Gij weet, waarde vriend, dat ik mij waarlijk verheugd heb, toen mij de brieven van den Heer Kinker, over het natuurregt[2]
Van alle kunsten, mag men vrijelijk beweren, onder het menschdom geoefend, is er geene ouder, dan de kunst van den staat. Getuige de geschedenis. Welke bemoeijing des menschen beslaat in dezelve eene zoo ruime plaats, welke heeft haar zoo veel werks verschaft, dezelve in die mate bezield, verlevendigd, bewogen en beroerd, als de daarstelling van het regt? Daar is geen belang, hetwelk door alle tijden heen in de hartstogten des menschelijken geslachts dieper indrong, den geest gestadiger aan zich verbond, den moed en de kracht van handelen meer uitdaagde en ontwikkelde, dan de gevoelens en denkbeelden, of de schijn van regt. Geen ander streven heeft over bijzondere personen en gansche volken zoo veel leeds of welzijns uitgestort; aan geen ander hebben wij zoo vele treffelijke uitwerkselen en daden toe te schrijven, of zoo vele slechte te wijten. De proef zal het uitwijzen, zoo men slechts onderneemt, het gansche verband van historische verschijnselen, uit dezen oorsprong afgevloeid, na te gaan, of de staat- en regtskundige geschiedenis in den ruimeren zin te overdenken. De nasporing zal bevonden worden zich onvoorziens over verre het grootste deel van het veld der historiën uit te strekken, en hetzelve dusdanig te beheerschen, dat, in evenredigheid, voor de overige takken van historiekennis weinig van alle eeuwen herwaarts wordt overgelaten; hetgeen daarenboven in den zamenhang der politieke verschijnselen van alle kanten is ingewikkeld. Moge men hieruit een besluit opmaken ten opzigte der vorderingen van de wijsgeerte des regts, het schijnt, men zoude tot een zeer gunstig vooroordeel aangaande den toestand dezer wetenschap moeten geraken. Eene kunst en bedrijf, door geslacht op geslacht onvermoeid in de menigvuldigste afwisseling met inspanning gehandhaafd, waaraan tot nog toe de beste krachten des menschdoms zijn te koste gelegd, wordt reeds, zoo vermoedt men niet zonder grond, door een helder licht van wijsgeerige kennis omschenen.
Het is ook niet te ontkennen, uitstekende vernuften, waar onder Plato bovenaan te noemen is, hebben zich aan deze bespiegelingen gewijd, en ze tot eene aanmerkelijke ontwikkeling gebragt. In weerwil van dit alles schijnt de philosophie van het regt, vergeleken met de vordering in de overige deelen der wijsgeerte, niet op den hoogsten trap te staan, en nader aan den laagsten; ten dezen aanzien met de wijsgeerige beschouwing der schoone kunst het naast op
ééne lijn te plaatsen. Het geschiedt wel in andere levenskringen en werkzaamheden, dat, te midden van eene zeer levendige praktijk, de zoogenaamde theorie, als een verschoven voorkind, over het hoofd wordt gezien: en op gelijke wijze is het philosophisch onderzoek omtrent het regt en den staat, in den drang der uitoefening, dan eens verzaakt of verdonkerd, dan weder te naauw aan dezelve gesloten, en aldus door de wisselvalligheid en botsingen der tijden, meer dan billijk, geslingerd geworden. Eene kennis, zoo enger vermaagschapt en in aanraking met de verschijnselen des dagelijkschen levens, loopt te ligter gevaar, door de veranderlijke ondervinding van het levend geslacht verdrongen of onmiddellijker geleid te worden, dan door de eigen wet. Daar overzulks staten en volkeren tot nog toe minder dan bijzondere personen gewoon zijn geweest, zich te onthouden van de hoop op een eeuwigdurend bestaan, is men in alle tijden telkens ten uiterste zorgvuldig geweest, die stellingen, waarop de gegeven toestand dier hooge ligchamen scheen te berusten, aan het natuurregt, als aan de onsterfelijkheid, aan te bevelen. Zoo heeft men, nadat de staatskunst en stellige wetgeving het belang dier eenheid, waardoor men oordeelde, dat het staatsgebouw gedragen en zaamgehouden werd, veelal uitsluitend in het oog hebbende, hetzelve van het regt der deelen en individus, met verwaarlozing der laatste, afgescheiden hadden, eene individuele vrijheid voor den grondslag van alle regt verklaard. Met den gang der gebeurtenissen, waarvan deze denkbeelden aan velen toeschenen de prijs en de beteekenis te wezen, hebben wij het hier niet te doen; de geschiedenis heeft veelal eenen hoogeren zin, dan hetgeen zij aan tijdgenooten of de naaste nakomelingschap voorkomt te bedoelen. Maar waarop ik opmerkzaam wil maken, is, dat hetgeen in den zamenhang der historie een wezenlijke voortgang van het leven en regtsbestaan is, voor het inzigt der wetenschap eene oogenblikkelijke achterlijkheid en verwarring ten gevolge kan hebben. In dien zin hebben deze begrippen van eene individuele vrijheid, gelijk zij waren geboren, in diezelfde gestalte dadelijk tot het natuurregt overgebragt, een valsch licht op de bespiegeling geworpen. De overheerschende rigting op de bijzondere vrijheid en het individu afgescheiden voor zich zelve, deed den blik afwenden van datgene, waarop alle regt is gegrond, van het verband van individus met individus en met het geheel, hetwelk zij als regtswezens te vormen hebben. Over het algemeen is de voorstelling van individuele vrijheid, gedacht als een toestand, waarin men mag doen, wat men wil, noch een zedelijk noch een regtsbegrip. Men gewende zich, na uit de banden van een langdurig en drukkend onregt ontslagen te zijn, het regt, ja het begrip van staatsverbindtenis zelve, voor kluisters en perken aan te zien, waarvan die inrigting voor de volkomenste moest gehouden worden, welke de gebondenen nog het meest aan hun individueel afzonderlijk welbehagen overliet. Terwijl een verbond, bij voorbeeld, van vriendschap, naar die mate hooger wordt geschat, hoe inniger het de vrienden doordringt en beheerscht, hoe naauwer dezen er naar hun gansche wezen in betrokken zijn, zoo volmaakter heet het verbond des regts, tot hetwelk men niet gewoon is de vriendschap te brengen, waarvan de leden het[4]
Hoe gewigtig dan ook de beteekenis der opgenoemde begrippen binnen derzelver ware grenzen, hoe natuurlijk en echt menschelijk het ontwaken van zoodanig bewustzijn in de gegeven ondervinding der tijden, wezen moge, werd echter derzelver invoering voor de regtsleer enkel ontkennend en verwoestend. Het regtsgebied, van alle het rijkste en vruchtbaarste in historische voortbrengselen, leven en wasdom, kromp in de wijsgeerige beschouwing tot eene armoedigheid en schraalheid zamen, die van de zedeleer naauwelijks nog eenen schijn van eigen bestaan en wezenlijkheid afbedelen mogt.
Van den anderen kant is de toestand der regtswetenschap op het leven zelve dadelijk van den grootsten invloed. Vanwaar zouden de moed, de geestdrift, de veerkracht, vereischt om het regts- en staatsgebouw, als een der verhevenste deelen van het leven onzes geslachts, op te rigten, kunnen ontspringen, inden het regt over het algemeen meer als eene opoffering, als een lijden der menschelijke natuur, dan als eene oorspronkelijke, als de vrijste, edelste ontwikkeling van derzelver wezen wordt voorgesteld? Laat ons in één woord vragen, welke waarde of beteekenis toch kan een historisch regt, een bestaande staat, niet vastgemaakt aan het bewustzijn van een eeuwig regt, niet gedragen door het besef van 's menschen wezenlijke regtsbestemming, voor die er aan deel nemen, redelijker wijze hebben? Eerst in het licht van dat besef ontwaren wij, dat elk streven naar een regtsbestaan, hoe onvolkomen ook en gebrekkig van gedaante, een onschatbaar goed aanbrengt, hetwelk nimmer ligtzinnig verzaakt, of gering geacht wordt, zonder den mensch, die zoo de wet zijns wezens en levens verzuimt, aan de nietigheid prijs te laten, waartoe hij zichzelven veroordeelt. Ieder regtsbestaan, zoo verre het nog niet in alle deszelfs deelen gelijkmatig ontwikkeld, van onregt, van menschelijke zwakheid en verkeerdheid nog niet gezuiverd is, sleept voor die er in leven, in tijden van den gelukkigsten vrede, geene geheellijke voldoening, maar voor allen in verschillende mate bezwaar, druk, ja gedeeltelijke verongelijking; in andere tijden daarentegen, de uiterste rampen, verwoesting der dierbaarste belangen, ja den ondergang van gansche geslachten met zich. Onder de staten, die vroeger of later eene plaats in de geschiedenis hebben bekleed, was er geen, noch zal er waarschijnlijk vooreerst een wezen, niet rijkelijk met deze en andere gevolgen van eenen gebrekkigen aanleg doortrokken. Wie, die zich hieraan ziet blootgesteld, zal in den staat, waartoe hij behoort, anders dan uit nood en dwang, het zijne vervullen, indien regt en geregtigheid voor hem slechts als algemeene begrippen wezenlijkheid hebben, die in den toevloed van de bijzondere bepalingen en al den overigen uitvoerigen regtsomslag als het eenig ware goed bovendrijven? Is het regtsbewustzijn nog niet genoegzaam ontwikkeld, zoo dat men in de uitvoering en organisatie van het geheele ligchaam en zamenstel van den gegeven staat, niet de vorming van wezenlijke levensbetrekkingen ziet, maar enkel lastige voorwaarden en middelen, ten einde tot personele veiligheid te geraken, waardoor bewogen zal het geslacht zich met lust en liefde tot eene krachtige zaamverbondene medewerking, elk op zijne eigenlijke plaats, aangorden?
Men mag zich niet vleijen, dat de terugbrenging van het regt op het zedelijk beginsel en gevoel, de ontbrekende of achterlijke vorming van het regtsbewustzijn zelve zou kunnen vervangen. Op andere boomen groeijen andere vruchten; en het is voor het staats- en regtsleven verre van onverschillig te wezen, of het besef en de behandeling des regts uit deszelfs waren stam voortspruite, dan, als een vondeling, door de zedelijkheid opgevoed worde. Zedelijkheid en regt strijden zoo weinig tegen elkander, dat zij integendeel onderling in het innigst verbond en verband staan, en elkanders wasdom op alle punten van aanraking bevorderen: maar desniettegenstaande, of liever hiermede in overeenstemming, is elk van beide zelfstandig, en heeft een eigen, aan het ander tegengesteld, wezen en gebied. Hetwelk aldus zijnde, kan hetgeen uit krachte en om den wil des regts diende te geschieden, niet het ware gevolg nemen, noch de ware beteekenis en gedaante erlangen, indien het op den grond der zedelijkheid wordt gevestigd. Deze bedenking behoeft slechts aangeroerd te worden, om hetgeen er in opgesloten ligt, aan den dag te doen komen: terwijl het duidelijk is, dat eene zoodanige zijdelingsche en onnatuurlijke afleiding geheele deelen van het regtsstelsel moet doen overslaan, en den zamenhang van het geheel als uit de gewrichten ligt[5]
De regtsgesteldheid en het leven zijn aan den toestand der regtswetenschap niet minder gebonden van eene andere zijde. De philosophie des regts, of de beschouwing van het oorspronkelijk regt, dient elke vorming van stellig regt, elke oefening en bedrijf ter zake des regts, voorop te lichten. Dat dit in overeenstemming met de geaardheid en de geschiedenis des volks, met den tijd en de omstandigheden, geschieden moet, en in zekere mate van zelf geschiedt, is buiten twijfel; maar het behoort niet ter dezer plaats, het wezenlijk verband, waarin het regt met deze voorwaarden des levens staat, en op hetwelk de mogelijkheid van ze overeen te brengen berust, te onderzoeken. Ik roer dit alleen aan, om er de opmerking aan vast te maken, dat, hoeverre men ook den invloed dier voorwaarden op het ontstaan of de daarstelling van historische regtsbepalingen uitstrekke, in dezelve altoos iets overig blijft, hetwelk uit die voorwaarden niet wordt verklaard, datgeen namelijk, weshalve de bepaling eene regtsbepaling genoemd wordt. Ten blijke, dat elke werkzaamheid, gerigt op de voortbrenging van historisch regt, hetzij bij gewoonte, hetzij bij wetgeving, eenen zamenhang met het oorspronkelijk regt veronderstelt. Aangenomen nu, dat de wijsgeerige regtskennis ten eenigen tijde achter ware gebleven, waaruit zal de inhoud der gedurig veranderende regtsschikkingen kunnen ontleend worden? Men heeft geantwoord: uit het voorafgaande of den gegeven toestand; en als uitstekend voorbeeld van zulk eene regtsbehandeling en staatskunst den gang der geschiedenis van Groot-Brittanje bijgebragt. Men prijst het, en acht er het welzijn der natie grootendeels op te berusten, dat deze staat onder alle het meest geleidelijk en in de natuurlijkste aaneenschakeling de opkomende regtsveranderingen telkens uit de voorhanden geschiedenis en het bestaande ontwikkeld heeft. Deze ontwikkeling, beweert men, werd niet bestuurd door een opzien tot dat regt, hetwelk noch oud, noch nieuw is, maar volgde slechts de verschillende behoefte der tijden. Het is waar, de Engelsche historie kent slechts één moment, waarin men zich uitdrukkelijk van het verband met de vroegere toestanden losrukte, en meende, uit eigen magt en middelen een nieuw bestaan te kunnen scheppen. Maar ook van deze uitwijking uit de gewone baan keerde men spoedig weder om. Hieruit wordt evenwel niet bewezen, dat de werkzaamheid, waaruit de Engelsche staats- en regtsvorming in de onderscheiden tijdperken is voortgevloeid, buiten alle gemeenschap was met eenig denken des oorspronkelijken regts.
Vergun mij, hierbij een weinig stil te staan. Stel, dat het denken des oorspronkelijken regts, in verband met het bestaande, onder de natie een oogenblik geheel verloren ging: weshalve zou deze vereeniging van menschen nog verdienen een staat, of deze toestand een regtstoestand genoemd te worden? Of ware het genoeg, bij de grondlegging eens staats of eener regtsbetrekking éénmaal het oog te slaan op de idee des oorspronkelijken regts, ten einde daaruit en daarvolgens den staat te ontginnen; hierna van den oorsprong af te zien, en aan het bestaande uit het bestaande voort te bouwen? Dit ware zoo weinig genoeg, dat het zelfs niet mogelijk is. De kracht, waaruit de regtsbetrekking oorspronkelijk geboren werd, uit dezelfde wordt zij ook onderhouden, ontvangt zij voortduring en wasdom; dezelve weggedacht, wordt zelfs de zweem van regt te niet gedaan.
Hetgeen men als beginsel der Engelsche regts- en staatsbehandeling heeft hooren opgeven, de geschiedkundige raadpleging namelijk met het herkomstige en deszelfs daadzakelijken inhoud, zoude, in zoo verre die raadpleging bloot geschiedkundig ware, noch een beginsel zijn, noch eenen zin regtens hebben. Maar er ligt wezenlijk meer bij ten gronde. Vooreerst bespeuren wij er het ware regtsdenkbeeld in, dat hetgeen vroeger, het zij slechts door een enkel voorbeeld gestaafd, als regt gold, later geen onregt kan zijn: terwijl niets duidelijker blijkt, dan dat de beroeping op het verledene of bestaande als beginsel van regtskennis onafscheidelijk hangt aan de onderstelling, dat dit bestaande zelve eene regtsbepaling is; hetwelk onafhankelijk van het bestaan en van alle historie dient te worden bewezen. Hierbij komt, dat elk, in eenig bijzonder geval, gewijsd of erkend regt, noodzakelijk eenen regtsregel veronderstelt, die verder reikende, dan de toepassing van het oogenblik, met de toelating in het eerst voorgekomen geval, dadelijk naar den geheelen omvang zijner toepasselijkheid werkelijk regtens is geworden. Vervolgens steunt nu de behandeling, waarvan wij spreken, op de, der Engelsche geschiedenis diep ingedrukte, regtsgrondstelling; dat elke nieuwe regtsontwikkeling, om op eenen bepaalden tijd daargesteld en in werking gebragt te worden, de genoegzame voorwaarden van een tijdig en welgevestigd bestaan in het voorgaande vinden moet. Dus niet de regtsgrond of oorzaak is in het voorgaande bevat, maar de voorwaarde, van dat bepaalde regt op dien bepaalden tijd, als deel en daad des levens, in te voeren. Het is hier niet de vraag, of de Engelschen deze grondstellingen altoos met bewustzijn aan het hoofd hunner handelingen hebben geplaatst; maar of eene regtsontwikkeling, gelijk de beschrevene, zonder eene terugleiding tot regtswaarheden, gelijk de bijgebragte, te gedoogen, nog als ontwikkeling des regts zou kunnen verstaan worden. Van de historische beweegredenen, welke in Engeland deze leiding der regtswerkzaamheid mogelijk maakten en bevorderden, valt hier nog minder te gewagen.
De menschelijke geest kan geene bepaling, die hij als regtsbepaling doe gelden, voortbrengen, zonder door iets meer, dan door het gegevene, bewust of onbewust, geleid te worden. Geen kunstenaar, hij zij het in de geringste mate, is in staat, de meest slaafsche kopij van eenig werk op zich nemende, daarbij alle zelfswerkzaamheid volstrektelijk uit te sluiten, en door geene eigen idee de kopij te buiten gaande, ik wil niet zeggen, getroffen of bewogen, maar aangeraakt te worden. In eenen ruimeren zin bewaarheidt zich deze opmerking ten aanzien van ons onderwerp, waarbij wij het niet met eene gedurige herhaling van één en hetzelfde, maar met eene gedurige verandering te doen hadden. Eene zoodanige vorming toch des stelligen regts, hetzij bij gewoonte en in den boezem des volks verborgen, hetzij bij uitdrukkelijke wetgeving en door weinigen met bewustzijn geoefend, hoe gebonden ook aan voorhanden voorwaarden, gaat uit haren aard steeds gepaard met eene van dezelve onafhankelijke verrigting der rede. Dezelve kan overheerscht en verdrukt, maar nimmer geheel afgewezen worden. Deze oorspronkelijk vrije verrigting behoort tot het aandeel, hetwelk het oorspronkelijk regt aan het ontstaan van elke historische regtsbepaaldheid ten allen tijde heeft. Door dezelve is de geest in gedurig verband en verkeer met die regtsdenkbeelden, welke de wijsgeerte in haar volle licht heeft te plaatsen, en op dezelve is de mogelijkheid zelve van historische regtsverandering en voortbrenging gegrond. Deze op het oorspronkelijk regt aangelegde en uit hetzelve afkomstige verheffing der rede boven het daadzakelijke, mag van de flaauwste schemering tot de euvelmoedigste, meest ongeregelde willekeur, die al het bestaande verwoest en niet dan haar eigen oogenblikkelijk maaksel kennen wil, overslaan; maar zij is altoos aanwezig, betrokken in elke gebeurtenis van staats- en regtsbedrijf, altoos in mindere of hoogere mate moment en roersel des levens; en bestemd, het met de alrede tot stand gebragte staats- en regtsgesteldheid in overeenstemming, verre van vijandigen strijd, te zijn[6]
Daar nu het leven aldus tot eene op dat zelfde wezen des regts, waarmede de wijsgeerte het te doen heeft, gerigte werkzaamheid gestadig wederkeert, ja er op gebouwd is, er zich uit voedt en hernieuwt, zoo blijkt, hoe naauw de wijsgeerige beschouwing des regts, die men gemeenlijk als eene hemelbreed verwijderde en afgezonderde operatie gelieft aan te zien en te behandelen, met de geschiedenis van staat en regt is vermaagschapt. Hoe zeer derhalve elk staats- en regtsbedrijf aan den toestand der regtswetenschap, of aan de ontwikkeling der rede ten aanzien van het oorspronkelijk regt, gebonden zij, mag hieruit afgeleid worden.
Voegen wij daarbij, waarvan nog niet werd gewaagd, dat van de wijsgeerige overdenking des regts de aanwijzing der eigenlijke regtswaarheid, of der overeenstemming met het oorspronkelijk regt, zoowel in het reeds bepaalde leven, als voor de aanstaande voortbrenging afhangt. En wij zullen aan het wezenlijk gezag en gewigt der philosophische regtsbeschouwing, in betrekking tot den gang der historische staats- en regtsonwikkeling, voorzeker niet twijfelen.
Niemand zal willen staande houden, dat de stelsels aangaande het zoogenaamde natuurregt, tot nog toe voor den dag gebragt, aan de eisschen uit het aangemerkte natuurlijk voortvloeijende, voldaan hebben. Intusschen ware het van de andere zijde even zoo onbillijk als vernederend voor den menschelijken geest, in de verschillende bemoeijingen der wijsgeeren ter dezer hoogstgewigtige zaak, niets verder dan eenen oorlog van allen tegen allen te zien, en de uitkomst gelijk nul te verklaren. Inderdaad steunt dit zeer algemeen verspreid vooroordeel slechts op eene volslagen onkunde van de, hoe zegepralend ook door die er in deelen, ingeroepene historie der wetenschap, of op eene valsche opvatting derzelve. Evenwel kan men de wijsgeeren zelve niet vrijpleiten, van er door hunne individuele houding onderling dikwerf aanleiding toe gegeven te hebben. Want wie kan ontkennen, dat van dezen eenigen zich voordeden, alsof de waarheid eerst met hen begon ontdekt en erkend te worden, en elk verschillend onderzoek alleenlijk onder den hoek van afwijking ziende, aanstonds als strijdig en vijandig verwierpen. Maar menschelijke zwakheid en dwaling van de ééne zijde regtvaardigt niet die van de andere. Hetgeen tegengesteld is, is daarom niet tegenstrijdig; en de ware historische beschouwing, over de grenzen van persoonlijk egoïsme henen ziende, zal verschillende inzigten, die de individus, elk voor zich, als algenoegzaam, als uitsluitend en onverzoenbaar vervolgden, welligt als elkander aanvullende, als deelen van één hooger verband, doen voorkomen. Een groot deel der menschen zoude gaarne tot eenig geloof aan wijsgeerte overgaan, indien degeenen, die hun philosophen schenen te wezen, één gemeenschappelijk besluit, in éénsluidende uitdrukkingen opgesteld, tot vaststelling der artikelen van overtuiging, ééns voor altijd beraamden: ten einde de zaak dan ook afgedaan, en zij van de vrees bevrijd waren, dat men de gelukkige rust door nieuwe aanslagen tot wijsgeerig denken kwam storen. Dit vreedzaam verlangen kan trouwens zoo min vervuld worden, als de wijsgeer, indien hij het wel bedenkt, zich zal verbeelden, dat hij voor zijn persoon, of eenig mensch alleen, een alles afdoend stelsel tot stand gebragt, dat hij meer dan een allerkleinst gedeelte van het wezen der dingen toegelicht hebbe. Jegens vroegere wijsgeerige overdenkingen heeft hij waarlijk geene reden ondankbaar te zijn, daar hij, hetgeen in de werkplaats van zijnen geest tot stand komt, voor een groot gedeelte, ook zijns ondanks, met de vereenigde kracht van het voorgeslacht en zijner tijdgenooten verrigt. Ofschoon het grootelijks verschilt, hoe ieder met dit krediet huishoudt, of hij het eert en naar alle deszelfs betrekkingen doordenkt, of hij het aanlegt en zich toeëigent niet als die het geërfd, maar als die het te verdienen heeft; terwijl velen er een eigen kapitaal tegen in de schaal leggen, anderen er doorgaans alleen van leven.
Maar men werpt der philosophie des regts de vergankelijkheid en wisseling harer systemen tegen. Is het dan met andere verschijnselen, met gansche staten of bijzondere regtsinrigtingen, beter gelegen, dan met de philosophische stelzels? Deze zoowel als gene worden sterfelijk geboren, hebben hunnen tijd, en vinden zich daarna door andere verdrongen. Er is geen voorregt der waarheid, als verschijnsel te blijven bestaan; waar of valsch, regtmatig of wederregtelijk, het zij een werk der bespiegeling, het zij eene inrigting des levens, het een niet meer of minder dan het ander, volgt de gemeene voorwaarde der verschijning. Gelijk het ten eenigen tijde verscheen, zoo gaat het in den tijd voorbij.
Dit lot dus aan de philosophie met andere dingen, die men gewoon is ten hoogste te vereeren, gemeen zijnde, schijnt als grond, weshalve het vertrouwen op deze wetenschap niet het grootste is, overig te blijven de reeds aangestipte verkeerdheid der philosophen zelve. Met deze menschelijke gebrekkigheid nu en zwakheden, waaraan wij steeds zelve blootstaan, zullen wij ons, geloof ik, eenigermate verzoenen, en ons tegelijk eenen ruimeren blik in de geschiedenis der wijsgeerte openen, indien wij trachten, ten aanzien dier dwalingen, die waarheid uit de wezenlijke orde der dingen ons voor den geest te brengen, welke ieder derzelve, om begaan te worden, onderstelt, als op welker gebied zij begaan werd. Op deze wijze toch blijkt het bewijs, hetgeen uit de geschiedenis der philosophie tegen de philosophie was ontleend, inderdaad voor dezelve, ja tot ontdekking van wijsgeerige waarheden te dienen. Zoo is het, bij voorbeeld, buiten kijf eene groote, hoezeer gewone misvatting, dat de ontwerper van een regtssysteem, de eeuwige waarheid des regts, waarvan hij misschien een gering gedeelte gelukkig daarstelde, meent uitgeput te hebben: gelijk ook volken dikwerf in het gegevene regtsbestaan, waarin zij leven, bevangen, hetzelve voor de geheellijke vervulling des regts houden, niet bedenkende, dat er andere tijden volgen, die uit andere oogen zien zullen. Bij deze verwisseling van deel en stukwerk met het geheel ligt niettemin het ware gevoel of besef ten gronde, dat geen deel afzonderlijk kan worden erkend en daargesteld, zonder die beginsels van het geheel aan te roeren, welke zich tot en over alle deelen uitstrekken. Het is eene dwaling, wanneer de wijsgeer de eigen regtsleer tot uitsluitens toe van alle tegengestelde drijft: echter, zoo wij er op willen letten, moet zijn onderzoek, om als individueel onderzoek gedaante en bestand te verkrijgen, zich eerst uit de gemeenschap met afwijkende gevoelens vrij- en losmaken; en vervolgens brengt de wet van opvolging in den tijd mede, dat elk regtsstelsel, niet minder dan elke regtstoestand, eenen bepaalden tijd hebbe, waarin het andere van de gelijktijdigheid uitsluite. Het is eene dwaling, wanneer, hetgeen menschenwerk is, met den schijn van onfeilbaarheid wordt voorgedragen en bekleed; zoo als trouwens vele regtsstelsels met deze aanmatiging ter wereld zijn gebragt. Op dezelfde wijze beschouwden de volkeren der middeleeuwen hunnen regtstoestand, zonder wijdloopige afleiding, onmiddellijk als de goddelijke regtsorde zelve; waarop later andere geslachten zijn gevolgd, die, van de menschelijke vrijheid beginnende, de schepping van regt en staat op de losse schroeven van menschelijk besluit en beleid stelden. De dwaling blijft dwaling, maar zij herinnert de onveranderlijke waarheid, dat elke wijsgeerige regtsbespiegeling, zoo als elke regtsgesteldheid, hoe vervuld ook van onvolkomenheid en verkeerdheid, niet wezen zou, zonder in eene eigene gemeenschap te zijn met het wezen des oorspronkelijken regts, hetwelk zij tracht te vertegenwoordigen. Uit welken hoofde aan alle op het regt gerigte werkzaamheid eene zekere onvervreemdbare waardigheid toekomt, dewijl zij nooit louter en bloot uit menschelijke zwakheid en mistasting kan zijn zamengesteld.
Maar ik heb slechts een enkel voorbeeld tot opheldering mijner meening willen aanhalen; het onderwerp is te rijk, en de beschouwing der geschiedenis van het philosophisch regt leidt mij te ver heen. Ik spoede mij derhalve dezen brief te besluiten. Het mag geacht worden, uit het gezegde duidelijk te zijn, hoe met de historie der regtsphilosophie tegelijk eene wijsgeerige kritiek derzelve ontspringt, welke, met alle gedaantewisselingen der regtsphilosophie medegaande, inderdaad, ook zonder opzettelijke bemoeijing, reeds door elken tijd en elk nieuw regtssysteem, ten opzigte der vroegere, in hoogere of geringere mate wordt geoefend. Hierin toch verschilt het voortbrengen van wijsgeerig inzigt van de historische inlichting omtrent gebeurde zaken; van welke laatste zoo eenmaal de ééne ware voorstelling is gegeven, alle afwijkende van zelf, zonder nader betoog, vervallen; terwijl een wijsgeerig kennen, hoe juist en omvattend, aan de waarheid, die het poogt voor te stellen, niet meer dan deel kan hebben.
De ware werkzaamheid eener wijsgeerige kritiek bestaat, om het in één woord te zeggen, mijns inziens, in de terugleiding der regtsstelsels tot de eigen opgave en idee, waaruit elk ontstond. Aan eene in dezen zin toetsende beschouwing van het natuurregt, door den Heer Kinker ontworpen, is het stukje, hetwelk ik u met dezen brief toezende en in hartelijke vriendschap opdrage, gewijd. In hoeverre ik aan het denkbeeld, dat mij voorzweefde, voldeed, moge door u en anderen beoordeeld worden. Dat ik er beneden ben gebleven, gevoel ik zelf maar al te wel. Intusschen ben ik mij ten volle bewust, dat geene andere drijfveer hoegenaamd, dan het zuiver belang der zaak, eenigen invloed op mijne behandeling gehad heeft. Voor den Heer Kinker bezielt mij de reinste hoogachting, en deszelfs gezonde en opregte waarheidszin waarborgt mij, dat, zoo hem dit geschrift onder oogen mogt komen, hij de eerste zal wezen met te erkennen, dat hetzelve met geenerhande gebondenheid of begunstiging van partij, secte, systeem, van welken aard ook, iets gemeen heeft. Waarvan ik met u alleen gewisselijk niet, en ook hier liever niet, zou gewaagd hebben, mij vergenoegende, met de uitvoering zelve voor de vrijheid mijner gezindheid en gedachteleiding te laten spreken: bijaldien niet in onze dagen eene bijzondere zucht, om gevoelens in compagnie en als eene gemeenschappelijke onderneming te drijven, zulk eene uitgebreidheid had erlangd, dat elk woord, vooral ten aanzien van regt en staat, het vermoeden voor zich heeft, van aan de eene of andere dier autoriteiten toe te behooren. Vandaar ook, dat ik besloten heb, mijnen naam voor anderen hier niet onder te plaatsen. Ik wenschte de opmerkzaamheid waarvan een gedeelte op den indruk, door den naam veroorzaakt, pleegt overgedragen te worden, gaaf en onvermengd en in hare volle kracht voor het onderwerp te doen bewaren.
Laatstelijk nog een woord over de voordragt. Dat onze taal ten aanzien der philosophische uitdrukking, dat heet niet terminologie, die het kenmerk en gewaad is van armoede, reeds bij uitstek gevormd zij, zou men met zoo weinig grond beweren, als twijfelen, dat zij voor eene vrije, volledig bewerktuigde, philosophische gedachtebeweging in de rijkste zamenstelling en afwisseling vatbaar zij. Het is uit dien hoofde, dat boeken, gelijk die van den Heer Kinker en den Heer Bilderdijk, te grooter dank en onderscheiding verdienen. Intusschen heb ik niet zonder eenige verwondering waargenomen, dat het natuurregt van den Heer Kinker, zelfs onder die mannen, wier studie met deze stoffe het naast verwant scheen, weinig lezers heeft gevonden, nog weiniger, die niet met eene klagte over gebrek aan duidelijkheid eindigden. Deze beschuldiging nu, waarmede bijkans elk, die eenige wijsgeerige overdenking ter baan bragt, ten allen tijde heeft te kampen gehad, zal, hoe gegrond ook de wet is, waarop zij diende te berusten, in de meeste gevallen bevonden worden op eene hoogst onbillijke, verwarde en onbepaalde voorstelling neder te komen. Want al schuilt er soms de wensch achter, op eene gevoegelijke wijze van zich af te schuiven, waarvan men geen' tijd of roeping heeft, zich te doordringen, dit laat ik daar. Duidelijkheid van voordragt zult gij met mij, geloof ik, begrepen achten in de met het voorgestelde overeenkomstige uitdrukking. Daarentegen beteekenen de eischen, die men gewoon is onder dezen naam te doen, dikwerf niets anders, dan algemeene of gemakkelijke verstaanbaarheid, die verder het zoogenoemd populariseren insluit, en eindelijk gelijkluidend wordt met het begrip van vertrouwelijkste ineensmelting met de geldende meeningen en vooroordeelen, en met eenen meest verbreiden, dat is, minst duidelijken, minst gezonden en ontwikkelden toestand des denkens. Zoo wordt duidelijkheid een betrekkelijk denkbeeld, zonder vaste houding, en terwijl men de zaak, waaraan zij is gebonden, uit het oog verliest, aan de uiteenloopendste voorwaarden van individuele bevattelijkheid onderworpen. Daar is een groot verschil, of men voor de wetenschap schrijft, dan voor de leering der min geoefenden: maar indien de hoorder of lezer het voorgedragene niet van den beginne af met eene zelfstandige medewerking te gemoet komt, veeleer alles verwacht van de energie, door den spreker in hem over te storten, zal ook deze, zelfs in het laatste, hoe veel meer in het eerste geval, waarmede wij het hier alleen te doen hebben, voor hem verloren zijn. Gelijk de kunstenaar met het kunstwerk, door hem voortgebragt, niet tevens het goede zien kan verleenen, zoo min de denker met de kennis het kennen. In het boek van den Heer Kinker is niets duisters: desniettegenstaande kan er tusschen hetzelve en die er zich mede bezig houdt, schaduw wezen; wie heeft dezelve aangebragt? De hoofdzaak toch is niet, in het inzigt van den schrijver te deelen, of hetzelve te verwerpen; maar hetgeen wordt aangenomen, als voortbrengsel van eigen onderzoek en nadenken, dat is, door zelf bij de eerste bron te putten, te bezitten. Ten dezen aanzien verschilt ook de wijsgeerte niet van andere deelen van kennis en wetenschap; maar bij deze is het ligter, zoo wij niet op eigen grond en bodem, maar op vreemden, op dien der overlevering, wonen, niet te min bij ons zelve en anderen in den dunk, als zijnde echte eigenaars met volle vrijheid, te komen. Op het gebied der philosophie, waar de bezitter niet lang tot zijne eigene tevredenheid het gebruik kan handhaven, zonder de vrijste beschikking en werkzaamheid, houden zoodanige schijneigendommen en colonaatschappen minder stand. Weshalve men ook, zooverre men het veiligst acht, als hoorig of huurder gezeten te zijn, de philosophie liefst ontvlugt. De schrijver van zijnen kant schrijft niet alleen voor den lezer, maar in de eerste plaats, zoo ver zijn inzigt reikt, ter zake der waarheid. De berekening der mogelijke uitwerking mag hij niet uit het oog verliezen; maar zij is uit haren aard aan de eerste ondergeschikt. Hij mag en moet onderstellen, dat deze anderen evenzeer aan het harte ligt, als hem zelven; want waar deze oorspronkelijke deelneming gebonden is of terugwijkt, daar vindt ook zijne werkzaamheid hare grenzen. Vaarwel.
Regt is, volgens den Heer Kinker, een betrekkelijk begrip. Want in het midden gelegen tusschen de zedelijke categoriën van geoorloofdheid en pligt, is regt meer dan de eerste (bl. 258 en 259), en minder dan pligt. Het pligtbegrip is het hoogste, en sluit het regt, en onder hetzelve de geoorloofdheid in, als onvolkomene toenaderingen tot de vervulling der opperste zedelijke wetgeving, welke die van den pligt is (bl. 251). Waaruit volgt, dat in eene volmaakt daargestelde zedelijke wetgeving, het begrip van regt geen plaats meer zou vinden.
Het begrip van regt is een betrekkelijk begrip in eenen anderen zin, als de werkelijkheid in de volgreeks der modale categorie, naar het stelsel van Kant: ofschoon de Heer Kinker beide, als op elkander slaande, tegen elkander overstelt. Volgens Kant toch verkrijgen de begrippen mogelijkheid, werkelijkheid en noodzakelijkheid, hunne beteekenis niet door hunne wederzijdsche betrekking op elkander, maar door dat men ze terugbrengt tot de oorspronkelijke beschouwing van tijd, waaronder zij gedacht moeten worden. Zoo is het werkelijke niet slechts de vervulde mogelijkheid: eene onvruchtbare en in het ongewisse omdolende bepaling, zoolang wij den gemeenen maatstaf beider voorbijzien; maar werkelijk heet, hetgeen op eenen bepaalden tijd, mogelijk, waarvan de oorzaak op eenen bepaalden tijd, noodzakelijk, hetgeen ten allen tijde is.
De Heer Kinker zal niet willen beweren, dat de zedelijke wet, waarvan pligt de hoogste uitdrukking is, in dezelfde verhouding staat tot geoorloofdheid, regt en pligt, als tot gene begrippen de tijd, door welken zij eerst bestand verkrijgen, als door den vorm, die het denken derzelve alleen mogelijk maakt. Want de zedewet is volgens den Heer Kinker geen bloote vorm, maar het gansche lichaam dier bepalingen, waarop de volmaking onzer zedelijke natuur berust. De begrippen voorts van mogelijkheid en werkelijkheid hebben, als ware onderdeelen, eene eigene, aan het begrip der noodzakelijkheid tegengestelde, onverwoestbare wezenlijkheid. Daarentegen zijn de begrippen van geoorloofdheid en regt in den zin van den Heer Kinker geene zelfstandige deelen der zedelijke wetgeving, maar slechts overgangspunten eener onvolkomene begripsvorming tot de voltooijing van het volle licht des zedelijkens bewustzijns. Met het laatste te stellen, verzinken de eersten in het niet; dat is, houden op, als geoorloofdheid en regt voor zich te bestaan, en worden met het stelsel der pligten vereenzelvigd. Ten blijke, dat er zoo weinig eene wetenschap van het regt, als van de geoorloofdheid, en er eigenlijk slechts ééne wetenschap, die der pligten, is. De heer Kinker zoude zich met velen tegen eene gecoördineerde tegenoverstelling der wetenschappen van regt en pligt kunnen verklaren, en evenwel eene wetenschap van het regt, als ondergeschikt aan eene hoogere en algemeenere der zedelijke wetgeving, aannemen; maar inderdaad onttrekt hij haar ook dit laatste bestaan. Wij zullen hierop dadelijk nader terugkomen.
Een andere grond tegen het ontwerp van den Heer Kinker, van de kantiaansche categorie van de modaliteit en de door hem daaraan toegevoegde, op dezelve antwoordende of slaande, zedelijke categorie nevens elkander te stellen, komt hierop neer. De begrippen van geoorloofdfheid, van regt en pligt, hebben, zoo als zij door den Heer Kinker zelven zijn voorgedragen, niets met den tijd gemeen. Zij zijn er niet aan gebonden of mede zaamgesteld, en veronderstellen denzelven niet om begrepen te worden. Elk die ze overpeinst, gevoelt, dat hij zich met denkbeelden bezig houdt, welker aard onafhankelijk is van den tijd. Dat het met de begrippen der modaliteitscategorie anders is gelegen, is blijkbaar en boven aangewezen. Het is dus ondoenlijk, de eerstgenoemde op ééne rij en hoogte nevens de binnen den vorm des tijds bevatte modaliteitscategorie te plaatsen. Bij deze overweging wordt niet in twijfel getrokken, dat wij de voorstellingen van geoorloofdheid, regt, pligt, in den tijd denken; hetwelk ontegenzeggelijk is omtrent alle onze denkbeelden zonder uitzondering. Ja zelfs stellen wij ons ieder denkbeeld, dat wij ons voorstellen, op eenen bepaalden tijd, zoo als eene meerderheid in opvolging, voor. Dieshalve, dewijl deze de wijze van bestaan der denkbeelden voor ons bewustzijn is, wordt echter het wezen of de inhoud van het denkbeeld zelve nog niet als aan het begrip des tijds ondergeschikt gedacht, noch met het denkbeeld ook het begrip of eene definitie des tijds in diervoege gesteld, gelijk de begrippen van mogelijkheid, werkelijkheid en noodzakelijkheid aan dat van den tijd deel hebben en onderworpen zijn.
De Heer Kinker beschouwt (bl. 261) het regt, in de opvatting van zedelijke bevoegdheid tot handelen, als het begrip dat wij hebben van de overeenkomst of den strijd onzer daden met of tegen een door ons zelven erkend gebiedend beginsel voor den wil. Het kan bijna schijnen alsof de schrijver had willen zeggen: het begrip, dat wij hebben moeten; intusschen is het noodig, deze bepaling vooraf met de vroegere op bl. 258 en 259 te vergelijken. Hiervolgens onderstelt het regt, buiten de geoorloofdheid volgens de wet, iets met den verrigtenden persoon overeenkomstigs, en instemmends in zijnen eigenen toestand, waardoor zijne daden niet alleen niet strijden met de wet; maar aan hem die handelen zal, een roeping, als ware het, geven om ze te verrigten. De eerstgenoemde bepaling mag bij den eersten opslag voorkomen, als hebbende ons of de personen, in tegenstelling van de zoogenaamde objectieve natuur, in het oog; niet ons in zooverre wij bepaalde personen, en dus aan elkander tegengesteld zijn. Intusschen laat de tweede verklaring naauwelijks ruimte, aan iets anders, als hieraan, te denken. Immers eene roeping, eene bevoegdheid, aan hem die handelen zal, bijzonder opgedragen, kan slechts gelden van individuele personen in individuele toestanden, dat is, betrekking hebben op datgeen, waardoor deze personen zich van andere onderscheiden. Hiermede stemt dan ook de grondbeteekenis van het regt, zoo als zich dezelve aan den Heer Kinker, ten gevolge van zijne ontwikkeling naar aanleiding der modaliteitscategorie, voordoet, regt is de gegeven geoorloofdheid in den persoon (bl. 258), volmaakt overeen.
Deze derhalve de meening van den Heer Kinker zijnde, blijft evenwel de boven geroerde tegenwerping bestaan, dat het regt zijne voldoening niet kan vinden in het begrip, dat wij hebben van de overeenkomst of strijd onzer daden met of tegen een door ons zelven erkend gebiedend beginsel voor den wil. bl. 261. De schrijver heeft het moeten voor den pligt willen bewaren; maar het schijnt te blijken, dat indien het regt voortspruit uit de bijzondere, met deszelfs toestand strookende, roeping des persoons, de philosophische inhoud van dat regt niet afhankelijk mag gemaakt worden van het begrip, hetwelk de persoon van zijne roeping of bevoegdheid heeft, maar van hetgeen die roeping en individuele toestand uit haren waren aard, en volgens hare welbegrepene zedelijke beteekenis tegenover de wet, medebrengen.
Dan hoe strookt nu deze voorstelling van het regt met de algemeenheid der wet? Regt is eene bijzondere bevoegdheid des persoons: het gebiedend beginsel echter der wet mogen wij volgens den Heer Kinker in de kantiaansche formule voordragen: Handel naar eenen regel, die tegelijk als algemeene wet gelden kan. Ik moet derhalve, naar mijn regt onderzoekende, afzien van het bijzonder gegevene in mijn persoon, dat is, juist van datgeen, hetwelk gezegd wordt het wezen des regts uit te maken. Voorts is niet te vatten, hoe de Heer Kinker het regt kon te huis brengen op de overeenkomst of den strijd onzer daden met of tegen het gebiedend beginsel van den wil, zonder zich gedrongen te gevoelen, alle afscheiding tusschen regt en pligt omver te halen. Daar toch, waar dit onvoorwaardelijk gebiedend beginsel eenmaal het woord heeft, kan het naar zijnen aard niet anders als onvoorwaardelijk gebieden en in het algemeen bevelen. De schrijver tracht, wel is waar, het bovenstaande te beperken, terwijl hij niet die overeenkomst of dien strijd op zich zelve, maar het begrip dat wij er van hebben; niet het gebiedend beginsel zelve, maar het door ons daarvoor erkende, in zijne verklaring noemt. Intusschen kan deze beperking, die het voorwaardelijke en bepaalde in den persoon zoekt te handhaven, geen stand houden tegen het algemeen onvoorwaardelijk gebiedende der wet. Dit bewijst de grond zelve, dien de Heer Kinker er voor bijbrengt: want, zegt hij (bl. 261), geene wet kan voor ons verder geldig zijn, dan voor zooverre die volmaakt eenstemmig is met de voorschriften van onze eigen zuivere wilserkentenis. Deze stelling lijdt, ja eischt, toepassing op het systeem der pligten; en de aangehaalde bepaling van regt, op deze wijze uitgelegd, mag dus evenzeer van pligt gegeven worden: zoodat er in den omvang van het aldus uitgedrukt regt niets overblijft, hetwelk niet de gegrondste aanspraak zou hebben op den naam en rang van pligt. Hetzelfde beginsel derhalve, hetwelk den pligt tot pligt, maakt ook het regt, niet tot regt, maar tot pligt. Er bestaat geen regt, maar enkel pligt.
Immers het inroepen der stem van den categorischen imperatief bij onze handelingen, kan niet het eerst of alleenlijk de voorstelling ten gevolge hebben van de bloote overeenstemming of den strijd der daden met de wet; maar brengt dadelijk en bovenal het besef van pligt in de laatste en hoogste beteekenis voort. Het begrip van de overeenstemming of den strijd, van dit hoogste besef afgezonderd, als eene trapsgewijze opklimming tot het bewustzijn van pligt aangezien, zou slechts uit eene valsche gedachteleiding kunnen ontspringen, die het gebiedend beginsel als eenen blooten vorm van het denken beschouwde, en er aldus datgeen uit wegnam, hetwelk er het wezen van uitmaakt. Ook is dit laatste niet de meening van den Heer Kinker, die in het aangehaalde begrip onmiddellijk den grondslag van handeling vindt. Maar juist daarom is er in den ganschen omvang van het aan den categorischen imperatief onderworpen gebied geene plaats, waar deze niet in den hoogsten toon, die tevens zijn laagste is, zou beslissen, en het begrip der overeenstemming niet dat der uiterste zedelijke verbondenheid zelve ware. Hadden wij hier na te gaan, welke ontwikkelingstoestanden het een of het ander menschelijk bewustzijn, wat het zedelijke betreft, in den tijd welligt zou doorloopen, wij zouden onder dezelve misschien ook dien toestand ergens ontmoeten, waarin het besef van den waren aard des gebiedenden beginsels den geest nog niet genoegzaam doordrongen had, om iederen pligt als volstrekten pligt te erkennen. Maar ook deze is geenszins de beschouwing van den Heer Kinker, die de beteekenis van een wijsgeerig onderzoek te wel heeft doorzien, om niet te stellen, dat, hetgeen de van de wetenschap verschillende tijdelijke ontwikkeling des menschen van één scheidt, binnen de wetenschap verbonden en in zijn geheel, in zijne onverdeelde kracht en wezenlijk[1a]
De algemeenheid der zedelijke wet neemt de Heer Kinker tot grondslag, om daarop die gemeenschap te bouwen, welke wij den staat noemen. Wij houden deze overgang voor het gewigtigste punt van het geheele onderzoek, weshalve het ons vergund worde, elke schreede, hier gedaan, met de fakkel der kritiek op het naauwkeurigst toe te lichten.
Gaan wij de redenering op den voet na. Wij moeten een algemeenst doel onzer daden, en eene algemeenste beweegreden voor onzen wil aannemen. Waaruit wordt dit opgemaakt? Uit de algemeenheid van den categorischen imperatief. Welk is nu dit algemeenst doel? De zedelijke wet, of de mogelijke algemeenwording van den regel, waarnaar wij handelen. Het is de plaats niet, tegen deze leer als grondbeginsel der zedelijkheid, bedenkingen te opperen; maar als wetenschappelijke grondlegging van den staat moet zij hier in overweging worden genomen.
Algemeenheid beteekene niets meer, dan hetgeen de schrijver wil, namelijk de menschelijke. Deze nu verwisselt de Heer Kinker in éénen adem met gemeenschap, en stelt diesvolgens de rede te eischen, niet alleen eigen zelfsvolmaking, maar volmaking van de geheele gemeenschap van personen, welke met elkander in deze onderlinge persoonlijke betrekkingen staan (bl. 263). Het moet verwondering baren, hoe wij ons hier eensklaps, buiten vermoeden, tot de begrippen van gemeenschap en wederkeerige werking gebragt zien, welke in het vooropgestelde begrip van algemeenheid waarlijk niet opgesloten liggen.
Tusschen beide (om hiervan vooraf te gewagen) spreekt de Heer Kinker van deze door de rede bevolene algemeenheid op eene wijze, alsof zij onder de noodzakelijke voorstellingen der rede ook niet zou kunnen bestaan; indien er namelijk slechts één mensch, de eenige van zijn geslacht, op aarde werd gevonden.
Wij voor ons ontveinzen niet, dat eene zoodanige willekeur der verbeelding, welke de orde des heelals, en de wetten van denken en kennis te buiten streeft, om het noodzakelijke of liever wezenlijke als niet zijnde te beschouwen, en zoo uit de redenering weg te nemen, waarop alle redenering rust, ons op zijn minst onvruchtbaar voor de ware bespiegeling voorkomt. De poging, zich eenen eenigen mensch als alleen bestaande te verbeelden, mag vergeleken worden met het voorstellen van een leven van hand of voet, afgescheiden van het geheel des menschelijken ligchaams, en zonder dat dit ergens aan te treffen ware; terwijl deze ledematen anders, als begrepen in dat geheel, zelfs niet gedacht kunnen worden; ten blijke, dat de gedachte van het laatste de voorwaarde is van het denken der eerste.
Verder zegt de Heer Kinker op bl. 263: maar nu bevinden wij ons juist in zulk eenen toestand, en in zulke wederkeerige betrekkingen, dat wij het denkbeeld van algemeen doel in de ons bestemde algemeenheid, of gemeenschap, verwezenlijken kunnen. Het komt hier niet op het empirisch vinden aan, maar of en in welke betrekkingen de wetenschap vordert, dat wij ons vinden moeten. Het verwezenlijken hangt af van voorwaarden van tijd en plaats, die in de wijsgeerte des regts niet bevat zijn. Of moeten de aanleidingen van en tot het handelen niet evenzeer uit het regtsbeginsel afgeleid worden, als de formeele regel der handeling zelve? Kant zelve roemt het als een der grootste voorregten van zijn gebiedend beginsel, dat het niet, gelijk de van anderen opgestelde, op iets buiten zich zelve gaat. Of hij dit teregt gedaan hebbe, valt hier niet nader te onderzoeken: het is genoeg, er het blijk uit te ontleenen, dat hij erkend hebbe, het beginsel zelve, niet eene buiten hetzelve aanwezige en daarvan onafhankelijke orde van zaken, behoore de oorsprong der handeling te zijn. Hetgeen hieruit volgt, leidde Kant niet af, hoezeer het daarmede onverbrekelijk verbonden schijnt; dat namelijk een bloot formeel voorschrift van zedelijke handeling, tegenover datgeen, waarin en waarop gehandeld, waaraan dus door dat handelen eene verandering toegebragt wordt, als formeel voorschrift niet kan bestaan, zonder een beginsel te vorderen, hetwelk zich over beide, de handeling en hetgeen door dezelve wordt gevormd, uitstrekke.
Om ons niet in een aan het tegenwoordig doel vreemd gebied op te houden, worde dadelijk de toepassing op het regt gemaakt. Het regtsbeginsel, mogen wij volgens den Heer Kinker zeggen, moet de wederkeerige handeling tusschen menschen en menschen beheerschen en regelen. Indien wij nu echter de wederzijdsche persoonlijke betrekkingen, waarop dat handelen gaat, als buiten het regtsbeginsel, bij voorbeeld door de natuurwet, gegeven aanzien, blijft er slechts overig, aan het regt toe te staan, dat het door de handeling deze betrekkingen tot regtelijke make. Maar hoe zou het regtsbeginsel dit vermogen, zonder de idee dezer zelfde betrekkingen als regtelijke reeds in zich te hebben? Zoo dat niet alleen de regel, maar tevens het gansche gebied, waarover die regel magt heeft, in het beginsel opgesloten liggen. Ten bewijze, dat de zoogenaamde formele regel, om het regt te hebben van regel te zijn, een meer dan formeel beginsel onderstelt. Stel de gemeenschap van man en vrouw, waarmede de Staat als geboren wordt, of welke andere, zoo moet het regtsstelsel dezelve of als niet regtelijk buiten zijne grenzen sluiten, of derzelver regtelijken oorsprong in zijnen eigenen boezem aanwijzen. In het eerste geval mag de regtswetenschap zich niet aanmatigen, van derzelver volmaking te spreken, maar moet die volmaking aan die wetgeving, bij voorbeeld de physisiche, overlaten, volgens en door welke alleen de genoemde gemeenschap mogt geoordeeld worden te bestaan. Hierbij ligt er niet in de eerste plaats aan gelegen, of deze en gene mensch, misschien enkel door physische behoefte gedreven, tot het sluiten der verbindtenis gebragt wordt, en of dezelve dus, afgescheiden van het bewustzijn van regt, aanwezig zou kunnen zijn, maar of de mensch als regtswezen tot het aangaan der echtelijke gemeenschap aangelegd en bestemd is.
Hierna is het noodig, de begrippen, welke de Heer Kinker uit de algemeenheid des gebiedenden beginsels wil doen voortvloeijen, nader onder de oogen te zien. Dit karakter van algemeenheid is het beginsel klaarblijkelijk aan de grondstelling verschuldigd, dat de rede ééne en aan zich zelve gelijk is. Als zoodanig heeft zij zich te kennen te geven, waar zij ook in zedelijke handeling verschijnt. Waarin echter nu deze eenheid en gelijkheid aan zich zelve, dit algemeene wezen besta, wordt ons door het beginsel, hetwelk slechts formeel zijn wil, niet geopenbaard. Maar men zie dit over het hoofd, en geve toe, dat elk redelijk wezen de daarstelling en volmaking der ééne algemeene rede moet willen; dewijl de rede noodzakelijk zich zelve wil. Nemen wij over zulks aan (want verpligt worden wij door des schrijvers redenering daartoe in geenen deele) eene meerderheid van redelijke wijzens: waar blijven dan nog de begrippen van gemeenschap en eener van dezelve onafscheidelijke onderlinge persoonlijke werking en wederwerking? Wat toch kan uit al het bijgebragte meer volgen, dan dat ieder redelijk wezen voor zich de algemeene rede, die in hetzelve huisvest, te ontwikkelen en te verwezenlijken hebbe? Houden wij datgene vast, hetgeen zich in den door de zedelijke wet beschreven omvang aan het oog van den geest inderdaad voordoet, en slepen wij niet in den kring, hetgeen aan eene andere gedachteleiding behoort. Dan zullen wij ons niet kunnen onttrekken, te bekennen, dat de strekking van het regtsbeginsel niet medebrengt, op anderen, als van ons onderscheiden, acht te slaan, en in gemeenschap of wederkeerige handeling met dezelve iets voort te brengen. Onder eene meerderheid van individu's zal ieder voor zich de algemeene wet der rede in zijne handeling moeten uitdrukken, en daarvan is voor elk het uitwendig kenmerk, dat de regel der handeling geschiktheid hebbe, om eene algemeene wet te zijn. De algemeenheid zelve steunt niet op het gemeene aan velen of aan allen, maar op het volstrekte der wet; in dier voege, dat deze geene meerderheid vordert, maar steeds op één ondeelig individu slaat, en in eene meerderheid, waar die al toevallig mogt aangetroffen worden, niet meer ziet, dan dat ééne ondeelige der algemeene rede, volgens welke meerderen het ééne en hetzelfde als één enkel individu te volbrengen hebben. Dat wij hier het individu noemen, geschiedt onzes ondanks, en uit gebrek aan het eigenlijk woord; want één persoon, zowel als meer te zamen, zijn ten aanzien der wet geene ware individu's, in de beteekenis van een zelfstandig geheel met de in hetzelve begrepene deelen, maar mathematische punten als ware het in de lijn der algemeenheid. Met welk regt dus de Heer Kinker (bl. 264) van eene algemeenheid en derzelver deelen spreekt, moge hieruit blijken: daar overzulks eene algemeenheid geene deelen hebben kan.
Het regt brengt de Heer Kinker te huis op de met de wet overeenkomstige bepaling der wederkeerige handelingen van de in de gemeenschap verbondene personen; maar gelijk wij gelooven aangetoond te hebben, terwijl zoowel het begrip van wederkeerige handeling als dat van gemeenschap vreemd zijn aan het regtsbegrip, ja het beginsel der algemeenheid, zoo als het door den Heer Kinker is voorgesteld, de denkbeelden van gemeenschap en wederwerking uitsluit, valt op te maken, of niet het gansche zamenstel van begrippen, op dit punt bijeengehoopt, topzwaar zal bevonden worden en instorten.
Intusschen, daar het zedelijk beginsel bovendien geen levendmakend en voortbrengend beginsel der handeling is, maar slechts een toetssteen van hetgeen buiten deszelfs omvang omgaat, zoo neme men eene gemeenschap en wederkeerige persoonlijke handeling aan. Weshalve zondert nu de Heer Kinker de wederkeerige handeling als een eigenaardig gebied af, en onderwerpt hetzelve aan het regtsbegrip? Wederkeerige handeling immers behoort niet minder dan de eenzijdige onder de zedelijke wetgeving en het begrip van pligt. Zoo dat wij elke wederkeerige handeling slechts met de eigenlijk zoogenaamde zedewet behoeven te vergelijken, om er de volledige bepaling voor te vinden, en het woord regt ons hier ontijdig in den weg komt en vertraagt. Ook om den wil der algemeenheid behoeft in dezen geene afzondering plaats te hebben; deze toch wordt van zelf door de algemeen verbindende kracht der zedewet vervuld en daargesteld.
Inderdaad brengt de schrijver, geheel in weerspraak met deze toewijzing der wederkeerige handeling aan het regtsbegrip, als eerste wezenlijk hoofddeel des regts ter baan, hetgeen zoo weinig eene handeling van wederkeerigheid is, dat het bloote denkbeeld van handeling zelfs er niet bij te pas komt. Dit eerste hoofddeel is het regt van bezit; omtrent hetwelk de Heer Kinker verklaart (bl. 267), dat het regt van iemand, alleen op een onbewoond eiland uitgeworpen, zich tot het gansche eiland zou uitstrekken. Om dus eenigzins te raden, wat hier onder regt verstaan wordt, moet men de eerst algemeenste verklaring van regt te hulp roepen; dat het de geoorloofdheid zij, gegeven in den persoon. Maar ook dit kan ons weinig baten; want de geoorloofdheid is volgens den Heer Kinker een algemeen zedelijk begrip, en heeft als zoodanig betrekking op den wil of de handeling. Het schijnt onwedersprekelijk, dat de geoorloofdheid geen echt zedelijk begrip is, maar enkel uitdrukt, dat eene handeling nog voor geene volledige zedelijke bepaling, of die van den pligt, vatbaar is. Dit te bewijzen, is echter hier de plaats niet; daarentegen eischt de zaak zelve, om welker wil dit geschrift ondernomen werd, in het licht te stellen, hoe het zuivere begrip van regt, op de aangehaalde plaats door den Heer Kinker, men mag zeggen, zijns ondanks, gebezigd, noch geoorloofdheid is, noch met eenig zedelijk begrip iets gemeen heeft.
Aangaande de zedewet en elk zedelijk begrip is het ontegenzeggelijk, en de Heer Kinker erkent het, dat dezelve uit hunnen aard zien op eenige bepaling of vorming of van den wil alleen, of tevens van de handeling. Dit is er het wezenlijk gebied van, en buiten hetzelve hebben zedelijke wet, beginsel of begrip geene beteekenis.
Daarentegen drukt het regt van eigendom geene gezindheid, geenen wil of geene handeling uit, maar eene wezenlijke verhouding en verbindtenis tusschen den persoon en datgeen, waarop hem dat regt wordt toegekend. Of aan deze verbindtenis door de bezitneming gevolg gegeven worde, is ten opzigte van haar zelve, dat is, ten opzigte van het regt, onverschillig, hetwelk natuurlijk geene verandering ondergaat, welke ook het inzigt zij of de onkunde, vermogen of onvermogen, wil of afkeerigheid des persoons, bij wien deszelfs oefening staat. Uit dienzelfden hoofde, (om dit hier in het voorbijgaan aan te merken) kan het regt van het individu zich niet, dan eens, wanneer hij zich namelijk alleen bevindt, tot het gansche eiland uitstrekken, dan weder, na de vereeniging namelijk met meer zamenwoners, slechts tot een gedeelte. Vragen wij, welke is de beteekenis eener zoodanige toeëigening van een gedeelte der den mensch omgevende natuur, die in zooverre zij toegeëigend wordt, den inhoud van het indivduele bezitregt uitmaakt? Met den Heer Kinker (bl. 263) te zeggen, dat wij op de objectieve natuur en op hetgeen wij zaken noemen, enkel regten hebben, maar dat wij aan dezelve geene met ons wederkeerige regten en pligten kunnen toeschrijven, kan ons tot geene uitkomst leiden. Wat toch heet het, op dezelve enkel regten te hebben? Niets anders, in den zin van den Heer Kinker, dan er mede te mogen handelen, zoo als wij willen. Dit handelen, zoo als wij willen, mag in de zedeleer zijnen grond vinden, van welke niettemin te voorzien is, dat zij de stelling, zoo als wij willen, in de bepaling, zoo als de zedelijke wil wil, zal hervormen. Het regt op geeft eene van handeling of wil onafhankelijke betrekking des persoons te kennen tot iets buiten hem, waarvan de Heer Kinker in gebreke blijft het beginsel en den grond aan te toonen, welke echter in de rede moeten gelegen zijn, als aanwijzende, zoodanige betrekking te behooren tot het wezen en de voltooijing van het menschelijk bestaan. Zeggen wij dus, dat de mensch regten heeft, zoo zeggen wij, dat hij met hetgeen buiten hem is, in zeker verband staat, hetwelk ten opzigte der menschelijke natuur de voorwaarde is van zulk eene ontwikkeling en vorming derzelve, als de rede eischt. Deze zamenhang met het uitwendige, in welken het menschelijk wezen eerst een met zich zelf overeenkomstig aanwezen kan hebben, is de inhoud van het regt. Regt heeft dus het individu op ieder deel van dezen uitwendigen zamenhang, waarmede hij een geheel uitmaakt, inzooverre van dat deel kan betoogd worden, dat zonder deszelfs daarstelling het wezen zich niet op de met de rede strookende wijze te ontvouwen in staat is.
Zoo heeft ons de analyse van het zuivere begrip van regt, in het denkbeeld van bezitregt aanwezig, reeds voorlopig gebragt tot eene bepaling, van welke wij hier ter plaatse niet beweren, dat zij de of ten deele, namelijk met betrekking tot den eigendom, of algemeenst ware is; maar die, hoezeer afgeleid uit eene door den Heer Kinker zelven gebezigde voorstelling, in allen gevalle verre verschilt van de door den schrijver aangenomene. Intusschen is ligt te voorzien, dat de opgegevene bepaling, nader uitgevoerd, niet alleen de regtsbetrekkingen tot de natuur en de zoogenaamde zaken, maar ook die tusschen menschen en menschen omvatten zal.
De tot hiertoe gehouden gang der redenering bedreigt tevens de gewone, mede door den Heer Kinker gevolgde, tegenstelling van regten en pligten in de regtsleer.
Tot het in verband brengen van het begrip van regt met dat van gemeenschap, heeft deze in de regtsleer aangenomene wederkeerigheid van regten en pligten niet weinig bijgedragen. In zooverre men het regt voor eene bevoegdheid aanzag, eischte hetzelve eenen tegenoverstaanden pligt, die het ontbrekende aanvulde. Men gevoelde, dat door het bloote denkbeeld van bevoegdheid niets wezenlijks gesteld wordt: hetzij men er bevoegdheid tot handelen, of bevoegdheid tot vordering, aanspraak op eene door eenen anderen te verrigten handeling, mede versta. Het begrip van bevoegdheid tot handelen strekt zich uit over hetgeen door geene wet verboden wordt (zie bl. 278); over datgeen dus, hetwelk voor als nog buiten de bepaling en het beheer van zedelijke wetten en pligten is blijven liggen. Niettemin wordt de bevoegdheid verondersteld, een zedelijk begrip te wezen, en is derhalve in tegenspraak met zich zelve. Men onderneemt, hetzelve aan een tegenovergesteld pligtbegrip op zulk eene wijze te sluiten, dat het in deze vereeniging den stempel en de houding van een zedelijk begrip erlange. Maar hoedanig is dit te gemoet komende pligtbegrip? Een pligt van de bevoegde handeling te dulden. Hier aangaande nu behoeft het waarlijk geen betoog, maar blijkt van zelf, dat eenen pligt te stellen, van te lijden, hetgeen door een ander persoon ondernomen, tegen geene wet en geenen pligt aandruischt, of van daartegen niet te handelen, inderdaad heet, met den naam van pligt spelen.
Beter is het met dat begrip van pligt gesteld, hetwelk verbonden wordt met bevoegdheid, waar deze voorkomt als vordering of aanspraak op de handeling van een anderen persoon. Hier toch doet zich het begrip van pligt in zijne eigen ware beteekenis voor, als waardoor eene bepaalde met de zedelijke wet overeenkomstige handelwijs wordt bevolen. Maar gelijk het begrip van pligt in de eerste vereeniging met dat van bevoegdheid zijne wezenlijkheid verloor, zoo is thans de vraag, wat er in deze tweede, nadat het begrip van pligt aan zich zelf is wedergegeven, van de bevoegdheid zal worden. Het staat vast, dat elke pligt zijne afleiding en zijn betoog moet vinden binnen de pligtenleer, die alle aanwijzing van het zedelijke ten opzigte van eenige bepaalde handeling volledig en uitsluitend inheeft. Pligten, die binnen deze grenzen geene wortels hebben geschoten, of welker gronden zich daar niet voordoen, blijken daardoor zelve het slechts in schijn te wezen. Indien dus in de pligtenleer een deel voorkomt, hetwelk er gewisselijk in voorkomt, dat de pligten jegens anderen behelst, is het de pligten-, en geene regtsleer, waarmede wij te doen hebben. Verder kan eene bevoegdheid van den persoon, ten wiens aanzien de pligt te bewijzen valt, die pligtmatige handeling te vorderen, niet verpligten: daartoe wordt eene zedelijke noodzakelijkheid in de eigen rede van den verpligten vereischt. Zoodanige bevoegdheid namelijk moet verondersteld worden, uit hetzelfde beginsel af te vloeijen, waaruit tevens de pligt afkomstig is. Deze verkrijgt dan deszelfs bestand door en ten gevolge van den hoogeren grond, die de gemeenschappelijke bron is van pligt en bevoegdheid beide, niet om den wil der laatste. Zoo dat de vordering van den pligt uitgaat van het pligtsbeginsel, volgens hetwelk de verpligte in deze zedelijke betrekking tot den in naam bevoegden, verpligt is. Voor den laatsten echter blijft niets overig, hetwelk men nog als zijne bevoegdheid, die eene verpligting medebragt, te regt zou mogen aanmerken. De verpligting toch is geregeld en vastgesteld, onafhankelijk van eenige vordering van zijne zijde, zoodat wij ook den naam van bevoegdheid kunnen missen, die geen wezenlijk denkbeeld méér aanbrengt.
Het is niet ondienstig deze kritiek door de toepassing op een voorbeeld te staven, hetwelk met des schrijvers leer allezins verwant is.
Kant, de tegenstelling van regt en verpligting ten sterkste drukkende, noemt eene handeling regt, welke, of naar welker grondregel ieders vrijheid der willekeur, met de vrijheid van ieder ander naar eene algemeene wet bestaan kan. Het schijnt dus, dat deze uitwendige bestaanbaarheid, of liever het niet krenken der vrijheid van eenen anderen, volgens Kants meening, het hoogste kenmerk des regts zij. Derhalve, onregt doende, worde ik daarom geoordeeld onregt te doen, dewijl ik eens anderen regtssfeer kwetse. Deze stelling, aldus uitgedrukt, staat bloot voor diezelfde kritiek, welke in het voorgaande werd aangeduid. Het is een nieuw bewijs voor de gegrondheid dezer kritiek, dat in de voorstelling van Kant zelven gewisselijk meer lag, dan in de aangehaalde begrippen, streng genomen, is overgegaan. In de hoogste opvatting, namelijk, berust Kants afleiding, naar ons tenminste altijd voorkwam, op de, ofschoon in zijnen geest niet volledig uitgewerkte, gedachte van eene begrenzing der vrijheid uit krachte van de idee der vrijheid zelve, niet eerst getrokken en als van buiten er om heen gelegd, om voor de vrijheid van anderen gelijke ruimte en regt te sparen. Waaruit zou volgen, dat het onregt in de eerste plaats onregt is, niet omdat ik eenen anderen krenke, maar omdat ik die grens mijner vrijheid overtrede, waar binnen deze, volgens hare eigene wet, beschreven is. Inderdaad is de reden niet wel te begrijpen, weshalve ik de vrijheid of het regt van eenig tegen mij overgesteld individu redelijker wijze zou kunnen of moeten ontzien, en van daar eenen grond ontleenen, om de mijne te beperken; ja eene beperking in dezen is ten aanzien van mijn wezen zoo lang onregt, tot dat dezelve blijkt in het begrip mijner eigene vrijheid bevat te zijn. Zulk eene beperking kan niet afhangen van eene willekeurige handeling, door mij in den tijd geoefend, waardoor ik mij eene dergelijke beperking ten behoeve van zekere doeleinden of van anderen, vrijmagtig mogt hebben opgelegd. Vóór en boven eene handeling van dezen aard zou hetgeen daarbij wordt te weeg gebragt, de oorspronkelijke bepaling mijner vrijheid moeten wezen. Wordt echter, na deze erkentenis, die grens bevonden tevens overeen te stemmen met hetgeen de vrijheid van een ander nevens mij bestaand individu vordert, zoo veronderstelt deze bevinding reeds een hooger geheel, waartoe beide behooren, en volgens hetwelk zij in zeker wezenlijk verband tot elkander staan.
In de stellige wetgevingen gaat een begrip van bevoegdheid dat van verbondenheid of pligt vooraf. Om van andere redenen te zwijgen, valt ter verklaring van dit verschijnsel in het oog, dat het doel der tot nog toe bekende stellige wetgevingen niet is, den pligt als pligt te doen gelden; maar om die uitwendige houding en handeling te weeg te brengen, die ten aanzien van eenen ander uit de verbondenheid moet voortvloeijen. Hetgeen denzelven toekomt, wanneer hij het vordert, handhaven zij, om den wil der voor regt erkende vordering. Vraagt men, den staat, en dus ook elke stellige wetgeving, met den Heer Kinker uit haren aard eene ethische inrigting stellende te zijn, uit welken hoofde de vordering voor regt wordt erkend, zoo blijkt de pligt de bron der vordering, niet omgekeerd deze die van den pligt te wezen: ofschoon de vordering de aanleiding blijft tot het doen vervullen van den pligt. Zoo dat, zelfs naar de opvatting des stelligen regts, de pligt hooger staat, dan de vordering, die aan genen is ondergeschikt; en er geene ware wederkeerigheid plaats vindt, maar afhankelijkheid.
Deze laatste redenering volgt regelregt uit de onderstelling, en niettemin is de uitlegging, die zij aan de bedoelde denkbeelden des positieven regts, en aan derzelver onderlinge verhouding geeft, valsch. Deze eerste valschheid openbaart eene tweede vroegere, die der onderstelling zelve, waaruit de eerste is voortgevloeid. Dit moge door de overweging eener eenvoudige vraag opgehelderd worden. Weshalve gebieden de stellige wetgevingen, hetgeen zij ten behoeve van het regt eens anderen gebieden, niet als zedelijke pligt? Want dat zij dit in geenen deele doen, is blijkbaar. Het begrip van pligt, in den ethischen zin, is men gewoon op eene handeling slechts in zoo verre toe te passen, als dezelve bij den handelenden persoon uit het bewustzijn van pligt of der zedewet voortspruit, of althans geacht wordt te moeten voortspruiten. Eene en dezelfde handeling, maar verrigt zonder dit besef, afgescheiden van het zedelijk beginsel, mist diensvolgens alle zedelijke beteekenis. De stellige wetgevingen daarentegen zijn er verre af, van zulk een beginsel in het oog te hebben, of eene algemeene ethische wetgeving te vertegenwoordigen, gelijk zij door dengenen, die wederkeerige zedelijke volmaking voor het wezen des staats houdt, ondersteld worden te doen. Inderdaad kan naauwelijks iets onredelijkers en tegennatuurlijkers verbeeld worden, dan eene uitwendige zedelijke wetgeving, bedoelende als ethischen pligt te doen uitvoeren, hetgeen juist daardoor, dat men het ten gevolge dezer uitwendige wetgeving doet uitvoeren, het kenmerk van pligt zou verliezen. Pligt in den zedelijken zin moet in de eerste plaats uit het eigen wezen van den verpligten volgen. Naauwelijks echter begeven wij ons tot eene overweging der historische regtswetgevingen, of het is als eene nieuwe wereld van denkbeelden, waarin wij ons al aanstonds verplaatst gevoelen. Hier komt alles, hetgeen er voorkomt, voor, in zoo verre het om den wil van eenig wezen buiten hetzelve gerekend wordt aanwezig te zijn. Hetgeen in de stellige regtswetgevingen met eenen naam, die de schuld draagt van de verwarring, pligt wordt genoemd, is niets anders, dan waarvan zij de vervulling, zoo die bij menschelijke individus staat, waarborgen. Wien waarborgen? Dengenen, en in die mate, waarborgen, welken, en in zoo verre zij hem als regtswezen erkennen. Wat heet, als regtswezen erkennen? Als wezen erkennen, waartoe het, omdat het dit wezen is, behoort, dat het uitwendige tot hetzelve in eene bepaalde betrekking zij of gebragt worde. Hierbij wordt verondersteld, hetgeen ieder dagelijks ondervindt, dat elk individu, het zij een menschelijk of welk ander, met het omgevende één zamenhangend geheel uitmaakt, waardoor wordt veroorzaakt, dat het bestaan van het individu, tegelijk geheel op zich zelf en deel van iets anders zijnde, het bestaan, ja het zoo of zoo om zijnentwil gewijzigd bestaan insluit van een buiten het regtswezen of reeds aanwezig aanzijn, of terzake van hetzelve eerst voort te brengen. De stellige regtswet nu bepaalt vooreerst, wie al als regtswezen te erkennen zij; en vervolgens de wijze, waarop het uitwendige, als op hetzelve betrekkelijk, naar zijn, leven, of handelen, in het begrip des regtswezens mede begrepen wordt. Deze is de grondbeteekenis van al hetgeen in de geschiedenis regtens heeft gegolden; en bewaarheidt zich als het regt verstand er van door alle trappen heen van regtsbepaaldheid of regtsaanmatiging; van den Oosterschen despoot af, ten behoeve van wien alleen al het overige gerekend wordt te bestaan, tot den lijfeigen slaaf, volgens het begrip der Romeinsche servitus, toe, een wezen, of liever het schijn- en schaduwbeeld van een wezen, louter betrekkelijk tot iets anders daarbuiten; in den zamenhang des levens verschijnende, maar zonder dat er in dien zamenhang iets met opzigt tot hetzelve geschiedt; de eigenlijke nul in den zin regtens. Men gelieve dezen of genen stelligen regtstoestand te overwegen, en hetzij men het openlijk, hetzij het privaatregt zich vertegenwoordigt, naar derzelver onderscheiden deelen, het hoogheidsregt, de regering, het regtsprekend gezag, de standsbetrekkingen, het familie- en huwelijksregt, het zakenregt, het erfregt, de verdragen, en de daaruit, gelijk uit wederregtelijke handelingen, ontstaande regten, men vindt zich allenthalve verpligt, om te erkennen, dat het wezenlijk de voorgemelde inhoud is, waarvan de gegevene regtsinrigtingen zich de organisatie voorgesteld hebben. Wij beweren niet, dat deze grondbeteekenis den volkeren of wetgeveren in de verschillende tijden duidelijk voorgezweefd hebbe; veeleer is hetgeen hun bij alle regtsbepalingen doorgaans onmiddellijk in den zin lag, en hetgeen wij onder de menigvuldigste gedaanteverwisseling onophoudelijk ontmoeten, een onduidelijker en meer ondergeschikt denkbeeld geweest, te weten, dat eener naar buiten zich uitstrekkende magt; welke daarenboven meer negatief, formeel en beperkend, dan stellig, beschreven werd. Desniettegenstaande is dit begrip, wel verstaan, van rijkeren inhoud, dan waarvan menig philosophisch regt uitging, en sluit als natuurlijk gevolg in, dat regtens erkend worden alle uitwerkselen, welke aan die magt wettelijk zijn onderworpen. Ligt dus binnen de grenzen der aan het regtswezen toegekende magt eene zekere gedraging of werkzaamheid van een ander individu, zoo volgt dezelve regtens onmiddellijk uit de erkentenis der magt, gelijk derzelver daarstelling uit de daarstelling der magt, en bijaldien men hierbij wederstand ontmoet, door middel van dwang. Dezen eenvoudigen gang van begrippen en handeling hebben de philosophen, denzelven langs de hoogten en diepten hunner overpeinzingen henen leidende, uit zijn geheel gebragt. Daar zij geen, althans menschelijk, individu, geheel of ten deele, naar houding of daad, zonder eene reden in het begrip van dat individu zelf gelegen, in de magt eens anderen geven wilden, en nogtans geene betere bepaling van het wezen des regts ter hand hadden, zochten zij naar een zedelijk, dat is, op de eigen natuur van den verbondenen berustend, beginsel der verbondenheid voor dengenen, wiens op deze of gene wijze ingerigte gedraging gesteld werd onder het bereik van de magt des anderen te vallen: welke theoretische grondstelling vervolgens niet in gebreke bleef van op de wetgevingen van invloed te zijn. Hiervan de uitvoering aan elks nadenken overlatende, worde slechts nog aangemerkt, dat het begrip van magt, bij de stellige regtswetgevingen ten grond gelegd, nader doorgedacht, tot de boven aangeduide grondbeteekenis terugleidt. Langs dit spoor de stellige regtswet nagaande, blijkt derzelver voorheen aangeroerde, tweede hoofdwerkzaamheid zelve tweeledig te zijn. Want zij regelt in de eerste plaats die houding en handelingen van het individu, welke gerigt zijn op de vorming van het uitwendige, of van deszelfs betrekking tot het wezen, in zoo verre zij rekent, dat de persoon slechts in deze zamenstelling met het aanzijn buiten denzelven bestaan kan. Gaat deze wettelijke verhouding des persoons regtstreeks op menschen, of is zij over het algemeen van zulk eenen aard, dat dezelve niet anders dan door opzettelijke medewerking van menschen daargesteld, of aan dezelve door menschen eene verandering kan toegebragt worden, het is de regtswet, welke deze individus aan de vereischte bepalingen bindt. Het eigen wezen dergenen, die op deze wijze met opzigt tot eenen anderen gehouden zijn, om iets te doen of te laten, of hetgeen uit dit wezen volgt of niet volgt, komt hierbij vooreerst niet in aanmerking. Gelijk in het begrip van eenig bepaald menschelijk individu niet dat van een tweede onderscheiden individu opgesloten ligt, zoo weinig kan uit het bloote begrip van den verbonden persoon het beginsel van vervulling der zoogenaamde regtspligten worden afgeleid.
Uit de stellige wetgevingen, niet wel of ten halve verstaan, is het begrip van bevoegdheid overgegaan in de stelsels van het natuurregt, en vindt in dezelve nog steeds zijnen steun; hoezeer deze overdragt, die het oorspronkelijk regt onder de onredelijke dienstbaarheid verlaagt, tot een geheel verschillend gebied, in onoplosbare tegenstrijdigheden inwikkelt, en eene omkeering van de ware orde des denkens, welke niet die is van de geschiedkundige ontwikkeling des regts, ten gevolge heeft. Op dezelfde wijze komt in de stellige wetgevingen het begrip van onregt, zoo niet eerder, althans gelijktijdig en op denzelfden trap met dat van regt voor. Zeer natuurlijk: want de gang der stellige wetgevingen is gebouwd op de orde des levens en van deszelfs verschijnselen, onder welke het onregt vroeger of zeker tegelijk met het regt wordt waargenomen. Ten opzigte van de wetenschappelijke gedachtevorming evenwel is het duidelijk, dat het onregt eerst na het regt wordt gekend, ja eerst na de volkomenste kennis des regts, gelijk de schaduw in het licht. En waarop het bovenal aankomt, het onregt is een verschijnsel, hetwelk geenszins, omdat het een zoodanig is, in het stelsel des oorspronkelijken regts eene plaats vindt, maar waaromtrent moet afgewacht worden, of en waar deszelfs begrip zich in het stelsel doe kennen. Welligt keert de beschouwing daarna tot de gangbare voorstelling, dat het regt reeds tot stand kome door uitsluiting van het onregt, opzettelijk terug, en doet opmerken, dat het regt, ook niet door onregt gestoord, eene eigen vorming en wasdom eischt; welke eerst, nadat het onregt opgehouden heeft te bestaan, waarlijk eenen aanvang kan nemen.
Hier ter plaatse werd dit laatste slechts als voorbeeld en tot opheldering aangehaald; want hoe noodzakelijk deszelfs uitvoering ook zou zijn bij eene kritiek der meeste regtsstelsels, de grondbeginselen van den Heer Kinker worden er niet onmiddellijk door getroffen. Wat echter de in het licht gestelde verwarring, de ontijdige en onvoegzame overbrenging namelijk van de begrippen der stellige wetgevingen tot het oorspronkelijk regt, zonder eenen wezenlijken grond der wijsgeerige gedachteleiding, aangaat, zij is een natuurlijk deel der trapsgewijze ontwikkeling van den menschelijken geest bij het opklimmen tot het bewustzijn der aan zich zelve gelijke eeuwige waarheid. Enkele deelen van den grooten zamenhang des oorspronkelijken regts, dagen hier en daar, gedurende eene reeks van geslachten, ten gevolge van een ernstig onderzoek, langzamerhand voor ons bewustzijn op. Wij gevoelen, dat er meer moet wezen; en niet tevreden met het stukwerk, ijlen wij het weten vooruit, om onzer kennis den schijn van volledigheid en van een geheel te verschaffen. Terwijl onze wetenschap van het oorspronkelijk regt nog in den beginne is, en eerst bezig, met onderscheidbaar te leeren spreken, heeft ondertusschen de geschiedenis van het leven eene groote menigvuldigheid van verschijnselen, ten gevolge van het streven naar de vorming van een regtsbestaan, voort- en in omloop gebragt. Van deze dringen zich de begrippen, terwijl wij de idee des oorspronkelijken regts, ten deele erkennende, in het oog hebben, aan ons op, en wij lappen daaruit de ontoereikende stoffe onzer wijsgeerige kennis ruimschoots zamen. Langen tijd kleedt zich de behoeftigheid onzer philosophie met dit weefsel, tot dat de vergankelijke bestanddeelen, hunne vergankelijkheid verradende, worden weggeworpen, maar dikwijls slechts met andere verwisseld. Onze wetenschap van hetgeen boven het verschijnsel is, heeft nog niet genoegzaam aan diepte en omvang toegenomen, om alleen zij zelve te blijven, en alle ongelijksoortige vermenging uit te stooten. Dezen gang der vorming van het regtsinzigt onder de menschen beschouwende, maar de waarlijk daarin aanwezige rigting op het oorspronkelijke en deszelfs spranken voorbijziende, hebben velen in verschillende tijden, voornamelijk echter in den onzen, zich tot de, met haren eigen inhoud onbestaanbare, meening laten verleiden, dat er geene andere regtskennis zij, als die van de, onder den naam van regt, in het leven der volkeren historisch gegevene, ontstaande, vergaande, verschijnselen en toestanden, en der van dezelve afgetrokkene begrippen. Gelijk nu deze, om het afgeleide te vereeren, den stam verzaken, zoo is het gewisselijk een van de gewigtigste deelen der wijsgeerige kritiek, van tijd tot tijd het wijsgeerig wezen, hetzelve moge dan blijken weinig of veel te zijn, tot zich zelf terug te brengen, en hetgeen uit andere bronnen daarmede is zaamgevloeid, elk aan zijne eigene grenzen en wezen hergevende, van hetzelve af te zonderen.
Hierbij vinden wij ons onvoorziens opgehouden door den woorden van den Heer Kinker, bl. 282: aan beide zijden onzer kennis kunnen wij niet verder dan de verschijnselen (uitwendige of inwendige) doordringen. Onvoorziens: want deze is onmogelijk zijne ware meening, en met den geheelen geest van des schrijvers leer in volslagen strijd.
Men denke aan de rede, en hetgeen zij in zich behelst, de zedelijke wet en het moeten van het pligtgebod, waarop de Heer Kinker het overige terugbrengt. Deze wet, dit moeten omtrent de handeling, vanwaar zijn zij ontleend? Toch wel niet van deze of gene bijzondere rede, in zoo verre zij verschijnt? Laten welligt Kant en de Heer Kinker zich daardoor bewegen, dat het grootste gedeelte der menschen zich tot het bewustzijn van zulk eene zedelijke wet, van zoodanig pligtgebod niet hebben verheven? Integendeel beweren zij, dat het bewustzijn derzulken nog onontwikkeld, gebrekkig, verkeerd is, dat het wezen hunner rede denzulken nog niet duidelijk is geworden. Dit wezen der rede verschijnt het misschien? In het bewustzijn dergenen, die er het besef van hebben? Weshalve is dan het bewustzijn dergenen, die het besef echter missen, niet even redelijk? Elk, in- of uitwendig, verschijnsel toch geeft slechts zich zelf te kennen, niets meer. Vanwaar dan het regt, om het ééne verschijnsel boven het andere te stellen? of zelfs het één tot maatstaf van het ander te nemen? Voorwaar, zal men zeggen, dewijl de waarheid, het wezen der aan zich zelve gelijke rede in het ééne bewustzijn is uitgedrukt, niet zoo in het ander. Zoo wendt zich de laatste beroeping van zelf en noodzakelijk tot iets, hetwelk in geen verschijnsel gegeven is: tot een wezen der rede boven en onafhankelijk van het verschijnsel.
Beschouwen wij voorts hetgeen de rede gezegd wordt in zich te dragen, zedelijke wet, pligtgebod, met één woord datgeen, waaruit het zedelijke der handelingen gekend wordt, in betrekking tot deze handelingen. Hebbe deze wet vooreerst nog geene andere beteekenis, dan die van eenen blooten regel, als toets der handelingen. Op welken grond kan het bewustzijn van den regel, in zoo verre het als deel der inwendige ervaring verschijnt, zich het gezag van regel aanmatigen? Misschien, dewijl hij als regel in het bewustzijn treedt? De regel zegt in het algemeen, dat hetgeen op het gebied door hem omvat, aanwezig is, eene zekere bepaaldheid moet hebben. Dit moeten volgt niet uit de gegevene, aan den regel onderworpene, handeling: want uit deze blijkt niets meer, dan hetgeen zij zelve als verschijnsel is; waarvan juist de overeenkomst met of de afwijking van den regel te onderzoeken valt. De handeling is geworden, hetgeen zij geworden is; of zij tevens geworden zij, hetgeen zij moest, wordt eerst door de vergelijking met den regel beslist. Wat maakt nu den regel tot regel? Alleenlijk dat deszelfs besef een spanbreed tijds in de reeks der inwendige verschijnselen beslaat? De ongerijmdheid hiervan behoeft niet betoogd te worden.
Er blijft over, voor te wenden, dat het bewustzijn van den regel zijne eigen noodzakelijkheid van verbeelding medebrengt, dat wij ons denzelven niet anders als zoodanig kunnen voorstellen. Om hier niet verschillende dingen onderéén te warren, dient aangemerkt te worden, hetgeen men volgaarne zal toegeven, dat het besef der wet zich niet volgens de leiding van eenige onveranderlijke noodzakelijkheid in het bewustzijn voordoet. Integendeel moet de individuele geest van zijnen kant zelfstandig streven en werkzaam zijn, om dit besef als deel van zijn bewustzijn voort te brengen. Niet alleen of, maar ook hoe de regel zal voorgesteld worden, hangt van deze voorafgaande werkzaamheid af. Daagt nu aan het eind derzelve het besef van den regel op, dan is de wijze en grond, waarop dat besef bij ons ontstond, in de voorafgaande reeks van voorstellingen en handeling van den geest gegeven. Dit heeft dus het besef tot het besef, het verschijnsel tot het verschijnsel gemaakt; niet zoo den regel tot den regel. Het verschijnen van den regel in het bewustzijn hangt dus van andere oorzaken af, als waarom de regel regel is. Het aangemerkte betreft alleenlijk den vorm van ontwikkeling en bestaan in het bewustzijn, geenszins den inhoud der wet. Het is evenwel dit laatste, of laat ons liever zeggen, de reden, weshalve wij den regel voor regel erkennen, hetgeen gevraagd wordt: hetwelk niet in de inwendige ervaring bevat zijnde, zal bevonden worden op de erkentenis te berusten, dat de regel onafhankelijk van ons bewustzijn regel is.
Brengen wij verder de wet in verband met de handeling, die onder derzelver beheer staat. Wat beweegt ons, om dezelve onder den regel te stellen, en met denzelven te vergelijken? Zonder twijfel het inzigt van de inwendige gemeenschap tusschen den regel als het bepalende en begrenzende, en hetgeen van denzelven zijne bepaling verwacht. De verschijnselen der inwendige ervaring echter hebben uit en door zich zelve onderling geene orde, ondergeschiktheid, verband of verwantschap van inhoud, en over het algemeen geenen anderen zamenhang als dien der tijdsorde. Verbinden, scheiden, schikken wij dezelve op eene andere wijze als naar derzelver opvolging in den tijd, zoo doen wij het, ziende op een in het verschijnsel niet begrepen beginsel. De tijd de vorm van ontwikkeling der in- en uitwendige ervaring, en het verschijnsel dus aan den tijd gebonden zijnde, zouden wij in elk verschijnsel niet meer ontwaren, dan een stip of deeltje der tijdreeks, ware niet de waarneming gepaard met de erkentenis eener van de verschijning onafhankelijke wezenlijkheid, volgens welke wij eerst in staat zijn, om het verschijnsel der in- of uitwendige ervaring als iets te erkennen.
Dit erkennen als iets, aarzelt niemand toe te geven, is het plaatsen des verschijnsels onder eenig begrip, hetwelk wij eenvoudig begrijpen noemen. Een verschijnsel, hetwelk door ons tot geen begrip kan gebragt worden, zoude het niet voor ons zijn. Wij maken het los uit de volgreeks der overige verschijnselen, waarin het zijne wording heeft erlangd, en schikken het daarheen, waar wij het oordeelen te behooren. Waarop ziende, of naar welke leiding? Niet naar de leiding der verschijnselen, want deze verlaten wij juist. Op aanleiding dus van eene orde der dingen, die niet verschijnt. Niet naar de oorzaken, volgens welke het in verband met eene voorafgaande bepaling als verschijnsel is geboren, maar volgens iets, waarnaar het meer is dan verschijnsel. Men zegt, in het begrip vergaderen wij het gemeenschappelijke van de daaronder bevatte verschijnselen. De ware en duidelijke beteekenis dezer werkzaamheid is geene andere, dan dat wij pogen moeten, elk verschijnsel in verband met het hooger geheel, waarvan het naar zijn wezen een deel is, te denken. Hiertoe kunnen wij door de verschijnselen niet bewogen worden: want geen verschijnsel wijst als zoodanig door zich zelf aan, dat het een deel zij van iets anders, of iets algemeens in zich drage, of, om gekend te worden, iets behoeve boven de eigen verschijning.
Bij ons onderwerp vindt dit alles onmiddellijke toepassing, en doet zich in een nog treffender licht voor. De handeling ontwikkelt zich als verschijnsel in verbindtenis met de voorgaande en volgende verschijnselen naar de wetten der tijdelijke ontwikkeling. Als zoodanig ligt niets in haar van de bepaaldheid door eenen regel, die van eene andere natuur is dan gene wetten der wording in den tijd. Terwijl wij de handeling evenwel aan denzelven onderwerpen en ter toets brengen, geven wij te kennen, dat zij, boven dat zij verschijnsel is, nog eene beteekenis en verhouding heeft, eene maat en begrens[d]heid boven die des tijds, waarin zij als verschijnsel is besloten. Waarbij het onnoodig is te herinneren, dat wij hier niet alleen spreken van uitwendige handelingen, maar dat het aangemerkte evenzeer geldt van elke op eenigen bepaalden tijd bestaande wilsbepaling, of van hetgeen slechts voor de inwendige ervaring is gegeven.
Daagt het bewustzijn der zedelijke wet onder de verschijnselen der inwendige ervaring bij dezen of genen niet op, men maakt geene zwarigheid, om te zeggen, dat het moest opdagen. Uit welke oorzaak? Gewisselijk niet, dewijl eenig verband met de voorafgaande reeks der inwendige ervaring dit als volgend verschijnsel zou hebben moeten aan het licht brengen.
De zedelijke wet of regel wijst eene wezenlijkheid of hoedanigheid en volkomenheid van zijn en handeling aan. Maar zij is niet regel om den wil der verschijnselen, en met die volkomenheid, waarover de vergelijking met den zedelijken regel beslist, hebben de verschijnselen als zoodanige niets te doen. Deze toch zijn als verschijnselen even volkomen, zij mogen volgens de zedelijke wet goed of kwaad wezen. Uit de wet worden de handelingen of de gezindheid beoordeeld, niet in zoo verre zij verschijnselen, maar in hoe verre zij zedelijk zijn.
De wet is voorts niet alleen regel, om eene buiten haar gegevene handeling te beoordeelen, maar die ze aanemen, stellen ze tevens het beginsel te zijn, om nog niet gegevene voort te brengen. Het beginsel draagt in zich de ontwikkeling van de geheele zedelijke wezenlijkheid. Het is de ware oorzaak van al ons zedelijk zijn en handelen. Hier keeren, ten betooge, dat het beginsel diensvolgens meer is dan verschijnsel, alle voorheen gemaakte aanmerkingen weder, die het onnoodig is te herhalen. Ons leven en handelen zelf, in zoo verre het een voorwerp der ervaring is, ontspringt niet uit dat beginsel, het onzedelijk leven en handelen evenmin, maar het zedelijk goed leven en handelen. Neemt iemand een zedelijk beginsel aan, als bron en oorsprong van het zedelijk goed zijn aller gesteldheid en handeling, ten welken tijde ook als verschijnsel optredende, zoo laat hij het beginsel als oorzaak des zijns alle tijden omvatten, en onderscheidt het daardoor van zelf van alle verschijnsel, waarvan elk zoowel op eenen bepaalden tijd geboren wordt, als, om als verschijnsel te ontstaan, eenen op eenen bepaalden tijd aanwezigen en voorafgaanden grond onderstelt. Het zedelijk beginsel wordt geacht de oorzaak te zijn van de kracht en bestemming des menschen zedelijk goed te leven of te handelen. Wat is de beschouwing dezer kracht anders, dan eene beschouwing van het wezen des menschen, boven het verschijnsel? En spreken wij van het zedelijk beginsel als oorzaak dezer kracht, waarop anders ziende spreken wij zoo, dan op iets, hetwelk dat wezen nog overtreft en te boven gaat, hoe zeer door eene hoogere schikking aan dat wezen verleend is, er deelgenoot van te zijn? Maar dit laatste daargelaten, is het genoeg, hier aan te wijzen, dat men aan geene zedelijke bestemming, kracht of zijn des menschen denken kan, zonder datgeen, hetwelk hij volgens zijn wezen is, te onderscheiden van zijn leven in den tijd. De Heer Kinker beklaagt het als eene ijdele poging, tot een substratum der verschijnselen te willen doordringen. Maar wat doet hij anders, dan zulk een substratum stellen, wanneer hij onderneemt te zeggen, dat eenig verschijnend bedrijf zedelijk goed is? Hiermede toch wordt niets meer of minder beweerd, dan dat de handeling boven en over haar bestaan als voorbijgaand verschijnsel, iets wezenlijks is, en niet enkel zedelijk goed in het algemeen, hoezeer dit voor het tegenwoordige reeds voldoende ware, maar zedelijk goed als dat bepaalde lid en deel van het op het beginsel gevestigd zedelijk stelsel, hetwelk de vergelijking van de zedelijke hoedanigheid of bepaaldheid der daad met het ligchaam des stelsels in het oog zal doen vallen. Namen wij ons zelve slechts waar, in zoo verre wij verschijnsels zijn, wij zouden ons slechts in de naar den tijd bepaalde handeling bevangen vinden, niet erkennen, dat dezelve goed zij.
Wij vertrouwen niet, dat iemand met eenig nadenken tegenwerpe, dat de kennis van het beginsel, en van hetgeen daarmede overeenstemt, eerst ten gevolge en op aanleiding van verschijnselen ontsta. Dit is in zekeren opzigte even zoo waar, als het ontegenzeggelijk is, dat wij leven moeten, om als in den tijd bepaalden personen te erkennen. Maar deshalve is de kennis, die wij, als verschijnsels levende, vormen, niet beperkt binnen den omvang des verschijnsels, noch uit hetzelve als bron geput, noch gebouwd op deszelfs vergankelijken grondslag. Het is waar, ook de kennis des beginsels bestaat in ons, wat den vorm des bestaans betreft, in den tijd en als verschijnsel. Wij geraken op geene andere voorwaarde tot derzelver bewustzijn, dan dat wij ons wezen in den tijd volgens de ons met dat wezen geschonkene kracht en bestemming zelfwerkzaam ontwikkelen. Maar de zenuw van het tot hiertoe ontvouwd kritisch betoog vertoont zich daarin, dat wij een zoodanig bewustzijn van hetgeen regel, wet, beginsel of zedelijk is, als waarvan de Heer Kinker uitgaat, niet zouden kunnen vormen, tenzij wij in dat bewustzijn wezenlijk meer erkennen, dan hetgeen in hetzelve als verschijnsel gegeven is. Het streven en de verrigtingen van onzen geest, strekkende om zulk eene bewustheid te doen ontstaan, bewijzen door hun aanwezen zelf, dat men steeds eene niet verschijnende eeuwige wezenlijkheid in het gezigt heeft, waaronder alle daartoe behoorende verschijnselen zijn bevat en begrepen. In hoe verre de in deze rigting door dezen of genen gevormde voorstellingen waar zijn of valsch; in hoe verre hetgeen voor zedelijke wet of beginsel gehouden wordt, overeenstemme met het beginsel zelf, of hetgeen gesteld wordt goed te zijn, dit wezenlijk is, van deze veelal ontijdig en niet ter behoorlijke plaatse opgeworpen vragen bleef de voorstaande redenering onafhankelijk. Wij erkennen allen ten deele: de ware kennis wordt ons niet in den schoot geworpen, maar wij moeten, ze ons eigen makende, er voor ons zelve de kunstenaars van zijn, dezelve in en voor den tijd, in en voor het leven voortbrengen; hetwelk niet geschiedt zonder misgrepen en dwaling; hetgeen zich in den tijd ontwikkelt, kan eerst in den tijd rijp worden; maar ook de valsche meening omtrent zedelijkheid is, gelijk de slechte daad, een, hoewel ziek, deel van dat streven, hetwelk, zonder op ieder punt door het hoogere, in welks gebied het zich beweegt, gedragen te worden, zelfs in zijne onvolmaaktste gedaante nergens zou voorkomen. Dat nu de door den Heer Kinker geopperde begrippen dit boven het verschijnsel verhevene steeds onderstellen en insluiten, niet omdat zij bij veronderstelling waar, maar omdat zij geopperd zijn, was, hetgeen hier viel aan te toonen.
Wij gaan met den Heer Kinker over tot de leer van de grondvesting des Staats, buiten welken de schrijver ontkent, dat er een stelsel van natuurregt kan gedacht worden. Dit eischt gewisselijk volkomen toestemming; terwijl buiten twijfel de staat het stelsel van het regt zelf is, waarvan de beschouwing van het regt van eenig individu slechts een deel uitmaakt. Met den schrijver houden wij de verklaring van den staat uit eenig verdrag voor eene ondergeschikte beschouwing van iets, hetwelk eenen hoogeren grondslag heeft, zonder welken ook dat verdrag niet regtens zou kunnen wezen. Hier bevinden wij ons op den rand eener dubbele dwaling, die men ook niet heeft nagelaten beide te begaan. De eerste bestaat daarin, dat men, het verdrag eene in den tijd bepaalde daad van wilsovereenkomst stellende te zijn, alles voor regtens verklaarde, hetgeen uit die overeenkomst volgde, zonder naar het regt dezer overeenkomst zelve te vragen. Deze is door den Heer Kinker aangewezen. De tweede dwaling ligt hooger op, en men kan er in vervallen, na de eerste reeds te boven gekomen te zijn. Hierbij wordt namelijk het begrip van verdrag als het hoogste regtsbegrip aangemerkt, en uit hetzelve de staat afgeleid. Bij deze leer wordt derhalve elke dadelijke handeling van overeenkomst, wel is waar, naar behooren aan het oorspronkelijk begrip van verdrag onderworpen; maar dit oorspronkelijk begrip zelf uit zijne ware plaats verschoven, en een ondergeschikt deel zijnde van het regtssysteem, aan deszelfs spits gesteld, of voor het geheel zelf gehouden.
De Heer Kinker zegt (bl. 269), de bijeengekomen personen zijn reeds werkelijk in eene gemeenschap; en ook dit moet gereedelijk worden toegegeven, want daar menschen, waar zij ook zamenkomen, door hunnen aard bestemd en strevende om eenig geheel te vormen, van zelf en zonder het te willen, tot eenig verband van werking en wederwerking geraken, zoo is hierin de gemeenschap reeds gegeven. De vraag blijft: welke is de gemeenschap, die het regt eischt? of wat maakt de gemeenschap tot een regtsligchaam? Als eerste deel derzelve noemt de Heer Kinker (bl. 271) het regt van allen op de stoffelijke voorwerpen van het geheele eiland. De schrijver bezigt dus hier het begrip van regt in de niet zedelijke beteekenis, die wij boven aanwezen. Hij doet hier evenmin, als vroeger, zoodanig regt op eenigen grond rusten, of zoekt het regtsbeginsel des eigendoms op te sporen; en dit beginsellooze openbaart zich dadelijk in de gevolgen. De schrijver beweert, bl. 272, voorzeker naar waarheid, dat, zoo de eigendom geenen anderen grond had, dan de daad van bezitneming zelve, hierbij van geen regt zou kunnen gesproken worden. Dit wordt beweerd van den bijzonderen eigendom tegenover dien der gemeenschap. Maar waarop anders dan op zulk eene willekeurige daad van bezitneming is de eigendom der gemeenschap, welke slechts als een grooter individu en regtswezen verschijnt, gegrond? Dan niet genoeg. De schrijver, alleen de tegenstelling tusschen de gemeenschap en derzelver bijzondere leden ten opzigte van het eigendomsregt in het oog hebbende, vergeet te betoogen, waarmede dit begrip zijne plaats in de wetenschap regtvaardige; en vol ijvers, om het bijzonder bezitregt aan dat der gemeenschap te onderwerpen, vindt hij zich eindelijk genoodzaakt, om, zonder het laatste te hebben afgeleid, het eerste buiten de kennis van het natuurregt te sluiten. Want den regtsgrond van den bijzonderen eigendom laat hij aan de stellige of in den tijd voorvallende wetgeving over (bl. 271); die gezegd wordt in een regt te veranderen, hetwelk zonder hare bepaling slechts een wetteloos aan zich houden zijn zoude (bl. 272). Dan hoe kan de stellige wetgeving iets hoegenaamd tot een regt maken, hetgeen het onafhankelijk van haar niet reeds is? Zij kan te weeg brengen, dat iets, te regt of ten onregte, voor een regt wordt gehouden; maar als de daarstelling des natuurregts in den tijd, is zij aan de wetenschap des regts ondergeschikt, van welke zij datgeen ontvangt, hetwelk een zoogenoemd regt waarlijk als regt kenschetst. De Heer Kinker echter laat ze de plaats van het natuurregt vervangen, en uit het laatste blootelijk het begrip van gemeenschap, hetwelk zelfs nog niet in dat van staat of hooger regtswezen is overgegaan, ontleenende, vindt hij zich van alle beginsel voor de inwendige organisering of bewerktuiging dezer gemeenschap verstoken. Hij neemt dus zijne toevlugt tot eene willekeurige daad; want wat anders ware eene wet, gegeven in den tijd, door éénen, door velen, of door allen, die geene uitdrukking is van eenig oorspronkelijk regt? Deze veel te vroege afzakking tot de stellige wetgeving was een noodzakelijk gevolg van het betoogde gebrek aan beginsels in het natuurregt, en heeft eenen en denzelfden oorsprong als de valsche, door den Heer Kinker veroordeelde, theorie des verdrags. Vermag de wetenschap des oorspronkelijken regts den staat te ontwerpen en te bouwen, dan moet zij ook de wetten van bestaan, afperking, en vorming der bijzondere deelen van dat ligchaam behelzen: zonder welke het laatste een wezenlooze klomp, en de eerste geen stelsel, maar slechts eene stelling ware (vergel. bl. 264).
Volgens het oorspronkelijke regt behoort alle eigendom aan de gemeenschap, van waar die afvloeit en verleend wordt aan de bijzondere leden. Dit wijst ons op den grondslag van des schrijvers gedachteleiding, die ook op bl. 302 uitdrukkelijk wordt omschreven: dat men zonder het zedelijke begrip van gemeenschap aan geen regt kan denken. Men zou kunnen aantoonen, dat dit aannemen der gemeenschap, als bron van het regt der deelen, in eene eindelooze reeks omvoert, zonder ooit bij een vast punt aan te komen; terwijl elke gemeenschap aan eene hoogere kan, ja moet, ondergeschikt worden; en het onmogelijk valt, het getal der personen, voldoende om eene zelfstandigheid van gemeenschap te vormen, te begrenzen, en twee eene gemeenschap uitmaken, gelijk duizend. Intusschen dient nader ter zake, te onderzoeken, of de gedachte van regt zelve reeds eene gemeenschap, zoo als de door den schrijver aangenomene, onderstelt. Dit nu schijnt ontkend te moeten worden, wanneer wij overwegen, dat ieder persoon, lid der gemeenschap, een deel van dezelve, en tegelijk een zelfstandig geheel is, aan hetwelk dus op zich zelf regt in gelijke mate toekomt, als aan eenig regtsgeheel of regtswezen hoegenaamd. Dezelfde grond, die aan de gemeenschap, als regtswezen, regten doet toeschrijven, geldt ten opzigte van den bijzonderen persoon. Gelijk de gemeenschap, nevens andere gedacht, of alleen staande en afgezonderd, regten heeft, zoo ook de bijzondere persoon, tegenover andere gedacht of alleen. De gemeenschap hervormt hem niet in een regtswezen; maar dewijl hij een regtswezen is, kan hij lid zijn van den staat, als een hooger regtsgeheel. En niet enkel regt in het algemeen, waarvan de individuele bepaling aan de inwendige organisatie van den staat zou moeten overgelaten worden, mag hij geoordeeld worden te bezitten, maar eenen bepaalden omvang van regt, van welken in hem zelven de maatstaf en de grens noodzakelijk voorhanden is. Dit laatste den Heer Kinker ontgaande, heeft hij zich voorgesteld, dat het regt van het individu zich grenzenloos zou uitstrekken, bijaldien het niet door de regten van anderen beperkt werd. Dewijl nu deze beperking van het regt des eenen door dat des anderen, gelijk de schrijver zeer wel heeft gevoeld, eene eindelooze en volstrekt onmogelijke bemoeijing ware, zoo treedt hij met het denkbeeld van gemeenschap tusschen beide, tegenover welke hij de bijzondere personen, vóór de bepaling door de gemeenschap in het werk te stellen, alle regt laat ontberen.
Uit het voorgaande volgt de aanmerking van zelf, waaraan de leer des schrijvers (bl. 267) onderhevig is, dat het regt van den eenigen bewoner de door hem bewoonde streek zoo lang inheeft, tot dat eene meerderheid van bewoners eene deeling van het tevoren ondeelige regt zal vorderen. Het een is met het ander in tegenspraak. Is het eerste de ware grens en omvang van het regt des eenzamen menschelijken wezens, zoo wordt hij in hetzelve gekrenkt en ten onregte beperkt door de bijkomende meerderheid. De regtsuitdeeling en wederzijdsche begrenzing onder meerderen zou in allen gevalle moeten geschieden volgens het regtsbeginsel, en eene overeenkomst, die hetzelve schond, daaruit zelf blijken, onregtens te zijn. Dit regtsbeginsel nu heeft met de deelen ook het geheel onder zich, en het regt niet alleen volgens het wezen van het geheel, maar tegelijk volgens het wezen van ieder bijzonder persoon te bepalen. De oorzaak der regtsbeperking van denzelven kan niet alleen buiten hem, maar moet tevens in hem gelegen zijn, of zijn wezen behoort niet tot de orde van wezens en zaken, welke gezegd wordt hem de beperking op te leggen. Vergel. bl. 261.
Het individu brengt dus in de gemeenschap reeds eene bepaalde mate van eigen regt mede, en de staat of ware regtsgemeenschap, waarvan de idee historisch zich later ontwikkelt, dan die van de regten der bijzondere personen, heeft hetzelve op deszelfs ware plaats in te voegen, te verbinden, overeen te brengen en te handhaven. Dat het er hierbij niet op aankomt, of het individu bereids dadelijk, dat is, door eenige voorafgaande handeling, in het bezit van zijn regt te wezen gedacht worde, blijkt van zelf: gelijk wij hier over het algemeen niet van eenen in den tijd bestaanden staat, maar van de idee des staats, en de idee van regt in de Platonische beteekenis des woords, spreken. Deze dubbele beschouwing heeft de Heer Kinker niet altoos met de behoorlijke wederzijdsche onderscheiding uit elkaâr gehouden, en daardoor ook het ware verband, waarin beide staan, onzes inziens, dikwerf misgetast. Maar hierop zal ons de koers der redenering van zelf terugbrengen, nadat wij eerst iets anders zullen hebben aangeroerd.
De Heer Kinker zoude ons een verdiend verwijt kunnen doen, bijaldien wij de gronden oversloegen, die hij voor zijne theorie van het bijzonder eigendomsregt, of liever bijzonder regt in het algemeen, aanhaalt bl. 271 en bl. 300, 301.
De eerste grond is de onmogelijkheid, van eene maatschappij in te voeren, waarin de gezamenlijke regthebbende personen alles onverdeeld genieten en beheeren zouden. Niet uit kracht dus van het regtsbeginsel heeft ieder een bijzonder bezitregt, maar hij erlangt het, omdat de aan de verdeeling van dat regt tegenovergestelde toestand niet bestaan kan. Het van zijn bijzonder bezitregt verstoken individu kan diensvolgens niet gezegd worden, in den eigenlijken zin schade aan zijn regt te lijden; en het is ook geene regtelijke, dat is, in de idee of wetenschap des regts aanwezige, oorzaak, waarvan het ontbreken de bijgebragte onmogelijkheid stelt. Aan het afzijn van welke voorwaarde zij dan deze onmogelijkheid verschuldigd? Bestaat dezelve in eenigen strijd met de wetten van het leven en den tijd, tot welke het begrip des staats overgebragt, van gedaante moet veranderen? Dit is het zonder twijfel, hetwelk de Heer Kinker op het oog had; verzekerende, dat de maatschappij zonder de genoemde regtsverdeeling niet zou kunnen worden ingevoerd. Er kunnen op bepaalde tijden oorzaken voorhanden zijn, die beletten, wezenlijke regten te doen gelden. Dit kan nogtans niet verhinderen, dezelve in het regtsstelsel in hun waar licht te erkennen. Dan hier worden wij aangezocht, om tot het scheppen van regten te besluiten, die niet het inzigt van het oorspronkelijk regt leert, maar deszelfs verplaatsing op het toneel des levens vereischt. Want het moet herhaald worden, dat het geen regtsgrond is, die de verdeeling gebiedt, maar dat het regtsstelsel reeds hier, in den beginne, aan eene wet gehoorzaamt, die niet zijne eigene is. Welke is dan de wet des levens, die het beheer en genot in gemeenschap verhindert? Wij voor ons bekennen, die niet te kunnen ontdekken. Wij zien wel eene onbestaanbaarheid des denkens, en dus eene in de wetenschap des regts zelve berustende onbestaanbaarheid, afhankelijk van de aangestipte gronden, die aan ieder lid der gemeenschap, vóór en boven alle invoering derzelve in den tijd, vóór en boven alle stellige wetgeving, een eigen, hem onafhankelijk toekomend, regt waarborgen.
Aldus eene gemeenschap stellen, gelijk de Heer Kinker doet, heet, een van duizend gevallen der ervaring onderstellen, of liever een empirisch regtsvraagstuk voorleggen tot oplossing volgens de geleerde regelen. Zulk eene oplossing kan niet anders worden gegeven, dan uit de tweevoudige vereenigde kennis der empirische voorwaarden en gesteldheid, en des oorspronkelijken regts. Met dezelfde bevoegdheid stelt men een ander geval, laat eenen man en eene vrouw eene onbewoonde, op zekere wijze begrensde, streek innemen, en vraagt: wat is hier regtens, wat zal regtens zijn voor en onder de achtervolgens opdagende nakomelingschap, welke in dit paar het hoofd der familie vereert? Eenen vermogenden man volgt in een onbewoond gewest een aantal menschen, die, geen bestaan noch levensonderhoud hebbende, op hem de hoop hunner verzorging vestigen. Hij besteedt zijn vermogen, ten einde hun de middelen te verschaffen, om de in bezit genomene landerijen aan te bouwen, en vervolgens de allengs toenemende opbrengsten, zoo verre dezelfde de lijfs- en levensbehoeften der bewoners reeds te boven gaan, tot daarstelling dier inrigtingen van algemeen nut en belang, welke de redelijke zamenwoning eischt, maar tot welker stichting en instandhouding, gedurende het eerste tijdvak althans, niemand dan de stigter der volkplanting iets vermag bij te dragen. Zij hebben hem alles te danken; hij daarentegen heeft voor het zijne geene andere zekerheid en waarborg dan hunne personen, en derzelver nakomelingschap. Hoe zal zich in deze betrekking het regtsbewustzijn moeten ontwikkelen? Wat zal regtens zijn in alle die gevallen, welke de ondervinding zeker in grooteren getale oplevert, dan het door den Heer Kinker aangenomene, waarin niet eene vereenigde meerderheid, b.v. een stam, gelijktijdig eenen gemeenschappelijken regtstoestand ontgint, maar waarin de bewoners na elkander aankomen? Waarin alle regtstellende gemeenschap wegvalt, en een geheel eerst na verloop van tijd langzamerhand uit de verspreide deelen vergaderd wordt? Welk is, op het tijdstip, dat dit geheel met bewustzijn begint opgerigt te worden, het regt der bijzondere personen, het vooral niet te verzuimen regt der families, als hoogere en langer levende individus, het regt van het geheel zelf, dat alle deze leden naar derzelver verschillende rangschikking en hoedanigheid gaat omvatten? Hebben wij alle deze vragen uit regtsbeginselen beantwoord, dan kennen wij het regt voor een nieuw geval der ervaring. Doch wij willen niet het regt ten behoeve van eenen zekeren toestand, maar het regt vóór en boven alle toestanden, waaruit juist deze, indien zij eenig regt in zich dragen, hetzelve ontleenden, van het onderzoek des natuurregts leeren.
Er doet zich nog eene zwarigheid op bij den door den Heer Kinker ingeslagenen weg. Hij stelt namelijk eenen toestand, die met geenen vroegeren zou zamenhangen, die door geene de minste dadelijke regtsontwikkeling voorafgegaan ware. Intusschen is ieder[e] toestand verbonden met eenen vorigen. De op het eiland, of in welk ander onbewoond gewest, tegelijk aangekomene personen, zullen reeds niet enkel bijzondere personen in abstracto, maar in bepaalde betrekkingen tot elkander, derhalve in eenige bepaalde regtsordeninge en ontwikkeling alreede bevangen zijn. Deze bepaaldheid medebrengende, bevinden zij zich van den beginne af al niet in eene zuivere gemeenschap; en de regtuitdeelende gemeenschap zal, bij hare schikkingen, het historisch gegevene regt in rekening moeten brengen. Hierin ligt het, zowel practisch als theoretisch, gevaar der onderstelling van eenen oorspronkelijken regtstoestand; waarmede men of eenen toestand verstaat, die rein met zich zelven begint, hetgeen tegenstrijdig is; of eenen zoodanigen, waarin de eerste menschen, hunne natuur volgende, moesten geleefd hebben. Het laatste kan voor het onderzoek des oorspronkelijken regts ook reeds uit dien hoofde van geen belang wezen, dewijl daarin klaarblijkelijk het tijdstip van een nog weinig ontwikkeld regtsbewustzijn wordt aangenomen. De verwarring evenwel van deze zoogenaamde oorspronkelijkheden met het wezen des oorspronkelijken regts heeft den voortgang en het inzigt des regts van alle tijden herwaarts niet weinig gestoord.
De meeste leraars van het natuurregt zijn bij de ontvouwing des oorspronkelijken regts van het beeld van eenen, als ware het in den tijd bestaanden, toestand uitgegaan, of hebben daarmede geëindigd. Zij stelden zich, veelal bij aftrekking, eene zekere volgreeks van verschijnselen, zamenkomsten en tijdelijke ontwikkelingen voor, welke zij, dezelve met het bewustzijn des regts bezielende, volgens hetzelfde poogden te besturen. Hierdoor wordt, hetgeen boven alle verschijnsel is, namelijk het oorspronkelijk regt, voor dat het nog als idee genoegzam ontvouwd, en in het hoofd des denkers tot eenige rijpheid gekomen is, afgeroepen tot den kring eener ondergeschikte ontwikkeling: het beeld des toestands, waarin wij het oorspronkelijk regt aanschouwen, vervangt de idee of reine gedachte zelve; en hetgeen van wezenlijk verschillende oorzaken afhangt, wordt onderling verward. Want van andere oorzaken voorwaar hangt af de inrigting en wijgeerige vorming van het stelsel des oorspronkelijken regts, van andere deszelfs bestaan in de zinnenwereld. Elke toestand is begrensd in den tijd, aan het verledene gehecht, en met het volgende verbonden: dezelve zal, door verstandsaftrekking uit deze aaneenschakeling losgemaakt, van het hem eigenaardige, en zoo van den grondslag zijns levens en bestaans, beroofd, en in een zamenstel van algemeene trekken herschapen, voor het wijsgeerig gebruik echter, geenen hoogeren rang kunnen bekleeden, dan voor zooverre dezelve als eene beperkte tijdelijke verbeelding van de daarin voorgestelde regtswaarheid aan te merken is. De wetenschap des oorspronkelijken regts eischt de ontwikkeling dezer regtswaarheid voor zich zelve, en op haar eigen gebied. Eene stellige wetgeving, berustende op gewoonte, of in wetboeken vervat, is eene, in eenen bepaalden tijd voortgebragte, gedaantegeving aan de eeuwige waarheden des oorspronkelijken regts, op welke gedaante, als een deel der geschiedenis, alle deelen, momenten en wisselingen des levens werken, die in het ligchaam der geschiedenis zich voordoen. De werkzaamheid, waaruit eene stellige wetgeving of regtstoestand ontspringt, is dus, naar haren waren aard, even zeer eene wijsgeerige als historische: ofschoon die tot nog toe welligt, zoo verre als de kennis der geschiedenis ons stellige wetgevingen voor oogen brengt, meer door historischen, dan door philosophischen, invloed is bestuurd geworden. Gelijk nu die regtsgesteldheden, waarin de mate der historische werkzaamheid de wijsgeerige overwoog, de proef des oorspronkelijken regts niet zullen kunnen doorstaan, zoo de andere, in welke de beschouwing der oorspronkelijke waarheid met geene evenredige kracht van historische bedrevenheid en bestaanbaarheid mogt zijn gepaard geweest, niet de proef des levens en der geschiedenis zelve.
Op deze wijze is al hetgeen de wording des regts, dat is, deszelfs oorsprong en voortgang in den tijd, betreft, wezenlijk onderscheiden van het aan zich zelf gelijke philosophische regt. Hadden velen, die zich het laatste te leeren voorstelden, de geschiedkundige wording des regts, naar de tweevoudige werking, die er van de ééne zijde het licht des oorspronkelijken regts, van de andere de historische volgorde en zamenhang op uitoefenden, nagespoord, zij zouden een werk van hoog belang ondernomen hebben. Daarentegen vindt men, dat zij zich bezig hielden, om eene denkbeeldige wording des oorspronkelijken regts, hetwelk niet ontstaat noch vergaat, onder de menschen, te ontwerpen, op de eerstgestelde toestanden, als de beginselen der ontwikkeling des natuurregts, andere te laten volgen, die zij zich verbeeldden daaruit te moeten voortvloeijen, en eindelijk voor een stelsel des wijsgeerigen regts uit te geven, hetgeen eene beschrijving is van een bij redenering of dichting gevonden bestaan, maar inderdaad eene afwijking uit de baan der wijsgeerte, en eene bloote schaduw van het historisch verschijnsel. Eene zoodanige gedachteleiding moet in gedurigen grensstrijd liggen met het begrip van tijdelijke mogelijkheid. Ook de Heer Kinker gevoelt zich in denzelven ingewikkeld, en onderwerpt aan die voorwaarde zijne beschouwing. Deze denkwijze, die eigenlijk eene meer algemeene, philosophische uitdrukking is van het gemeene gevoelen, hetwelk gewoon is, al hetgeen men oordeelt niet praktisch, gelijk men zegt, te kunnen worden, met veel nadruk voor nietig te verklaren en te verwerpen[7]
Bij aangenomene of ten behoeve van de uiteenzetting des oorspronkelijken regts willekeurig voorgestelde toestanden dient over zulks te worden herinnerd, dat de gevraagde mogelijkheid slechts eene betrekkelijke is, en afhankelijk van het in den toestand aangenomene; zoodat het behoud van de eene onderstelling in de andere is gelegen. Over het algemeen is het duidelijk, dat eene regtsphilosophie, in dit spoor voortgesleept, niet kan missen, van in de handen dergenen te vallen, die eene haar vijandige, alleen op historiekennis, zoo men voorgeeft, gevestigde, bovenal praktisch geachte, staatskunst belijden. Dezen, van welken Nic. Machiavel de eerlijkste, rondborstigste, en verstandigste is, gaan in eenen gegevenen kring van verschijnselen de beweegredenen na, waardoor men vindt, dat de menschen bij een gebrekkig bewustzijn in zaken van staat en regt bestuurd worden, en bouwen op deze kunde een zeker daarmede overeenstemmend beleid van handelen. Daar nu de beweegredenen, welke op de laagste trappen van ontwikkeling den voorgrond van de bewustheid der menschen het eerst aanvullen, vroeger behoefte, daarna eigenbelang en hartstogt zijn, zoo wordt de regts- en staatsbehandeling aan deze drijfveren vastgemaakt, en derzelver uitwerkselen aan zekere gemeenschappelijke vormen te binden, aan eenige orde en eenheid te onderwerpen, het doel der staatskunst. Ofschoon dus bij dezen alle opzettelijke rigting op eenig wezenlijk begrip van regt vervalt, zullen nogtans de wijsgeeren, zoo lang zij hetzelve slechts in den spiegel van denkbeeldige toestanden aanschouwelijk maken, de tegengestelde behandeling, die over werkelijke loopt, niet gemakkelijk te boven komen.
Aan gelijke bedenkingen onderhevig is het onderzoek naar den besten staatsvorm, waarin de meeste regtsstelsels hunne eindelijke voltooijing meenen te vinden. De Heer Kinker heeft over de moeijelijkheid eener zoodanige beslissing, in zijnen laatsten brief, eenige voortreffelijke aanmerkingen voorgedragen. Zoodra men er in toegeeft, het ligchaam des oorspronkelijken regts te vereenzelvigen met iets, hetwelk alleen door historische ontwikkeling tot stand kan komen, te weten, met eenig verschijnsel, is het onvermijdelijk, de bestanddeelen van dat beeld, in meerdere of mindere mate, uit het tot nog toe geschiedkundig bekende en steeds veranderlijke te ontleenen. Men bootst dus de geschiedenis, en zelfs van deze nog maar een gedeelte, slechts uit de verte na, en brengt verkeerdelijk het wisselende verschijnsel in het oorspronkelijke regt over. Men komt voorts, met eenen besten regtstoestand te stellen, afgezien van de tegenstrijdigheid tegen het wezen des oorspronkelijken regts, met de historie zelve en het leven in de onverzoenlijkste wederspraak. Want geen toestand of vorm kan historisch verwezenlijkt worden of bestaan, zonder gestadig te veranderen, en dus, in zoo verre men binnen dien éénen toestand het regt besloot, tot onregt over te slaan. Het zou weinig baten, ten dezen aanzien welligt te zeggen, dat, zoo al de ondergeschikte deelen aangetast werden, van zoodanige gesteldheid de beginselen echter en grondvesten eenen langeren wederstand aan den tijd zouden bieden. De verandering toch, ook van het ondergeschiktste deel mag ten aanzien van het oorspronkelijk regt niet onverschillig wezen. Het langer of korter is slechts langer of korter uitstel der geheele slooping, waarvan het volmaaktste tijdelijk aanzijn zoo weinig als het slechtste is vrij te waren. Het klimt en valt, groeit en neemt af, en toeft in geenerlei gestalte; ieder oogenblik der duurzaamheid is tevens de voorbereiding eener nieuwe ontwikkeling, heeft reeds eene, van de tegenwoordige verschillende, gesteldheid op het oog, waar het zich naar toe beweegt; dezelfde kracht, die het volgende opricht, ontbindt de vorige levensinrigting, trapsgewijze of plotseling, ten goede of tot verderf, maar onherroepelijk.
Van de beste staatsgesteldheid kan niet dan met opzigt tot eenen bepaalden tijd worden gesproken. Zoo dat de vraag deze wordt: in hoe verre de idee, welke bij den gegeven regtstoestand ten gronde ligt, tot eene evenredige, wel doorwrochte, in zich zelve voldoende, ontwikkeling is gekomen. Niet, alsof er tusschen onderscheiden vormen der bekende historie niet een groot verschil bestond, wat hunne overeenstemming met de oorspronkelijke waarheid des regts, en de een niet met meer onregt gemengd ware, dan de ander. Maar het is niet deze vermenging met het onregt, waarvan het verschil van karakter, om het dus uit te drukken, van staat en regten, afhangt. Derzelver menigvuldigheid zoude bij eene volmaakte heerschappij des regts geene vermindering ondergaan: hetwelk men gewilliger aan de kunst pleegt toe te geven, die men niet bij de uitvoering ééner schoone idee bepaalt, maar hare voortbrengende kracht in de veelsoortigste gewrochten en uitdrukking aan haar zelve gelijk en oorspronkelijk acht. Daar is opvolging en wasdom, voortgang in de geschiedenis van vroegere staats- en regtsorganisatie tot de latere. De maatstaf, van de ééne ontleend, past niet voor de andere. Elke vorm, elke leeftijd, vertegenwoordigt eenen eigenaardigen regtsaanleg. Dit inzigt moeten wij niet daardoor laten verdonkeren, dat deze wezenlijke aanleg, welke bij elken individuelen staats- en regtsvorm aan te treffen is, in de verschijning slechts gebrekkig en fragmentair wordt uitgewerkt. De verscheidenheid van regts-aanleg en bestemming is op het oorspronkelijk regt gegrond; in welken zin (wel te verstaan) ditzelfde mag gezegd worden eene verschillende betrekking te hebben tot verschillende tijden: de verkeerdheid, daarentegen, of onvolledigheid der vorming ontspringt uit andere oorzaken.
Er dient van deze uitweiding omgekeerd te worden tot den tweeden grond, waarvan de Heer Kinker de bijzondere regten afleidt (bl. 271). Het is pligt, leert de schrijver, het beheer der stoffelijke gemeenschap, zoowel als het bestuur der daartoe betrekkelijke vrije daden der regthebbende personen tot middel van het te bereiken doel te doen strekken. Hier bevinden wij ons dus wederom midden in de pligtenleer, waarvan de bijzondere regten gesteld worden een ondergeschikt deel uit te maken. De pligtenleer echter is een deel van de Ethica, waaraan, en niet aan een zoogenaamd natuurregt, wij ons derhalve te houden hebben, om de gevraagde regten af te leiden. Doch neen: in het algemeen, wel is waar, erkennen wij uit de pligtenleer, dat aan elk individu individuele regten toekomen; maar de wezenlijke en onderscheidende bepaling dier regten wordt overgelaten aan eene stellige wetgeving. De pligtenleer gebiedt het erkennen van bijzondere regten, als middel tot het te bereiken doel van wederkeerige zedelijke volmaking. Het erkennen van bijzondere regten is hetzelfde als: het individu als regtswezen erkennen. Wij dienen namelijk eerst te weten, of het een regtswezen is; welke wetenschap de pligtenleer ons kwalijk zal kunnen voorschrijven. Of, bijaldien het individu uit andere gronden van kennis, welke men verwachten moet in de leer des oorspronkelijken regts, als een deel derzelve, aan te treffen, mogt blijken, een regtswezen te zijn, de pligtenleer het, in harmonie met het oorspronkelijk regt, als eene zedelijke bepaling zal doen uitkomen, dat het individu als datgeen, hetwelk het wezenlijk is, behandeld worde; is eene vraag, die in allen gevalle het natuurregt geenszins aangaat, en welker beantwoording op deszelfs inwendige gesteldheid niet den minsten invloed heeft.
Aangaande het ontijdige overgeven der nadere organisatie en begrenzing van het individu, als regtswezen, aan de stellige wetgeving, is reeds het noodige aangemerkt. Daarentegen spreekt het van zelf, dat deze en alle andere regtsbepalingen, die betrekking hebben tot eenigen bepaalden tijd, tot de stellige wetgeving behooren, of liever, dezelve uitmaken. Den oorsprong der stellige wetgevingen, die hij zich doet aanbevelen als het middel tot het te bereiken doel van onderlinge zedelijke volmaking, brengt de Heer Kinker te huis op eene wederkeerigheid van pligt en regt van vordering (bl. 271).
Het stellig regt begint met de erkentenis van eenige op eenen bepaalden tijd zamenlevende personen, dat zij in eenig regtsverband, welk ook, staan. De ontwikkeling dezer erkentenis is noodzakelijk, en volgt dadelijk met het bewustzijn van het leven zelf, waarvan zij een deel uitmaakt. Een regtswezen zijnde, is de mensch gedrongen, om zich als zoodanig te ontwikkelen. Hoe hij het doe, is eene andere vraag; die in het algemeen eenen tweeledigen zin heeft; zoodat men ze of historisch mag beantwoorden; of met opzigt tot het oorspronkelijk regt, in hoe verre de historisch gegevene gesteldheid met hetzelve overeenstemme. In aanmerking genomen, dat het regt, althans voor een groot deel (want wij willen niet meer stellen, dan uit het toegestane reeds is opgemaakt), betreft de wezenlijke of redelijke betrekking van het uitwendige tot ons, terwijl de mensch niet ophoudt van alle zijden met iets uitwendigs in aanraking te komen, moet het wel natuurlijk en noodwendig, en onafhankelijk van eenig voorafgaand besluit toeschijnen, dat hij aan die betrekking eene zekere houding geve, dat is, zich, bewust of onbewust, eene regtsbepaling voorstelle. Eerst met een donkerder, dan met een meer helder besef rondtastende, streeft hij, om eene regtsorde voor het leven te vormen, en tot eenige vastheid van regtstoestand te geraken. Hetgeen bij dit streven tot stand wordt gebragt, zal onvolledig, zal dikwerf onregt zijn, met den schijn en de geldigheid van regt toegerust. De dagelijksche behoefte, eigenbelang, en ontelbare andere ondergeschikte drijfveren des levens zullen niet achterlijk blijven, eenen te aanzienlijkeren invloed op de regtsschikkingen uit te oefenen, hoe zwakker het ware regtsbewustzijn door zich zelf nog is. Hoe het zij, ook het misleide en verdwaalde streven is gerigt op het ontginnen van eenig regtsleven, hetwelk, hetzij door gewoonte, hetzij door eenige uitgedrukte wet, bestuurd, van den beginne af eene zekere bepaalde begrensdheid, gedaante en vorm zal hebben. Het op deze wijze ontstaande, en niets anders, noemen wij het stellig regt; en wel dat van één individu voor zich, of, indien zich eene vereeniging van meer individu's tot grondlegging van een hooger regtswezen, den staat, gevormd heeft, het stellig regt van dit geheel en van alle deszelfs leden.
Tot de volkomenheid nu en overeenbrenging dezer regtsontwikkeling, in en voor het leven, met de eeuwige regtsorde bij te dragen, zoo veel in elks magt wordt gegeven, is gewisselijk des menschen bestemming. Maar gevraagd dient te worden, of men het gegeven regtsbestaan, dat is, het stellig regt, in het ware licht zie, wanneer men hetzelve blootelijk het middel doet zijn tot wederkeerige zedelijke volmaking. Het kan aan geenen twijfel onderheving wezen, dat al hetgeen in het gegeven regtsbestaan meest overeenstemmend met de orde des oorspronkelijken regts gevonden wordt, niet dan heilzaam op de zedelijkheid zal werken; gelijk in het gemeen alles, hetwelk binnen zijne grenzen aan zijn eigen wezen gelijk is, op het goede van elk ander gebied, hoe verschillend ook in aard en natuur, van eenen hoogst weldadigen invloed zal zijn. Het begrip echter van middel, zoo als het door den Heer Kinker wordt gebezigd, brengt mede, dat zulks wezen en bestaan slechts leent van het doel, waartoe het middel is. En zoo heeft, volgens den Heer Kinker, de ontwikkeling des regts in den tijd, of het stellig regt, geene eigen zelfstandige wezenlijkheid, maar slechts een betrekkelijk afhankelijk aanzijn. Een oorspronkelijk regt kan er dus in waarheid niet wezen; dit toch is juist de wezenlijkheid van alle werkelijk regt. Daar is overzulks onder die dingen, welke, gelijk de Ethica, buiten en behalve dat zij verschijnsel zijn, een wezen hebben van dat verschijnsel onafhankelijk, waarop dus de wijsgeerige kennis gerigt is, niets, hetgeen bloot middel ware. Uit dien hoofde kan ook de zedeleer niets als middel bevelen, hetwelk niet, buiten deze betrekkelijkheid als middel, eenen bepaalden zedelijken inhoud op en voor zich zelf heeft, en derhalve om zijn zelfs wil dient gedaan te worden. De Ethica heeft natuurlijker wijze geene magt, om te spreken of te beschikken over een ander zijn of handelen, dan hetgeen onmiddellijk eene zedelijke beteekenis in zich draagt. Zij kan niet eischen, dat, tot eenig zedelijk einde, iets geschiede, hetwelk, op zich zelf niet ethisch, in geen verband met de zedelijkheid staat, dan dat men goedvindt, door hetzelve de verwezenlijking van het zedelijk doel in de tijdorde te laten voorafgaan. De Heer Kinker diende dus, hetwelk hij niet doet, de stellige wetgeving onmiddellijk voor eene ethische daad te verklaren, en te bewijzen, dat zij op grond harer eigene zedelijke gehalte moest in het werk gerigt worden, of dezelve buiten het gebied der Ethica te sluiten.
Het gebeurt wel in het leven, dat menschen enkel als midddelen worden beschouwd en behandeld. Waarom plegen wij te zeggen, dat zulke eene denk- en handelwijze der menschelijke natuur onwaardig zij? Het is toch wel daarom, dewijl wij beseffen, dat ieder mensch een onvervreemdbaar wezen voor zich heeft, hetwelk, wanneer het niet gehandhaafd, maar door het bloot gebruik en dienen als middel verzuimd wordt, ons gekrenkt toeschijnt, en onbestaanbaar met 's menschen bestemming. Eene wezenlijkheid, als deze, waarop zich in het bijgebragte voorbeeld ieder, zelfs bij een half donker bewustzijn, beroept, moet volgens den Heer Kinker, aan het regt ontzegd worden. Duidelijk valt ons hier op nieuw, de grondstelling van des schrijvers natuurregt in het oog, dat de staat eene toerusting zij, om door uitwendige kracht de zedelijkeheid te schragen en te bevorderen, in zoo verre deze nog niet inwendig sterk en ontwikkeld genoeg mogt zijn, om geen uitwendig middel ter harer oprigting te behoeven. Dit is de eigenlijke grondslag van des Heeren Kinker[s] natuurregt, en die van niet weinig andere regtsstelsels; weshalve ook tot de meeste derzelve de leer van den regtsdwang tamelijk consequent toegang heeft gevonden.
Van hoe verregaande gevolgen dit begrip van regtsdwang voor regtsleer en regtstoestand geworden zij, ontvouwen wij wat nader.
De meest doordachte en consequente afleiding van het dwangregt is die van Fichte, waarmede alle overige theorien zeer tevreden mogen zijn gelijk gesteld te worden. Van dezelve komen de hoofdstellingen hierop neer. Alle regtsbetrekking tusschen vrije redelijke wezens sluit ten eerste in, dat ieder vrij redelijk wezen het ander wederkeerig als een vrij redelijk wezen erkenne en behandele. Zij kunnen slechts als redelijke wezens met en nevens elkander bestaan, in zoo verre ieder vrij wezen het zich tot eene wet maakt, zijne vrijheid door het begrip der vrijheid van alle overige te beperken. Jegens dengenen, die zich deze wet niet heeft voorgeschreven, ben ik niet verpligt, die zelfde wet te vervullen, niet verpligt, dat wezen als een vrij wezen te behandelen. Ik oordeel regterlijk, dat de genoemde wet hier opgehouden heeft, toepasselijk te zijn. Waarna het slechts van mijne willekeur, die geene andere grenzen, dan die van mijne physische magt, kent, afhangt, hoe ik het wezen, hetwelk mijn oorspronkelijk regt heeft gekrenkt, wil behandelen. Ik heb een dwangregt, als lex permissiva, tegen hetzelve.
Dit dwangregt heeft uit zijnen aard geene grenzen. Want hoe zeer het schijnt daar een einde te nemen, waar de ander zich op nieuw aan de door hem overtredene wet heeft onderworpen, vraagt men evenwel met grond: wat stelt mij zeker omtrent de opregtheid dezer onderwerping? Mijne vrijheid, eens aangetast blijft daarna steeds bedreigd, en kan door eene betuiging des anderen, waarbij hij zijne onderwerping aan de wet te kennen geeft, niet hersteld worden. Van den tegenovergestelden kant mag de ander, in zoo verre hij inderdaad weder begonnen is, de regtswet welmeenend te eerbiedigen, zich tegen mijnen, buiten en over de toegevoegde regtsbeleediging voortgezetten, dwang verdedigen, om zijne vrijheid niet geheelenal te verliezen. Welk is voor ieder het tijdstip, den ander vrij te laten?
Datzelfde, waarop beiden tegelijkertijd zich wederkeerig hunne veiligheid voor de gansche volgende toekomst waarborgen. Dat wil zeggen: zij moeten beide hunne physische magt van wederzijdschen dwang overgeven in de handen van eenen derden persoon: aan wien derhalve het dwangregt ten aanzien van beiden, en hun beider regt van regterlijk oordeel, voor het onderhavige geval en voor de geheele volgende toekomst, zonder de minste voorbehouding, overgedragen zij.
Op deze wijze, gelooft Fichte het dwangregt en de staatsmagt uit de regtswet zelve te hebben afgeleid, In waarheid echter zijn zij afgeleid uit de onderstelling van begaan onregt, of overtreding der regtswet. Welke ondersteld zijnde, al datgeen geoordeeld wordt in het regtsbeginsel bevat te wezen, hetwelk aan den wijsgeer noodig toeschijnt, om die overtreding of dat onregt binnen de grenzen des regts terug te wijzen. Zoo worden wij met eene afwering des onregts belast, vóór en al eer wij ons eene voldoende kennis van den inhoud des regts verworven hebben, Gesteld, datgeen, hetwelk door de wet van den dwang te bereiken staat, zij eene wezenlijke regtsbedoeling, zoo is hiermede nog niet bewezen, dat de dwangwet eenen regtelijken grond en oorsprong heeft. Zoo minder, daar dezelve berust op de bloot physische magt, afgezonderd van, en tegengesteld aan het regt.
Deze kunstige theorie wordt bovendien gewroken door de bekentenis, welke zij insluit, en die Fichte althans consequent en opregt genoeg is, niet te ontduiken; dat, waar eene algemeene zedelijkheid en een algemeen geloof aan dezelve plaats heeft, de regtswet ophoudt, magt te hebben. Iets wezenlijks, dat is, tot het wezen van den mensch behoorende, zijn dus regt en staat niet; maar vormen en inrigtingen, ten behoeve der onvolkomenheid van een zich ontwikkelend geslacht.
Hieruit valt het gemeene karakter op te maken dier regtsstelsels, welke van het begrip van magt uitgaan, hetwelk wij dadelijk nader toelichten. De verbreking der wettige grenzen van ieders vrije magt of het onregt, en hetgeen daaraan is vastgemaakt, weggedacht, blijft er van deze sijstemen althans niet zoo veel overig, hetwelk iemand nog lust zal hebben, een regtsgebouw te noemen. Het was diensvolgens natuurlijk, dat het regt bij de leeraars der zedenphilosophie in de blaam kwam, van niet dan negatief te wezen, dat is, geenen eigen kring van bedrijf en werkzaamheid te hebben, maar slechts eenige handelingen buiten te sluiten. Inzonderheid valt hierbij ook de natuurlijke oorsprong en de ware beteekenis van dat gevoel in het oog, hetwelk zich, getuige de geschiedenis, steeds tegen eene doorgaande bepaling van staats- en regtswege ten aanzien niet alleen van de rein zedelijke werkzaamheid, maar van onderscheidene andere deelen des menschelijken wezens, verzet, en getracht heeft, eene zekere vrijheid en willekeur in het gemeen van uit den zamenhang met alle regtsverbondenheid te redden. Want in deze vrees, hoe verward dan ook dikwerf in de onzekere beroeping op vrijheid uitgedrukt, is het redelijke besef niet te miskennen, dat eene kracht en bestaan, in hare bestemming hoofdzakelijk ontkennend en beperkend, niet de vorm en het beginsel zijn, geëigend, om over zoo meenige andere deelen van menschelijke ontwikkeling uitgestrekt te worden; welke dus, ofschoon oorspronkelijk welligt zelve ware regtsbetrekkingen, vooreerst nog, zoo veel mogelijk, zonder aanraking met de stellige staats- en regtsvorming hunne banen moeten beschrijven. Intusschen doet het leven, en het met hetzelve steeds medegaande, oorspronkelijke regtsgevoel, ook in dezen, gelijk in zoovele andere gevallen, zoowel meer, als minder, dan uit de gestrengheid en de grenzen van het gegeven regtssijsteem, waarin dat leven zich beweegt, schijnt te volgen. Door hetzelve wordt eene gelukkige tegemoetkoming en, althans gedeeltelijke, verzoening teweeg gebragt tusschen krachten en belangen, die volgens het geldend stelsel mogten geoordeeld worden, zich wederzijds te verdringen.
Doch, wij laten dit daar, om den, voorheen reeds aangeroerden, invloed van het, met het denkbeeld van regtsdwang eng vermaagschapte, begrip van magt op de regtsgesteldheid in het gemeen kortelijk na te gaan. Oorspronkelijk wordt in hetzelve ongetwijfeld de magt aangeduid, vereischt tot dadelijke invoering en verwezenlijking des regts. Hoe minder echter regtsleer en regtsgesteldheid tot eene zekere reinheid en hoogte van ontwikkeling gevorderd waren, des te eer moest het gebeuren, dat zulk eene magt, ten behoeve des regts naar men meende, eens ingesteld, den stand der zake aanmerkelijk veranderde. Magt werd het hoofdbegrip; oorspronkelijke of stellige magt de inhoud van hetgeen men met eenen anderen, meer schijnbaren dan werkelijk beteekenenden, naam ook oorspronkelijk of stellig regt noemde; en de eigenlijke regtsdenkbeelden verkeerd in de opgave, eene behoorlijke uitoefening, verdeeling, wederkeerigheid en evenwigt dier magten te vinden, waarvan bij elke zamenkomst van menschen ieder individu eene zekere hoeveelheid medebrengt. Daar is
een natuurregt, dat van Spinoza, hetwelk in de geschiedenis van het philosophisch regt weinig opgang heeft gemaakt, en inderdaad van alle werken diens wijsgeers verreweg het minste mag gehouden worden. Hetzelve is gegrond op de stelling: dat elk zoo veel regt heeft als magt; en dat, derhalve, de kennis der magt die des regts insiuit, niet omgekeerd de kennis des regts die der magt. Dit laatste is eene noodzakelijke gevolgtrekking; want het begrip der magt in het regtssijsteem vooropgesteld, wordt het regt een schaduwbeeld, hetwelk met de magt opkomt en verdwijnt. Door deze grondstelling
heeft zich Spinoza, wel is waar, noch zoo grovelijk laten misleiden, noch dezelve tot eene zoo onredelijke misleiding gebezigd, als in onze dagen Von Haller[8]
[9]
Het ligt in den natuurlijken loop der dingen, dat de historische ontwikkeling van het privaatregt die van het openlijke regt voorafgaat: ja op den laagsten trap van regtsontwikkeling is dit laatste nog in den vorm van het privaatregt gebonden, en heeft er zich nog niet uit kunnen opheffen. Hierbij moet echter in het oog worden gehouden, dat regtsbetrekkingen tusschen bijzondere personen niet zijn kunnen, zonder dat zich een geheel van staat althans begint te vormen; en het is van deze oorspronkelijke regtswet, dat opperhoofden, vorsten, en al hetgeen met den naam van gebied, overheid, gezag, genoemd wordt, hun beginsel en hunne kracht hebben ontleend, van welke andere gronden, hetzij van eigen regt, of van hoogere verleening, of van opdracht, men hetzelve ook hebbe doen afkomen. Bij de omzwervende stammen, in de hooge landen van Azië en Amerika, is naauwelijks de zweem van een openlijk regt aan te treffen. Opperhoofden, bevelhebbers strekken nagenoeg slechts tot aanvoering in den krijg, of bij andere gemeenschappelijke ondernemingen naar buiten. Gebied of heerschappij, zoo verre die niet kan gemist worden, is voor het overige in den boezem der familiën zelve besloten, of wordt, bij naauwer stamvereeniging, gelijk in Arabië, op algemeener opperhoofden ten deele overgaande, aan dit familieregt vastgemaakt. De Oostersche soevereinen van grootere gevestigde rijken, ofschoon in dezelve reeds een langzame voortgang tot de vorming van publiek regt kan bespeurd worden, beheerschen, of liever bezitten, dezelve echter nog bijkans als eigenaars, en in eenen privaatregtelijken zin. Eerst onder de Grieken, en bij het staatsbestaan, door hen in verschillende oorden gesticht, bekwam het openlijk regt eene bepaalde gedaante en vast aanzijn, ofschoon binnen zeer beperkte grenzen, zoodat wij van hier af inzonderheid kunnen waarnemen, hoe hetzelve zich van kleinere gemeenschappen tot grootere kringen allengs heeft uitgebreid. Onder de Grieken dan werd het publieke regt opgevoed bij geslotene stedelijke vereenigingen, als stadpolitiek, die echter met de stampolitiek, waaruit zij zich vroeger ontwikkelde, altoos nog gemengd bleef. Aanzienlijker vorderingen maakte het openlijke regt bij de Romeinen, wier staatsbestaan geheel en al op stadspolitiek gebouwd was, maar eener stad, die zich aan het hoofd eener halve wereld zag, en voor dezelve in zich alleen het beleid en de verbinding tot een staatsgeheel vond. Deze grondvesting van het openlijke regt op een stadsbestaan komt later andermaal, hoezeer met zeer verschillende wijzigingen, in de staatkundige geschiedenis der Italiaansche steden voor, maar verschijnt in de, met de slooping der Romeinsche wereldheerschappij ontstane, nieuwe orde van zaken als eene ondergeschikte ontwikkeling. Met de vestiging namelijk der Germaansche stammen in Europa was het beginsel des publieken regts begonnen te berusten op het bestaan van volksgemeenten, op eenigen bepaalden grondeigendom gezeten, die eerst na de uitgestrekte veroveringen op vreemd gebied gemaakt, onder koningen tot een grooter staats- en volkslichaam werden vereenigd. Terwijl het openlijke regt hierdoor eenen gansch anderen en veel breederen grondslag en eenen nog ongekenden rijkdom van vormen verkreeg, is het van belang op te merken, dat, zoowel vóór als na de genoemde vereeniging, het onderscheid of de eenheid van stam bij de Germaansche volken nagenoeg slechts van invloed was op het privaatregt. Deze vereeniging eindelijk gedurig verder grijpende en meer in één middelpunt vergaderende, werd vervolgens in een meerderheid van zelfstandige staten langzamerhand weder ontbonden.[10]
Slaat men in deze volgreeks de historische verhouding van het privaatregt tot het publieke regt gade, zoo wordt al spoedig opgemerkt, dat de verwisseling van regt met magt niet binnen het openlijke regt alleen is beperkt. Maar dewijl men op dat gebied, hetwelk daarna onder den naam van privaatregt werd begrepen, van den beginnen af het regt behandelde, als ware hetzelve niet meer dan de bepaling van het gebruik der aan ieder individu toegekende magt, ook wel vrijheid genoemd, in de aanraking met andere menschelijke individu's, heeft deze zijdelingsche, ondergeschikte opvatting van het regtsbegrip uit het privaatregt tot het openlijke kunnen en moeten overgaan.
Dit verschijnsel, dat de regtsontwikkeling tot nog toe hoofdzakelijk door het denkbeeld van magt is bestuurd geworden, heeft, gelijk van zelf spreekt, zijne oorzaken. Ja, wij hebben hetzelve als eene ontwikkeling des oorspronkelijken regts in te zien, en zouden verpligt zijn, hetzelve als zoodanig te eeren, al werd er ook nog minder wezenlijk regtsbesef in aangetroffen, dan er inderdaad ten allen tijde mede verbonden was. Maar dit alles kan ons niet beletten, de gehalte der voorhandene, of wijsgeerige of stellige, regtsdenkbeelden niet hooger te waarderen, dan zij bij den toets bevonden worden, echte regtswaarde te bevatten. Uit dien hoofde kan en mag juist niet het leven aanstonds naar een beter en hooger inzigt, in welke tijd ook opgerezen, hervormd worden; maar dit inzigt, ergens voortgebragt, zal niet nalaten allengs zijne kracht uit te oefenen, en op het gegevene te werken. Hetwelk herinnerd wordt, omdat vele voortreffelijke mannen, bij overpeinzing des regts, in eene vrije en oorspronkelijke beschouwing zich minder schijnen te hebben toegegeven, dewijl zij de uitkomsten hunner bespiegelingen onmiddellijk met het bestaande en deszelfs mogelijke, waarschijnlijke, of raadzame verbetering vergeleken[11]
Daar blijft overig, ten einde den Heer Kinker ook in dezen na te gaan, en tot opheldering en toepassing van het vorige, eenige hoofdddeelen van het regtsstelsel kortelijk door te loopen. Vooraf wordt op de reeds gevondene bepalingen des regts in het gemeen opmerkzaam gemaakt. De wezenlijke verhouding van het uitwendige ten opzigte van een wezen, is deszelfs regt. Het regt strekt zich dus over de gansche eindige schepping uit; want waar slechts twee wezens, tot één en hetzelfde geheel behoorende, aanwezig zijn, staan dezelve onder het regtsbegrip. Heb ik derhalve regt op het met de rede overeenstemmende verband met het aanzijn buiten mij, en op al hetgeen mij in dat verband toekomt, zoo heet regt doen, dat verband daarstellen.
Hoe ontoereikend de door den Heer Kinker voorgedragene beginselen zijn, om er een in zichzelf voldoend regtsstelsel op te bouwen, blijkt vooral uit zijne eigene bekentenis, daar, waar hij, tot de bijzondere regtsdeelen afdalende, van het huwelijk gewaagt (bl. 286-288). De Heer Kinker zegt, dat het allermoeijelijkst, zoo niet onmogelijk, is, te onderscheiden, wat in dezen onder de bepaling van de zedekunde en het natuurregt valle; weshalve het gelukkig moge gerekend worden, dat het stellig regt den knoop, waaraan geen losmaken mogelijk schijnt, heeft doorgehakt. De schrijver laat hier andermaal het historisch regt eene plaats beslaan, die hij stelt buiten het bereik te liggen van het oorspronkelijk regt. Dit zoo zijnde, zoude ons zelfs alle bevoegdheid ontbreken, om zulk eene historisch gegevene of te geven bepaling onder de rubriek en het algemeen begrip van regt te brengen. De verschijnselen doorloopende, om ze tot die klassen of dat geheel te schikken, waarvan zij hunne beteekenis ontleenen, mogen wij onder de, door ons zoo genoemde, regtsverschijnselen, slechts diegenen opnemen, welke wij achten, eenig deel des oorspronkelijken regts, hetzij goed, hetzij verkeerd, te vertegenwoordigen. Alle onregt vindt in dezen zin zijne plaats op het gebied van het regtsbegrip; met opzigt tot hetwelk het eerst begrepen en gedacht kan worden. De vraag is hier niet, of wij den waren inhoud van die bepaling des oorspronkelijken regts, welke alle stellig huwelijksregt onder zich heeft, zelfs maar ten deele kennen. Er dient slechts ingezien te worden, dat eene gedachte of gegevene wet, welker bijzondere inhoud (hier het huwelijk aangaande) geen deel des oorspronkelijken regts onderstelt, in welk deel diezelfde bijzondere inhoud, maar volkomen en volledig, bevat zij; eene in den tijd voorkomende bepaling, die ten opzigte van haar onderwerp geene ten eenen male afdoende bepaling des oorspronkelijken regts over zich hebbe, tot eene andere orde van zaken behooren mag, tot datgeen, hetwelk wij met den naam van regt noemen, niet behoort.
Het huwelijk ziet de Heer Kinker verder aan als eene betrekking, in eene andere, van die des regts onafhankelijke, orde der dingen gegeven, maar die, vervolgens met het regtsverband in aanraking gekomen, door regtsvoorschriften mag beperkt en geregeld worden. Het is natuurlijk, dat deze wijze van behandeling hem onoverkomelijke zwarigheden doet ontmoeten, terwijl de grens, en het in hoe verre, der regtstoepassing ten eenen male onzeker wordt. De redenering van den schrijver doet de regtswetenschap een begrip onderstellen, hetwelk dezelve met de natuur of physische wet, waarin het gezegd wordt geboren te zijn, niet gemeen heeft. Dit niet regtelijke blijft als onbegrepen kern en voorwaarde bij ieder regtsvoorschrift, dienaangaande door de wetenschap te geven, overig. Hoe zoude zij zich regtvaardigen, indien zij met een geleend goed als met haren eigendom te werk ging? Uit welke bron zou zij de bepalingen kunnen putten, die men haar evenwel oplegt, daaromtrent te verzinnen? De regtsbepalingen van het huwelijk zouden moeten ontwikkeld worden uit hetgeen in het wezenlijk begrip des huwelijks gesteld werd. Maar dit begrip is vreemdeling ten opzigte van het regtsgebied.
Deze bedenking brengt van zelf eene andere mede, welke daarin bestaat, dat de door den Heer Kinker opgeworpene vragen slechts een klein gedeelte van de inwendige inrigting der echtelijke verbindtenis betreffen, niet het regt dezer verbindtenis zelf. Hieraangaande verdiende evenwel onderzocht te worden, hetgeen zich op den eersten blik aanbiedt, of niet, gelijk de staat van den Heer Kinker wordt gesteld, dat regtsgeheel te zijn, waarin het individu zich eerst als regtswezen (wat dan ook onder regt verstaan worde) volledig vermag te ontwikkelen, ditzelfde op eenen vroegeren en ondergeschikten trap van het huwelijk te zeggen zij? Indien, het individu vooreerst als punt van uitgang der beschouwing aangenomen, het regt de met de rede strookende organisatie en schikking van het aanzijn buiten hem met opzigt tot hem behelst, zal het huwelijk niet kunnen missen, bij voorraad reeds als deel van het regtsgebouw, als regtsbegrip, in het oog te vallen. De echt is in het gemeen de vereeniging van het individu met een deel van het aanzijn buiten hem tot eene zelfstandige gemeenschap, die zich als een individu van hoogeren rang in den zamenhang des levens voordoet. Heeft het individu, met deze betrekking, als eersten grondslag tot gedurig hoogere en meer omvattende regtsvereenigingen, te stichten, zich in dat verband en geheel verbonden, hetwelk overeenstemt met de redelijke verhouding des persoons, als deel, tot het gansche ligchaam van het met hem verwante aanwezige? Welk is dan van dit huwelijksverband het wezen? en waarop berust het aangaan van hetzelve? Het antwoord zou het huwelijk als regtsidee aan het licht moeten brengen; maar dat zulks niet wel in eene zamenkomst van over en weêrgaande bevoegdheid of vordering en verpligting kan gezocht worden, ziet een iegelijk. Of berust welligt de oorspronkelijke regtsbetrekking des huwelijks alleen op den wederzijdschen wil der bepaalde personen, hetzelve te sluiten? Dit zal niemand toestaan, die bedenkt, dat eenige wilsuiting, bijzondere of gemeenschappelijke, wel met het regt kan strooken of strijden, maar nimmer zelve regtsgrond zijn. Wij spreken hier van het oorspronkelijk regt, waarvan de stellingen aan geenerlei bepaaldheid van den wil onderworpen zijn; even min als, ethisch, de wil van iets te doen of niet te doen, hetzelve zedelijk goed of kwaad maakt. Tot dus verre wat den vorm regtens aanbelangt: aangaande den inhoud doet de volgorde der denkbeelden reeds vermoeden, dat het gevraagde antwoord op iets anders zal neerkomen, dan op de voorstelling van geregelde voldoening der geslachtsdrift, of de voortteling van kinderen. Of echter deze wezenlijke inhoud de liefde zij, of eenig ander beginsel, kan hier niet verder worden onderzocht. Het zij genoeg, op te merken, dat zoo er een regt is, van een huwelijk aan te gaan, hetzelve de erkentenis in zich behelst, dat de mensch als individu een deel is van iets anders, en eerst in de levensvereeniging des huwelijks begrepen, in zijn met de rede overeenkomstig bestaan en verband wordt gedacht. Van de erkentenis dezer gemeenschap als zijnde een oorspronkelijk regtsbegrip, en niet alleen van de individu's, ieder op zich zelf in aanmerking genomen, komt dan ook ten laatste de regtswaarheid en wettiging des huwelijks af. Eindelijk zoude hieruit de inwendige regeling van het huwelijksbegrip, waarmede de Heer Kinker begint en eindigt, voortvloeijen. Op gelijken trap, als het huwelijk, ofschoon met eene verschillende beteekenis, ontmoeten wij onder de menschelijke regtsvereenigingen de vriendschap, die het echter even min de plaats is, opzettelijk te behandelen.
[12]
Het wezen des menschen brengt mede, dat hij zich als kennend en denkend wezen vorme. Hieraan beantwoordt een regt, hetwelk niet alleen daarin bestaat, dat in al het uitwendige, hetwelk op hem werkt, niets aangetroffen worde, hetgeen het uitvoeren van deze zijne bestemming zou kunnen hinderen. Het regt, hier bedoeld, is, dat die bepaalde werking en wederwerking met het uitwendige voortgebragt worde, die den mensch in staat stelt, niet met afgezonderde krachtoefening, maar in vereeniging en zamenwerking met het heelal, waarin hij is begrepen, zich als kennend wezen te voltooijen. Het voortbrengen van deze orde des levens, of de daarstelling des regts, slechts als middel beschouwende, verlaat men het ware gezigtspunt ten eenen maal. Deze beschouwing is namelijk zoo weinig waar, als ten opzigte van oog of arm, hunne, door de verhevenste kunst gewrochte, zamenvoeging met de overige ledematen des ligchaams, en het bestaan van alle in een geheel, alleenlijk middel zijn, om de eerstgemelde hunne functien naar derzelver ganschen omvang te doen verrigten. In het gemeen, ofschoon het regt aan de overige, met hetzelve op gelijke lijn staande, deelen van den aanleg der wezens, gelijk aangemerkt is, volkomen beantwoordt, behoeft noch onderstelt deze wetenschap dezelve tot hare eigen ontwikkeling. Want men kan evengoed zeggen, dat de wezens zoo aangelegd zijn, dewijl zij in deze regtsorde staan, als, dat deze regtsorde over hen is, dewijl zij dit wezen en dezen aanleg hebben.
Eenen anderen kring van regtsbetrekkingen heeft de mensch als zedelijk wezen. Beweren wij, dat de aard zelve van staat en regt zedelijk is, dan vinden wij ons gebragt tot eene dubbele zedelijke wetgeving, die, welke men, gelijk ook de Heer Kinker, gewoon is, van het regt af te zonderen, en die, welke de staat inheeft. Waarbij niet te begrijpen is, weshalve wij niet alle zedelijke denkbeelden en pligten zonder uitzondering aan den staat onderwerpen, en van dezelven alleen verwachten. De heer Kinker schrijft, wel is waar, aan den staat inzonderheid het werk voor eener wederkeerige zedelijke volmaking, zonder deze nader te bepalen, of er de verschillende deelen des staats uit af te leiden. Mogten wij in dezelve eene andere beteekenis vermoeden, dan die, van de pligten, die elk jegens den ander te vervullen heeft, in eenige, onbepaalde, vereeniging met anderen te doen verrigten, dan zoude de Heer Kinker daarmede een wezenlijk deel des regts hebben aangewezen; die vorming namelijk van, en inlijving in, het uitwendig aanzijn, zonder welke de zedelijke ontwikkeling geene plaats vindt.
Eenen anderen kring van regtsbetrekkingen ontsluit den mensch zijn aanleg voor het schoone en de kunstoefening; eenen anderen wederom beslaat hij als godsdienstig wezen. Zijn regt is in het gemeen verschillend naar zijn individueel karakter, naar zijnen leeftijd, naar de mate zijner ontwikkeling. Al hetwelk echter hier, tot uitvoering der dialectische bedenkingen, waaraan dit schrift was gewijd, niet dan schetsgewijze kan worden aangestipt.
[1a] Wezenlijk, hetgeen tot het wezen behoort; in welke oorspronkelijke beteekenis het woord dient hersteld, en niet tot de geheel verschillende van werkelijk, waarin men het thans gemeenlijk ziet bezigen, overgebragt te worden.
[1] Uit een brief van Thorbecke aan zijn ouders blijkt dat met deze B.S. zijn vriend Willem Anne Schimmelpenninck van der Oye is bedoeld: Ik dagt het stukje met eenen tamelijk uitvoerigen brief aan Schimmelpenninck, zonder hem echter te noemen, te openen. (Thorbecke-Archief II, brief 367.)
[2] Johannes Kinker, (1764 - 1845), dichter, en sinds 1817 hoogleraar in de Nederlandsche taal en letterkunde aan de universiteit van Luik, was auteur van het in 1823 verschenen boek: Brieven over het natuurregt aan den heer Paulus van Hemert (naar aanleiding van Mr. W. Bilderdijks Korte ontwikkeling der gronden van het natuurrecht, en daarbij gevoegde zielkundige verhandelingen).
[3] In 1821 had Willem Bilderdijk zijn licht laten schijnen over deze materie in zijn Korte ontwikkeling van de gronden van het natuurrecht.
[4] Met het is iets bedoeld als betrokken zijn.
[5] Wij schrijven tegenwoordig licht.
[6] Thorbecke gebruikt vaak moeilijke constructies, maar deze zin lijkt echt niet te lopen. Mogelijk is een eerste met de weggevallen, omdat de corrector dacht dat het per ongeluk twee keer achter elkaar stond. De zin zou dan als volgt lopen: deze verheffing der rede boven het daadzakelijke (...) is altoos aanwezig, (...), en bestemd, [met de], met de alrede tot stand gebragte staats- en regtsgesteldheid in overeenstemming (...) te zijn.
[7] Deze zin loopt niet; men verwacht nog een werkwoord behorend bij het onderwerp Deze denkwijze. Mogelijk was bedoeld: Eene denkwijze, waardoor de zin slechts een nadere bepaling zou worden van de bedoelde manier van denken.
[8] Karl Ludwig von Haller, 1786-1854, Zwitsers conservatief jurist, schrijver van Restauration der Staatswissenschaften.
[9] De nu volgende vier alinea's zijn ook opgenomen in M.L. Bodlaenders studieboek Politeia, waarin verder teksten van o.a. Plato, Machiavelli, Hegel, Fichte, Marx, Lenin, Hitler en Churchill staan. Een treffende bevestiging, vooral de laatsten, van Thorbeckes opvatting over het belang van de politieke filosofie, verwoord aan het begin van dit stuk: Geen ander streven heeft over bijzondere personen en gansche volken zoo veel leeds of welzijns uitgestort.
[10] Ditzelfde betoog vindt men ook in Thorbeckes inaugurele rede aan de universiteit van Gent (elders op deze site).
[11] Waarbij Thorbecke alle utopisten uit het oog lijkt te verliezen, of zelfs maar Plato, wiens Staat niet direct aansluit bij de toenmalige situatie.
[12] De nu volgende drie alinea's staan ook weer in Politeia.