ONTWERP TOT EENE NIEUWE BEWERKING DER LANDSGESCHIEDENIS

INGEVOLGE ZIJNER MAJESTEITS BESLUIT VAN D. 23 DECEMBER 1826




De geschiedenis der Nederlanden is meer geschiedenis der deelen, dan die van een geheel. Intusschen is het niet alleen de bestaande vereeniging van landsgebied, welke den grondslag eener algemeene geschiedenis der Nederlanden oplevert; maar de oorspronkelijke, en nimmer geheel ontbondene, eenheid, of althans verwantschap van volk. De beslissende invloed dezer omstandigheid vertoont zich onder andere daarin, dat onder hoe verschillende heerschappijen de gewesten ook waren verdeeld, elk gewest, met eene enkele uitzondering, ten allen tijde in gelijkvormigheid van zeden, van regtsinrigting, van belang en ontwikkeling, wezenlijk eene nadere betrekking had tot de overige, dan tot die groote rijken of heerschappijen, waartoe het mogt behoren.
        Indien dit niet ware, zoude eene algemeene geschiedenis, in den eigenlijken zin, vervallen, en men zich moeten vergenoegen met eene verzameling van particuliere geschiedenissen. Doch het is niet het eenige kenmerk van eene algemeene geschiedenis eens volks, dat het zich als één ligchaam tegenover andere Staten gedragen hebbe. De algemeene geschiedenis, in zooverre zij een onderwerp heeft, dat onderscheiden is van het voorwerp der particuliere historie, gaat aan al hetgeen betrekking heeft op den toestand der Nederlanden in haar geheel, de wederkeerige verhouding en zamenhang der deelen onderling, en het gemeenschappelijke in derzelver inwendige ontwikkeling. De algemeene geschiedbeschrijving, waar zij de provinciale gebeurtenissen aan zich verbindt, behandelt dezelve met gedurig opzigt op het verband met het ligchaam der overige gewesten; de provinciale daarentegen met gedurig opzigt op den afzonderlijken toestand van het gewest zelf.
        Vandaar, dat particuliere geschiedenissen, te zamen genomen, en volgens de gelijktijdigheid bijeengevoegd, nog geene algemeene zouden uitmaken; maar wel kunnen in deze alle particuliere geschiedenissen naar haren geheellijken afloop worden opgenomen: ofschoon zulks bij het begrip eener algemeene geschiedenis niet dadelijk vereischt wordt. Intusschen ziet men eene algemeene geschiedbeschrijving der Nederlanden, zelfs met inachtneming dezer beperking, gedrongen, om in de particuliere geschiedenis veel dieper in te treden, dan zulks bij eenig ander rijksgebied vereischt wordt: terwijl datgeen, hetwelk de gesteldheid van het geheel wijzigde, voornamelijk van de houding en lotgevallen der bijzondere provinties, niet, omgekeerd, die der provincies van een algemeene, op alle gelijkelijk werkende, oorzaak oorspronkelijk is.
        Het leidend beginsel en het gronddenkbeeld bij het schrijven eener geschiedenis der Nederlanden, zooals die thans wordt verIangd, schijnt mij te moeten zijn de ontwikkeling van de gesteldheid van Staat; dat is, van de grondslagen der staatsvereeniging en der regten en inrigtingen, waarop gebouwd.
        Ik begrijp hieronder niet alleen de vormen van regering, maar de geheele ontvouwing van de staatsregtelijke en burgerlijke huishouding der provincies, van de edelen, van de steden, van derzelver verhouding onderling, van de verschullende klassen des volks, en derzelver bedrijf, regtsbetrekking en welvaart. De wording en wasdom hiervan valt minder in het oog, en heeft, om het dus uittedrukken, eene minder rasse beweging, dan hetgeen de opmerkzaamheid der geschiedschrijvers uitsluitend pleegt tot zich te trekken. Dezen toch bepalen zich bij de verrigtingen en opvolging der vorsten, en de individuele handelingen der op het toneel verschijnende personen in het algemeen; bij de ondernemingen der onderscheidene hoven en gewesten naar buiten, bij derzelver oorlogen en geschillen onderling of huisselijke twisten. Maar inderdaad rusten alle deze enkele en afzonderlijke daadzaken, als deelen van een grooter geheel, op den aanleg en vorming van het publiek en burgerlijk leven.
        Tot aan het einde der XVI eeuw worden ook de buitenlandsche betrekkingen der Nederlanden, indien men vooral den handel uitzondert, grootendeels door eigenlijk staatsregtelijke beginselen geregeerd. Eerst sedert dien tijd zondert zich de gang der buitenlandsche aangelegenheden van de toedragt der innerlijke zelfstandiger af, en volgt drijfveeren, welke niet meer bij uitsluiting van deze ontleend zijn.
        Het hoofdoogmerk der vroegere kronijken, en van nagenoeg alle geschiedschrijvers tot aan de XVIde eeuw, is niet, om ons den tijd, waarvan zij berigten, of zelfs den kring, waarin zij leven, in zijn geheel te vertegenwoordigen; maar om alle individuele handelingen, bijzondere voorvallen en veranderingen volgens de orde der jaren opteteekenen. De toestand, in welken dit alles voorvalt, wordt als bekend ondersteld; en de afdeeling, aan de jaartelling gebonden, heeft ten gevolge, dat bij de zamenvoeging van het gebeurde deszelfs innerlijke verwantschap en betrekking, de onderwerping van het minder, of slechts gedeeltelijk, gewigtige aan de hoofd- en regerende gebeurtenissen, weinig of niet in aanmerking kan komen. Zoo deze wijze van berigten dragelijk is voor den tijdgenoot, die hetgeen daarbij ondersteld wordt, uit eigene ervaring en bewustheid kan aanvullen, aan de nakomelingschap, welke dit levendmakend beginsel mist, wordt hiermede geene ware en aanschouwelijke voorstelling van den verleden tijd gegeven. Men is evenwel verpligt, om te bekennen, dat deze geaardheid der bronnen, waaruit moest geput worden, onze latere geschiedschrijving meer of min binnen dezelfde perken heeft gehouden. Hierbij is vervolgens gekomen de rigting, welke de nieuwere geschiedschrijving dadelijk bij haren oorsprong, op het eind der XV en het begin der XVIe eeuw, heeft genomen. Deze nu raakte als ‘t ware op den stroom der buitenlandsche zaken, en werd geheel tot de verklaring van de wederkeerige betrekkingen der Staten gedreven, op welke alstoen de personeele inzigten en belangen der vorsten den grootsten invloed hadden.
        Het is vandaar, dat de kamp en veete der vorsten voor hun erfregt of familiebelang, stedelijke oproeren, wapenfeiten, natuurlijke rampen, over het land verspreid, eene zoo breede plaats in onze geschiedboeken beslaan; dat dezelve, ten aanzien van de oudere tijdan, zich verliezen in eene algemeene geschiedenis van de Frankische monarchie, of van het Duitsche Rijk: en onder het Bourgondisch en Oostenrijksche huis als een aanhangsel van de Fransche en Duitsche historien voorkomen. Zulk eene historiebeschrijving, qelijk wij er vele hebben, mag een verhaal zijn van opmerkingswaardige voorvallen, hier te lande gebeurd, maar eene nationale of landsgeschiedenis kan zij in waarheid niet heeten; in zooverre de ontwikkeling van de natie in het groot, en van hare meest wezenlijke bestanddeelen en betrekkingen, verdwijnt achter de individuele bedrijven en personen, die den voorgrond aanvullen.
        Hat eerst hebben staatkundige vragen en geschillen in de voorleden eeuw aanleiding gegeven, dat men, de geschiedenis te hulp roepende, om eenig regt te bewijzen, omgekeerd de geschiedenis uit een staatsregtelijk oogpunt ging beschouwen. Onder degenen, welke in de onderscheidene provincien dit spoor met meer of min volharding zijn gevolgd, munten uit Idsinga, Pestel en Kluit. Door den eersten en laatsten inzonderheid werd op het duidelijkst beseft, dat de volgreeks der gebeurde zaken door het inzigt van de regeringsgesteldheid, in den ruimsten zin, dient te worden bestuurd.
        Hierop voortbouwende, druk ik mijne meening aldus uit, dat hetgeen men tot dus verre, bij wijze van statistisch overzigt, in een aanhangsel tot de onderscheidene tijdperken, als oudheden, of dogmatisch als regtstelsel, behandelde, tot het ligchaam der geschiedenis worde gemaakt: niet, om het van den loop der gemeenlijk zoo genaamde gebeurtenissen aftezonderen, maar om deze er van te doordringen, en derzelver gezamenlijke verscheidenheid, te midden van de staats- en regtsgesteldheid, in hare eigenaardige beteekenis en volle werkzaamheid te vertoonen. Zulk eene behandeling vermag ons eerst in de toenmalige wereld, in de tijden zelve, waarvan berigt wordt, overtebrengen, en onze geschiedkundige kennis in helderheid en volledigheid gelijkvormig te maken aan de herinnering van dengenen, die eenen verledenen toestand, van welken hij verhaalt, zelf beleefd en ondervonden heeft.
        Alles, waarvan de geschiedschrijving te gewagen heeft, handeling, voorval, gezindheid, kerk, wetenschap, kunsten en nijverheid, maakt of onmiddellijk een deel uit van den toestand van Staat, of is tot denzelven in eene, hetzij nadere, hetzij meer verwijderde, altoos ondergeschikte, betrekking. Deze is als ‘t ware de grondstof, waarin en waarop gehandeld wordt: dit ééne groote gezigtspunt omvat alle overige; door hetzelve aan de spits te plaatsen, wordt het eerst mogelijk, om eenheid, verband en leiding in de behandeling der gebeurtenissen te brengen; van hetzelve ontvangen alle andere daadzaken het ware licht.


I.        In zoo verre de Nederlanden gedurende het langste tijdverloop hunner geschiedenis niet formeel eenen Staat hebben uitgemaakt, maar in een aantal van min of meer zelfstandige gewesten waren verdeeld, moet als voorwaarde aller verdere bewerking worden vastgesteld, dat de bijzondere staatsgeschiedenis dier gewesten, elk op zich zelf, of van derzelver gedeeltelijke vereeniging onderling, nagegaan, en door en door gekend worde.
        Van Duitschland, van Frankrijk, van Engeland kan men, zelfs vóór eene opzettelijke bewerking der enkele bestanddeelen, eene algemeene geschiedenis schrijven, die op zich zelve sta. Want in Duitschland kan men zich aan de lotgevallen van het Keizerrijk, in de beide andere rijken aan die van het Koningschap, houden, als die niet alleen met eenen algemeenen en onmiddellijken invloed een verband der deelen daarstelden, maar wier ontwikkeling ook, in alle deze landen, die der bijzondere gewesten vooraf ging.
        Bij de Nederlanden is dit omgekeerd. Want al zijn de Nederlanden van den beginne af verbonden geweest met de Frankische monarchie, en vervolgens met het Duitsche Rijk, en ten deele met Frankrijk, zoo heeft echter deze afhankelijkheid, wanneer wij die van de Frankische monarchie afzonderen, de Nederlanden vervolgens nooit derwijze met die grootere rijken inééngesmolten, dat op de verbindtenis met derzelver regtstoestand en lotwissel de Nederlandsche geschiedenis alleen of hoofdzakelijk zoude berusten.
        Eene geschiedenis van het hertogdom Neder-Lotharingen, daarna Brabant, ik meen, van de hertogelijke regten en betrekkingen op de overige gewesten, totdat die regten met de graafiijke over elke provincie vereenigd werden, mag geacht worden, alsnog te ontbreken. Ook die vereeniging kan niet wel worden verstaan, tenzij uit de staatsgeschiedenis van elke provincie in het bijzonder: en in allen gevalle bezat het Bourgondische, later het Oostenrijksch-Spaansche huis deze landen niet als één ligchaam, maar als zoovele losse stukken. De Nederlandsche geschiedenis kan gedurende het langste tijdverloop zelfs niet aan zoodanig eenen vorm van publieke eenheid worden vastgemaakt, als die, welken de Zwitsersche geschiedschrijver in het eedgenootschap vindt. Ieder gewest ging zijnen eigen gang; zoodat eene algemeene Nederlandsche geschiedenis geen voorwerp heeft, hetwelk vòòr, en onafhankelijk van, de historie der onderscheidene gewesten zou kunnen worden behandeld.
        De waarheid hiervan werd door allen ondervonden, welke tot dusverre eene min of meer algemeene landsgeschiedenis hebben ondernomen. Zij dwaalden af in de provinciale, en verloren de leiding der algemeene geschiedenis uit het oog, zonder nogtans eenige provinciale in haren individuelen zamenhang op te helderen. Diezelfde ondervinding zal, denk ik, gestadig wederkeeren, en de algemeene geschiedbeschrijving zoolang een aggregaat van provinciale lotgevallen blijven, of wel door die van weinige uitstekende provincies beheerscht worden, totdat de algemeene geschiedschrijver niet meer zal verpligt wezen, om zelf eerst de stoffe der provinciale en plaatselijke historie bijeen en in orde te brengen. Hetgeen de algemeene geschiedenis zich uit de provinciale moet toeëigenen, kan niet wel behoorlijk aan den dag komen en tot de beschikking van den algemeenen geschiedschrijver gesteld zijn, voordat de historie der provincie. als die van een geheel op zich zelf, ontvouwd is. Wordt hij echter genoodzaakt, om zich zooverre in de provinciale historie te verdiepen, dat hij inderdaad den provincialen geschiedschrijver vervangt, zoo is, al ware hij in staat, om eene evenredige gelijkmatigheid van nasporing op alle gewesten toetepassen, een van beide onvermijdelijk, of dat hij de algemeene geschiedenis verzaakt, of zich tusschen deze en de particuliere gedurig zonder eenheid en vastheid van plan heen en weer beweegt.
        Zoo tot de bijzondere geschiedenis van eenige gewesten belangrijke bijdragen voorhanden zijn, voor andere, ik noem slechts Vriesland, Groningen, Overijsel, Drenthe, ja voor de meeste, is zeer weinig gedaan. Maar ook aan de meest begunstigde gewesten, onder welke Holland bovenaan staat, is tot dusverre geene bewerking hunner historie te beurt gevallen, op ééne lijn te stellen met de Histoire de Languedoc van de Vic en Vaissette, of met de Osnabrugsche geschiedenis van J. Moser. Intusschen verkrijgt de algemeene geschiedenis eerst in zoodanige, geheel uitgewerkte, particuliere historien vaste steunpunten. Ja men mag beweren, dat uit de, bij wijze van voorbeeld aangehaalde, geschriften, middellijk eene meer stellige aanwinst van inzigten, zelfs ten aanzien van de algemeene geschiedenis van Frankrijk of Duitschland, die eene algemeene geschiedenis hebben, in menig opzigt onafhankelijk van de particuliere, voortvloeit, dan uit de beste algemeene geschiedwerken over die rijken. Op gelijke wijze leert men het gezamenlijk stelsel der Italiaansche steden in de middeleeuwen naauwkeuriger kennen uit de particuliere nasporingen van Savigny en v. Raumer, dan uit het groote, zeer verdienstelijke, werk van Sismondi, maar nog niet door soortgelijke locale onderzoekingen gerugsteund.
        Men behoeft ook slechts te denken aan Kluit’s Historia Critica Comitatus Hollandiae et Zeelandiae, en aan de geschriften van Diericx over Gent, om overtuigd te wezen, dat vooral ten onzent de historie van ééne enkele provincie, naar eisch uiteengezet, al aanstonds een helder licht over alle andere verspreiden, en tot het zamenstellen der algemeene geschiedenis meer bijdragen zal, dan zelfs de gelukkigste proef op deze, zonder zoodanig eene voorbereiding genomen. Indien nu zulk eene bewerking, bij de Koninklijke aanmoediging en ondersteuning, in onderscheidene provincies gelijktijdig, door de daartoe meest bevoegde mannen, in onderlinge gemeenschap en eenstemmigheid van de hoofdbeginselen werd ondernomen, zoude men, zoo ik mij niet volstrekt bedrieg, reeds binnen kort tot eenen rijkdom en zamenhang van groote resultaten geraken, die een nieuw tijdperk voor de Nederlandsche geschiedschrijving zouden kenmerken.
        De algemeene geschiedenis onderstelt dan de provinciale: maar de provinciale onderstelt, dat de bronnen toegankelijk gemaakt, en volledig in haren zamenhang gekend zijn. Het Koninklijk besluit verlangt uitdrukkelijk eene geschiedenis, die alleen op de meest echte bescheiden gegrond, en door dezelve geheel geregtvaardigd zij. Om hieraan te kunnen voldoen, ontbreken ons twee dingen: eene genoegzame aaneengeschakelde kennis der bescheiden en eene kritische waardering derzelve.
        Men mag teregt beweren, dat de bronnen, vooral der vroegere Nederlandsche geschiedenis tot aan de XVIde eeuw, en gedurende de eerste helft derzelve, hoogst gebrekkig zijn bekend geworden; dat voor derzelver openbaarmaking tot dus verre veel minder, dan in de meeste andere landen van Europa geschied, met één woord, dat aan eene volledige en zamenhangende verzameling derzelve naauwelijks de hand gelegd zij.
        Wij mogen de bemoeijingen onzer landgenooten ten dezen aanzien niet vergelijken met hetgeen in Engeland of in Duitschland reeds vroeger voorhanden was. Desniettegenstaande heeft men in Groot-britanje in den jare 1802 begonnen, om, op gezag en kosten van het Parlement, de gewigtigste oorkonden, in de publieke archives bewaard, uittegeven. In 1822 heeft datzelfde Parlement eene jaarlijksche som van 2000 ponden sterl. toegestaan, voor eene kritische verzameling en uitgave van de oude bronnen der landsgeschiedenis.
        Het is bekend, welke vrucht in Duitschland de uitgave van de bronnen der Duitsche geschiedenis tot aan de XVde eeuw ondernomen door het genootschap, te Frankfurt in 1819 gesticht, reeds aanvankelijk heeft gedragen. Indien men overweegt, welke rijke voorraad van historische bouwstoffen voor de geschiedenis van dat land reeds bestond, waarin hetzelve alle andere sedert lang overtrof, en dat men evenwel, binnen eenige weinige jaren, eene schat van nog geheel onbekende bescheiden heeft ontdekt, zoo mag hiervan het voorteeken ontleend worden van den oogst, dien wij, bij eene gelijke bemoeijing, zouden mogen tegemoet zien.
        Deze Duitsche onderneming is ook nog van eene andere zijde voor ons hoogst belangrijk. De ondervinding namelijk, bij dezelve gemaakt, de trapsgewijze meer volmaakte behandeling, de voortreffelijkheid der uitvoering, geven, althans voor de vroegere tijdperken, de leidende beginselen aan de hand, indien men zich ook ten onzent tot zulk een wezenlijk nationaal werk geroepen achtte.
        Hoe groot nu onze behoefte hieraan is, schijnt onnoodig, in het breede te betoogen. Het zij mij slechts vergund, een en ander, dat bijzonder in het oog valt, bij wijze van voorbeeld aan te roeren.
        De voorraad van uitgegeven Charters, en in het algemeen van oorkonden, is zeer klein, wanneer wij dien vergelijken met de punten, waarop ons dezelve ontbreken, en met hetgeen wij met zekerheid weten, dat voorhanden is, zonder het nader te kennen. Ik spreek niet van de stukken aangaande de betrekkingen der Nederlanden met vreemde mogendheden. Aan deze, inzonderheid aan de verdragen, welke het gemeenebest der vereenigde provincien betreffen, is eene groote zorg besteed, ofschoon wij moeten bekennen, dat wij over den loop van des lands diplomatieke verhandelingen meer uit vreemde bronnen, dan uit onze eigene, onderrigt zijn.
        Veel minder gelukkig zijn wij omtrent de oorkonden, welke de inwendige inrigting des lands, destijds publiek en burgerlijk regtsbedrijf, raken. De verzamelingen voor Holland, Gelderland, Utrecht en Vriesland, zijn verre van alle soorten van diplomata volledig te bevatten, en voor andere gewesten ontbreken dezelve geheel. De placaatboeken van Vlaanderen en Brabant hebben een nog meer beperkt doel, en beginnen eigenlijk eerst met de XVIe eeuw. Hetgeen door Miraeus en Foppens, Butkens en Vredius, voor de vroegere is gedaan, mag, hoe onschatbaar, voor niet meer dan een specilegium worden gehouden. Voeg hierbij de Handvestechronijk van Van der Houve, de stukken van Matthaeus, vooral van Holland en Utrecht, hetgeen door Kluit en Meerman, in zijne geschiedenis van Graaf Willem, aan het licht is gebracht, de diplomata in de Historia Lossensis van Mantel en Robyns, in de Annales van Teschenmacher, en de Historia Episcopatuum Foederati Belgii van Van Heussen.
        Men herdenke hierbij uitheemsche voorbeelden. Italie heeft de Antiquitates van Muratori; Frankrijk de Diplomata et Epistolae, ad res Francicas spectantia, van Brequigny en Du Theil, en de Ordonnances der Capetingische Koningen. Grootbritanje bezit de Foedera van Rymer, waarnit wij zelve voor onze geschiedenis zoo dikwerf moeten putten, en de onwaardeerbare verzameling van de Engelsche publieke oorkonden uit de vroegere tijden, sedert 1802 op last des Parlements onder bestuur van eene Commissie des Konings, uitgegeven; een werk, reeds tot meer dan dertig deelen in folio aangegroeid. Niemand zal, mijns inziens, aarzelen, toe te stemmen, dat al hetgeen wij hiertegen kunnen overstellen, stukwerk is. Wij hebben geen register van de, het land rakende, gedrukte oorkonden, zooals dat van Brequigny voor Frankrijk, en van Kluit voor de verbonden der vereenigde gewesten. Ware zulk een register voorhanden, hetgeen zeer wenschelijk zou zijn, het zou nog duidelijker blijken, hoe groot onze armoede ten dezen aanzien is bij den rijkdom van andere landen.
        Het rijkst zijn wij nog in stedelijke en plaatselijke handvesten, keuren en kostumen: de verzamelingen van dezen aard voor Dordrecht, Leijden, ‘s-Gravenhage en Amsterdam, zijn zelfs voortreffelijk te noemen. Voor het overige echter zijn deze bronnen, welker onmiddellijke aanwending geene andere, als eene geheel particuliere wezen kan, ten deele niet met een geschiedkundig, maar met een praktisch doel, ook niet altoos met genoegzaam oordeel, bijeengebragt en behelzen dikwerf slechts, hetgeen op een bepaald tijdstip nog in gebruik was: zoodat zij, zonder nadere herziening en aanvulling, niet dan gebrekkige diensten doen.
        Voornamelijk mist men de recessen der provinciale dagvaarten en landdagen in vroegere tijden, en, voor de latere, de besluiten en handelingen der provinciale staten, en aangaande de Republiek, die der Statengeneraal zelve. Tot dezelde klasse behooren de officiele stukken, memoriaalboeken en acta van de hooge geregtshoven, reken- en leenkamers, en andere algemeene en provinciale collegiën van den lande.
        Wij zijn sedert de helft der XVIde eeuw wel voorzien van staatsgeschriften, of zoodanige, welke de voorstelling eener daad – zaak van de zijde der eene of andere partij bevatten: maar deze verminderen de behoefte aan de gemelde bronnen niet.
        Het weinige, dat van deze onder het publiek bereik is gebragt, ik noem bv. de Registers van Van der Goes over de jaren 1524-1560, de verzamelingen van Van de Spiegel en Bondam, betrekkelijk de Unie, de Resolutien van Consideratie en de Secrete Resolutien der Staten van Holland van 1653-1668, hetgeen in de werken van Bor, Aitzema en Wicquefort, voor den korteren of langeren tijd, waarover zij loopen, en uit de stukken van Van Hasselt, over de jaren 1555-1582, voor de historie van Gelderland, is medegedeeld, doet ons slechts des te meer gevoelen, hoeveel wij missen.
        Het is niet moeijelijk, de redenen te bevroeden, welke tot aan de Fransche omwenteling eene meer doorgaande en omvattende openbaarmaking dezer bronnen beletteden. Bij de lotgevallen, die de Nederlanden vervolgens troffen, werd de veerkracht dezer vaderlandsche studien verlamd. Thans mag men de hoop voeden, dat de Koning deze schatten voor de landsgeschiedenis zal willen doen ontsluiten. Deze toch zijn de meest echte bescheiden, op welke de ware geschiedbeschrijving, hetzij van den innerlijken staat van ieder gewest, hetzij van derzelver onderling verkeer, of van hunne betrekking tot een gemeen ligchaam en belang, moet gegrond zijn; en die tevens over de buitenlandsche zaken de onfeilbaarste ophelderingen zullen verspreiden.
        Omtrent de kronijken en geschiedschrijvers, diegenen namelijk, welke als bronnen mogen worden aangemerkt, is het overbekend, dat niet weinigen, zoo het schijnt van de treffelijksten, ofschoon, reeds meermalen op het punt, van ter perse gebragt te worden, nog altoos de uitgave verbeiden. ik beroep mij slechts op hetgeen door den voormaligen bisschop van Antwerpen, de Nelis, in zijnen Prodromus is berigt.
        Dan niet alleen voor de onuitgegevene is nog veel te doen; maar voor de uitgegevene weinig minder. Hebben wij eene, zelfs gedeeltelijke, kritische verzameling en uitgave onzer oorspronkelijke geschiedboeken, zoo als elke andere Europische natie van belang er onderscheidene bezit? Hoeverre wij in dezen achterstaan, kan niet levendiger ontwaard worden, dan zoo wij onze voornaamste verzamelingen, de meer aangevangene, dan voltooide, van Fr. Sweertius, die van Matthaeus, die van Nidek voor Vriesland en Groningerland, de Analecta van Papendrecht voor één, hoezeer belangrijk, tijdstip onzer historien, de verzameling van Joh. Chapeaville voor Luik, vcrgelijken met den Recueil des Historiens de France, met de Rerum Italicarum Scriptores van Muratori van 500-1500, of zelfs met de verzamelingen van Savile, Twysden, Fell, Th. Gale en anderen, voor Engeland. Muratori kon zijn groot werk tot stand brengen, door geene andere hulpmiddelen ondersteund, dan door zijnen eigen ijver, en die van eenige zijner medewerkende geleerden: en na dit luisterrijk voorbeeld mag voor eene vereenigde bemoeijing geene taak te uitgestrekt schijnen, die de zaak en de eer des Vaderlands zoo wezenlijk aangaat.
        Bij deze klasse van bronnen heeft men bij voorraad slechts te denken op diegene, welke de laatste helft van de XVIde eeuw voorafgaan. lntusschen is ook de zorg, waarop zij aanspraak hebben, van eene meer zaamgestelde natuur. De oorkonden bewijzen elke door zich zelve datgeen, waartoe zij vervaardigd zijn, en wat er verder uit moge blijken: de autheuren en geschiedboeken vereischen, dat men hunne opvolging, onderlinge verbindtenis, historische afleiding en bewijskracht doe verstaan: op welk stuk de uitgegevene bronnen dezer klasse van alle gemeenschappelijke bewerking tot dus verre ontbloot zijn. Het is dan ook vooral op deze, dat de bevorens verlangde kritiek hare toepassing vindt.
        De historische kritiek der berigten, beweer ik niet, dat van de geschiedschrijving geheel kan worden afgescheiden: daar deze kritiek ten deele van het onderzoek der geschiedenis zelve afhankelijk is. Maar zoolang niets, of nagenoeg niets, is voorbereid, blijft het onmogelijk, dat de algemeene geschiedschrijver deze gewigtige taak alleen meester worde, en met den besten toeleg niet in menigvuldige dwalingen vervalle. Het is onnoodig, dit door sprekende voorbeelden, ontleend van de meest beroemde geschiedkundige werken van uitheemsche natien te staven. Daarenboven moet de geschiedschrijver zich bepalen bij de besluiten omtrent het daadzakelijke, die hij uit zijne kritiek der bescheiden heeft opgemaakt. Dan dit, ofschoon alles, hetgeen men van den geschiedschrijver, als individu, verlangen kan, is niet genoeg voor de geschiedenis zelve. Want, afgezien van de philologische kritiek, welke niet, dan bij eene opzettelijke uitgave, kan worden geoefend, zijn de bescheiden eerst dan, als een algemeene en duurzame ligger, waarlijk bruikbaar voor de geschiedschrijving, nadat hunne historische geaardheid, echtheid en geloofwaardigheid op zich zelve en in een doorloopend verband, is opgehelderd. Hoe voortreffelijk ook eenigerhande bewerking der landsgeschiedenis moge zijn, de oorspronkelijke bescheiden blijven voor alle volgende tijden van eene zoo hooge waarde, en wezenlijk de bron, waaruit de geschiedschrijving telkens als een nieuw leven kan en moet putten, dat eene opzettelijke zorg, aan dezelve besteed, een der onontbeerlijkste en minst wankelbare steunsels der historische letterkunde oplevert. Derhalve, ondersteld, aan de geschiedschrijver worde de gemakkelijkste en ruimste toegang verleend tot de onuitgegevene bronnen, zoo is hierdoor noch aan zijne individuele behoefte, noch aan het belang der geschiedenis in ‘t algemeen voldaan.
        Men mag nagenoeg met zekerheid onderstellen, dat zulk eene uitgave, op het touw gezet, reeds gedurende de verzameling en bewerking, bij diegenen, welke er deel aan nemen, onderzoekingen zullen doen geboren worden, uit welke bijdragen, hetzij tot de provinciale geschiedenis, hetzij mede tot de algemeene, zullen voortspruiten. Het ontbreekt in de onderscheidene deelen van het rijk niet aan mannen, welke voor zich zelve bijzondere zorg en studie hebben gewijd aan de oorkonden, berigten en lotgevallen van hun gewest. Van elkander afgescheiden, ontbreekt elk een den ander. Men moet dit vooral aanmerken ten aanzien van de twee groote afdeelingen van het rijk, de noordelijke en zuidelijke gewesten. Het is eene, reeds meermalen geopperde, waarneming, dat men thans van beide kanten op het gelukkigst vereenigd, ten opzigte van de kennis der wederzijdsche geschiedenis nag altoos de vroegere afzondering voortzet. Eene gezamenlijke uitgave der bronnen zoude dit verschil vereffenen, en de geisoleerde studien op één punt vergaderen.
        Over de orde en zamenvoeging dezer bronnen zouden nadere regelen moeten worden vastgesteld; en ook hierbij zouden de Monumenta Historiae Germaniae zich als voorbeeld aanbevelen. Voorts zoude men eene grenslijn moeten trekken ten opzigte der verzaking of opneming van hetgeen in de bronnen der geschiedenis van Duitschland of Frankrijk, betreffende onze gewesten, ter loops of opzettelijk is aangeteekend. Ten welken aanzien de wijze, in acht genomen door de redacteurs van de Recueil des Historiens de France, geene navolging verdient. In allen gevalle mag men den regel niet te buiten gaan, van aan geene andere, noch historische stukken, noch wetten, eene plaats te vergunnen, dan die eigenaardig het tegenwoordig gebied des rijks betreffen, Daar bestaat geene reden, om in dezen toe te geven aan eene ontijdige afdwaling, gemeen aan vele geschiedschrijvers, welke de vroegere tijdperken onzer historie niet veel anders behandelen, dan alsof zij eene historie der Frankische monarchie, of van het Duitsche rijk schreven. Doch dit alles is van latere zorg.
        Ik maak het besluit op, dat eene welgeordende, kritische, het historisch gezag der enkele stukken verklarende, uitgave der oorspronkelijke bronnen, de eerste grondslag dient te zijn, om er eene algemeene geschiedschrijving op te bouwen. Zonder de ondersteuning van Zijner Majesteits regering is aan de bewerkstelliging zelfs niet te denken. Bijaldien echter Zijne Majesteit mogt goedvinden, om tot zoodanig eene onderneming aanleiding te geven, zoude voor het Nederlandsche volk een aan allen gemeen eigendom worden daargesteld, welke, de eigenlijke voorwaarde eener volledige en echte geschiedbeschrijving zijnde, er tevens als de zekerste waarborg van zou mogen beschouwd worden.


II.        Ik kome tot de middelen, om het voorgestelde plan te verwezenlijken. De hoofdzaak is, mijns inziens, dat de vrienden der Vaderlandsche geschiedenis, die genegen en geschikt zijn, om voor dezelve iets te doen, vereenigd, en in eene geregelde gemeenschap onder elkander gebracht worden. Voor het algemeen beleid schijnt het geëigend, om eene centrale commissie in den Haag op te rigten, waarvan een tak te Brussel zou behooren te zijn. Door de ingekomene plans zal zich waarschijnlijk een groot aantal personen voorloopig hebben doen kennen, en de Commissie, op eene gegevene aanleiding zaamgekomen, zal tevens in de ontvangene voorstellen zelve ruime stof vinden, om het onderwerp van verschillende kanten te beschouwen. Deze commissie, in dadelijke verbintenis tredende met alle geleerden over het geheel rijk, van welke eenigerhande bijdrage kan gewacht worden, zou zich met de redactie moeten belasten van een tijdschrift, in hetwelk zij zoowel hare eigene ontwerpen, als die mededeelingen en berigten van anderen, welke bevorderlijk en nuttig voor de zaak gerekend werden, publiek maakte. Men zoude hierdoor zoowel met de hulpmiddelen, als nader met de personen, waarop staat te maken ware, bekend worden, en gelegenheid geven tot eene openbare discussie, welke al dadelijk eene menigte punten zou vaststellen en toelichten.
        Behalve deze, zich verder uitstrekkende, gemeenschap, zoude de Commissie in elke provincie een paar letterkundigen aan zich moeten verbinden, die zich meer opzettelijk belastten met de opsporing en herziening van de bronnen der provinciale geschiedenis, en derzelver hulpmiddelen. Aan dezen, mag men tegemoet zien, dat door de administratieve autoriteiten de behulpzame hand worde geboden, om niet alleen hetgeen in particuliere verzamelingen en bibliotheken, maar ook hetgeen in de onderscheidene archives wordt gevonden, onder een geregeld overzigt te brengen, hetwelk zoowel de nog niet uitgegevene stukken, als de hulpmiddelen tot een nieuwe recensie der uitgegevene moet begrijpen.
        Het dient voor allen, die voor deze taak opkomen, eene wet te wezen, om nevens het onderzoek der hulpmiddelen, welke de constitutie van den text betreffen, met de meeste zorg alle berigten te verzamelen, die tot opheldering der geschiedenis van elk stuk, en van die des schrijvers, strekken: ten einde langs dezen weg tot eene kritiek over het historisch gezag en den zamenhang der bronnen onderling te geraken.
        De bescheiden zijn volgens tijd, aard en inhoud in verschiliende klassen afgezonderd, die elk eigenaardige regelen van behandeling medebrengen. Eene andere verdeeling komt hierbij, ontleend van de plaats, waartoe zij hoofdzakelijk betrekking hebben. De eigenlijke zoogenaamde oorkonden, welke over eenige daadzaak tot bewijs zijn vervaardigd, en waartoe ook de wetten behoren, tot aan de helft der XVIde eeuw, kunnen het voorwerp eener bijzondere verzameling wezen, onderscheiden volgens het gebied, dat zij betreffen. Het zij men zich de oorkonden, die het volkenregt, of die, welke de betrekking tusschen Staat en Kerk aangaan, of diegene voorstelt, welke door de overheden des Staats of der Kerk, als zoodanige, uitgevaardigd zijn, zoo vindt men altoos in het algemeen, of provinciaal, en meer plaatselijk gezag, in de algemeene of meer plaatselijke verbindende kracht, een begin en een einde, en aanleiding, on de massa naar een zeker plan te beheerschen: terwijl ook bij die oorkonden, welke privaatregtelijke handelingen of gedingen betreffen, het plaatselijke eenen grond van afdeeling oplevert.
        Een ander geheel maken uit de officiele berigten van de landdagen, dagvaarden en zittingen van provinciale en algemeene Staten. Deze nu behoren, behoudens de natuurlijke onderscheiding van provinciale en algemeene ligchamen, inzonderheid in eene aaneengeschakelde orde en opvolging gekend te worden; ten einde in eene diplomatieke geschiedenis dezer vergaderingen van Staat inzage te geven.
        Hiervan verdienen afgescheiden te worden, en het voorwerp eener afzonderlijke behandeling te zijn, de brieven, officiele en andere, in Staatszaken hetzij door de Vorsten, hetzij door de collegies van Staat en hunne dienaren, geschreven, of ontvangen; instructien, gezantschappelijke berigten enz.
        Laatstelijk volgen de geschiedschrijvers, die bronnen kunnen genoemd worden. Hoewel bij dezen in eenen engeren zin slechts diegenen worden verstaan, die men geregtigd is, bij voorkeur van deelhebbers der gebeurtenissen, of van ooggetuigen, of van tijdgenooten in het algemeen, te verwachten: zoo mag men echter eene tweede klasse niet uitsluiten; diegenen namelijk, aan welke wij verpligt zijn, een subsidiair gezag toe te kennen, in zoo verre zij hunne berigten van oorspronkelijke, die ons ontbreken, ontleend hebben.
        Ik noem deze onderscheidene hoofden slechts, om aan te toonen, hoe groot de afwisseling der werkzaamheden is, en in welke mate zij voor deelbaarheid vatbaar zijn. Men mag vooreerst nog in het midden laten, of men er toe zal overgaan, om eene volledige verzameling, dan om bloot de onuitgegevene bronnen, en die, van welke men eene geheel nieuwe recensie zal kunnen leveren, in het licht te geven. Maar het is van het hoogste belang, om, zelfs nadat men tot het laatste mogt hebben besloten, in allen deele zoo te werk te gaan, alsof men eene volledige uitgave voorhad. Deze toerusting is onmisbaar, om het verband der bronnen in zijn geheel op te helderen, dezelve tot haren oorsprong te herleiden, het licht, dat de eene op de andere werpt, wel te doen uitkomen, en alzoo de plaats en het gezag te bepalen, die elk stuk in verhouding tot het overige bekleedt.
        Indien nu over den gang en de uitkomsten dezer navorschingen van tijd tot tijd schetsgewijze in het tijdschrift voorloopige berigten worden gegeven, zoo erlangen de medearbeiders, en al wie er verder belang in stelt, kennis aan den staat der bemoeijingen; zij kunnen elkander te hulp komen; een gemeenschappelijke geest zal meer en meer de werkzaamheden bezielen, en de centrale Commissie derzelver volgorde zoodanig besturen, dat zij eenen regelmatigen tred houden, en zich onderling aanvullen.
        Niet ten onregte koestert men eenig wantrouwen ten opzigte van alle genootschappelijke werkzaamheden; en brengt zich te binnen de eindeloze, alle veerkracht van uitvoering verlammende, raadplegingen, de langzaamheid en het gebrek aan eenheid, waaraan zij gemeenlijk onderhevig zijn. De veiligste weg, om deze ondeugden te boven te komen, schijnt te wezen, dat alleen het overleg en algemeen beleid gemeenschappelijk, maar de uitvoering altoos zooveel mogelijk individueel zij: weshalve elk zich met eene bepaalde, wel omschrevene, taak belaste, en daarmede zelfstandig voortga zoodat verantwoordelijkheid en eer op hem alleen te huis komen. Het is goed, om zich over algemeene grondstellingen te verstaan, maar voor het overige zoude de poging, om eene volstrekte en formeele eenstemmigheid te vestigen, den voortgang der onderneming eer verachteren, dan bevorderen en slechts die verderfelijke capitulatie tusschen meening en meening ten gevolge hebben, waarvan het resultaat ten laatste alle houding mist. Onder de medearbeiders zal de een meer, dan de ander, doen, zullen de meesten tegelijkertijd andere pligten en bezigheden te vervullen hebben, en maar eenigen zich aan het doel der vereeniging uitsluitend kunnen overgeven. Dezen, bijaldien zij met de werkzaamheden tevens de bekwaamheid paren, zullen van zelf eenen aanmerkelijken invloed op het geheel erlangen; en bijaldien onder de leden der centrale Commissie dezulken gevonden worden, zal het beleid der Commissie daarvan een nieuwen klem ontleenen: voornamelijk, zoo zij de grenzen tusschen beleid en regering met verstand blijft in acht nemen. Alle formeel gezag, alle schijn, alsof de ondernomene werkzaamheid voor de landsgeschiedenis door de medearbeiders in eenigen anderen dienst, dan in dien van de zaak zelve, verrigt werd, is met het doel onbestaanbaar. Vandaar, dat inzonderheid alle hoofdbestuur van eenen eenigen man, wie ook, opgedragen, de nationale aangelegenheid tot eene particuliere zou maken, en onafscheidbaar zijn van eene onderwerping, die de meest bekwame mannen zich niet zouden laten welgevallen; en die alzoo, in plaats van de voorhandene krachten aan het werk te verbinden en te vermenigvuldigen, dezelve zou fnuiken en verminderen. Dit nu zou destemeer te beklagen zijn, daar de taak zoo menigvuldig is, dat de meest verschillende vermogens en inzigten, elk op zijne plaats, het hunne tot bevordering van het geheel kunnen bijdragen, zonder elkander wederkeerig te beperken, of in den weg te treden.
        Het is waarschijnlijk, dat na een niet al te lang tijdverloop de voorraad der stoffe tot eene genoegzame volledigheid zal zijn gebragt, om de bewerking der stukken, die voor een eerste deel bestemd zijn, definitief te verdeelen, en met de uitgave zelve een begin te maken. In dien tusschentijd zullen ook de leden der vereeniging zich zelve en elkaar genoegzaam hebben leeren kennen, om die verdeeling op de meest geschikte wijze in te rigten. De laatste en algemeene redactie voor de uitgave zou de centrale Commissie op zich moeten nemen, om aldus te beter voor de gelijkmatigheid van de onderscheidene deelen des werks zorge te dragen.
        Uit Zijner Majesteits besluit mag men de hoop afleiden, dat de regering dien onderstand in geld zal verleenen, welke de uitgave, en, bij den aanvang althans, ook het drukken van het tijdschrift zou vereischen. Daar deze onderstand over een aantal jaren verdeeld wordt, en men daarenboven eene inteekening zou kunnen te hulp nemen, zoo zal de behoefte in geen geval het peil te boven gaan van hetgeen door de regering niet zeldzaam voor ondernemingen van veel minder omvang is toegestaan.
        Hierop zou, naar ik mij voorstel, de eene en eerste tak van de werkzaamheden der vereeniging, door de centrale Commissie tot stand gebragt, nederkomen. De tweede is de voorbereiding en bewerking der provinciale en plaatselijke geschiedenissen.
        Ik beb reeds aangemerkt, dat, naar mijne overtuiging, eene bijzondere studie derzelve van zelfs zal worden gaande gemaakt door den arbeid, besteed aan de bronnen, welke zoowel over de algemeene als particuliere loopt. Maar men moet het niet alleen op deze stemming laten aankomen, en dezelve veeleer op eene geregelde wijs tot stellige uitkomsten trachten te besturen. De uitgave, kritiek, en historische verklaring der bronnen moet de hoofdzaak blijven; maar zoodra dit stuk in gang is gebragt, kan men beide bedoelingen tegelijkertijd vervolgen, en er op bedacht zijn, om wederzijds een bepaald gedeelte der provinciale, stedelijke of plaatselijke geschiedenis op zich te nemen. De uitvoering zal natuurlijk verschillen naar de mate van elks eigenaardig inzigt; maar hoe algemeener daarbij het beginsel wordt betracht, om de ontwikkeling van den gezamenlijken inwendigen toestand tot het middenpunt der geschiedschrijving te maken, des te gewigtiger en duurzamer zullen de resultaten zijn.
        Bij deze particuliere bewerking zoude men, geloof ik, nimmer het geheel, of de daarstelling der algemeene geschiedenis, uit het oog moeten verliezen. Ik versta dit niet aldus, dat men gelijktijdig met de particuliere historie ook tevens de algemeene zou moeten te boek stellen, of bij de eerste slechts bedoelen, om uitkomsten voor de algemeene te winnen. Maar terwijl de daadzaken der algemeene geschiedenis ten deele ingeweven zijn in de historie van elk gewest in het bijzonder, zoo dient elk, die zich met zoodanige gedeeltelijke bewerking belast, het zich tot pligt te maken om nevens de individuele en inwendige ontwikkeling zijner provincie, alles wat tot derzelver betrekking met de overige behoort, opzettelijk te behandelen. Daar nu op deze wijze elk met den ander in gedurige aanraking en wederkeerigheid van inlichting zal komen, terwijl de geschiedenis van elk gewest tot het ander henen leidt, zoo zullen reeds uit dien hoofde de verschillende bemoeijingen zich onderling bestendig ontmoeten. Er zal dan een wederzijdsch verkeer van denkbeelden en kundigheden geboren worden, dat zich bij voorraad als een gestadig toenemend kapitaal en als eene vruchtbare grondlegging voor de algemeene geschiedschrijving opdoet.
        Ofschoon men dus bij het schrijven der particuliere geschiedenissen niet minder, dan bij de bewerking der bronnen, zich van de gemeenschap eener onderlinge inlichting en ondersteuning de grootste voordeelen mag beloven, zoo moet echter worden aangemerkt, dat de eerstgenoemde taak uit haren aard meer individueel is. Indien bij de kritische bewerking der bronnen onderscheidene personen aan een en denzelfden arbeid deel kunnen hebben, hetgeen door eenen voorganger aangevangen en voorbereid is, door den opvolger in het zijne ingevoegd worden, de invloed en tusschenkonist der centrale Commissie meer onmiddellijk en gestadig zijn kan, de geschiedschrijving, welk onderwerp zij ook hebbe, is ondeelbaar, op zich zelve staande, en aan den bijzonderen persoon gebonden. Men mag overeenkornen aangaande eene geeigende verdeeling; men mag zich bepalen bij de geschiedenis van eene enkele stad, van eene heerlijkheid, van een kwartier, of van geheel eene provincie; maar de man, die op één dezer stukken eens de initiatieve heeft genornen, moet aan zijn eigen beheer worden overgelaten.
        Nadat bij zamenspanning van krachten de uitgave der bronnen tot eene zekere hoogte, en de particuliere geschiedenis tot eenige volledigheid en gelijkmatigheid zal zijn gebragt, komt laatstelijk de beurt aan de algemeene geschiedenis. Niet, alsof ik meende, dat het niet eer tijd ware, om de algemeene geschiedenis te schrijven, en als het hoofd op den romp te zetten, totdat de bewerking der particuliere geschiedenissen tot alle deelen des lands zou zijn doorgedrongen. Elk goed werk van dezen aard kan niet missen, van, zelfs buiten de grenzen, waarbinnen deszelfs plan beperkt is, op eenen aanzienlijken afstand licht om zich henen te verspreiden. Ik zou ook niet gaarne willen beweren, dat niet thans reeds eene algemeene geschiedenis zou kunnen worden te boek gesteld, welke in die mate meer zal voldoen, als de kennis, het talent, of de genie van den autheur er verdienstelijks aan zal kunnen bijzetten. Dit ligt buiten alle menschelijk bestuur, uitgenomen van dengenen, die zich tot het autheurschap geroepen kon rekenen. Het lijdt geenen twijfel, dat een geschiedschrijver, die met inachtneming der eischen, welke men thans aan de geschiedschrijving doet, in dien zin, welke bevorens is aangeduid, de algemeene geschiedenis der Nederlanden schreef, ook bij de voorhandene hulpmiddelen, die op verre na nog niet alle, zooals het behoort, gebruikt zijn, een werk zal leveren, dat in waarheid, grootheid en volledigheid van inzigten de vorige zou overtreffen. Maar een werk, als datgeen, hetwelk’s Konings besluit mij schijnt op het oog te hebben, kan er niet van worden: wij mogen er eerst op rekenen na die voorbereidingen, welke zijn aangestipt; voorbereidingen, die vroeger of later, hetzij door eene groote gemeenschappelijke aanstrenging, als welke nu zou worden opgeroepen, hetzij stuksgewijze en bij langzame opvolging, moeten worden daargesteld en die niet alleen als toebereidsels waarde hebben, maar waarvan elk deel eene dadelijke en blijvende aanwinst voor de landgeschiedenis wezen zal.
        Is voor de bronnen en de particuliere geschiedenis zooveel gedaan dat aan de algemeene geschiedenis niet meer dan de man ontbreekt, om ze te voltooijen, dan keeren diezelfde bedenkingen, welke bevorens geopperd werden ten aanzien der particuliere geschiedschrijving, met nieuwen aandrang terug. Het is doenlijk, om dien toestand van historische nasporing en wetenschap te bevorderen, van welken eene algemeene geschiedenis, als eene tijdige vrucht zou mogen worden gewacht: de voortbrenging zelve is vrij, zij behoort aan den geschiedschrijver, en aan hem alleen.
        Terwijl ik aldus den zin heb opgevat van hetgeen bij ‘s Konings besluit wordt bedoeld, meen ik mij niet te hebben bedrogen. Een plan wordt begeerd over hetgeen moet gedaan worden, om tot de bewerking eener algemeene landsgeschiedenis, die alleen op de meest echte bescheiden gegrond, en door dezelve geheel geregtvaardigd worde, in staat te stellen. Is men er toe in staat gesteld ten gevolge van die bevordering der historische studiën, welke door den Koning op het edelmoedigst wordt toegezegd, de geschiedschrijving zelve valt buiten het onmiddellijk bereik der voorgestelde maatregelen. De geschiedschrijver, als zoodanig, kan zoo min eenig verbond van werkzaamheden met anderen aangaan, als vreemde ontwerpen volgen. Uit dien hoofde onthoude ik mij van alle aanwijzing van tijdperken en dergelijke; welke eerst door de uitvoering geregtvaardigd, en in overeenkomst met zijne individuele behandeling door elken geschiedschrijver zelven moeten gevonden worden. Ja, deze zelf zou niet in staat wezen, om zich bij den aanvang een zoodanig, in allen deele bepaald, plan voorteschrijven, bij hetwelk hij zich niet, in den voortgang der zamenstelling, tot veelvuldige afwijkingen en wijzigingen zou verpligt vinden. Indien alzoo eene algemeene geschiedschrijving, in zekeren zin aan het toeval, en aan eenen gunstigen zamenloop van omstandigheden, overgelaten schijnt, is er echter geene reden, om hieraangaande eenige bekommering te voeden; daar de aan de beoordeeling onderworpene maatregelen zoovele stappen zijnde, om de bewerking der algemeene geschiedenis bij gedeelten met der daad te verwezenlijken, een werk, op alle deze resultaten berustende, en dat er het algemeen en geheellijk verband van met historische kunst ontwikkelt, niet wel lang kan achterblijven.
        Bij dit gansche plan is, ik beken het, gerekend op eene zuivere vaderlandsche gezindheid; en ik geloof, mij hierin niet misrekend te hebben. Wilden de medearbeiders eigenbelang, beloning, of andere persoonlijke drijfveeren meer behartigen, dan de nationale zaak, zoo zou het plan ophouden, uitvoerbaar te zijn. Maar ik denk, dat met die onderstelling evenzeer elk ander plan moet te niet gaan, dat aan de verhevene bedoeling des Konings eenigszins zou beantwoorden. Deze denkwijze des Konings is tevens de hoogste waarborg, dat geen werk verlangd wordt, vergankelijk met den autheur, maar dat een duurzaam erfdeel zij van het Nederlandsche volk. Het levend geslacht is de opbouwing van zulk een werk aan zich zelf en aan het overige Europa, aan het verledene en aan de toekomst, schuldig. De vastheid der Staatsvereeniging zal er opnieuw door worden bekrachtigd. Gewisselijk zullen de Nederlanders elkander bij dezen naam in die mate duidelijker en opregter erkennen, en door uitheemschen erkend worden, hoe helderder en meer doorwrocht de geschiedkundige herinnering zal wezen.


Gent, 1827      


Terug naar de Thorbecke Pagina