Het zij mij vergund, om voor een der meest dagelijksche onderwerpen van algemeene opmerking en belangstelling Uwe aandacht gedurende eenige oogenblikken te vragen. Schijn ik U bij die keuze meer aan mijne bijzondere betrekking, dan aan het doel dezes Genootschaps te hebben toegegeven, zoo verzoek ik U, elk met zijn eigene maat te meten, en mijne spreekbeurt te beschouwen als eene verpoozing van de meer fijne en uitgezochte bespiegelingen van smaak en fraaye letteren, waarover andere redenaars U doorgaans onderhouden. Het onderwerp, dat ik bedoel, is een der zeer gewigtige stukken van Staatshuishoudkunde, eene wetenschap, welke meer, dan eenige andere, te midden van het werkelijk maatschappelijk leven toeft. Hetgeen ik U meen voor te stellen, is een der merkwaardigste verschijnselen van den nieuweren tijd, welks onberekenbare kracht het vermogen van den mensch, om de stoffen der natuur tot goederen te vormen, duizendvoudig verhoogd en uitgezet heeft. Overal, waar de kunsten der nijverheid bloeijen, wordt deze macht ingeroepen, om te heerschen, en alle huishoudelijke betrekkingen wachten van haar eene nieuwe wetgeving. Ik behoef U, ik behoef in deze groote fabrykstad niet zooveel te zeggen, om te doen gevoelen, dat ik de machines, en hare toepassing op de voortbrenging van rijkdom, in het oog heb. Het zou de palen eener voorlezing verre te buiten gaan, indien ik dit onderwerp met eenige volledigheid wilde behandelen. ik zal slechts eenige weinige gezigtspunten uitkiezen, onder welke ik den invloed dezer vermogende werktuigen op het zamenstel der maatschappelijke en burgerlijke betrekkingen met U wensch te overwegen.
Het doel van de aanwending der machines is, om den menschelijken arbeid gedeeltelijk te doen vervangen door de krachten der natuur.
Men komt eerst tot de daarstelling van machines, nadat de verdeeling van den menschelijken arbeid reeds aanmerkelijk ver is gevorderd. Want eerst eene verregaande verdeeling van den arbeid geeft in de verscheidenheid en het verband der enkelvoudige verrigtingen, tot de voortbrenging van eenig goed vereischt, eene volkomene inzage. Die inzage is echter onmisbaar, om eene machine te leeren zamenstellen, door welke de krachten der natuur in zulk eene rigting, opvolging en verhouding werken, dat er het resultaat der menschelijke kunst uit ontspringt.
De machines plegen uit dien hoofde bij eenigen tak van nijverheid oorspronkelijk dan eerst in het groot te worden aangewend, wanneer dezelve reeds een aanmerkelijk aantal arbeiders bezig houdt. Daar nu de machines te weeg brengen, dat, om dezelfde hoeveelheid van goederen te verkrijgen, eene veel geringere hoeveelheid van menschelijke arbeid vereischt wordt, zoo is hieruit de vrees geboren, dat de invoering van machines, hoe groote voordeelen zij ook aan de ondernemers en koopers schijnt aan te bieden, eenen des te verderfelijkeren invloed hebben op den toestand der arbeidende klasse. Het huishoudelijk belang evenwel der van arbeidsloon bestaande burgers, als zijnde dat van de talrijkste klasse der bewoning van den Staat, moet voorzeker de ernstigste behartiging waardig gekeurd worden.
De invoering der machines, zegt men, onttrekt aan een aanzienlijk deel der arbeidende klasse bezigheid en onderhoud. Dit deel zal des te grooter wezen of worden, dewijl de machines niet alleen bij de eigenlijke fabryken menschelijken arbeid meer en meer overbodig maken, maar daarenboven de vervanging van vele ambachten door uitgestrekte fabrykondernemingen begunstigen, en alzoo langzamerhand het aantal zoowel der ambachtslieden, als der fabrykarbeiders, beperken. Het is de vraag, of de hieruit voortspruitende verarming van vele arbeiders, of het gebrek en de ellende, welke tevens met die verarming veld winnen, voor de geheele huishouding niet een grooter kwaad en verlies zijn, dan het voordeel, aan de betere hoedanigheid en lagere prijzen der waren verknocht. Ja men mag, volgens sommigen, duchten, dat de vermeerdering der machines voor het belang der ondernemers zelven ten laatste het omgekeerde gevolg van de oorspronkelijke bedoeling hebben zal. Want, zegt men, deze vermeerdering doet aan den eenen kant de menigte der te koop aangebodene goederen en geriefelijkheden toenemen, ten zelfden tijde, dat zij aan den anderen kant het getal der koopers en consumenten vermindert. Het ontbreekt in de fabrykwereld niet aan ontrustende ondervindingen en daadzaken, welke deze waarschuwingen schijnen te staven.
De invloed, dien het gebruik van machines op het nationaal of volksinkomen heeft, bestaat hierin, dat de hoeveelheid der voortgebragte goederen aanzienlijk wordt vermeerderd, zonder eene evenredige vermeerdering van de kosten der voortbrenging. Hetgeen in de kosten wordt gespaard, is eene verhooging van het zuivere inkomen. Deze verhooging des zuiveren inkomens wordt genoten door twee klassen van personen: door de ondernemers, en door de koopers der waren.
1e) Door de ondernemers, inzooverre de prijzen der goederen boven het bedrag der kosten blijven. Hoe meer zuivere winst door de ondernemers gedaan wordt, des te sneller kan en zal zich de geest van fabrykonderneming uitbreiden. Verwonderingswaardig, en schier ongelooflijk, is de wasdom, dien de manufactuurnijverheid in andere landen, en vooral in Groot-Britanje, aan het gebruik der machines te danken heeft. Groot-Britanje, voerde in 1765, vóór de uitvinding der spinmachines, 3,5 millioen balen ruuw katoen in. Tien jaren na de uitvinding was die invoer geklommen tot 5-6 millioenen, 20 jaren later tot 30-40, en thans tot 220-230 millioenen balen. De uitgevoerde katoenfabrykaten beliepen in 1765 eene som van 200.000 £ St., en thans boven de 30 mill. £ St.
2e) Wordt de, aan het gebruik van machines verschuldigde verhooging der zuivere inkomsten genoten door de koopers der goederen, vermits dezen met eene geringere uit gave kunnen volstaan, om zich eene gelijke of grootere hoeveelheid van geriefelijkheden te verschaffen. Hetgeen dezen alzoo op hunne uitgaven uitwinnen, wordt door hen, gelijk elk zuiver inkomen over het algemeen, tot andere uitgaven besteed. Zij besteden het namelijk:
a. of tot verbruik van meer goederen tot personeel genot, en bezorgen dus aan de ondernemers der voortbrengende nijverheid meer vertier;
b. of zij leggen het, als nieuw kapitaal, aan in het drijven van dezen of geenen tak van volksvlijt. Dit kan niet geschieden, zonder dat de verkopers van levensmiddelen, stoffen en andere benoodigdheden meer goederen omzetten, en zonder dat meer arbeiders voor loon, dan tot dus verre, gebezigd worden;
c. of zij verschaffen zich voor het meerdere, dat zij in staat zijn uit te geven, meer zoodanige dienstbewijzingen, door welke hunne persoonlijke ontwikkeling, van ligchaam of geest, gekoesterd, versterkt, verligt of verrijkt wordt.
Wat volgt hieruit? Dat bij een veelvuldig gebruik van machines, wel verre dat over het geheel geringere sommen zouden besteed worden, om aan arbeiders werk te geven, veeleer nog dezelfde, of zelfs eene grootere volksmenigte dan voormaals, zich een bestaan verwerven kan. De voorhandene arbeiders vinden, niettegenstaande de vermenigvuldigde aanwending van machines, bezigheid.
1e) bij dezelfde takken van fabrykatie nevens de machines. De machines maken de help van menschen nooit ten eenenmale overbodig. Voorts geeft de daling van den prijs der goederen, door de machines veroorzaakt, aanleiding tot een zooveel uitgestrekter verbruik van goederen, dat in vele gevallen, ondanks de gestadige vermenigvuldiging der machines, het getal der benoodigde arbeiders nog aangroeit. De daling van 1/4 in den prijs doet dikwerf de consumtie verdubbelen. Zoo is het te verklaren, dat de boekdrukkunst aan honderd maal meer menschen werk verschaft, dan voormaals, toen men de boeken schreef, bij dat bedrijf onledig werden gehouden. Vóór de uitvinding der machines ten behoeve der katoenspinnerij en weverij telde men in Gr. Britanje 7.900 spinsters en wevers, in 1787, 10 jaren na de uitvinding der machines, 352.000. Men rekent, dat tegenwoordig 2 millioenen menschen bij de katoenfabrykatie in Gr. Britanje hun bestaan hebben. In geheele streken en landen is de bevolking, ten gevolge van de vervanging van menschelijken arbeid door machines, aangegroeid. In Gr. Britanje zijn, door deze nieuwe kracht, middelmatige plaatsen en vlekken tot steden van de eerste grootte verheven. Manchester heeft zijne bewoners binnen 50 jaren van 50.000 tot 200.000, Glasgow de zijne, binnen diezelfde tijdruimte, van 40.000 tot 150.000 zien klimmen, en daarenboven in zijne nabijheid eene nieuwe stad van 50.000 ingezetenen zien verrijzen. Toen in 1762 Gr. Britanje en Ierland 15 millioenen inwoners telden, was het aantal der met de hand werkende arbeiders 4 millioenen, of iets meer dan ¼ der geheele bevolking. In 1818 beliep deze 18 millioenen, en het getal der arbeiders was vergroot tot de 6 millioenen, of bedroeg nu ⅓ der bevolking. Het getal der met de hand werkende arbeiders was dus, juist gedurende het tijdperk van het opkomen en vermenigvuldigd gebruik der machines, in eene snellere progressie toegenomen dan de volksmenigte.
De voorhandene arbeiders kunnen:
2e) werk vinden bij onderscheidenen bedrijven van voortbrengende volksvlijt, die minder vatbaar zijn voor de toepassing van machines. Zoodanige bedrijven zijn altoos aanwezig, en zetten zich uit, of er vormen zich nieuwe, zoodra, ingevolge de invoering der machinerie bij andere verrigtingen, de inkomsten, de consumtie, de behoeften en het kapitaal toenemen. De vervaardiging der machines zelve, en van derzelver toebehoor, verschaft wederom aan een aantal menschen werk.
3e) Eindelijk schiet voor de leden der arbeidende klasse nog over, dat zij zich toewijden aan het bewijzen van onderscheidenen diensten, welke, zonder stoffelijke goederen voort te brengen, strekken, om aan anderen persoonlijk gerief of gemak te bezorgen. Hiertoe behooren b.v. de beroepen van leeraar, van kunstenaar, toneelspeler of muzykant, van arts, van wondheler, van bode, koetsier en ontelbare andere. Deze standen moeten onderhouden worden uit het zuiver inkomen der overige, en kunnen derhalve eene des te grootere menigte van menschen voeden, naar mate met den aanwas van het zuiver inkomen het vermogen en de behoefte der burgers, om deze diensten in te roepen, zich uitbreiden.
De machines besnoeijen derhalve op den duur geenszins de gelegenheid, dat eene even talrijke klasse van arbeiders zich staande houde. Het schijnt integendeel, dat de groote voordeelen der machines, de goedkoopte der waren, de mogelijkheid, door haar aangebracht, dat ongezond en bezwaarlijk werk aan de menschen afgenomen worde, en personen van eenen hoogeren aanleg de vervaardiging van goederen met andere nuttige bezigheden verwisselen kunnen, in de eerste plaats en wel voornamelijk door de leden der arbeidende klasse genoten worden.
Intusschen kunnen uit de invoering van nieuwe machines stremmingen ontstaan. De arbeiders, door dezelve uit hun werk, dat zij tot dus ver verrigten, gestooten, vinden niet dadelijk eene andere bezigheid, of zijn, al vonden zij die, niet dadelijk tot derzelver uitoefening in staat. De overgang van den éénen tak van nijverheid tot eenen anderen kan niet plotseling, niet zonder onderscheidene hinderpalen te overwinnen, gebeuren. Welken trap de ongemakken, ja de onheilen, het gebrek van aan lediggang ter prooi gelatene arbeidershuisgezinnen hieruit voortvloeijende, zuilen bereiken, hangt van de omstandigheden af. Men zou tevergeefs trachten, zulke verlegenheden te verhoeden, daar de vermeerdering der machines met de vordering van kennis en met de vergrooting des kapitaals in een noodzakelijk verband staat. Het is als een magtige stroom, die, zich eens zijn bed gedolven hebbende, door geenen tegenstand meer kan worden opgehouden, en door alle beletselen heen zijnen weg vervolgt. Geen volk mag, ten aanzien van de invoering der machines, bij het ander achter blijven, wil het niet een aanmerkelijk deel zijner nijverheidsbedrijven naar vreemde landen zien verhuizen. Men behoort dus zoodanige, met het gebruik van nieuwe machines gepaarde, rampen, welke in allen gevalle van korter duurzaamheid zijn, dan de voordeelen, aan te merken als onvermijdelijke opofferingen. die ten behoeve van de verhooging des rijkdoms worden gedaan.
II. Beoordeelt men de machines alleenlijk in hare onmiddellijke betrekking tot het onderhoud van een grooter of geringer aantal van arbeiders, zoo kan deze korte beschouwing geacht worden, er de slotsom van te behelzen. Dan de uitwerkselen der machines verdienen in eenen ruimeren kring te worden overzien. Zij verdienen te worden nagegaan in derzelver verband met den geheelen huishoudelijken en maatschappe1ijken toestand der natie.
1. Door het overhand nemen der machines worden de arbeiders bepaald bij een eenvoudig en eenvormig werk, doodelijk voor de ontwikkeling van geest en ligchaam, en dat hen veelal ongeschikt maakt voor verandering van bedrijf. Hierbij komt, dat de machines aanleiding geven, om kinderen, tot onherstelbare schade voor hunne ligchamelijke en zedelijke vorming, tot gestadigen arbeid aan te houden.
Onze eeuw verlangt eene zorgvuldige uitbreiding van kundigheden onder de leden der arbeidende klasse. Dit wordt verlangd ten den zelfden tijde, dat de nijverheid eene rigting krijgt, om in de massa der arbeiders de minst mogelijke kennis en beschaafdheid te onderstellen, om hen aan derzelver noodzakelijkheid voor zich zelven, en voor hunnen kinderen, grootelijks te doen twijfelen, om hen, als deelen eener groote machine, tot louter machinale, kunstelooze hulpverrigtingen te veroordeelen.
In dat stel van werkzaamheden, waarin de machines het overwigt hebben, wordt voorts aan den arbeider meestal de gelegenheid afgesneden, om zijnen toestand langzamerhand te verbeteren. De trapsgewijze onderscheiding der arbeiders, en de mogelijkheid van op te klimmen, vallen meer en meer weg. De werklieden komen niet meer volgens hunne individuele bedrevenheid, maar slechts volgens hun getal, in aanmerking. Elk arbeider kan door elk ander worden vervangen; en die zijn plaats verliest, is onbekwaam voor een ander soort van werk. De arbeider wordt aldus van alle zelfstandigheid beroofd. Hij geraakt in eene, bijkans slaafsche, afhankelijkheid van den meester of ondernemer. Hoe geringer of gemeener de van den werkman gevorderde bekwaamheid is, des te onverbiddelijker wordt met hem over zijn dagelijksch brood bij afslag gedongen. Bij de ambachten of manufacturen, die de omwenteling, door de machines aangebragt, nog niet ondergaan hebben, is de afstand tusschen den arbeider en ondernemer niet onoverkomelijk. De eerste kan bij vlijt, ijver en bekwaamheid, onder begunstigende omstandigheden, hopen, den meester al nader en nader op zijde te komen, en eindelijk zelf ondernemer, al is het dan ook in een klein bestek, te zullen worden. Bij de op machines gegronde fabrykatie blijven de arbeiders door eene onafzienbare kloof van den ondernemer gescheiden. Bij de handwerken behooren meester en werklieden tot éénen en denzelfden stand. Zoodra echter de vorm van bedrijf door de toepassing van machines veranderd wordt, kleine manufacturen en fabryken in groote wijdluftige ondernemingen omgezet, en vele ambachten fabrykmatig behandeld worden, dalen de arbeiders, zonder kans of uitzigt op verheffing, tot de minste rangen der maatschappij af, terwijl daarentegen de ondernemers, de middelklasse voorbij strevende, zich meer en meer aan de hoogere standen aansluiten. Wat is het gevolg? De middelklasse der nijvere burgers wordt gevoelig gekortwiekt, hare leden worden al minder en minder in getal, haar bloei en aanzien raken aan het kwijnen.
Ik behoef niet te betoogen, M.M.H.H., van hoe groot gewigt zulk een ligchaam eener talrijke, zelfstandige en noeste middelklasse voor huishouding, maatschappij en Burgerstaat, onder het opzigt van duurzamen welstand en verkeer, van maatschappelijk volksgeluk en beschaving, van publieke orde en finantiele hulpmiddelen is. Het is de band tusschen de hoogere en laagste klassen des Staats, welke, door het verval van den middelstand, zoo niet verbroken, althans losser gemaakt en deerlijk verzwakt wordt.
2. De hervorming, welke de nijverheid door de invoering der machines ondergaat, brengt het vermogen in de handen van weinigen. Het is de strekking van den nieuweren tijd, sedert de fransche omwenteling, om de ongelijkheden van huishoudelijke, van burgerlijke en staats-betrekking zooveel mogelijk te vereffenen. Datzelfde beginsel is, sedert, inzonderheid op de landhuishouding toegepast, en de splitsing van groote landeigendommen in vele kleine door den geest des tijds, door de omstandigheden en door wettelijke maatregelen met nadruk en opzet begunstigd geworden. Onder de voordeelen, waardoor deze verdeeling zich aanbeveelt, is niet het geringste, dat dezelve het aantal der dagloonersgezinnen vermindert, wier toestand noch voor hunne eigene tevredenheid, noch onder een huishoudelijk opzigt, wenschelijk en bevorderlijk mag geacht worden. De dagloonersfamilies zweven, van wege haar onveranderlijk bekrompen inkomen, in gestadig gevaar van door rampspoeden in armoede en ellende te worden gestort: zij zijn verpligt, om van menigerlei noodige geriefelijkheden en genietingen af te zien; zij hebben noch den ijver van voortbrenging, noch de verkleefdheid aan het vaderland, aan de wetten, aan de publieke rust en orde, welke de grondeigendom inboezemt. Gelijksoortige voordeelen vergezellen die splitsing van industrieel kapitaal, waardoor zich de ambachten van de fabryken onderscheiden. De ambachtsman, die tevens meester en werkgever is, trekt, behalve zijn arbeidsloon, de rente van zijn kapitaal, en de winst op het bedrijf. Hij geniet dus een drievoudig inkomen; zijn toestand is oneindig gunstiger, dan die van den gemeenen werkman voor loon: hij heeft een ruimer genot van goederen, hij kan meer doen voor zijne beschaving, iets opleggen, en aan zijne kinderen eene betere opvoeding bezorgen. Gaat men te rade met de doelmatigste verdeeling des inkomens, zoo is buiten twijfel het bestaan van vele kleine ondernemers nuttiger, dan wanneer slechts weinige ondernemers, en nevens dezelve zeer vele daglooners, aanwezig zijn.
De heerschappij der machines, en de nieuwe regeling, door haar aan de nijvere wereld gegeven, druischt tegen deze beginselen en bedenkingen aan, en heeft de omgekeerde strekking. Het is opmerkelijk, dat ten zelfden tijde, op welken leer, publieke meening, zeden en openbare instellingen als 't ware zamenspannen, om eene gelijkmatige verdeeling van welzijn, regt en vermogen te bevorderen, in de nijverheid eene orde van zaken stand grijpt, welke de moeder is van de grootste en schreeuwendste ongelijkheid. Terwijl men in de betrekkingen van Staat en vast bezit het belang van velen doet gelden tegen alle zoogenaamde aristocratie en monopool, tegen alle overgewigt van éénen of weinigen, terwijl de vreeselijke opstand van geheele volken tegen deze bezwaren en schrikbeelden nog versch in het geheugen ligt, steekt over het gebied der nijverheid de meest uitsluitende bevoorregting het hoofd op, om andermaal, strenger dan ooit, velen te onderwerpen aan weinigen. De vermeerdering van kapitaal, welke de machines onderstellen, en welke, omgekeerd, door de machines bevorderd wordt, is voornamelijk vergrooting van het vast kapitaal. Grondeigendommen kunnen gesmaldeeld, en in kleinere stukken ontbonden worden, aan het omloopend kapitaal kan een onbepaald aantal ondernemers deel erlangen: maar het is niet eveneens gelegen met die groote industrieele ondernemingen, welke op een vast kapitaal van overkostbare machines en uitgestrekte gebouwen gegrond zijn. In stede van aan deeling onderhevig te wezen, streven deze veeleer, om, met onderdrukking van elke kleine of middelmatige inrigting, allengs meer en meer te omvatten, en een zeer beperkt aantal van hoofden en kapitalisten in de handen te vallen. In diezelfde mate echter, als kapitaal en onderneming in het groot bijeen, of geconcentreerd, blijven, groeit noodzakelijk de menigte der burgers zonder vermogen, en zonder ander inkomen, dan arbeidsloon, aan.
Het arbeidsloon rijst in den regel niet hooger dan tot de maat van het streng noodwendige, om er het leven bij te houden. De arbeidsman kan weinig of niets opleggen, en moet bij den dag leven. Hoe kleiner het aantal der ondernemers is, en hoe hooger zij in stand en rijkdom boven den gemeenen arbeider verheven zijn, des te nadeeliger en onderdrukter wordt zijne betrekking tot de werkgevers, des te harder is het gebod, dat zij hem voorschrijven, des te meer wordt onophoudelijk het loon besnoeid.
Deze onevenredigheid en worstelstrijd tusschen de hoofden van den fabrykstaat, en de massa der arbeiders, welke door de hedendaagsche strekking der industrieele kunst voor het vervolg bevestigd, en ten nadeele der loontrekkende menigte beslist is geworden, mag men teregt als één der diepste en gevaarlijkste wonden van het maatschappelijk ligchaam aanmerken. Eene vaderlijke regering moge er mede begaan zijn, de beste instellingen van Staat mogen er hare vleugelen over uitspreiden, zij kunnen er het leed van verzachten, maar niet genezen of wegnemen. De kwaal zou voorwaar reeds schromelijk genoeg wezen, zoo zij bleef bij de beperking van een groot, en steeds grooter wordend, gedeelte der natie binnen een hoogst benard en zorgelijk bestaan, vol gemis en druk; dan zij leidt verder.
De toestand der bloot loontrekkende burgers grenst onmiddellijk aan armoede. Deze zoo nabijgelegene grens zal des te menigvuldiger en gemakkelijker worden overschreden, hoe aanzienlijker de menigte der bij arbeidsloon bepaalde personen is, en hoe meer de fabrykmatige arbeid de overhand krijgt, die, veel onzekerder en wisselvalliger, dan andere winstbedrijven, aan gedurige ebbe en vloed onderhevig is.
Het is onbetwistbaar, dat met behulp der machines het nationaal inkomen vergroot wordt. Doch het is niet alleen de hoegrootheid, het is tevens de wijze van verdeeling, welke bij de beoordeeling van den nationalen welstand in aanmerking behoort te worden genomen. Is die verdeeling zoo ongelijk, dat aan een gering aantal burgers een overgroot deel, en daarentegen aan de leden eener overgroote meerderheid niet meer, dan het allernoodzakelijkst inkomen voor een bekrompen onderhoud, te beurt valt, zoo wordt het evenwigt verbroken, en de aanwas van den rijkdom kan althans niet gezegd worden de natie in haar geheel te voeden en te doen bloeijen. Breidt zich, in weerwil der vergrooting van de som des nationalen inkomens, het getal der burgers nog uit, hetwelk aan dat inkomen geen genoegzaam deel krijgt, om zelfs in de eerste noodwendigheid te voorzien, zoo neemt met den rijkdom de armoede in den Staat toe. Dat zulk een bedroevend verschijnsel met de hedendaagsche inrigting der nijverheid bestaanbaar is, ja dat zij het koestert en bevordert, bewijst het voorbeeld van het hoofdfabrykland der wereld, het voorbeeld van Engeland.
Men berekent, dat van de gezamenlijke som der nationale inkomsten van geheel Europa Gr. Britanje alleen 1/5 zich verwerft. Dan zoo ongelijkmatig wordt deze ontzagchelijke rijkdom over de leden des Engelschen volks uitgestort, dat onder 100 ingezetenen 40 behoeftigen worden aangetroffen. Alleen de jaarlijksche gemeenteuitgaven ten behoeve der armen beloopen 70 millioenen guldens. De waarheid, die bij de Engelsche natie in kolossale omtrekken uitkomt, wordt door ons rijk in het klein bevestigd. Luxemburg heeft van 100 bewoners slechts éénen arme, Drenthe slechts 4, Groningen en Overijssel niet meer dan 6, Noord-Braband 7; de rijkste provinciën daarentegen, en die, waarin de manufactuurnijverheid bij voorkeur gezeteld is, hebben, tengevolge van eene min volkomene verdeeling des inkomens, veel meer behoeftigen te verzorgen, Oost-Vlaanderen van de 100 ingezetenen 11, West-Vlaanderen 17, Luik 19, Henegouwen 20, Zuid-Braband 25. In de Nederlanden worden jaarlijks aan het armenwezen, tot onderstand van meer dan 1/7 der bevolking, 12 à 13 millioen Guldens te koste gelegd.
Men zegge niet, dat de last eener grootere armoede, nevens eenen grooteren rijkdom geplaatst. ook des te gemakkelijker gedragen wordt, of, dat het vermeerderde inkomen, door de vermogenden genoten, hun de middelen verschaft, om in het overhand nemend gebrek hunner behoeftige medeburgers te voorzien. Is dan met de nooddruftige verzorging alles gedaan en goedgemaakt? Staat het gelijk, arm en verzorgd te wezen, of niet rijk te zijn en eene verzorging door vreemde menschen niet te behoeven? De vader des huisgezins wiens arbeid zijne familie voedt, heeft een besef van tevredenheid, van eigenwaarde, van zelfstandigheid en veerkracht, dat hem de waarneming aller zijner pligten verligt, dat hem zijn vaderland doet liefhebben, en hem zijne eigene menschelijke ontwikkeling en de opvoeding zijner kinderen doet behartigen. De arme daarentegen, wien het dagelijksch brood door de openbare of particuliere liefdadigheid wordt toebeschikt, wien van alle zijne pligten slechts het gevoel eener drukkende, soms wrevelige, dankbaarheid overig blijft, door welken band gevoelt hij zich aan de maatschappij geboeid, van welke hij nauwlijks in naam lid is, van welke hij afhangt, zonder haar nuttig te zijn? Den zegen eener ouderlijke zorge en opvoeding had hij aan zijne kinderen niet doen kennen; want ook dezen hangen meer van vreemde weldaden, dan van de ouderlijke liefde af. Eens zoover gekomen, ontzinkt hem de moed; hoop, lust en ijver worden in hem, en in zijne kinderen, welligt voor eenen geheelen leeftijd, verdoofd; zoekt de gelegenheid tot gebruik zijner krachten hem nog weder op, hij zoekt ze niet meer; hij ontwijkt ze, of laat ze traag en zorgeloos varen.
De verderfelijke gevolgen van zulk eene gesteltenis voor de zedelijkheid, voor de beschaving, voor de veiligheid en het regtsbestaan, voor eene doelmatige opleiding van het jeugdig geslacht, behoef ik niet uiteen te zetten. Zelfs de ruimste en best bestuurde armenzorge kan het hoofdgebrek in de verdeeling der jaarlijks verworvene goederen niet uitwisschen of opwegen, wanneer een aanmerkelijk deel der burgers zijne benoodigdheid niet als de vrucht van eigen vlijt, maar van de milddadigheid, als een geschenk om Gods wil, ontvangt. Het is de hoogste bestemming eener goede en welvarende huishouding, niet, dat veel voortgebragt en verworven worde, maar dat elk aan de voortbrenging en verwerving in die evenredigheid deel neme, welke hem in staat stelt, om zich, boven de nooddruft, nog eene behoorlijke genieting van uitwendige goederen des levens, door een regelmatig gebruik zijner vermogens, te verschaffen.
De vraag is niet, M.M.H.H., of wij de merkwaardige omwenteling, welke de nijvere wereld door de toepassing der machines ondergaan heeft, goed- dan afkeuren, of wij ze zullen aannemen, dan verwerpen. De omwenteling is gebeurd; hare gevolgen werken voort, en zijn op lang na nog niet tot rijpheid gekomen. Zoo groote gebeurtenissen behoeven een verloop van eeuwen, om al hare uitwerkselen, in strijd en in gemeenschap met het geheele zamenstel der menschelijke zaken, te ontvouwen. Dan is het van het hoogste belang, ons met den stroom van zulk eene gebeurtenis niet blindelings en werkeloos te laten afdrijven; maar haar met kennis en inzigt van den beginne af toe te lichten, en waakzaam gestadig op zijde te blijven. Dit geeft ons de bevoegdheid om te handelen. wanneer het noodig en tijd is; dit verleent ons de magt om te regelen, waar wij anders minder dan werktuig zouden zijn; en hieruit spruit eindelijk het beleid voort, om de krachten, welke de huishouding der volken bewegen of beroeren, naar die streek te wenden, dat zij, in stede van ons mede te slepen, met de gezamenlijke vorderingen van een welgeordend, naar innerlijke overeenstemming strevend, maatschappelijk bestaan gelijken koers houden.
Gent, 1830