne geboorte af uitlandig; hij zal evenwel benoembaar zijn tot de eerste bedieningen, mits hij op het oogenblik der benoeming ingezeten zij. Hij kan dus aan het Land vreemd zijn geworden. En is niet de ware grond van het voorregt, bij art. 7 verleend, dat men bij hen, aan wie het wordt toegekend, eene grootere gemeenzaamheid met Land en volk en Staat onderstlet, dan bij de overige nederlanders, van wier bevoegdheid het volgende artikel handelt?
      Uit ouders aldaar gevestigd: Wie heet bij ons gevestigd? Is gevestigd zijn iets anders dan ingezeten zijn? Eene staatregtelijke wet verklare, wie gevestigd of ingezeten is. De burgerlijke wet kan op dit punt niet helpen. Evenmin is de bepaling van het koninklijk Besluit van 25 Junij 1817[7] of die van art. 2 der wet op de schutterij van 11 April 1827[8] voldoende. Wie zal beslissen, of de engelschman, in Amsterdam woonachtig, den zetel van zijn vermogen hier of in Engeland heeft? Waar is de nederlander, die afwisselend hier en te Parijs of te Brussel woont, gevestigd? Bij het maken eener nadere, algemeene bepaling zullen, zoo het schijnt, buiten de eigen verklaring van den persoon, twee kenmerken moeten worden overwogen: de wijze van vestiging of verblijf, en de tijd[9].


Proeve van herziening: [Tot leden der Statengeneraal, hoofden of leden van de departementen van algemeen bestuur, leden van den Raad van State, commissarissen des Konings in de provincien, en leden van den Hoogen Raad, kunnen alleenlijk worden benoemd Nederlanders, gedurende de laatste vijftien jaren vóór de benoeming hier te lande woonachig, en geboren binnen het rijk of deszelfs overzeesche bezittingen, uit ouders aldaar gevestigd.
Die uit zoodanige ouders, ter oorzake van 's Lands dienst afwezig, of anderzins op reis zijnde, buiten het rijk zijn geboren, worden met de vorigen gelijk gesteld.
Hun schaadt ook niet afwezigheid, ter oorzake van ´s Lands dienst, invallende in de laatste vijftien jaren vóór de benoeming.]


 
[1] Staatsregeling van 1798, art. 11a, Bijlage, Reglement Letter C, art. 2. Staatsregeling van 1801, art. 24 n° 3, art. 29.
[2] Staatsregeling van 1805, art. 19, 42. Constitutie van 1806 art. 30, 52.
[3] Art. 59.
[4] Volgens Bijlage, Reglement letter C, art. 2, moeten de leden van het Uitvoerend Bewind geboren zijn binnen de Republiek.
[5] Volgens art. 11 konden over ´t algemeen de ambten en bedieningen van Staat, buiten diegene welke behoorden tot de persoonlijke dienst van het Huis des Konings, slechts aan Nationalen worden toevertrouwd. Voeg daarbij art. 24.
[6] Art. 59.
[7] Bijvoegsel tot het Staatsblad 1817 II. p. 852 sq.
[8] Staatsblad n° 27.
[9] Volgens de Constitutie van Beijeren van 1818 Titul IV § 3 wordt men ingezeten (ansässig im Königreiche) «entweder durch den Besitz besteurter Gewerbe, oder durch den Eintritt in ein öffentliches Amt.» Vergelijk Edict über das Indigenat van 26 mei 1818 § 8 c.


Artikel 8

[Tot alle andere bedieningen zijn alle de ingezetenen, zonder onderscheid, benoembaar, welke geboren Nederlanders zijn, of hetzij door wetduiding, hetzij door naturalisatie, daarvoor gehouden worden.]

Voorregt der nederlanders in ´t gemeen ten aanzien der benoembaarheid tot publieke bedieningen. Voorwaarden der hoedanigheid van nederlander.
      De Grondwet zegt, bij art. 8, wie inboorlingen, maar wie, buiten hen, geboren Nederlanders zijn, eene benaming, welke ook de reglementen op het stedelijke en plattelands bestuur en de zamenstelling der provinciale Staten steeds gebruiken, zegt zij niet. Het Burgerlijk Wetboek zegt het evenmin. Het blijkt wel, dat de nederlanders, daar art. 5 onder n° 1 en 2[1] van spreekt, het zijn van wege de geboorte. Men zou dus, ware het geoorloofd, uit het Burgerlijk Wetboek een besluit af te leiden ten aanzien van het grondwettig begrip van geboren Nederlanders, onder dezen, behalve hen die aangewezen worden door art. 7 der Grondwet en n° 1 van art. 5 Burgerlijk Wetboek, mogen verstaan diegenen, welke buiten lands uit nederlanders zijn geboren. Burgerlijk Wetboek art. 5 n° 2.
      Maar mogen ook zij, die n° 3[2] optelt, geboren nederlanders worden genoemd?
      Hen maakt de geboorte alléén niet tot nederlanders. Zij verkrijgen de hoedanigheid van nederlander ten gevolge van de vervulling eener zekere voorwaarde. Zij moeten, om nederlanders te zijn, hunne woonplaats in het Rijk vestigen[3].
      Wie zijn, voorts, die door wetduiding (...) daarvoor gehouden worden?
      Wetduiding, in den zin van fictie, onderstelling, der wet, vindt plaats ten aanzien van hen, waarop het 2de lid van art. 7 toepasselijk is. Aan dezen ontbeekt het karakteristiek feit van nederlandsche geboorte, zijnde of binnenlandsche geboorte uit ouders op nederlandsch grondgebied gevestigd, of geboorte uit nederlandsche ouders. Er zijn geene anderen, tot wier gunst dat ontbrekende feit door de wet wordt gefingeerd, dan die, van welke reeds is gehandeld in het 2de lid van art. 7; en die, benoembaar tot het meerdere, van zelfs benoembaar zijn tot het mindere. Ook het Burgerlijk Wetboek kent geene andere fictie der wet, betrekkelijk tot dit punt. Zie art. 5, n° 4. En al kende het eene andere, deze kon hier, vanwege art. 1[4], niet in aanmerking komen.
      Voor wetduiding, een onduidelijk woord, vinden wij in den franschen tekst der Grondwet van 1815 fiction de la loi. En dat dit begrip is gemeend, verkrijgt hooge waarschijnlijkheid, wanneer men aanneemt, dat het artikel oorspronkelijk in het fransch werd opgesteld.
      Ook is deze de beteekenis, waarin wetduiding doorgaans bij de Groot voorkomt: Toezegging «door wetduyding» stelt hij over tegen uitdrukkelijke toezegging[5]. Hetgeen de Romeinen obligatio quasi ex contractu noemden, noemt hij «soodanige verbintenisse, die, als of daer toesegginge ware, door wetduyding buyten overkoming ontstaet»[6]; het romeinsche quasi delictum «misdaet door wet-duyding»[7]. Men ziet, bij zijn gebruik van het woord, schoon wij het soms door «krachtens de wet» zouden kunnen vertalen, ligt steeds het begrip ten gronde, dat de wet iets aanneemt wat niet is.
      De zamenhang leert, dat onder wetduiding in art. 8 zoodanige wet moet worden verstaan, die personen, welke niet reeds van wege de geboorte nederlanders zijn, ten gevolge van zekere andere feiten voor nederlanders verklaart. Men kan dit noemen: naturalisatie door de wet zelve[8].Of men onderstelt, dat die wet aan zulke personen nederlandsche geboorte toedicht, dan niet, moge onverschillig zijn. Dan waar is die wet? Is het de burgerlijke wetgeving? Zij brengt, wat zoo even als naturalisatie door de wet zelve werd gekenmerkt, te weeg in twee gevallen, beschreven bij art. 5 n° 3 en art. 6. Doch wierd zij bedoeld, zij moest in ons artikel met name zijn genoemd. Want eene privaatregtelijke wetduiding geeft, op zich zelve, geen staatsregtelijke bevoegdheid. Er moet dus worden gedacht aan eene bijzondere, publiekregtelijke wet, die niet bestaat, en zonder welke dit deel van art. 8 ter gunste van niemand kan werken.
      Daarvoor. dit is geboren nederlanders, hoewel de boven aangehaalde reglementen eenvoudig zeggen: voor Nederlanders gehouden worden. Het ware beter geweest, in art. 8, in plaats van daarvoor, het woord of de woorden zelve te herhalen.
      Door naturalisatie daarvoor gehouden worden; eene min juiste uitdrukking; zoo als men bij het stellen van het Burgerlijk Wetboek art. 5 n° 5 reeds heeft gevoeld. Men had welligt liever gezegd: welke door naturalisatie het regt van geboren nederlanders hebben verkregen.
      Naturalisatie kan hier enkel zijn die bij acte, door de bevoegde overheid verleend.
      Het is een stuk van niet minder gewigt, dan zoovele andere, welke de Grondwet gebiedt door eene wet te regelen. Niet alsof het zoo volstrekt nodig scheen dat, zoo als men bij de herziening der Grondwet van 1814 verlangde, en in Noorwegen[9] en Belgie [10] geschiedt, alléén de wetgevende magt naturaliseerde; maar om deze althans te laten vaststellen:
    1°. de voorwaarden, door den vreemdeling te vervullen;
    2°. de overheid, tot de naturalisatie bevoegd;
    3°. de vormen, in welke de acte van naturalisatie wordt verleend[11].


      Tot dus verre schijnt naturalisatie zoo min, als wetduiding, toepasselijk. Wilde men beweren, dat het constitutioneel keizerlijk regt om te naturaliseren overgegaan is op den Koning, men vergat, dat het staatsregt van het Keizerrijk door onze Grondwet wordt uitgesloten. De gevolgtrekking uit art. 9, alsof het, den Koning voor een paar jaar magtigende om het volle inboorlingschap te verleenen, daardoor aan de Kroon het regt tot de naturalisatie, in art. 8 bedoeld, ook na dat jaar zou hebben toegekend, is meer dan gewaagd. Wat toch heeft de bijzondere reden, waarom aan den Koning die buitengewone magt werd gegeven, gemeen met den grond, op welken het regt om te naturaliseren in ´t algemeen aan den Koning zou worden of zijn geeigend? Al had de Grondwet dit regt gevestigd in de wetgeving, niets belette, art. 9 er nevens aan te nemen. Art. 9 bindt daarenboven de uitoefening der voorbijgaande magt, waarmede het den Koning bekleedt, aan eene voorwaarde. De personen moeten binnen het Rijk zijn gevestigd. En hieruit zou volgen, dat het, door geen voorwaarde bepaalde, naturalisatieregt van art. 8 der kroon steeds toekwam? Doch al volgde uit de Grondwet, dat de Koning mag naturaliseren, dan nog behoorden, dunkt mij, de twee andere, boven aangestipte punten, door eene wet te worden geregeld. Wanneer de wet bepaalt, wat er toe vereischt wordt om hetzij van wege de geboorte, hetzij uit hoofde van wetduiding, voor nederlander te worden erkend, schijnt het allezins overeenkomstig, dat de wet ten aanzien van den vreemdeling, die bij acte den stand van nederlander zal verkrijgen, hetzelfde doe.
      Naturalisatie, hoe ook geregeld, kan tot de bedieningen, in art. 7 opgeteld, nimmer bevoegd maken. Wat in Frankrijk en elders de groote naturalisatie wordt genoemd, daartoe heeft de Grondwet den weg, na afloop van het eerste jaar volgende op de invoering[12], voor altoos en alle gevallen gesloten. Of dit wél zij gedaan, men kan er aan twijfelen. Men eische tot zulk eene «grande naturalisation» meer dan tot de gewone; men eische zooveel men wil; doch haar onmogelijk te maken, schijnt niet in ´t belang van den Staat.
      De Grondwet veroorlooft niet, en art. 1 van het Burgerlijk Wetboek verbiedt, de regels omtrent het verkrijgen der civielregtelijke hoedanigheid van nederlander op zijne staatsburgerlijke hoedanigheid toe te passen. Ten aanzien van deze dient dus eene andere, dan de burgerlijke wet, art. 8 te ontwikkelen. Eene wet, die verklaarde: 1°. wie geboren nederlanders zijn; 2°. wie bij wetduiding voor nederlanders zullen worden gehouden; en 3°. de naturalisatie regelde. Zoo men dan tot den eersten niet enkel de nederlanders bragt, die het zijn van wege werkelijke nederlandsche geboorte, maar ook hen, tot wier gunst nederlandsche geboorte wordt gefingeerd (art. 7 tweede alinea); kwamen in de tweede classe zij, die het burgerregt of de hoedanigheid van nederlander hebben verkregen. Verkrijging nu van het burgerregt door hem, die niet van den beginne af nederlander is, kan, ten gevolge van de vervulling van zekere voorwaarden, plaats vinden hetzij door de uitspraak van de wet zelve, en deze ware dan de wetduiding, hetzij door eene bijzondere acte.
      Dezelfde wet zou vervolgens de wijze moeten bepalen, waarop de eigenschap van nederlander verloren gaat.
      Tot alle andere bedieningen: wanneer men onderstelt, dat hier onder bedieningen kerkelijke bedieningen niet worden verstaan, is die onderstelling verdedigbaar, schoon in andere landen dergelijke regel, als die van art. 8, althans op hooge kerkelijke ambten wel wordt toegepast[13]. Maar kunnen ook krijgsbedieningen worden geacht te zijn uitgezonderd? De bewoording van ons artikel is zoo volstrekt, dat zij het niet schijnt te gedoogen[14].
      Zonder onderscheid: moeten deze woorden in zoo onbepaalden zin worden opgevat als ze zijn gesteld, dan sluiten zij reeds de werking uit van het onderscheid van godsdienstige belijdenis, van stand, rang of geboorte; op nieuw uitgesloten in art. 10 en 190.
      Bij die opvatting herinnert men zich terstond, dat evenwel niet alle onderscheid buiten aanmerking blijft. «Moribus civilia officia adempta sunt foeminis»[15]. In zooverre minderjarigheid en andere oorzaken, welke de uitoefening der burgerlijke regten hinderen, staatsregtelijke beletselen zijn, geldt het omgekeerde van den regel, bij art. 1 van het Burgerlijk Wetboek gesteld. Ja om benoembaar te zijn tot sommige bedieningen, wordt een hoogere ouderdom, dan waarin de minderjarigheid eindigt, door de Grondwet of gewone wet gevorderd.
      Dan zonder onderscheid heeft hier denkelijk niet dien algemeenen, maar een zeer bepaalden zin, die bij vergelijking met art. 6 wordt gevonden. Art. 8 bedoelt het onderscheid, dat de wet, volgens art. 6, ten aanzien van de bevoegdheid om deel te nemen aan de provinciale en plaatselijke Besturen kan doen gelden; terwijl zij, bij voorbeeld, eischt, dat men ingezeten zij eener plaats of provincie, of eene zekere som opbrenge in de beschreven middelen. Zulk onderscheid, zegt art. 8, kan niet worden gemaakt met opzigt tot bedieningen van eene andere, dan die provinciale of plaatselijke natuur, welke in art. 6 wordt aangegeven.
      Volgens art. 7 en 8 zijn tot bedieningen, van Staatswege opgedragen[16], slechts ingezetenen, en geen andere ingezetenen, dan nederlanders, benoembaar. De meeste andere Landen zijn toegevender, dan onze Grondwet. Evenwel ontmoet men ook elders dergelijke constitutionele beperkingen. In Engeland ging, onder Willem III, ten gevolge van bijzondere drijfveren[17], als voorzorg tegen den tijd van de komst der hannoversche dynastie op den troon, de wet[18] door, die allen, niet geboren binnen het gebied der drie Rijken of althans van engelsche ouders, uitsloot. De Constitutien van Zweden van 1809[19], van Noorwegen van 4 November 1814[20], van Beijeren van 1818[21], vestigen insgelijks, in wijderen of minderen omvang, het voorregt der inboorlingen. Bij ons was voormaals, ten tijde der Republiek, zelfs naturalisatie ad honores zeer zeldzaam. Later was geene onzer Staatsregelingen, die van 1806[22] daargelaten, zoo streng, als de tegenwoordige Grondwet; en onder het koningrijk Holland bestond er, uit hoofde van een niet nationalen Koning, eene bijzondere reden voor die gestrengheid[23].
      Er bestaat ook eene algemeene, zeer goede, reden voor den regel van ons artikel, hoewel het, wanneer ook niet ééne bediening aan een kundigen vreemdeling mag worden toevertrouwd, soms belemmerend kan zijn voor de dienst van den Staat. Misschien ware het goed geweest, dit bij de herziening der Grondwet te bedenken; maar geene overtreding van den regel wordt er door geregtvaardigd of verschoond. Waartoe dit herinnerd? De bepaling van art. 8 is door het Gouvernement niet altoos nageleefd, zelfs in gevallen niet, waar hare toepasselijkheid aan geen twijfel onderhevig kan zijn[24].


Proeve van herziening: [Tot alle andere bedieningen zijn alle Nederlanders, zonder onderscheid, benoembaar. Eene bijzondere wet verklaart, wie Nederlanders zijn, welke vreemdelingen als ingezetenen, of in het rijk gevestigd, worden beschouwd, en regelt de naturalisatie.]


 
[1] «Nederlanders zijn:
1°. Allen die binnen het Koningrijk of deszelfs kolonien zijn geboren uit ouders, aldaar gevestigd;
2°. Kinderen, buiten ´s lands uit Nederlanders geboren.»
[2] «Allen die binnen het Koningrijk zijn geboren, hoezeer uit ouders, aldaar niet gevestigd, mits zij zelve hunne woonplaats aldaar vestigen.»
[3] Moeten hier onder het Rijk de kolonien mede worden begrepen?
[4] «Het genot der burgerlijke regten is onafhankelijk van de staatkundige regten, welke alléén volgens de Grondwet worden verkregen
[5] Inleyding tot de Hollandsche Regstsgeleerdheid III. 1. § 49, p. 225. Vergelijk III, 6. § 1, p. 246, en § 10, p. 249.
[6] III. 26. § 1, p. 318. Vergelijk III. 29. § 2, p. 327, en § 7, p. 328.
[7] III. 38. § 1, p. 357.
[8] Eene naturalisatie, waarvan in vreemde, en ook in onze Constitutien onderscheidene voorbeelden worden gevonden. Bijvoorbeeld Constitution française de 1791 Titul II. art. 2, 3. Constitution de la république française de 1795 art. 10; de 1799 art. 3; Staatsregeling van 1798 art. 11a; van 1801 art. 24 n° 3.
[9] Constitutie van 4 November 1814 § 92.
[10] Constitutie van 1831 art. 5. Reeds de fransche Constitutie van 1791 Titul III art. 4 had dit regt aan de wetgeving geeigend.
[11] Men mag hier de fransche wetgeving als voorbeeld aanhalen. Zie het Sénatus-consulte organique du 26 Vendémiaire an XI (Bulletin des Lois de la République française, IIIe Série, Tome VII, n° 224, p. 65, 66), du 19 Février 1808 (Bulletin des Lois de la République française, IVe Série, Tome VIII, n° 181 p. 103, 104. Vergelijk Ordonnance du 4 Juin 1814 bij Merlin, Répertoire universel et raisonné de jurisprudence, Additions Tome XVII, p. 216. Vergelijk ook het keizerlijk Decreet van 17 Maart 1809 (Bulletin des Lois de la République française, IVe Série, Tome X, n° 229 p. 96, 97) en Loi du 14 octobre 1814 (bij Merlin, l.c.). De noodzakelijkheid eener wet op de naturalisatie is door ons Gouvernement zelf erkend, daar, volgens het berigt in de Weegschaal 1821 n° 11, p. 409, 410, in onderscheidene koninklijke Besluiten op verzoekschriften om naturalisatiebrieven, althans vroeger, wordt gelezen: «dat de suppliant wordt gehouden voor diligent, totdat na de invoering der Burgerlijke wet, de bepalingen zullen bekend zijn, welke bij het onderzoeken en toestaan van verzoeken om naturalisatie voortaan hier te lande zullen moeten worden gevolgd.»
[12] Zie Art. 9.
[13] In Beijeren is men zelfs verder gegaan; Constitutie van 1818 Titul IV art. 4. Zie beneden noot 21.
[14] Vergelijk, bij voorbeeld, de Constitutie van Zweden van 7 Junij 1809 § 28. Men gevoelde, dat krijgsambten onder den regel, op alle bedieningen toepasselijk, allezins vielen, zoo men ze er niet uitdrukkelijk buiten stelde. Vergelijk de redevoering van den heer Reyphius in de Tweede Kamer der Statengeneraal 10 December 1817; Stuart: Jaarboeken van het Koningrijk der Nederlanden, 1817, p. 247, 248.
[15] [Zoals bij gewoonte het vrouwen niet is toegestaan burgerlijke ambten uit te oefenen.] Digesta Liber XVI, § 1.1 ad Senatus Consultum Velleianum.
[16] Zie boven Art. 7. Of is niet deze opdragt, maar een bezoldiging of toelage uit ´s Lands kas het kenmerk der bedieningen, daar art. 8 op doelt?
[17] Zie Hallam, Constitutional History of England, III p. 472. (Parijsche uitgave 1827.)
[18] 12 and 13 William III c. 2 art. 5. That (...) no person born out of the Kingdoms of England, Scotland, or Ireland, or the dominions thereunto belonging (although he be naturalized or made a denizen, (...) except such as are born of English parents), shall be capable to be of the privy-council, or a member of either house of parliament, or to enjoy any office or place of trust, either civil or military, or to have any grant of lands, tenements, or hereditaments, from te crown, to himself, or to any other or others in trust for him.
[19] § 28. Der König hat (...) geborne Schweden zu allen den höhern und niedrigern Aemtern und Diensten zu ernennen (...), welche von der Art sind, dass der König die Vollmachten dazu auszufertigen hat; (...) indessen ist es dem Könige unbenommen, bei Militärämtern Ausländer von besondern Fähigkeiten zu benutzen, doch nicht zu Commandanten in den Festungen.
[20] § 92.
[21] Titul IV § 4. Kron-Aemter, oberste Hof-Aemter, Civil-Staatsdienste und oberste Militär-Stellen, wie auch Kirchen-Aemter oder Pfründen, können nur Eingebornen oder verfassungsmässig Naturalisirten ertheilt werden. Vergelijk de Constitutie van Wurtemberg van 1819 § 44. 19, en die van Polen van 1815 art. 29.
[22] Zie boven op Art. 7, noot 5.
[23] De belgische Constitutie van 1831 art. 6 heeft onzen regel overgenomen, doch met toelating van wettige uitzondering in bijzondere gevallen.
[24] Een koninklijk Besluit van 8 Augustus 1822 n° 91 (Bijvoegsel tot het Staatsblad 1822 III p. 1801) stelt:
    1°. «Dat vreemdelingen in dit Rijk de functien van professoren, regenten of onderwijzers mogen uitoefenen, zonder te zijn voorzien van brieven van naturalisatie.
    2°. Dat echter, voortaan, geene vreemdelingen tot de bovengemelde functien door eenig bestuur of eenige autoriteit mogen benoemd worden, dan na alvorens de goedkeuring van het Gouvernement, op zoodanige benoeming, zij gevraagd en bekomen.»
    Zoverre dit Besluit mogt slaan op bedieningen van het boven aangewezen karakter, ware het met art. 8 der Grondwet in tegenspraak. Het Besluit is voor het overige ook op godsdienstleraars en predikanten toegepast. Zie de Dispositien van den Directeur-Generaal voor de zaken der Hervormde Kerk van 21 Augustus (Bijvoegsel tot het Staatsblad 1822 II. p. 1000 sq.) en 23 December 1822 (ibid. p. 1010), en van 22 October 1825 (ibid. 1825 IV p. 134 sq.). En op deze, meen ik, te regt, wat de stelling betreft, dat zij even min als vele andere, bijzondere en gemeentelijke, onderwijzers, nederlanders behoeven te zijn.


Artikel 9

[Gedurende een jaar na de invoering dezer Grondwet, staat het den Koning vrij, aan personen buiten 's lands geboren, doch binnen het Rijk gevestigd, het volle regt van inboorlingschap en de verkiesbaarheid tot alle ambten zonder onderscheid, te vergunnen.]

Artikel 9 kon bij de herziening weggelaten zijn; en zou, van den beginne af, een betere plaats onder de additionele artikelen, dan in het Eerste Hoofdstuk, hebben gevonden.


Proeve van herziening: [ - ]

 


Artikel 10

[Ieder is, zonder onderscheid van rang of geboorte, tot alle ambten en bedieningen benoembaar, behoudens hetgeen betrekkelijk de zamenstelling der provinciale Staten bij het vierde hoofdstuk is bepaald.]

Het artikel, even als de voorgaande, afkomstig van de Commissie van 1815, is, even als art. 9, ook op de bevoegdheid, in art. 6 aangeduid, toepasselijk. Het werd in 1840, bij de wet van 4 September, art. 3[1], gewijzigd. In de Grondwet van 1815 stond, art. 11, «behoudens hetgene betrekkelijk de zamenstelling der provinciale Staten bij de reglementen, ingevolge het vierde Hoofdstuk, is bepaald». Wanneer de bevoegdheid om deel te nemen aan de provinciale Staten niet meer van reglementen, maar van de wet zou afhangen, scheen de vermelding der reglementen uit het artikel te moeten wegvallen[2]. De aangehaalde woorden waren reeds nutteloos en onjuist in de Grondwet van 1815, inzooverre de genoemde voorschriften, ten gevolge van het vierde Hoofdstuk uitgevaardigd, geene uitzondering van den regel, hier gesteld, behelsden. Naar de reglementen toch omtrent de zamenstelling van de Staten der provincien van 1825, gelijk reeds naar de meeste van die van 1814[3], is elke stand vrij te kiezen uit de drie standen, en wordt tot het lidmaatschap der provinciale Staten geen rang, of wat hier geboorte heet, vereischt. Thans eenvoudig schrijvende, «behoudens hetgeen betrekkelijk de zamenstelling der provinciale Staten bij het vierde Hoofdstuk is bepaald», heeft men de onjuistheid nog verder gedreven. Dat Hoofdstuk maakt, aangaande de verkiesbaarheid tot de provinciale Staten, volstrekt geen onderscheid van rang en geboorte.
      Zonder twijfel is gelijkheid aller nederlanders, met name ook ten aanzien van benoembaarheid tot politische bedieningen, voor de wet, eene hoofdvoorwaarde van ons nieuw Staatswezen. Men had die, door de vereeniging van art. 190 met ons artikel, waarin het behoort, volkomener utigedrukt.


Proeve van herziening: [ - ]


 
[1] Staatsblad n° 53.
[2] Zie de Handelingen, bij Belinfante uitgegeven, I p. 191, 200, 210.
[3] Zie op Art. 127.





Terug naar de Thorbecke Pagina