Men heeft aan Guizot ,,une politique d’orateur plus que d’homme d’action” toegeschreven. Ik ben geneigd aan te nemen, dat de Minister meer het laatste dan het eerste dient te zijn. Staatsman is niet, die redevoeringen houdt, maar die proeven van Staatsbeleid gaf; hij wordt uit zijn doen gekend. Hij regeert minder door zijn woord, hoe groot ook de werking daarvan zij, dan door zijn karakter en het vertrouwen, dat hij, handelende, inboezemt.
Evenwel moet hij, in den constitutionelen Staat, een man van parlementaire discussie wezen. De discussie, welke de Minister in het Parlement te voeren heeft, is zijne verantwoording; bestemd om zoowel de beginselen, die hem leiden, als de redenen zijner voordragten en daden te verklaren. Hoe minder kunst, hoe beter.
Macaulay beweert ergens, meen ik, dat groote, politieke redenaars zich om de gronden van hetgeen zij zeiden weinig bekommerden; zoo zij hunne hoorders slechts medegesleept en getriumfeerd hadden. Het gold niet, licht te geven, maar te verblinden. Zulk effect kan rhetorische of tooneelwaarde hebben, parlementaire waarde heeft het niet; en wat van den Minister zeggen, die het najaagt? Hij is de eenvoudige waarheid aan de Vertegenwoordiging en aan het publiek schuldig. Geen vleijen van de algemeene opinie of den geest van den dag. Geen betoog, geene verklaring, van wier juistheid hij niet overtuigd is. Den indruk, dien hij sprekende maakt, zal niemand onverschillig noemen; maar spreekt hij enkel voor het oogenblik? De proef op de som is, of zijne redenen later nog van echt metaal, treffend en beslissend blijken te zijn. Ook den Minister, hoe kortstondig zijn aanwezen zij, mag het κτῆμὰ τε ἀεὶ μᾶλλον, ἢ ἀγώνισμα ὲς τὸ παραχρῆμα ἀκούειν, [1]
De reeks der hier verzamelde redevoeringen is een deel geschiedenis van een ,,liberaal” Ministerie, in den aanvang van 1862 uit de parlementaire oppositie sedert 1853 voortgekomen. De stroom keerde in zijn natuurlijk bed terug. De Ministerien van den tusschentijd, 1853—1862, achtte men aan zwakte, aan een te kort van moreel gezag, bezweken. Zij hadden ons niet zoozeer door eigen daad verder gebragt, als door hetgeen zij der oppositie aanleiding gaven te doen. Men wachtte of vreesde, onder ,,liberaal” beleid, herleving van scheppend en regelend vermogen; een Ministerie, dat niet alleen levenskracht bezitten, maar wekken zou. Dat men evenwel geene reactie te voorzien had, bleek spoedig. Zoo men aan conservatieve Gouvernementen verwijten kon, oppositie tegen hunne voorgangers te maken, ja oppositie meer dan regering te zijn, het Ministerie van 1 Febr. 1862 vatte de zaken aan op den weg, waarop het die vond, om ze, zonder schok of stoornis, tot goede uitkomsten te brengen.
Dit kon evenwel de oppositie niet ontwapenen, en hierom was het ook niet te doen. Inderdaad bleef er tusschen haar en de Regering, zoo men al wat persoonlijk mag heeten en verschil van meening over bijzondere onderwerpen ter zijde stelt, een antagonisme van praktisch regeringsbegrip, omtrent hoofdpunten, die men slechts behoeft aan te stippen om te doen gevoelen, dat de strijd niet bij te leggen was. Omtrent het Koningschap in verband met ministeriële verantwoordelijkheid, omtrent de regten der Vertegenwoordiging, de heerschappij van gemeen regt, de betrekking der Landsoverheid, wetgevende en besturende, tot het politiek en sociaal volksbestaan in zijne onderscheidene vertakkingen, tot de kerkgenootschappen inzonderheid, omtrent het koloniaal bestuur, huldigde de oppositie andere stellingen of neigingen, stellingen van een vorig tijdvak, dan het Gouvernement. Zóó scherp gescheiden, zelve magteloos om te sturen, en zich toch in de erkende noodzakelijkheid, om den stuurman aan het roer te laten, niet schikkende, ontaardt oppositie ligt in persoonlijke partijzucht; ontdekt zij bij elke schrede, welke de Regering doet of niet doet, stof tot kritiek, en vindt zij ten laatste niets meer goed. Geen verschil met de Regering, zelfs in kleinigheden, dat zij niet ijverig omhelst.
Dat het Ministerie de numerieke meerderheid had en behield, zou luttel waarde hebben, zoo ze niet de morele meerderheid tot grond had; de morele meerderheid, welke de Minister, al is hij niet uit de andere voortgekomen, bezit, wanneer de waarheid, het regt, de eischen eener noodzakelijk geworden ontwikkeling aan zijne zijde zijn; wanneer hetgeen hij wil, zijn stelsel, zijn beleid eene bezielende magt worden.
Een ,,liberaal” Ministerie noemende, meen ik niet eene partij-regering; schoon ik mij den naam laat welgevallen, zoo men dien in onzen geest wil opvatten. En dan is het kenmerk van een liberalen Staat en een liberaal Gouvernement, dat zij de ontwikkeling van zelfstandige kracht bevorderen; zelfstandige kracht in provincie, gemeente, vereeniging en individu. Bevorderen, dat heet de algemeene voorwaarden scheppen, waaronder die ontwikkeling mogelijk wordt.
Wil dit zeggen, dat de Staat voor alles te zorgen, alle kwalen en gebreken der maatschappij te genezen hebbe? Willen wij op een omweg terugkeeren tot den toestand, waarin ieder gezellig werk leven, wijding en zegel van de regering des Staats scheen te moeten ontleenen? Integendeel. Eene eerste wet is onthouding; onthouding van hetgeen zijne roeping als regtsvereeniging te buiten gaat. Het zijn in wezen, bestemming en middelen andere levensmagten dan de Staatsmagt, welke de kerk, het onderwijs, wetenschap, kunst, maatschappelijk te vormen en te besturen hebben; magten in wier sfeer burgerlijk overheidsgebod of dwang niet te pas komt. Met deze en zoovele andere sociale belangen, regeling van stoffelijken
arbeid en goederenverkeer, in aanraking, van alle kanten gedrongen door vragers, niet zoozeer om vrijheid, die den wil om zich zelven te helpen onderstelt, als om bijstand van het gezag, ondervindt de Staat, dat onthouding soms grooter kunst dan handelen is. Ook zou hij, op eenmaal zich binnen zijne grenzen terugtrekkende, leemten in de zamenleving doen ontstaan, die een algemeenen stilstand of achteruitgang zouden veroorzaken. Intusschen is het een eisch van liberale regering, dat de Staat hetgeen niet tot het gebied van het regt behoort meer en meer aan anderen overlate; en dien eisch hebben wij zooveel mogelijk betracht. Het was de toeleg, aan de beweging van nijverheid en handel de meest vrije baan te openen, en haar enkel op eigen energie te laten vertrouwen; voor werken van algemeen nut den arbeid en de kapitalen van particulieren op te roepen; aan de kerkgenootschappen een stand te verzekeren, waarbij hun de volle onafhankelijkheid van privaatregtelijke vereenigingen gewaarborgd, en alzoo het geen men scheiding van Kerk en Staat noemt in zijn ware beteekenis, zuiverder en ronder dan tot dus ver in eenig europesch Land, voldongen wordt; de zorg voor onderwijs, boven alle het middel om zelfstandig leven te wekken, hoofdzakelijk te bepalen tot het vermeerderen der gelegenheden om het op lager en hooger trap te erlangen; geen voogdij over de leer, noch schooldwang; bij vrijheid van ieder om, nevens de openbare, anders geregelde instellingen te vestigen, met onderwijzers, wier bekwaamheid volgens het gemeene regt bewezen zij; een waarborg, eveneens voor de uitoefening van andere gewigtige beroepen of diensten gevorderd; wetenschap en kunst van de officiële bescherming te verlossen; en over het algemeen, aan de maatschappelijke werkzaamheid wat hare taak is toekennende, vermenigvuldiging van scheppend vermogen te bevorderen.
In welke maatregelen van wetgeving en bestuur zich dat karakter eener liberale regering zal kunnen openbaren, hangt op elk tijdstip van velerlei omstandigheden af. Een zelfde maatregel, b.v. uitbreiding van het stemregt, kan in den eenen toestand liberaal, in den anderen doodend voor de vrijheid zijn. Zoo soms eene negatieve rol, opruiming van versperringen, overblijfselen eener verouderde orde, voldoende is, een andere tijd gebiedt nieuwe beginselen, regels, instellingen te vestigen. Maar de geest en wil eener Regering moet onder alle omstandigheden blijken. Dat in allen gevalle, terwijl de zoogenaamde conservatieve politiek een zinkend leven tracht te behouden of terug te roepen, vernieuwing, hervorming, wasdom niet dan uit eene liberale bron voortkomt, getuigt ook de geschiedenis van onzen tijd, niet enkel in ons Land.
Is echter de tijd van wasdom ook voor de constitutionele, - dat is, de liberale Monarchie met Volksvertegenwoordiging, niet reeds verstreken? Beantwoordt zij nog aan de tegenwoordige eischen van volks- en individuële vrijheid?
De constitutionele Monarchie is aan misbruik en bederf onderhevig, voor zooveel zij niet in alle omstandigheden een volkomen waarborg aanbiedt voor het regte gebruik van de regeermagt of van de vrijheid.
Aan de Kroon behoort de benoeming der Ministers. Doch een Koning kiest, zonder op den eisch van den toestand of de Landszaak te letten, zonder te bedenken dat de Ministers met de Vertegenwoordiging te handelen hebben en daar zedelijke magt moeten zijn, uitsluitend naar individueel welbehagen.
De Vertegenwoordiging is meesteres, de voordragten van begrooting en andere wetten af te keuren. Doch zij verwerpt, niet van wege zware grieven tegen het ministerieel beleid, die voortgezette zamenwerking onmogelijk maken, maar om in nieuwe Ministers onderdanen te erlangen.
In beide gevallen stoort men, zoo handelende, door uitoefening van een formeel onbetwistbaar regt den regelmatigen gang der constitutionele regering. Men stelt dan zelfzucht in de plaats van het algemeen belang, op welks grond alleen die regten toegekend zijn. Men vervalt dan in het misverstand, publieke regten uit te leggen en toe te passen als waren het privaatregten; als kwame het, gelijk bij de laatste doorgaans, in de politiek enkel op de vraag aan:
wat is mijn regt? en niet vooral op het gebruik, dat men van zijn regt maakt.
In de constitutioneele Monarchie is de Kroon eene zelfstandige magt, en is de Volksvertegenwoordiging eene zelfstandige magt; maar zelfstandig gelijk in een ligchaam de leden. Verwart men zelfstandigheid met volstrekte onafhankelijkheid, doet elke magt, alsof zij alleen en de eenige ware, haren wil gelden, dan wordt het organiek verband geheel verbroken.
Het is een Koninklijk regt, de Kamers te ontbinden, opdat in buitengewone gevallen eene nieuwe verkiezing tusschentijds mogelijk zij. Moet nu dat regt dienen niet om een grooten maatregel aan eene nieuwe proef te onderwerpen, maar als middel van dwang om aan een veroordeeld Ministerie, tot persoonlijk behoud, eene volgzame meerderheid te verschaffen, dan wordt het hoogste beroep op het volk de ergste verkrachting der constitutionele vrijheid.
De Minister kan niet dan in overeenstemming met het parlement besturen, en hij is verantwoordelijk aan het Parlement. Wordt dit zoo begrepen, dat hij dienaar der meerderheid is, blijft het niet vaststaan, dat het Gouvernement dienaar is van de Landswet en het Landsbelang, geroepen tot uitoefening van de regten en pligten der Kroon naar eigen begrip en overtuiging, niet naar de begrippen of den wil van anderen, Vorst zoo min als partij, dan gaat een der hoofdorganen en waarborgen der constitutionele Monarchie, en de ministeriele verantwoordelijkheid zelve te niet.
Beperkt men, door vooropstelling van een persoonlijken wil van den Vorst, de ministeriële verantwoordelijkheid, dan legt men eene brug voor autocratie, en tast men het wezen van den constitutionelen Staat aan, dat op volle, onverdeelde aansprakelijkheid van het Bewind rust.
Ondanks deze gevaren en afwijkingen, die wij bij ondervinding leerden kennen, heeft de praktijk mij in het geloof aan de constitutionele Monarchie bevestigd.
Moest ik hare hoofdtrekken aanduiden, ik zou noemen:
- Zelfstandigheid der monarchische regering met onbeperkte parlementaire verantwoordelijkheid der Ministers;
- Vrijgekozen volksvertegenwoordiging, zelfstandig, naar eigen inzigt en oordeel besluitende, zonder eenigen band met de kiezers; de algemeene wetgeving gezamenlijk met het monarchisch gezag uitoefenende, maar zonder deelneming aan de uitvoerende magt, wier werking zij, door middel der ministeriële verantwoordelijkheid, controleert;
- Selfgovernment van provincien en gemeenten, leden van het geheel en als zoodanig ondergeschikt, doch tot automatische ligchamen geformeerd met eigen Vertegenwoordiging naar het beeld en onder de hoede van dat geheel.
Men gevoelt, dat ik spreek van onze moderne constitutionele Monarchie op het vasteland. Hetgeen krachtens particulier engelsch gewoonteregt in Grootbritanje bestaat, een Parlement met onbepaalde bevoegdheid, vermenging van wetgevende en uitvoerende magt, het Ministerie vertegenwoordiger van het Lagerhuis en eene partij, elders na te bootsen en als wetgevende gedachte tot voorbeeld te nemen, ware een erg misverstand.
Op de aangeduide grondslagen gebouwd, schijnt mij de constitutionele Monarchie de meest of rijkst georganiseerde aller tot dus ver bekende Staatsvormen; die de grootste mate van vrijheid verdraagt; zonder haar wezenlijk karakter te verliezen, voor velerlei verscheidenheid van ontwikkeling van maatschappij, politieken geest en regering zoowel, als gestadigen vooruitgang, vatbaar; het gelukkigste zamenstel om de harmonie van algemeene en bijzondere belangen te vinden. Geen ander Staatswezen bezit zooveel elasticiteit, noch in die mate de middelen om, bij strijd of stoornis, regering en vrijheid in hare juiste werking te herstellen. Geen Staat, waarin de aristocratie van het verstand zoovele kansen heeft op hare plaats te komen.
Aan de constitutionele Monarchie zou ik dus een langer leven durven voorspellen, dan zij doen, in wier oog ze reeds bezig is zich in eene andere, meer bestendige, definitieve gestalte der burgermaatschappij op te lossen.
De ongelegenheid en de valsche proefnemingen, waarin hare praktijk niet zeldzaam verviel, de onregelmatige afwisseling van ebbe en vloed, waaraan zij onderhevig was, de natuurlijke wankeling van een nog niet volwassen gestel, hebben haar krediet geschaad, en de republiek, een ligt op te vatten, verleidelijk, populair denkbeeld, als doel en nabij doen aanmerken. De republiek vleit de menigte, die in den Staat niet méér ziet dan regten en belangen van individus; zij schijnt het laatste woord onzer politieke opvoeding; de vorm, waarin zonder verder zoeken en strijden, zonder veel kunst van organiseeren of regeren, ieder, gelijk elk volk, meester van zijn lot zal zijn, en allen op eenmaal alles in hun bereik zullen hebben. In de constitutionele Monarchie moet men den regten tijd afwachten en geduld oefenen; zij moet op getrouwheid van het denkend deel van het publiek en steeds op hoofden kunnen rekenen, in staat haar te beschermen en naar de behoefte te volmaken.
Wie wil verzekeren, dat deze gebreken en eischen de toekomst eener instelling niet zullen verstoren, die bij hare opkomst een duurzaam tijdvak van welvaart, vrijheid en beschaving aan de volken scheen te beloven? Evenwel meen ik in haar nog te veel groeikracht te ontwaren, dan dat ik, zelfs bij toenemende verschijnselen van zwakheid of dyskrasie, aan herstel zou mogen wanhopen; genegen, de laatste eer aan ontwikkelingsziekte, dan aan ontbinding toe te schrijven.
In de schatting van hen, wier eerst en eenig beginsel is, dat de volkswil onbepaald regere, is de constitutionele Monarchie eene kunstige beperking, die voor den drang der republikeinsche vorderingen weldra wijken moet.
Inderdaad staat deze theorie van den onbeperkten volkswil niet minder scherp, dan van den anderen kant autocratie, tegen het stelsel der constitutionele Monarchie over.
Is het alleen de vraag, wat het volk of de meerderheid wil, dan vervalt de vraag naar hetgeen regt, waar, goed en uitvoerbaar is. Met het feit eener verklaring van den wil des volks is alles beslist. Geen zelfstandige Vertegenwoordiging. Kiest het volk afgevaardigden, hunne rol is, zich door de kiezers te laten besturen. Het volk mag niet, zoo oordeelt men volkomen te regt, werktuig in de hand der Regering zijn; maar Regering en Vertegenwoordiging worden enkel werktuigen in de handen des volks.
De constitutionele Monarchie kent éénen absoluten wil niet; zij bestaat in een verband van elkander wederkeerig beperkende organen, aangelegd om met vrijheid zamen te werken tot eene wetgeving en een bestuur, die aan de eischen van een juist, regtvaardig, nationaal verstand beantwoorden. Geregeld, beraden initiatief en overleg van wetten of andere maatregelen, uitvoering en verantwoordelijkheid zijn in den constitutioneel monarchischen Staat beter, dan in eenigen anderen, verzekerd. Maar is hij niet aan politieken vooruitgang van de volksmagt, de bron van hetgeen de Staat worden en scheppen kan, in den weg? Is hij met gestadige uitbreiding van het kiesregt, naar gelang van toenemende verspreiding van kennis en verhoogden burgerzin, in strijd? In het minst niet; hoe meer algemeene deelneming eener verlichte natie aan de regering, des te sterker Monarchie en Staat.
Het is mijne meening niet, kwaad van de Vereenigde Staten van Noordamerica te spreken, wier republikeinsche instellingen uit hunne geschiedenis, gelijk de constitutionele Monarchie uit de onze, voortgevloeid zijn. Ik denk aan ons Land en de volken van het oude werelddeel in het algemeen. Toepassing op deze, zoo als wij ze tot dusver kennen, van de americaansche democratie zou mij eene niet minder avontuurlijke proefneming schijnen, als die van de constitutionele Monarchie op Noordamerica. Ik waag ook niet, op hetgeen moderne republiek voor wenschelijke en burgerlijke ontwikkeling worden kan, in gedachte vooruit te loopen. Voor als nog echter bekleedt, mijns inziens, op de ladder van Staatsontwikkeling de constitutionele Monarchie een hoogeren rang.
In allen gevalle kunnen wij, nederlanders, onder een monarchisch constitutioneel Bewind, even min naar het autocratisch, als naar het demagogisch kompas afgeleid, het vrijste volk der wereld wezen. Of de hedendaagsche zamentrekking der kleine in weinige groote Staten aan de heerschappij van constitutionele stelsels bevorderlijk zal zijn, is tot hiertoe meer dan twijfelachtig. Zij keert, voor de zamenleving der volkeren, den regel om, die voor inwendige Staatsinrigting en beleid wat men decentralisatie noemt, initiatief, autonomie, eigen beweging van de deelen, op hooger en lager trap, overeenkomstig hunne onderscheiden bestemming, als beginsel van vooruitgang vordert. Geroepen om relatief krachtiger en grooter, dan de groote Staat, te zijn, waren kleine Staten der oude en nieuwe wereld voorgangers in burgerlijke vrijheid, nijverheid, verkeer en verlichting. In onzen tijd zijn en waren zij de bouwmeesters en bewaarders van de constitutionele orde. In de groote Rijken van het vaste land zal, vooreerst althans, monarchische en militaire magt eene te breede plaats innemen, dan dat wezenlijke zelfregering de hare kan vinden. Reden te meer om, wat ons betreft, de volle werking van een stelsel te verzekeren, dat niet alleen individuële vrijheid, maar de formatie van een krachtig geheel ten doel heeft; krachtig niet enkel noch voornamelijk door overheidsgezag, maar door organieke verbinding van zijne, ieder in zijn kring zelfstandige leden, en door den opregten wil der burgerij om dat geheel te dienen en tot het algemeene welzijn bij te dragen.
Werpt men mij tegen, dat ik mij, in mijne geloofsbelijdenis, door een ideaal laat vervoeren, ik zal antwoorden, dat de werkelijkheid steeds, zooveel mogelijk, naar haar ideaal moet worden gerigt. Niemand heeft het in de hand; doch waarheen stuurt hij, die het niet in het oog heeft?
In plaats van hetgeen men op den titel leest ,,redevoeringen”, had ik, zoo het aanging, liefst ,,discussie” gekozen. Discussie, het doen gelden der redenen, welke tot vestiging van een beginsel, van een regt, van eene instelling moet leiden, drukt het karakter van hetgeen ik voordroeg beter uit. Openbare discussie in het parlement, die van de hoogten, waarop groote, algemeene, nationale belangen door de wet geregeld worden, alle ondergeschikte sferen van Staats- en maatschappelijk leven doorkruisende, soms tot de kleinste administratieve bijzonderheden afdaalt. Ministerieel-parlementair dagboek, voor zooveel het mondeling verkeer betreft; waaruit, van wege den historischen zamenhang, niet zooveel bladzijden, als ik gedacht had, weggelaten zijn. Een veel grooter aantal was vroeger, ongezien, uit de stenografische opteekening rauwelijks
afgedrukt; de verzuimde herziening is nu geschied. Men zal tevens antwoord vinden op zoo menig punt, dat in en na 1866 in
de Kamer opgehaald werd, en waarover ik niet op nieuw sprak, dewijl ik meende vroeger al wat noodig was gezegd te hebben.
Maar men zal niet vinden, dat een voor sommigen bijzonder aantrekkelijk element, persoonlijke strijd, antwoord op persoonlijke aanvallen, schoon tegenover eene vinnige oppositie niet geheel te vermijden, eene breede plaats bekleedt. Waar voorbijgaan niet vrijstond, liefst de fictie van parlementaire hoffelijkheid te baat genomen, die den tegenstander met zakelijke redenen bejegent, alsof men niet zag dat het hem om iets anders dan om de zaak te doen is.
Mag de Minister verlangen, dat men niet slechts op eenige zijner redevoeringen, maar op den geest en de harmonie van alle gezamenlijk lette? Voor historische kritiek zonder twijfel het hoofdpunt. De Minister moet zich een anderen maatstaf laten welgevallen, dan die bij den volksredenaar of het parlementslid past. Hij is gelukkig, zoo hem de eisch wacht om als wetgever gronden voor de toekomst te leggen, eene taak alzoo van scheppen en formeren; in elk geval heeft hij eene dagelijksche taak van besturen; hij heeft van al zijn doen en laten rekenschap te geven. Ieder bladzijde, ook dezer uitgaaf, getuigt zoo ik mij niet bedrieg, hoe de ministeriële verantwoordelijkheid, op zeer verschillenden, niet altijd wel
luidenden toon aangesproken, in hare volle beteekenis, met behoud van de volle zelfstandigheid des Gouvernements, in praktijk werd gebragt.
Aan een man van de wetenschap werd kwalijk genomen, - dat hij zijne studien verliet om te regeren; gij laat, zeide men, zekere en duurzame voor wisselvallige, vergankelijke uitkomsten varen. Het is waar, de politieke man wordt in en voor een bepaalden leeftijd geroepen, en iedere leeftijd is overgang naar een anderen; onze daden, de wetten die wij maken, de instellingen die wij stichten, zijn aan dien regel onderworpen. Doch wij kunnen, treffen wij het regte tijdstip, hervormers, niet omdat wij het willen zijn, maar omdat hervorming noodzakelijk is, gedachten verwezenlijken, die verder brengen; ons doen kan den weg voor nieuwe krachten banen; misschien ons volk tot een hooger trap van ontwikkeling opvoeren. Voor zooveel dit na ons blijken mogt, is ons werken blijvend.
Ilmenau, Augustus 1869.
Voetnoot:
[1] "Meer een bezit voor altijd, dan een kortstondig succes bij de aanwezige toehoorders"