JOHAN RUDOLF THORBECKE,


geboren te ZWOLLE, Koninkrijk der Nederlanden,


Kandidaat in de bespiegelende Wijsbegeerte en de Klassieke Letteren, ingeschreven als student aan de universiteit van Leiden.



BESCHOUWING

n.a.v.

DE LETTERKUNDIGE PRIJSVRAAG:

"Uit datgene wat in Cicero's werk  'De Oratore' door de personages Crassus, Antonius, Caesar en anderen over de welsprekendheid betoogd wordt, wordt gevraagd Cicero's opvatting over de ideale redenaar op te maken."


BEKROOND MET DE TWEEDE PRIJS

DOOR

HET COLLEGE VAN DE FACULTEIT DER BESPIEGELENDE WIJSBEGEERTE en KLASSIEKE LETTEREN




Voorwoord

Thorbecke zegt dat een gedeelte van De Oratore voor zich spreekt, en geen nadere toelichting behoeft: over de techniek van de welsprekendheid zijn namelijk alle sprekers het wel eens. Maar in de rest van het werk is minder duidelijk te zien wat Cicero's opvatting is, omdat verschillende sprekers verschillende opvattingen verwoorden. Dus zal Thorbecke zich alleen met dat deel bezighouden; de rest is niet interessant.
Verder zegt hij dat enige introductie van de personen die optreden in de dialoog De Oratore nodig is. Met deze kennis in het achterhoofd namelijk kunnen de opvattingen die zij ten beste geven verklaard worden uit hun biografie.
Ook is het nodig om verder te kijken dan alleen het werk De Oratore; niet alleen andere werken van Cicero moeten erbij betrokken worden, ook Quintilianus geeft informatie die onmisbaar is om Cicero goed te begrijpen.
Daarnaast dient ook gekeken te worden naar wat we weten dat Cicero zelf nodig vond voor zijn eigen carrière als redenaar.




Eerste Hoofdstuk:
Over de bedoeling, de vorm, de personages, het onderwerp en de structuur van De Oratore

    I: De bedoeling van de Oratore.

Waarom schreef Cicero dit werk?
Deels op verzoek van zijn broer, met wie hij van mening verschilde omtrent bepaalde aspecten van de retorica.
Maar ook schrijft Cicero nu dit theoretisch werk over de retorica, als een soort weerslag van zijn praktische activiteit als redenaar. Cicero was ontevreden over eerder vergelijkbaar werk van zijn hand, en hij wil nu een werk afleveren dat geen afbreuk doet aan zijn huidige reputatie als redenaar.
Daarnaast heerste er een verkeerde (althans in Cicero's ogen) opvatting omtrent de personen Crassus en Antonius: men heeft het idee dat geen van beide een erg brede algemene ontwikkeling had, en dat ze slechts de techniek van het spreken goed beheersten.
Ten slotte is dit boek bedoeld als een eerbetoon aan deze Crassus en Antonius; om hun aktiviteit aan de vergetelheid te onttrekken schrijft Cicero deze dialoog, hetgeen des te meer nodig is, daar geen van beide veel in geschrifte heeft achtergelaten. De standpunten die besproken worden geven tevens de verschillen van opvatting tussen Cicero en zijn broer weer.

Thorbecke sluit deze paragraaf af met een behandeling van de vraag of deze dialoog verzonnen is door Cicero, dan wel dat een dergelijk gesprek in werkelijkheid zo heeft plaats gehad. Het lijkt hem waarschijnlijk dat een dergelijk gesprek inderdaad ooit heeft plaats gevonden, maar niet zo, dat het gesprek en de geventileerde opvattingen toen letterlijk zo geuit zijn. Hier is wel degelijk de schrijver Cicero aan het werk geweest.

    II: De vorm van het werk.

Het werk is in dialoogvorm geschreven, op de manier waarop Aristoteles dit deed in zijn (helaas verloren gegane) dialogen.

    III: De personages van de dialoog.

Thorbecke beschrijft hier kort van alle deelnemers hun politieke carrière, alsmede hun kwaliteiten en verdiensten als spreker. Het betreft hier de beste en beroemdste sprekers van hun tijd; de dialoog speelt in het 662e jaar na de stichting van Rome (91 voor Chr.).

    IV: Het onderwerp.

Cicero heeft in meerdere geschriften diverse aspecten van de techniek van de retorica beschreven. Hier wil hij het (in navolging van Aristoteles en Isocrates) niet alleen hebben over wat de redenaar dient te kunnen, de techniek die hij dient te beheersen, maar ook over de kennis waarover de redenaar dient te beschikken. Hij wil een volledig beeld schetsen van de ideale redenaar.

    V. De structuur van de Oratore.

Hoe deelt Cicero de stof in? Hij doet dit aan de hand van de vraag: Wat is de 'inhoud' die hoort bij het vak van redenaar?
Moet de redenaar over alles kunnen spreken, en dus overal van op de hoogte zijn? Of is zijn domein beperkt tot het spreken in het openbaar over zaken van algemeen belang? Of is zijn rol nog beperkter, en is een redenaar slechts een advocaat die behendig zijn techniek aanwendt om juridische zaakjes te winnen?
De scheidslijnen tussen deze drie opvattingen zijn niet helemaal helder, en in de loop van de discussie variëren de standpunten van de sprekers natuurlijkerwijs enigszins. Crassus huldigt afwisselend de eerste twee opvattingen, Antonius daarentegen aarzelt tussen de laatste twee.





Tweede Hoofdstuk:
Hoe om te gaan met de beschikbare gegevens, om
Cicero's opvatting over de ideale redenaar te achterhalen

    I. De redenen afgeleid uit de discussies tussen de deelnemers.

Uit de manier waarop de personages in 'De Oratore' hun argumenten naar voren brengen, en de nadruk die ze krijgen, valt gemakkelijk op te maken, dat Crassus de spreekbuis is van Cicero zelf. Cicero gebruikt het aanzien dat Crassus had, om zijn eigen opvatting kenbaar te maken. Deze opvatting is, dat een redenaar een zo breed mogelijke algemene ontwikkeling dient te hebben.

    II. Wat Cicero zelf nodig achtte voor zijn eigen carrière als redenaar.

In dit deel toont Thorbecke aan, dat bovenstaande opvatting bevestigd wordt wanneer we naar Cicero's levensloop kijken. Hij heeft inderdaad alle moeite gedaan om zoveel mogelijk kennis op te doen. En omdat Cicero zichzelf als de ideale redenaar ziet, bevestigt dit, dat het door Crassus verwoorde standpunt dat van Cicero is. Verder bevat dit deel nog een korte geschiedenis van de retorica in de Oudheid.





Derde Hoofdstuk:
Cicero's opvatting over de ideale redenaar

Kan de ideale redenaar over alles spreken, of is de uitoefening van zijn funktie beperkt tot het politiek-juridische vlak? Cicero's opvatting is gebaseerd op een historische reconstructie: aanvankelijk was in Griekenland de wijsheid onlosmakelijk verbonden met de capaciteit om hier goed over te kunnen spreken. Hier kwam echter verandering in, toen de Sofisten de retorica gingen misbruiken voor lagere doeleinden. Van nu af waren de twee gescheiden: filosofen bekommerden zich niet meer om hun wijze van uitdrukken, redenaars lieten de filosofie links liggen. Cicero betreurt deze scheiding, en bepleit een hereniging. Natuurlijk kan één persoon niet werkelijk alle details van alles weten, maar hij moet van de belangrijkste onderwerpen (het recht en de wetten, de geschiedenis, de filosofie) wel op de hoogte zijn, en er in het openbaar over kunnen spreken. De ideale redenaar is immers geen studeerkamer-geleerde. Vanzelfsprekend dient de redenaar een uitgebreide mensenkennis te hebben; hoe zou hij anders mensen kunnen beïnvloeden middels zijn woord?





Terug naar de Thorbecke Pagina