Johan Rudolph Thorbecke


Thorbecke

14 januari 1798   -   4 juni 1872



       Voordat hij op 51-jarige leeftijd minister werd, was Thorbecke verbonden aan verschillende universiteiten en heeft hij over zeer diverse onderwerpen gepubliceerd. Veel van deze teksten zijn moeilijk vindbaar. Dat was voor mij aanleiding in mei 2006, na het lezen van Jan Drentjes boek: Thorbecke, een filosoof in de politiek (Amsterdam, 2004) om deze teksten online beschikbaar te gaan stellen. Ze zijn chronologisch gerangschikt, toegelicht en samengevat in begeleidende teksten. De vertalingen van de Latijnse teksten zijn van mijn hand (deze waren nooit eerder vertaald).
       De meest recente toevoeging (november 2010) betreft Thorbeckes brochures n.a.v. de Belgische afscheiding.
       Onderaan de pagina bestaat de mogelijkheid deze site te doorzoeken; ook vindt u er een e-mail adres voor het geval u vragen, opmerkingen of suggesties hebt.

Don Janssen      



1818


CICERO - Filosofie

Thorbecke, sinds 1815 student aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam, zond op 19-jarige leeftijd, als antwoord op een prijsvraag, uitgeschreven door de Leidse Universiteit, een geschrift in met de titel: Responsio ad Quaestionem Philosophicam de Principio Philosophiae et Officiorum in Ciceronis operibus Philosophicis (Inzending op de Filosofie Prijsvraag over het uitgangspunt van de filosofie en van onze plichten in de filosofische werken van Cicero).

       Op 12 oktober 1817 schrijft Thorbecke aan zijn ouders in Zwolle dat zijn werkstuk gereed is, en dat hij nu op zoek moet naar een afschrijver: het was namelijk een vereiste dat de tekst van de inzending geschreven was door iemand anders dan de inzender, wellicht i.v.m. de anonimiteit. Op 31 oktober (de volgende dag was de sluitingsdatum) schrijft hij: Eindelijk is mijne prijsvraag verzonden en ik heb ten dien opzigte nu weder rust, al is hij er ontevreden over dat het uiteindelijke handschrift door meerdere personen is voltooid.
        Op 26 december kan hij trots en blij (Ik vertoef geen oogenblik met U deelgenoot te maken van het geluk, 't welk mij is te beurt gevallen) melden dat hij bericht ontvangen heeft uit Leiden dat zijn verhandeling met de gouden medaille bekroond is, alsmede een uitnodiging om naar Leiden te komen, teneinde door dezelve te verdedigen tegen de professoren mijn regt als auctor te vindiceren. (...) Een blijd Kerstfeest voor mij, en daardoor, zooals ik weet, ook voor U!
       Thorbecke was de eerste student ooit van het Athenaeum Illustre die een prijs won in Leiden, en het bericht verspreidt zich snel in het kleine wereldje: Voor 't overige is 't genoegen van de hier zijnde professoren ten top, en de eer, die zij mij bewijzen, verrast en confundeert mij. (...) Onder de studenten heeft het de grootste, maar aangenaamste sensatie veroorzaakt.
(Zie Thorbecke-Archief, dl I, brieven 230, 236, 255 en 257)

       Voor Thorbecke is Cicero op dit moment nog een onaantastbare grootheid in vrijwel alle opzichten. Zo'n 25 jaar later zal de Duitse historicus Theodor Mommsen zijn beroemde aanval lanceren, waarin hij Cicero typeert als de advocaat zonder principes, de opportunist die bereid is iedereen te verdedigen al naar gelang het uitkomt; en zijn oordeel over Cicero's filosofische werk liegt er ook niet om: wie daar iets in ziet kan beter zijn mond houden: Wer in solchen Schreibereien klassische Produktionen sucht, dem kann man nur raten sich in literarischen Dingen eines schönes Stillschweigens zu befleißigen.(Römische Geschichte, Fünftes Buch, 12. Kapitel). Later zal Thorbecke ook anders tegen Cicero aankijken, getuige de frase over het gestadig voortleuteren met Cicero die hij zich in brief aan Van Assen, 27 mei 1834, laat ontvallen (De Briefwisseling van J.R. Thorbecke, dl II, blz. 70, ).
       De jonge Thorbecke stond evenwel niet alleen in zijn bewondering voor Cicero. Ook Raphael Kühner (1802-1878, de latere mede-auteur van de Ausführliche Grammatik der griechischen Sprache) die in 1825 meedeed aan een Duitse prijsvraag over Cicero's filosofische merites, komt in zijn epiloog loftuitingen te kort en aarzelt niet te zeggen dat men een beter mens wordt van een onbevooroordeelde lezing van Cicero's filosofische werk. Kühner verwijst trouwens twee keer naar het stuk van Thorbecke.
       Maar bovendien geldt, dat in deze tijd de visie op de klassieke filosofie nogal verschilde van zoals wij daar nu tegenaan kijken. Er was veel minder onderzoek verricht naar de historische ontwikkeling van de Griekse filosofie, en men schreef veel meer gezag toe aan de visie die antieke auteurs zelf gaven op de ontwikkeling van hun filosofie, dan wij tegenwoordig doen. Vandaar dat ook Thorbecke hier nogal kritiekloos Cicero's weergave volgt, ook wanneer die op ons soms wat vreemd overkomt.

       Het onderwerp van de prijsvraag heeft betrekking op het ethische aspect van de filosofie, de levensfilosofie.
       In de inleiding geeft Thorbecke Cicero's relatie tot de filosofie weer, die al uit zijn jeugd stamt. Voor de jonge Cicero was de filosofie bovenal iets wat nodig was om een goed redenaar te kunnen worden. Voor de latere Cicero, die op een politiek zijspoor was gerangeerd, wordt de filosofie een full-time bezigheid, en dan houdt hij zich er actiever mee bezig, namelijk door er ook zelf over te schrijven.
       Cicero neigde naar de sceptische filosofische richting. Dit maakt het al moeilijk Cicero's opvattingen te achterhalen: Cicero wil niet dogmatisch zijn, en daarom variëren zijn standpunten nogal eens. Verder is Cicero geen systematisch filosoof, en Thorbecke wil de historische waarheid geen geweld aandoen door hem wel als zodanig te presenteren. Maar toch denkt Thorbecke de vraag te kunnen beantwoorden.
       Wat wordt bedoeld met uitgangspunt van de levensfilosofie? Het is datgene waarop uiteindelijk alles gebaseerd is, waaruit onze plichten in dit leven voortvloeien. Algemeen verspreid was de opvatting dat men om dit uitgangspunt te vinden, naar de menselijke natuur moet kijken. Dat roept de vraag op wat bedoeld wordt met menselijke natuur bij Cicero.
Thorbecke meent nu de volgende vier uitgangspunten te kunnen onderscheiden bij Cicero:

1: Onze natuur draagt ons op onszelf te beschermen; dus de mens is gebonden tot liefde voor zichzelf. Daarom moet de mens al die plichten onderhouden welke voortvloeien uit deze liefde voor onszelf: zelfbescherming, afweren van onheil, en verder de mogelijkheden en capaciteiten van zowel lichaam als geest cultiveren en perfectioneren, etc.

2: De mens is zich niet alleen van zichzelf bewust, maar ook van de anderen, met wie hij verbonden is. Hij begrijpt zonder moeite dat wat voor hemzelf vervelend is, voor iemand anders, die aan diezelfde natuur deel heeft, ook vervelend is. Daardoor komt het dat wij door het geluk of ongeluk van anderen geroerd worden. En zo betrekt de mens de plichten welke voortvloeiden uit de liefde voor hemzelf, ook op de ander, en weet hij zich gebonden tot het vermeerderen en bevorderen van het geluk van de anderen.

3: Hieraan verwant is het verlangen naar een met vaste regels tot stand gekomen maatschappij, een neiging tot maatschappelijkheid.

4: Verder moeten wij niet alleen plichten volbrengen jegens onszelf, de anderen en de maatschappij, maar ook, en vooral, ten aanzien van de hoogste en goddelijke macht, die aan het hoofd staat van de wereld en alles bestuurt. Wij zijn verbonden met die macht, wat het ook precies is: of men het natuur, ether, intelligentie, geest, onafwendbaar lot, goddelijke wet, of iets anders noemt: dit is wat door ons God genoemd wordt.

       Volgens Cicero rust er op de mens geen enkele plicht die niet te herleiden valt tot één van deze uitgangspunten. En natuurlijk werken ze op elkaar in en bevorderen ze elkaar wederzijds.
       Weliswaar werd in de formulering van de prijsvraag gesproken over het uitgangspunt, en niet over vier uitgangspunten. Als dus gevraagd wordt om één enkel uitgangspunt uit Cicero's geschriften naar voren te halen, dan luidt het antwoord: Leef volgens de natuur. Maar om het met recht Cicero's morele uitgangspunt te kunnen noemen, moest het antwoord specifieker gemaakt worden. Vandaar de vier uitgangspunten.

       Onder aanhaling van veel lange citaten van Cicero zelf geraakt Thorbecke zo aan het einde van z'n betoog. Het werkstuk verloopt niet overal even rechtlijnig, en er is zeker geen sprake van een stringente betoogtrant. Maar goeddeels is daar de opdracht van de Leidse Universiteit aan debet. Het getuigt van inventiviteit dat Thorbecke van deze tamelijk onmogelijke opdracht toch iets heeft weten te maken.

       De tekst is uitgegeven in 1819, bij uitgeverij Luchtmans in Leiden, en ook opgenomen in het universitaire jaarboek, de Annales Academiae Lugduno-Batavae 1817-1818, zoals toentertijd gebruikelijk was. In zo'n jaarboek werden alle inzendingen opgenomen die een prijs hadden gekregen.
       Enkele (druk)fouten in de uitgave van de Latijnse tekst zijn verbeterd, aangegeven middels [ ] om de tekst. U vindt hier een geannoteerde Nederlandse vertaling van dit werkstuk (in format).





1819


CICERO - Retorica

Meteen het volgende jaar dong Thorbecke weer mee naar een prijs. De Universiteit van Utrecht had een prijsvraag uitgeschreven, met als opdracht om Cicero's opvatting omtrent de ideale redenaar te destilleren uit zijn werk De Oratore. (Ex iis quae in libris Ciceronis de Oratore a Crasso, Antonio, Caesare, aliis, de Eloquentia disputantur, ipsius efficiatur Ciceronis de perfecto Oratore sententia.)
       Thorbecke is inmiddels naar Leiden verhuisd om daar verder te studeren. In de eerste brief die hij aldaar van zijn vader ontvangt, september 1818, schrijft deze: Zoud gij ook na de medaille in Utrecht kunnen en willen dingen? (...) Een tijdlang eene paar uren vroeger opgestaan, zou dus de tijd daartoe nog wel te vinden zijn.
       Thorbecke houdt zich op de vlakte, ook als zijn vader in januari 1819 zijn vraag herhaalt. Hij zegt niets, om zijn ouders t.z.t. te kunnen verrassen met een nieuw succes.
       Als de uitslag bekend wordt gemaakt in maart 1819, blijkt dat Thorbecke niet de eerste prijs heeft gewonnen, maar de tweede. Hoe komt dit volgens Thorbecke? Hij heeft een geheel ander antwoord ingezonden dan B.A. Nauta, die de eerste prijs heeft gewonnen: Ik heb de zaak van een veel hoger standpunt opgevat.    (Zie Thorbecke-Archief, dl I, brieven 330, 331, 360, 371 en 372)

       Wat betekent deze uitspraak van Thorbecke?
       Zagen we in zijn eerste inzending nog talrijke ingewikkelde constructies, die erop duiden dat Thorbecke een staaltje van zijn Latijnse taalbeheersing wilde geven, hier lijkt het Latijn wat natuurlijker. Maar dat niet alleen. In zijn eerste werkstuk lijkt Thorbecke nog angstvallig bemoeid om te voldoen aan wat hij denkt dat men verwacht. Het resultaat is een erg formeel, correct stuk, waar niemand zich een buil aan kan vallen, maar dat denkelijk ook geen recht doet aan wat Thorbecke ook toen al in zijn mars had.
       Hier echter schrijft Thorbecke zoals hij zelf vindt dat een dergelijk onderwerp behandeld dient te worden. Het lijkt erop dat Thorbecke de deuren heeft open gegooid en vrijelijk al zijn kennis durft te etaleren. Dat blijkt onder andere uit alle literatuur die hij aanhaalt: diverse klassieke auteurs natuurlijk, maar ook o.a. Vossius, Fénelon, van der Palm, en A.H.L. Heeren, waardoor een breder kader wordt geschetst. Het blijkt ook uit het feit dat hij nu niet aarzelt zijn eigen mening uit te spreken, ongeacht wat bepaalde autoriteiten zeggen. Hij voelt zich minder gebonden, heeft meer zelfvertrouwen, staat boven de stof, en behandelt deze zonder onnodige syntactische hoogstandjes. Hij heeft veel te zeggen, en gebruikt voetnoten voor verdere verwijzingen of discussies.

       Ziehier het hogere standpunt waar Thorbecke het over had. Was Thorbecke hier arrogant? En wat vond de Utrechtse faculteit ervan, gezien het feit dat ze toch dit hogere standpunt lager gewaardeerd hebben?
       In de Annales Academiae Rheno-Traiectinae 1818-1819, het jaarboek van de universiteit van Utrecht, staan de iudicia afgedrukt van alle prijsvragen die dat jaar zijn uitgeschreven.
       Op dit literaire onderwerp zijn 4 inzendingen binnengekomen; over die van Thorbecke wordt gezegd dat de ijver en de geleerdheid van de auteur bewonderd worden, zozeer dat het stuk waard is afgedrukt te worden. Over de inzending van Nauta wordt gezegd dat het de prijs gekregen heeft, vanwege het zuivere en mooie Latijn, en vanwege de heldere indeling van het stuk. Maar geen woord erover dat Thorbecke buiten de opdracht gegaan was, en dat dat de reden is dat hem niet de eerste prijs was toegekend.

       Toch heeft Thorbecke wel gelijk, en mag gezegd worden, dat dit stuk niet zou misstaan als een algemeen essay ter inleiding bij een wetenschappelijke uitgave van De Oratore. En Thorbecke heeft ook wel gelijk, wanneer hij zegt dat de feitelijke opdracht, letterlijk genomen, vrij eenvoudig zou zijn geweest. Men zou dus een vraagteken kunnen zetten bij de formulering van de prijsvraag, maar dat hangt af van het door de Universiteit ingeschatte niveau der studenten. Er liepen niet alleen Thorbeckes rond!

       Voor een korte samenvatting van dit werk, zie hier. Voor de Latijnse tekst, klik hier. In de voetnoten ziet men de diversiteit aan benutte bronnen (alle auteursnamen - behalve die van Cicero - zijn vet gedrukt om dit te laten uitkomen).
       Het aantal voetnoten (761) in dit stuk doet enigszins grotesk aan; het is iets geflatteerd doordat Thorbecke soms 2 of 3 voetnoten gebruikt waar wij de betreffende informatie in één noot zouden bijeenvoegen. Maar het hoorde er kennelijk bij, zou men kunnen denken, althans aan de Nederlandse universiteiten: van Thorbeckes derde Prijsvraag inzending (over het antieke scepticisme) werd immers in een Duitse recensie ook betreurd dat de geleerdheid nach Holländischer Art in fast zuviel aanhalingen tot uitdrukking kwam (zie verder hieronder). Anderzijds beperkte prijswinnaar Nauta zich tot het aantal van 73. Misschien toch wat minder vertoon van geleerdheid?






1820


ANTIEK SCEPTICISME

Het mislopen van de eerste prijs bij de Utrechtse prijsvraag heeft Thorbecke niet ontmoedigd; meteen het volgende jaar deed hij mee aan een derde prijsvraag, en hiervan kan men niet zeggen dat het onderwerp misschien te gemakkelijk was. Het betrof de vraag naar het onderscheid tussen twee soorten scepticisme uit de oudheid: Quaeritur, in Dogmaticis oppugnandis, num quid inter Academicos et Scepticos interfuerit? Quod si ita sit, quaeritur quae fuerit discriminis causa?   (Bestaat er een onderscheid tussen de Academici en de Sceptici in hun manier van bestrijding van de Dogmatici, en zo ja, wat was de oorzaak van dit verschil?)
       Dit was (en is) niet zomaar een vraag waarop een antwoord voor het oprapen lag: integendeel, de meest uiteenlopende opvattingen bestonden hieromtrent: volgens sommigen was er feitelijk geen verschil, volgens anderen wel, maar wat dat dan precies was, laat staan wat de oorzaak ervan was, daarover bestond geen eenduidige opvatting.

       Men dient zich te realiseren, dat van de besproken hoofdfiguren zowel Pyrrho, als Arcesilaus en Carneades zelf niets geschreven hebben, en voor de anderen geldt, dat hun werk slechts gedeeltelijk bewaard is gebleven. Voor kennis van hun opvattingen zijn we dus ook aangewezen op andere schrijvers die daarover berichten. Maar, zoals Thorbecke ook aangeeft, deze secundaire bronnen zijn vaak slecht of gedeeltelijk overgeleverd. En vaak zijn de auteurs ervan vooringenomen, omdat ze een bepaald filosofisch standpunt willen uitdragen; of ze zijn gewoon niet goed op de hoogte. Vergelijk de opmerking van James Reid, in het voorwoord tot zijn uitgave van de Academica van Cicero (één van de bronnen voor onze kennis van het antieke scepticisme): Any one who attempts to reconcile the contradictions of Stobaeus, Diogenes Laertius, Sextus Empiricus, Plutarch and other authorities, will perhaps feel little inclination to cry out against the confusion of Cicero's ideas.
       Het behandelen van dit onderwerp was in de tijd van Thorbecke nog moeilijker dan het heden ten dage is, omdat er in zijn tijd veel minder gespecialiseerde handboeken en detailstudies bestonden. Waar Thorbecke op terug kon vallen waren enkele, meest Duitse, overzichtswerken over de geschiedenis van de filosofie, maar we zien hem ook refereren aan oudere werken, zoals de Dictionnaire historique et critique van Pierre Bayle. Het werk waar hij het zwaarst op leunt is de Geschichte und Geist des Skepticismus (1794) van de theoloog Carl Fridrich Stäudlin, die de geschiedenis van het scepticisme tot aan zijn eigen tijd behandelt.

       Dit alles in aanmerking nemend, moet gezegd worden dat Thorbecke zich de materie zeer goed heeft eigen gemaakt, en de belangrijkste punten naar boven heeft gehaald. Wel mag men zeggen dat hij iets te schematisch in zijn conclusies lijkt: hij wil van zijn stuk - hoe begrijpelijk - een coherent en afgerond geheel maken, maar daardoor is het iets te 'kloppend' geworden.
       Thorbeckes antwoord op de gestelde vraag is dat er wel degelijk een onderscheid bestaat: het scepticisme van de Academici was minder omvattend, minder consistent, dan het scepticisme van de Sceptici. (De terminologie is verwarrend: er zijn Academici en Pyrrhonici, maar deze laatsten worden ook Sceptici genoemd; de term scepticisme daarentegen wordt gebruikt als algemene term voor de filosofie van beide.)
       Als oorzaken geeft Thorbecke aan dat de Academici te veel gericht waren op hun grote tegenstander van het moment: de Stoïcijnen, en meer bezig waren met de bestrijding van deze school, dan dat ze een algemeen geldig scepticisme hadden ontworpen. Verder waren de belangrijkste Academici stuk voor stuk grote sprekers, die meer uit waren op het winnen van debatten, dan dat het bespiegelende filosofen waren, zoals Pyrrho. Pyrrho's scepticisme was voortgekomen, aldus Thorbecke, uit een algemene beschouwing van de geschiedenis van de filosofie, waarin keer op keer bleek dat filosofen het altijd onderling oneens waren. Zo kwam hij tot de slotsom, dat tegenover elk argument een net zo valide tegenargument geplaatst kan worden. Neveneffect van deze (intellectuele) slotsom was het ontstaan van een 'sceptische geesteshouding', een innerlijke rust, de onverstoorbaarheid genaamd, te verklaren doordat men opeens 'voelt' dat men niet meer naarstig naar een waarheid hoeft te zoeken. Het bereiken van deze gemoedstoestand werd tot het eigenlijke doel voor de Sceptici. De Academici misten een dergelijk doel.

       Al met al is dit werkstuk een prestatie van formaat van de student Thorbecke. U treft hier de Latijnse tekst aan, en de geannoteerde vertaling vindt U HIER (als bestand). Voor wie niet vertrouwd is met de materie is het misschien handig eerst deze samenvatting te lezen.

       Op de Dies van de Leidse Universiteit (8 februari 1820) heeft Thorbecke het stuk in het openbaar verdedigd; zijn stuk werd bekroond met de eerste prijs en daarna is het opgenomen in de Annales Lugduno-Batavae 1819-1820, en in 1821 is het nog eens separaat gepubliceerd. In de Göttingische Gelehrte Anzeigen van juni 1822, verscheen een kleine aankondiging (recensie is te veel gezegd, daarvoor is het stuk te onbeduidend) van Thorbeckes werkstuk.
       Ander 'eerbetoon' is het feit dat dit werkstuk van Thorbecke een paar jaar later (1825) genoemd wordt in het indertijd veel gebruikte handboek van Tennemann: Grundriss der Geschichte der Philosophie.
       Maar in het baanbrekende werk van Victor Brochard uit 1887 (Les Sceptiques grecs) wordt Thorbecke niet (meer) genoemd, en daarom kan Brochard ten onrechte schrijven, dat het pas Hirzel is geweest, die er in 1883 op gewezen heeft dat er in de overlevering omtrent Carneades twee verschillende opvattingen bestonden in de oudheid. Dit is onjuist; het is Thorbecke geweest die dit als eerste heeft gezien, en ook als eerste heeft getracht er een verklaring voor te geven. (Voor details zie de vertaling en de voetnoten, deel I, hoofdstuk 4).

Carneades

       Het lezen van Thorbeckes stuk werpt voor de hedendaagse lezer wel een enigszins verrassend licht op het onderwijs dat Thorbecke gehad heeft. Als hij het over Plato en Aristoteles heeft (voor ons de twee belangrijkste filosofen uit de oudheid), doet hij uitspraken die onmiskenbaar aantonen, dat hij met Plato's werk als geheel slechts oppervlakkig bekend is, en met dat van Aristoteles eigenlijk helemaal niet. Ter verklaring zou men kunnen aanvoeren, dat het pas in de loop van de 19e eeuw was, dat de diversiteit van Plato's werk in kaart is gebracht, onder andere door historisch onderzoek naar de volgorde waarin zijn dialogen zijn geschreven, waardoor wij inzicht hebben in Plato's intellectuele ontwikkeling. Dat ontbrak in Thorbeckes tijd. Verder kan het zijn dat men wat raar tegen Plato's werk aankeek, dat immers onmogelijk in een 'systeem' onder te brengen viel. (Wel is er in het archief van de familie Thorbecke een stuk bewaard van de 18-jarige student, getiteld Scriptio continens argumentum Phaedonis, wat erop duidt dat Thorbecke wel Plato´s Phaedo bestudeerd had.)

       Hoe dit zij, we hebben aardig contemporain vergelijkingsmateriaal in een werkstuk van 6 jaar later, toen de toenmalig theologisch student Jan Hendrik Holwerda meedong naar de prijsvraag van het jaar 1825. En dan blijkt dat deze Holwerda Plato wel goed kent en kan waarderen (maar ook hij is niet vertrouwd met Aristoteles' werk). Zijn oordelen lijken onafhankelijker, en 'moderner' dan die van Thorbecke. Zo is voor hem Plato verreweg de grootste filosoof (omnium Philosophorum facile principem, p. 26); hij onderkent (p. 23) de Socratische ironie, en ziet Socrates dus niet als scepticus; en hij durft zich veel vrijer te uiten over antieke schrijvers: van Diogenes Laertius bijvoorbeeld wordt de in het oog springende domheid (insignem eius stuporem, p. 30) genoemd. Thorbecke daarentegen zegt in zijn inleiding wel dat veel van de antieke bronnen onbetrouwbaar zijn, vanwege vooringenomenheid of domheid, maar toch haalt hij in de loop van zijn stuk regelmatig passages aan waarvan men kan twijfelen of ze wel van enige waarde zijn.
       Holwerda's oordeelkundigheid blijkt ook hieruit, dat hij uit Thorbeckes stuk het bovengenoemde punt van de dubbele traditie omtrent Carneades aanmerkt als iets bijzonders (p. 49): Hanc dissensionem magna diligentia et magno acumine tractavit Cl. Thorbecke.
(Voor de volledigheid: we weten uit J. Drentje: Thorbecke, een filosoof in de politiek, p. 143, dat Thorbecke zich korte tijd later, tijdens zijn verblijf in Duitsland, wel diepgaand met Plato zal gaan bezighouden, en zijn werk intensief zal gaan lezen.)

       Een ander verschil tussen beide stukken is dat Thorbecke af en toe verwijst naar ontwikkelingen binnen de moderne Duitse filosofie, met name in zijn voetnoten. Hij lijkt deze informatie vooral te hebben opgedaan uit verwijzingen die hij aantrof in de Duitse boeken die hij voor zijn werkstuk las (met name die van W.T. Krug en de al genoemde Stäudlin).
       En als we kijken naar het hanteren van het Latijn is er ook een verschil: in vergelijking met Holwerda wendt Thorbecke veel meer diversiteit aan in zijn zinsconstructies, syntactisch is zijn stuk virtuoos.

       Kenmerkend voor Thorbeckes brede belangstelling is nog wel, dat hij er aanvankelijk toe neigde de tweede prijsvraag te kiezen, het historische onderwerp, in plaats van dit filosofische onderwerp. Het was zijn vriend en studiegenoot, Guillaume Groen van Prinsterer, die meedong naar deze tweede prijsvraag, en met zijn inzending over een onderwerp uit de geschiedenis van Athene de eerste prijs behaalde.

       Tot slot zij vermeld dat Thorbecke zich nergens in zijn stuk uitlaat over wat hij persoonlijk van het scepticisme vindt. Het is een puur filosofisch-historisch stuk. Dit is des te opmerkelijker, daar het boek van de genoemde Stäudlin, dat hij soms letterlijk volgt, meteen bij de eerste zin met de deur in huis valt:
Der Skepticismus fängt an, eine Krankheit des Zeitalters zu werden.
En aan het einde van zijn voorwoord benadrukt hij nog eens:
Es wäre ganz wider meine Absicht, wenn diese Schrift zur Beförderung des Skepticismus selbst etwas beitragen sollte. Bei mir haben die viele Untersuchungen, zu welchen sie mich veranlaßte, vielmehr die entgegengesetzte Wirkung hervorgebracht.
Niets dergelijks vinden we bij Thorbecke, hij handhaaft een volstrekte objectiviteit van begin tot eind.

       In zijn correspondentie staat Thorbecke niet lang stil bij dit werkstuk; hij ging nu meteen over tot het gereedmaken van zijn proefschrift. Voor hem was het misschien gewoon geworden, ons past bewondering voor een student die maar liefst drie maal meedeed aan een academische prijsvraag.


* * *



Ter afsluiting van zijn studie promoveerde Thorbecke op een studie over Asinius Pollio, tijdgenoot van Cicero, over wie niet zoveel bekend was: Commentatio de C. Asinii Pollionis vita et studiis doctrinae.
       Al in zijn tijd in Amsterdam had zijn hoogleraar D.J. van Lennep hem Asinius Pollio en Asinius Gallus (vader en zoon) als onderwerp voor een dissertatie gesuggereerd. Sinds die tijd is Thorbecke met dit onderwerp bezig geweest. Gaandeweg is een verandering opgetreden, in die zin dat hij zich uiteindelijk heeft beperkt tot alleen Asinius Pollio. De overige familieleden bleken bij nader inzien niet de moeite waard (nec iucunda futura esset, nec fructuosa tractatio).
       Op 19 juni 1820 werd dit uitputtend onderzoek naar alles wat we kunnen weten over Asinius Pollio te Leiden gepubliceerd. Al in oktober van datzelfde jaar verscheen in de Göttingische Gelehrte Anzeigen een bespreking van deze wohlgerathene Monographie. Wat later (1822) besteedden ook onze Vaderlandsche letteroefeningen kort aandacht aan dit proefschrift.
       Nog in 1953 werd aan dit proefschrift gerefereerd in een artikel in de Transactions and Proceedings of the American Philological Association.






1824


GESCHIEDFILOSOFIE

Na de voltooiing van zijn proefschrift vertrok Thorbecke in oktober 1820 naar Duitsland. Vanwege zijn uitnemende studieresultaten kwam hij in aanmerking voor een beurs. Dit was een duidelijk teken dat men wel wat in hem zag, in concreto dat hij wellicht voorbestemd was voor een leerstoel in de filosofie. Zo zag ook zijn vader dat: zijn oudste zoon zou niet alleen de familie-eer gaan redden, maar ook geld gaan verdienen om de hele familie te onderhouden. Sinds 1805 namelijk was Thorbeckes vader werkloos, en derhalve had het gezin de grootste moeite de eindjes aan elkaar te knopen. Soms sprong het Duitse deel van de familie bij, maar meer en meer moest hij zijn toevlucht nemen tot leningen.


        Ook de Duitse universitaire wereld van toen was klein, en Thorbecke sprak uitstekend Duits, maar toch is het verbluffend om te zien hoe snel, en hoeveel contacten hij wist te leggen met vooraanstaande mensen binnen de universitaire en culturele wereld. Hierbij waren veel contacten die hij, teruggekeerd in Nederland, (epistolair) zou onderhouden. Zijn hele leven lang ook, kan men zeggen, heeft hij een emotionele hang naar Duitsland behouden.
        De periode in Duitsland is ook voor de intellectuele vorming van Thorbecke van de grootste betekenis geworden. Hij heeft hier meer afstand genomen van de filosofie van de oudheid (zonder deze direct los te laten), en aansluiting gezocht bij de ontwikkelingen in Duitsland op dit gebied.

        Zijn eerste verblijfplaats was Göttingen, alwaar hij tot half april 1821 verbleef. Hij volgt er colleges van Heeren en ook van Bouterwek. Hij maakt veel filosofische aantekeningen, leest veel en intensief, en hier begint zijn feitelijke afstand nemen van de filosofie zoals die in Nederland beoefend werd.
        Hij reist door, bezoekt musea en universiteitsbibliotheken, en maakt in Giessen kennis met de hoogleraar Ritgen en diens familie, bij wie hij al snel 'kind aan huis' is. Dan zakt hij verder af naar het zuiden, komt in Heidelberg en München, en heeft in Erlangen een paar ontmoetingen met de filosoof Schelling en de dichter August von Platen. In Leipzig ontmoet hij vervolgens de hoogleraar Krug (die hij kende van zijn leerboeken). In Dresden ontmoet hij de toentertijd beroemde dichter Tieck, en wordt verliefd op diens dochter.

Een voorleesavond bij Tieck

Een voorleesavond bij Johann Ludwig Tieck.

In Berlijn tenslotte heeft hij veelvuldig contact met de weduwe van de hoogleraar Solger, de vrouw die 15 jaar later zijn schoonmoeder zou worden.
        Vandaar keerde hij - met gerede tegenzin - terug naar Nederland (mei 1822), nadat hij in Weimar nog Goethe had mogen ontmoeten. Het geld van zijn beurs was op. En het bleek dat hij in het vaderland geen kansen maakte op een hoogleraarschap. Hij werd beschouwd als te 'Duits' voor wat betreft zijn filosofische voorkeuren, dat wil zeggen niet keurig netjes Christelijk en aanhanger van het (Nederlandse) gezond verstand, maar potentieel schwärmerisch.
        Al met al bleef hij nu, zonder inkomen, ten laste van zijn familie komen, die het al moeilijk genoeg had.

* * *


Gebruik makend van zijn contacten aldaar, wist hij een plaats als Privatdozent te verkrijgen aan de universiteit te Giessen (herfst 1822). Dit zou zeker geen vetpot worden: hij moest rond zien te komen van het geld dat de studenten inbrachten, dus hij was afhankelijk van hun opkomst. Maar hij hoopte wel, dat dit de opmaat zou kunnen zijn tot een 'echte' aanstelling ergens in Duitsland.
        Doch de belangstelling viel tegen, en al snel was hij genoopt leningen aan te gaan (bij Ritgen en anderen), en van een vaste benoeming kwam niets.

        Na een jaar nam hij een moedige stap: hij verhuisde naar Göttingen, voornamelijk in verband met de universiteitsbibliotheek aldaar (september 1823). Dat was een plaats, geschikt om onderzoek te kunnen doen, en vervolgens iets te kunnen publiceren, om zich alsnog in de Duitse kijker te spelen. Resultaat hiervan werd de publicatie van zijn grundlegende (althans voor hem zelf) werk over de geschiedfilosofie: Über das Wesen und den organischen Charakter der Geschichte. Ein Schreiben an Herrn Hofrath K.F. Eichhorn in Göttingen. Met deze Eichhorn was Thorbecke persoonlijk bekend.

        Dit is het geschrift, dat zijn vader zo triest zou maken, omdat hij het betoog niet kon volgen en voor het eerst voelde dat zijn zoon hem ontgleed: Het onderwerp is reeds op zig zelven voor mijn niet genoegsaam helder en de behandeling zo afgetrokken, dat ik de ontwikkeling Uwer denkbeelden niet vatten of volgen kan. (...) en bij mijne herhaalde vrugteloose inspanning wierd ik telkens regt weemoedig en droefgeestig, dat ik eene schrift van mijnen zoon in de Duytsche taal niet kon bevatten.

        Het stuk leest inderdaad niet als een roman: het diepzinnige, maar tot onleesbaar-wordens-toe gecomprimeerde boekje (W.Verkade: Overzicht der Staatkundige Denkbeelden van Johan Rudolf Thorbecke, p. 12); het veelal kwalijk of onbegrepen boekje (L.W.G. Scholten: Voetstappen van Thorbecke, p. 20), maar waar gaat het over?
        Er was recentelijk overeenstemming bereikt, dat het beschouwen van de loop van de geschiedenis als iets organisch, een grote stap voorwaarts was ten opzichte van de visie zoals die tijdens de verlichting aangehangen werd, en waarin veelal individuen als bepalend voor de loop van de geschiedenis werden gezien. Met organisch bedoelde men, dat er een onzichtbare, inwendige wet bestaat, waaraan de loop der geschiedenis voldoet. Zo heeft bijvoorbeeld elke natie zijn eigen organisch gegroeide geschiedenis. In Duitsland behandelde Friedrich Carl von Savigny het Romeinse recht op een dergelijke historiserende manier, en Eichhorn deed hetzelfde met het Germaanse recht.

        Ook Thorbeckes uitgangspunt is, dat we de geschiedenis moeten zien als een zich organisch ontwikkelend geheel. Maar hij ziet nogal wat problematische aspecten kleven aan deze opvatting. Weten we wel wat we precies bedoelen als we zeggen dat de geschiedenis zo begrepen moet worden? Bedoelen we een analogie met de natuur, waarin een kastanje tot een kastanjeboom wordt? Maar als elk tijdperk slechts als uitdrukking van een voorafgaande periode is te begrijpen, dan verliest zo'n tijdperk zijn eigenheid. En dat geldt dan voor elk tijdperk. Het gaat dus niet aan het zo te zien. Bovendien zou in zo'n rigide opvatting, waarin elk tijdvak uitsluitend een uitvloeisel is van het voorafgaande, zo'n tijdvak niet in staat zijn, een volgend nieuw tijdvak voort te brengen. En verder, weten wij wel zoveel van de natuur, dat deze ons begrip van de geschiedenis werkelijk zou kunnen verhelderen? Daarnaast geldt dat de analogie met de natuur mank gaat: wij kunnen de gehele ontwikkeling van kastanje tot boom wel overzien, maar wij kennen onze toekomst niet, wij kennen dus maar een arbitrair deel.

        Wat Thorbecke inbrengt, is niet een oplossing van deze dilemma's, maar een nadruk op de eigen individualiteit van elk tijdperk zelf, en vervolgens toch ook weer van het individu. Het is niet zo, dat het individu er slechts is opdat het geheel zich vormt, maar het is iets op zichzelf staands. En daarmee is het individu ook de potentiële bron van vernieuwing.
        Thorbecke wil alle determinisme vermijden, en wijst er niet alleen op dat ieder tijdvak een taak te vervullen heeft, maar dat er, binnen die tijdvakken, ook weer individuen geroepen zijn om een speciale taak te verrichten. (Dit kan dan weliswaar soms ook weer niet gebeuren, en moet een en ander later 'ingehaald' worden; een opvatting van Thorbecke die wat problematisch lijkt).
        Thorbecke besluit zijn stuk met een beschouwing over de rol van de filosofie in dezen: een te schematische benadering van de levende geschiedenis brengt niet de oplossing: Es möchte ein eiteles und trügerisches Vertrauen seyn, auf die Philosophie zu warten, bis diese in ihrer Ausbildung der Geschichte nahe genug getreten sei, um auf alle jene Momente ihr höheres Licht zu werfen. De filosofie is te statisch; misschien zal de geschiedenis zelf ooit nog met een beter begrip komen, als ze verder gevorderd is. Dus laat de studie van de geschiedenis vooral doorgaan.


        Een heel andere reactie dan die van zijn vader was die van de hoogleraar Ritgen. In een bijzonder 'jolig' briefje, verluchtigd met een kleine tekening, zegt deze opgetogen te zijn dat Thorbecke de ingedommelde historici eens wakker heeft geschud door het element van de 'spontaneïteit' in de geschiedenis terug te brengen, waardoor de gemakkelijke voorspelbaarheid (d.w.z. achteraf, want achteraf kun je verklaren waarom iets in het verleden voordien voorspeld had kunnen worden) hen ontnomen is. De toon van dat briefje is studentikoos, welhaast onduits, - is men als Nederlander geneigd te zeggen:
Da hast Du wieder viel zu verantworten, dasz Du die Leutchen in ihrer behaglichen Tag- und Nachtruh störst! (Zie Thorbecke-Archief, dl II, brieven 242, 231 en 250)

        Johan Huizinga noemde dit boek een van de belangrijkste geschriften die ons land in deze tijd had opgeleverd (zonder hier verder op in te gaan): zie zijn Cultuur-Historische verkenningen, in deel 2 van zijn Verzamelde Werken (p. 320).
        De meest uitgebreide interpretatie, context en geschiedenis van dit stuk zijn te vinden bij J. Drentje: Thorbecke, een filosoof in de politiek, p. 147-163.
Doch de lezer oordele vooral zelf: klik HIER.

* * *


Een positie aan een Duitse universiteit heeft dit geschrift Thorbecke niet opgeleverd. Hij heeft wel een soort sollicitatiebrief naar de Pruisische minister van Onderwijs geschreven, maar het antwoord was dat hij dan toch eerst weer als Privatdozent diende te beginnen, hetgeen op dat moment mogelijk was in Bonn. Maar dat risico was financieel gezien te groot: hij leefde meer en meer op leningen, inmiddels ook van Nederlandse vrienden, en welke garantie had hij dat het hem in Bonn beter zou vergaan dan in Giessen?

       Even heeft het geleken alsof er voor Thorbecke nu toch een plaats beschikbaar kwam aan een Nederlandse universiteit, en wel die van Utrecht. Het leek in kannen en kruiken, hij werd uitgenodigd om naar Utrecht te komen door de Administrateur voor het Onderwijs, van Ewijck, en Thorbecke heeft daar ook een gesprek gehad. Maar de theologen van de universiteit kwamen in opstand, en ook de toentertijd gezaghebbende hoogleraar Ph. van Heusde was niet van Thorbecke gediend.

       En zo bleef hij ambteloos. Bij zijn oude hoogleraar van Lennep op visite, leest deze hem een brief voor die hij van Van Ewijck heeft ontvangen. Daarin werd onder andere als argument voor de afwijzing in Utrecht Thorbeckes recente publicatie genoemd: Dat hij, dat boeksken gelezen hebbende, moest bekennen, dat hetzelve verre af was van getuigenis te leveren van de gaaf des schrijvers, om zijne denkbeelden met duidelijkheid uit elkaar te zetten.
       Hierover schrijft Thorbecke aan zijn ouders: Na deze brief gehoord te hebben, heb ik alle zelfsbeheersching moeten zamenvatten, om niet ongeduldig te worden en een weinig uit te varen.
        Diezelfde van Lennep suggereert dat hij misschien zijn pogingen moet richten op een rectoraat van een school, - iets waar Thorbecke van gruwt, en waarin zijn vader hem steunt: Met een rectoraat hoop ik dog, dat Uw niemand weder zal durven aan boord komen.
(Zie: Thorbecke-archief , dl II, brieven 311, 314, 319, 322 en 323).

* * *








1825


RECHTSFILOSOFIE

In deze tijd, dat hij weer terug in Nederland is, maar nog steeds geen baan heeft, schrijft Thorbecke zijn Bedenkingen aangaande het regt en den staat. Naar aanleiding van Mr. J. Kinker's Brieven over het Natuurregt.

       Dit boek, dat naast het stuk zelf een voorwoord in de vorm van een inleidende brief bevat, was bedoeld ter bevordering van het filosofisch niveau in Nederland: Kinker is geheel Kantiaan, en het ware voor de wijsgerige studien hier te lande van het grootste belang, dit autoriteitsgeloof aan Kant een weinig te doen wankelen en door eene overtuigende kritiek den weg tot vrijere bespiegeling te openen. Het onderwerp boeit hem, maar: bij elke verpozing vallen mij de geringe belangstelling, de vooroordelen, de zwakke maag der onzen ten opzigte van alle bespiegeling zwaar op het hart.
(Thorbecke-archief, dl II, brieven 328 en 357).

       Ook al hebben filosofen zich al eeuwen met rechtsfilosofie ingelaten, toch staat deze niet op een hoog peil en is wat dat betreft vergelijkbaar met de esthetica. Dit kan deels hieruit verklaard worden, dat de theoretische bespiegeling over dit onderwerp veelal in het gedrang kwam door de aanwezige praktijk: Eene kennis, zoo enger vermaagschapt en in aanraking met de verschijnselen des dagelijkschen levens, loopt te ligter gevaar, door de veranderlijke ondervinding van het levend geslacht verdrongen of onmiddellijker geleid te worden, dan door de eigen wet. En veelal zag men de contemporaine situatie ook als de enig goede, die altijd zou voortduren, alsof met het heden de grenzen van het mogelijke gegeven waren. Maar voor een goede theoretische bespiegeling is reflectie op wat Thorbecke aanduidt als het natuurrecht, of oorspronkelijk recht, nodig. Thorbecke zegt zelfs dat de filosofie van het recht gelijk staat aan een beschouwing van dit oorspronkelijk recht.

       Wat is dit natuurrecht? Men zou het kunnen omschrijven als een algemeen menselijk gevoel voor recht, datgene wat maakt dat een bepaling als een rechtsbepaling gezien wordt. Dit is natuurlijk een wat problematisch begrip, en Thorbecke geeft er geen definitie of omschrijving van. Het doet denken aan de Platonische Idee van het rechtvaardige. Men moet hierbij niet denken aan een in de tijd oorspronkelijk recht, maar aan het - onbekende - ideaalbeeld van het recht, datgene waarop de mens zich richt als hij nadenkt over wetgeving, datgene waartegen hij een wet afzet om te toetsen of deze tot het 'recht' behoort, rechtmatig is.
       Natuurlijk wordt de inhoud van alle stellige recht (het recht zoals dat in de praktijk heeft vorm gekregen) altijd deels door de geschiedenis bepaald, maar ook bestaat er altijd een streven om met dit stellige recht aan te haken bij het oorspronkelijk recht. Het stellig recht is dus niet iets bovennatuurlijks, iets wat voor eeuwig vaststaat, want het is altijd aan verandering onderhevig, als gevolg van veranderende omstandigheden. Maar juist daarom zal in de praktijk ook nooit, voor eens en altijd, het onveranderlijke oorspronkelijk recht ingevoerd kunnen worden. Het is de combinatie van historische vorming met de idealistische achtergrond, die Thorbeckes conceptie tot iets origineels maakt.
       Thorbecke neemt dus afstand van de opvatting van Kinker dat het recht primair iets ethisch is, een stadium op weg naar de perfecte plichtsbetrachting, waarbij ook de staat slechts een instrument is om de zedelijk perfecte menselijke samenleving te bereiken. Het is onduidelijk hoe Thorbecke zich het tot stand komen van een staat voorstelt; hij zegt hierover slechts: Het bezitregt, van hetwelk het regt van grondeigendom als de stam is, doet zich allenthalve als de eerste aanvang der oprigting van eenigen bepaalden staat voor. Maar in ieder geval is voor hem de staat een wezenlijk, zelfstandig onderdeel van ons bestaan, en niet slechts een relatief begrip.
       Thorbecke is van mening, dat in het boek van Kinker 'recht' en 'plicht' niet goed uit elkaar gehouden worden. Kinker gaat ervan uit, dat staten tot stand komen op grond van een ethisch besef, de Kantiaanse categorische imperatief (handel slechts volgens die stelregel, waarvan u tegelijk kunt willen dat deze tot algemene wet wordt). Kinker maakt te makkelijk de stap van 'algemeenheid', vervat in de categorische imperatief, naar 'gemeenschap', en vandaar naar de staat. Maar die stap mag hij niet maken volgens Thorbecke. Het feit dat mensen rekening met elkaar houden is op zich vreemd aan ons rechtsbegrip, d.w.z. niet vervat in het oorspronkelijk recht.

       Hiermee komen we bij een andere opvatting waar Thorbecke het niet mee eens is: de individuele menselijke vrijheid is het uitgangspunt van alle recht. Vooral na tijden van langdurige onderdrukking zag men dat zo. Hoe begrijpelijk dat ook is, toch is dit niet correct, men mag de staat als zelfstandig fenomeen niet uit het oog verliezen. Thorbecke trekt hier een vergelijking met de vriendschapsband: aan deze band zijn de vrienden ook onderworpen, en ook hier is niet alles gezegd met individuele vrijheid. Een dergelijke conceptie van het recht, waarin staatsbepalingen slechts als een inbreuk op de individuele vrijheid gezien worden, stimuleert mensen ook niet om iets moois van hun maatschappij te maken: waardoor bewogen zal het geslacht zich met lust en liefde tot eene krachtige zaamverbondene medewerking, elk op zijne eigenlijke plaats, aangorden?

       Kinker stelde dat een eenzame eilandbewoner bezitsrecht had op alles wat zich op zijn eiland bevond. Maar wat gebeurt er als zich iemand bij hem voegt? vraagt Thorbecke. Vervalt dan het oorspronkelijke recht? En zo ja, als ze dat bezitsrecht delen, dan gebeurt dat toch kennelijk op grond van een hoger principe, dan dat van de individuele vrijheid. Voor Thorbecke is recht iets relationeels. Het begrip recht ontstaat pas in een samenhang tussen het individu en hetgeen buiten hem is; en er bestaat ook een samenhang tussen mensen en hun staat, een gegeven dat ontbreekt bij Kant, en dus ook bij Kinker. Thorbecke geeft als omschrijving van het begrip recht: Zeggen wij dus, dat de mensch regten heeft, zoo zeggen wij, dat hij met hetgeen buiten hem is, in zeker verband staat. en: De wezenlijke verhouding van het uitwendige ten opzigte van een wezen, is deszelfs regt. Het regt strekt zich dus over de gansche eindige schepping uit; want waar slechts twee wezens, tot één en hetzelfde geheel behoorende, aanwezig zijn, staan dezelve onder het regtsbegrip.

       Ook het begrip 'macht' is wel gebruikt om de totstandkoming van de staat te verklaren (bijv. door Fichte). In principe dient ieder individu de vrijheid van een ander te respecteren. Maar als dat niet gebeurt, dan hangt het slechts af van mijne willekeur, die geene andere grenzen, dan die van mijne physische magt, kent hoe ik die ander wil behandelen. In dat geval moeten beide hunne physische magt van wederzijdschen dwang overgeven in de handen van eenen derden persoon. Deze, de staat, bezit dan het dwangrecht ten aanzien van beide. Thorbecke vindt niet dat je van dit machtsbegrip mag uitgaan, weer omdat dit niet in het oorspronkelijk recht vervat is, en ook omdat er van dit soort systemen niets meer overblijft, zodra men het begaan van onrecht er uit weg denkt. Toch wordt publiekrecht nog voornamelijk beschouwd als een middel om het privaatrecht te handhaven. Het publiekrecht is ook recenter dan het privaatrecht, het heeft pas vanaf de Grieken vorm gekregen. Thorbecke lijkt te suggereren dat de loop der geschiedenis een verdere uitbreiding van het publiekrecht te zien zal geven.


       Aan het slot van de inleidende brief merkt Thorbecke op, dat er niets onduidelijks is aan Kinkers boek, en als lezers er toch moeite mee hebben, dit aan hun ligt, niet aan het boek. Ze doen niet genoeg moeite: In het boek van den Heer Kinker is niets duisters: desniettegenstaande kan er tusschen hetzelve en die er zich mede bezig houdt, schaduw wezen; wie heeft dezelve aangebragt? De lezer moet gewoon zijn best doen, want ook hij gaat geen concessies doen. Populariseren brengt iedereen alleen maar verder van huis: Daarentegen beteekenen de eischen, die men gewoon is onder dezen naam [duidelijkheid van voordragt] te doen, dikwerf niets anders, dan algemeene of gemakkelijke verstaanbaarheid, die verder het zoogenoemd populariseren insluit, en eindelijk gelijkluidend wordt met het begrip van vertrouwelijkste ineensmelting met de geldende meeningen en vooroordeelen.

Ziehier deze eerste Nederlandstalige Publicatie van Thorbecke, die hij anoniem liet verschijnen, naar eigen zeggen om buiten alle partijzucht te blijven.

       Thorbeckes spelling in dit stuk is niet helemaal consistent, we vinden individus naast indvidu's, eischen en eisschen, systeem en sijsteem, en ook volken zowel als volkeren. De zinsconstructies zijn soms wat gecompliceerd, resulterende in het veelvuldige gebruik van woorden als dezelve, hetwelk, gebruikt om terug te verwijzen naar eerdere woorden uit een zin. Bijvoorbeeld: Het individu brengt dus in de gemeenschap reeds eene bepaalde mate van eigen regt mede, en de staat of ware regtsgemeenschap, waarvan de idee historisch zich later ontwikkelt, dan die van de regten der bijzondere personen, heeft hetzelve op deszelfs ware plaats in te voegen.
       We vinden ook enkele constructies die een sterke geur van Latijnse grammatica om zich heen verspreiden: de Heer Kinker (...) stelt diesvolgens de rede te eischen (...) volmaking van de geheele gemeenschap van personen waarmee bedoeld wordt dat Kinker stelt dat de rede die volmaking vereist.
Of: Deze regtsbetrekking tot de natuur, die hare armen en takken door en over alle regtsverhouding tusschen menschen en menschen uitstrekt, ja waarvan deze, het menschelijk wezen uit geest en lichaam vereenigd zijnde, voor de helft een deel is, ware het zeer te wenschen geweest, dat de Heer Kinker op zich zelve behandeld had. Dus: het was zeer wenselijk geweest, als Kinker de rechtsbetrekking van de mens tot de natuur behandeld had, omdat de mens uit geest en lichaam bestaat, en dus voor de helft zelf natuur is.

       Maar dit stuk is veel leesbaarder dan zijn Duitse stuk over geschiedfilosofie, en er zitten ook wel mooie passages in, bijvoorbeeld deze, waar Thorbecke betoogt dat de ideale staat niet kan bestaan, omdat er altijd verandering zal zijn: Het klimt en valt, groeit en neemt af, en toeft in geenerlei gestalte; ieder oogenblik der duurzaamheid is tevens de voorbereiding eener nieuwe ontwikkeling, heeft reeds eene, van de tegenwoordige verschillende, gesteldheid op het oog, waar het zich naar toe beweegt; dezelfde kracht, die het volgende opricht, ontbindt de vorige levensinrigting, trapsgewijze of plotseling, ten goede of tot verderf, maar onherroepelijk.
       Thorbecke heeft het idee dat Bilderdijk, Kinker en hijzelf, door over dit onderwerp te schrijven, helpen de Nederlandse taal te ontwikkelen. Het Nederlands is ten aanzien der philosophische uitdrukking nog niet geheel gevormd, maar is wel degelijk vatbaar voor eene vrije, volledig bewerktuigde, philosophische gedachtebeweging in de rijkste zamenstelling en afwisseling. En het is uit dien hoofde, dat boeken, gelijk die van den Heer Kinker en den Heer Bilderdijk, te grooter dank en onderscheiding verdienen.

       Hoe dan ook, het is bewonderenswaardig dat Thorbecke in een tijd van onzekerheid en drukkende werkeloosheid zich heeft kunnen zetten tot het schrijven van dit boek. Men kan dit stuk zien als Thorbeckes afscheid van de filosofie, zijn oorspronkelijke liefde.







INAUGURELE REDE UNIVERSITEIT VAN GENT

Nadat Thorbecke aanstellingen was misgelopen aan de universiteiten van Leiden en Utrecht, was er sprake van een benoeming in Luik of Gent. Uiteindelijk werd het Gent, waar hij in mei 1825 werd benoemd als buitengewoon hoogleraar.

bagattestraet

Uit:   Nuttigen Almanach en Wegwyzer der stad Gend voor het jaar 1829.


       Op 4 oktober 1825 hield de jonge hoogleraar Thorbecke zijn inaugurele rede, getiteld: De Disciplinarum Historico-Politicarum argumento (De inhoud van de historisch-politieke wetenschap). Thorbecke was benoemd als buitengewoon hoogleraar in deze politieke en diplomatieke geschiedenis, en was de eerste die deze leerstoel bekleedde in Gent.
       Hij zegt dit onderwerp te hebben gekozen, omdat deze tak van wetenschap nog geen duidelijke plaats heeft veroverd binnen de academische wereld, en het dus goed is haar werkgebied te omschrijven. Deze tekst geeft ons zodoende inzicht in de onderwerpen waar Thorbecke zich mee bezighield in Gent.
       In zijn opvatting richt de historische wetenschap zich op de binnenlandse staatkunde, en de diplomatieke wetenschap op internationale betrekkingen (niet alleen de diplomatieke betrekkingen in onze zin van het woord, maar ook oorlogen bv. horen hiertoe). In zijn visie waren de middeleeuwen vooral een tijdperk van de politiek, en de periode daarna, tot aan de Franse revolutie, was een diplomatiek tijdperk. Hij heeft hier een opmerkelijke verklaring voor: in de middeleeuwen waren volkeren vooral op zichzelf gericht, en speelde 'buitenlandse politiek' nauwelijks een rol: alle internationale vraagstukken werden afgehandeld door de kerk en het heilige roomse rijk (over de totstandkoming en ondergang waarvan Thorbecke wat mistig is); in het tijdperk na de middeleeuwen werden landen zelfstandiger, en concurrenten van elkaar (v.w.b. het bezit van koloniën met name), hetgeen een buitenlandse politiek met zich meebracht. Verder, betoogt Thorbecke, was men nu zozeer op geld en internationale status gericht (geld is de maat en norm van alle dingen), dat men de interne staatsinrichting veronachtzaamde. (Daar zal pas na de Franse Revolutie weer aandacht voor komen, maar die periode viel buiten Thorbeckes leeropdracht).
       Een enkel woord wijdt Thorbecke nog aan de 'Statistiek', die ook deel uitmaakte van zijn leeropdracht. Dit was niet de wiskundige discipline die wij er thans onder verstaan, maar een hulpwetenschap die zich toelegt op de specifieke bestudering van een volk op een bepaald moment in de tijd: bevolkingsdichtheid, middelen van bestaan, methoden van belastingheffing, onderverdeling van de bevolking naar godsdienst, etc. Met andere woorden, in de richting van hetgeen bij ons nu het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) doet.

       Bij lezing van zijn rede kan men de vraag opwerpen, wat nog overblijft van het onderscheid tussen de gewone geschiedwetenschap, en de politiek-diplomatieke geschiedenis van Thorbecke. In zijn visie op de geschiedenis, waarin alles met alles samenhangt, is er eigenlijk niets meer dat niet tot zijn onderwerp behoort. (Toch beperken de door Duyverman gepubliceerde college-teksten zich wel tot echte staatsinrichting in onze zin van het woord: J. P. Duyverman: Staatsinrigting en Staatsbestuur, 1968. Dit is de tekst van één van Thorbeckes Gentse colleges).

       In tegenstelling tot zijn rectoraats-rede uit Leiden (zie hieronder het stuk over Simon van Slingelandt), heeft Thorbecke deze inaugurele rede nooit zelf vertaald en uitgegeven. We weten uit zijn correspondentie dat hij zelf aanvankelijk zeer tevreden was over zijn oratie, maar misschien is hij hier later op teruggekomen.
       Het is een tekst die moeizaam leest. Men kan van harte instemmen met Paul Frédéricq, die in zijn Thorbecke voor 1830 zijn twijfel uitspreekt of zijne toehoorders er veel van naar huis zullen gedragen hebben. Het citaat uit de Journal de Gand dat Frédéricq aanhaalt is dan ook enigszins koddig, en is vermoedelijk iets wat de journalisten klaar hadden liggen voor dergelijke gelegenheden: Son discours inaugural, succinctement écrit et d'une élégante latinité, a été entendu avec un vif intérêt. Maar het is niet het nevelachtige der Duitschgetinte gedachten (Frédéricq) die dit stuk zo weerbarstig maken. Het probleem zit hem er meer in, dat Thorbecke nogal wat verwante termen gebruikt, die soms als synoniemen gebruikt worden, maar soms ook niet (bv. populus, gens, populares, natio, partes gentium, regnum, societas; res publica, ratio publica, publicae rei institutum, status publicus). Het is niet altijd duidelijk wanneer Thorbecke een specifiek onderscheid beoogt en wanneer hij gewoon voor de afwisseling een andere term gebruikt. Vooral bij een onderwerp als dit is dat hinderlijk voor een goed begrip van de tekst. In de vertaling is getracht zoveel mogelijk met zinvolle equivalenten te werken, maar dit impliceert onvermijdelijk enige interpretatie, waardoor de vertaling een ander karakter heeft gekregen dan het origineel. U vindt de Latijnse tekst HIER.
       De arabist H.A. Hamaker, een vriend van Thorbecke uit Leiden, zegt dat hij bij lezing bevestigd is in het gevoelen, dat men het Latijn, waarin gij toch zeker doceert, bij de behandeling van dergelijke onderwerpen behoorde af te schaffen. Gij hebt al gedaan, wat in Uw vermogen was (...) Maar met dat al, hoe dikwerf hebt gij niet met armoede van woorden en uitdrukkingen te worstelen gehad, omdat gij spreken moest over zaken, waarvan de Ouden geen denkbeeld hadden? (Thorbecke-Archief III, brief 21.)
       In februari 1826 vraagt Thorbecke toestemming om althans zijn colleges Statistiek in het Nederduitsch te mogen geven. Het is niet wel doenlijk, zich bij dit vak van de Latijnsche taal te bedienen. Hierop wordt in april afwijzend gereageerd door de curatoren, met als argument de aanwezigheid van Walen onder de studenten. Thorbecke is hierdoor verrast, stuurt nog een brief en heeft een mondeling onderhoud, en dan krijgt hij zijn zin, zij het dat hij zijn colleges voor de Walen in het Latijn moet herhalen. (Thorbecke-Archief III, brieven 26, 44,45, 47 en 49.)






1827


BIBLIOTHECA CRITICA NOVA


       Het is gedurende zijn periode te Gent dat Thorbecke zes recensies schreef voor het tijdschrift van Jacob Geel, de Bibliotheca Critica Nova. Dit was een vakblad dat zich primair richtte op de klassieke filologie, maar ook open stond voor andere onderwerpen, zoals de bijdragen van Thorbecke.
       Met deze recensies (...) verwoordde Thorbecke voor het eerst in het Nederlandse taalgebied een moderne historische standaard. Aldus J. Drentje (Thorbecke, een filosoof in de politiek, p. 231), die verder aantekent dat de plaats van Thorbecke binnen de nationale historiografie veelal verwaarloosd wordt. Het feit dat dit tijdschrift uitsluitend in het Latijn gestelde bijdragen bevatte zal daar niet vreemd aan zijn.



I.       Karl-Otfried Müller was een bekend classicus, hoogleraar antiquiteiten te Göttingen, en één van de mensen die Thorbecke tijdens zijn verblijf in Duitsland had leren kennen, en met wie hij na terugkomst - met grote tussenpozen - correspondeerde. Naar aanleiding van het verschijnen van zijn Prolegomena zu einer wissenschaftlichen Mythologie schreef Thorbecke een recensie.
       Het feit dat ze elkaar goed kennen, is geen beletsel voor Thorbecke een kritiek te schijven, en van zijn kant nodigt Müller Thorbecke zelfs aan hem niet te sparen: Seien Sie recht streng dagegen, een aanmoediging die in het geval van Thorbecke niet nodig was.

       Het boek stelt de vraag: Wat is een mythe? Een vertelling, stammend uit de pre-historische tijd (d.w.z. vóór de Grieken begonnen zaken op schrift te stellen). Maar de mythen zoals wij die kennen zijn veelal bewerkt door latere schrijvers (bijv. Sophocles), en als men de 'oorspronkelijke' mythe wil leren kennen, zal men een en ander af moeten halen van deze latere bewerkingen. Verder is een mythe volgens Müller 'onbewust' tot stand gekomen, d.w.z. het is niet een ooit bewust verzonnen verhaal, waarmee men iets (anders) op poëtische manier wilde uitdrukken. Wel is het vaak mogelijk het vertelde in mythen te relateren aan gebeurtenissen waarvan we weten dat ze hebben plaatsgevonden in die pre-historische tijden.
       Thorbecke zegt veel van het boek te hebben opgestoken, al zijn er punten in het boek die hem onduidelijk voorkomen. Als Müller de recensie onder ogen gekomen is, schrijft hij aan Thorbecke: Ihre Recension meiner Prolegomena (...) habe ich mit Dank und Vergnügen gelesen und beherzigt. Verder zegt hij, dat enkele opmerkingen van Thorbecke wellicht te wijten zijn aan een zich onduidelijk uitdrukken van zijn kant, omdat F.C. Baur in zijn recensie in de Jahrbücher für Philologie und Paedagogik deels dezelfde opmerkingen maakt; in beide gevallen gaat het zijns inziens om misverstanden.
       Dat zal dan twee punten betreffen: beide recensenten vinden de beperking tot alleen de Griekse mythologie geen goed uitgangspunt, en beiden begrijpen niet hoe Müller van mening kan zijn dat de Griekse godsdienst apart gehouden moet worden van de mythologie. Voor Baur is de aanwezigheid van het goddelijke juist karakteristiek voor de mythe.
       Ziehier Thorbeckes RECENSIE (Latijnse tekst en vertaling), of de vertaling alleen.

Karl-Otfried Müller

Karl-Otfried Müller

Müller en Thorbecke correspondeerden ook over andere zaken. Eén opmerking van Thorbecke die de moeite waard is hier te vermelden, staat in een brief van 31 december 1835, waarin hij uitlegt waarom zijn stijl zo bondig is: hij heeft namelijk zoveel te zeggen! Wenn sie mir früher keine Weitschweifigkeit vorzuwerfen hatten, so hat, denke ich, der Drang des Lebens und der Wissenschaft seitdem die Darstellung wohl noch mehr in's Enge getrieben. Je tiefer das Bewustseyn, wie Vieles zu sagen wäre, desto kürzer pflegt man sich zu fassen. Die verwijzing naar früher slaat ongetwijfeld op Thorbeckes Duitse werk uit 1824 over de geschiedfilosofie, dat Müller kende.

(Zie: Thorbecke-Archief, deel II brief 338, deel III, brief 48, 275, en: De Briefwisseling van J.R. Thorbecke, deel II, brief 363.)



II.      Ook de historicus Karl Dietrich Hüllmann kende Thorbecke van zijn verblijf in Duitsland. Vanuit Bonn, waar hij rektor van de universiteit was, liet Hüllmann weten blij te zijn dat er aandacht aan zijn werk werd geschonken (3 mei 1826): Euer Wohlgeborn sage ich vorläufig den verbindlichsten Dank für die gewogentliche Bereitwilligkeit zur Beförderung meines Werks über das Städtewesen des Mittelalters. Der echt wissenschaftliche Geist, mit dem Sie meiner unmittelbaren Bitte zuvorgekommen sind, ist ein schönes Zeugnis von Ihrem dortigen (sc. te Gent) Wirken.
(Thorbecke-archief, deel III, brief 50.)
       Het betreft slechts een aankondiging van het eerste deel van Hüllmanns boek. Thorbecke beoogde op dit werk terug te komen wanneer het voltooid was, maar dit is er nooit van gekomen. Het stuk is dan ook niet heel belangwekkend, behalve dan misschien doordat men HIER kan zien hoe Thorbecke in het Latijn bepaalde post-klassieke begrippen als kruistocht, katoen, of schrijfpapier in het Latijn weergeeft. De Nederlandse vertaling alleen van dit korte stuk vindt U door te klikken op dit logo).



III.      Een andere korte aankondiging schreef Thorbecke naar aanleiding van het verschijnen van het eerste deel van de Monumenta Germaniae Historica. Dit was een gigantische onderneming, die beoogde alle middeleeuwse teksten uit te geven die betrekking hebben op de Duitse geschiedenis, een onderneming die heden ten dage nog voortduurt.
       Thorbecke is hier oprecht enthousiast over, bewondert de grootschalige aanpak ervan en zegt dat wij in Nederland zoiets ook nodig hebben. Daarmee is dit stuk deels een voorproefje van het stuk over de nationale geschiedschrijving, dat Thorbecke zal inzenden als antwoord op de oproep van Willem I waar hij het in dit stuk ook over heeft.

Ziehier deze enthousiaste AANKONDIGING (Latijnse tekst en vertaling), of alleen de vertaling.



IV.       Het nu volgende stuk is niet Thorbeckes meest toegankelijke publicatie. Men kan zich zelfs afvragen hoeveel mensen ooit dit stuk over de geschiedenis van het Angelsaksisch Recht tot het einde toe hebben gelezen. Nog afgezien van de vraag wie er geïnteresseerd is in het verschil in juridische bevoegdheid van een scirgerefa en een ealdorman (graaf en burggraaf), moet gezegd worden dat Thorbeckes bespreking moeilijk te begrijpen valt zonder dat men het besproken boek van George Phillips erbij heeft. Thorbecke lijkt (slechts) te spreken tot de schrijver, of althans aan te nemen dat iedere lezer wel weet wat een hundrede is of wat scabini zijn.
      Thorbecke tracht aan te geven dat men bij een reconstructie van het Angelsaksisch recht niet alleen de Germaanse wortels ervan moet bekijken, maar ook het latere Engelse recht erbij moet betrekken. Dit omdat men daar ook conclusies uit kan trekken hoe het eerder, in de Angelsaksische tijd, geweest moet zijn. Als voorbeeld neemt hij het verschil in jurisdictie tussen graaf en burggraaf: volgens Phillips bestond er geen ander verschil dan dat de jurisdictie van de graaf een wijder grondgebied besloeg, volgens Thorbecke was het zo dat een graaf zwaardere juridische zaken behandelde dan de burggraaf. Dit o.a. omdat we weten dat een dergelijk onderscheid in latere tijden ook bestond, en waar zou dat onderscheid zomaar opeens vandaan komen?
      Voor wie zich afvraagt waar Thorbecke deze kennis vandaan haalde: in zijn tijd te Göttingen had hij het Angelsaksisch recht bestudeerd (in het familie-archief zijn aantekeningen van hem bewaard over het Oudgermaans en Angelsaksisch recht). Hij had toen het plan opgevat hierover ooit iets te publiceren. Dus hij was een bevoegd beoordelaar van dit werk.
      Het boek van Phillips is opgedragen aan dezelfde Eichhorn tot wie Thorbecke zijn Duitse boekje over geschiedfilosofie had gericht.

      Ziehier, voor de happy few, de geannoteerde vertaling, of het Latijn en het Nederlands samen.




V.       In 1826/7 verscheen het eerste deel van Guizot's Histoire de la Révolution d'Angleterre.

       Daar waar Guizot de hele revolutie beschrijft, beperkt Thorbecke zich in zijn recensie in de Bibliotheca Critica Nova voornamelijk tot de godsdienstige verwikkelingen in Engeland. Dit omdat hij van mening is, dat dit deel te weinig belicht wordt bij Guizot. Deze godsdienstige situatie is tamelijk complex.
       Al vrij snel waren Luthers opvattingen bekend geraakt; Hendrik VIII moest daar echter niets van hebben. Maar hij was ook ontevreden over de macht van de katholieke bisschoppen in zijn land en bestreed de kerkelijke souvereiniteit van Rome. Zijn bekende verlangen te mogen hertrouwen stuitte op bezwaren van Rome, hetgeen in 1534 resulteerde in de Act of Supremacy, waarin de koning de titel "Hoofd van de (Anglicaanse) kerk" werd toegekend. Daar deze nieuwe Anglicaanse kerk niet "protestants" was, en de reformatie inmiddels wel aanhangers had gekregen, was hiermee de rust niet verzekerd. Deze aanhangers waren echter wel zo bedreigend in de ogen van Maria Tudor (1553-1558), dat zij een (bloedige) katholieke tegenreactie initieerde. In 1559 wordt de kerkelijke situatie door Elizabeth vastgelegd in een Act of Uniformity. Nog is iedereen niet tevreden: sommigen vinden de Anglicaanse kerk te paaps: hieruit ontstonden na 1565 de Puriteinen, die een kerk nastreefden gezuiverd van katholieke smetten. Thomas Cartwright was één van hen; hij viel de kerkorde met zijn bisschoppen aan. In 1570 werd Elizabeth geëxcommuniceerd door Paus Pius V, en de tegenstellingen verscherpten zich, omdat vooral in het noorden de katholieken zich begonnen te roeren. Daarnaast speelden tegenstellingen binnen de Anglicaanse kerk: welke rol dient te zijn weggelegd voor de bisschoppen? Is een presbyteriaanse organisatie (zelfstandige gemeenten die alleen Christus als hoofd erkennen) niet beter?
       Volgens Thorbecke ligt daar de kern van het Engelse probleem: de kerk is afgescheiden van Rome, maar binnenslands willen velen af van de anglicaanse kerkelijke hiërarchie. Doch velen zien in dat, om het dreigende gevaar van het katholicisme te bestrijden, een samengaan van de kerkelijke hiërarchie met de staat de beste bescherming biedt van Engelands religieuze onafhankelijkheid.

       Thorbeckes bespreking is niet te vergelijken met een hedendaagse recensie in een krant. Afgezien van het feit dat de latinist Thorbecke hier op zijn best is, spreekt hier meer de ene wetenschapper tot de andere. Thorbecke veronderstelt de historische situatie min of meer als bekend, geeft een aanvulling, verwerpt bepaalde manieren van geschied-verklaring, en zegt aan het einde dat er naar zijn smaak te weinig originele bronnen zijn opgenomen.

       Hier vindt U deze RECENSIE (Latijnse tekst en vertaling), en hier de Nederlandse vertaling van deze Latijnse recensie van een Frans boek over de Engelse revolutie.




(Er bestaan overeenkomsten tussen Thorbecke en François-Pierre-Guillaume Guizot (1787-1874). Net als Thorbecke is Guizot vanuit de wetenschap in de politiek terecht gekomen. Hij is begonnen als historicus en zoals Thorbecke later zijn colleges over de grondwet zou geven, zo heeft Guizot college gegeven over de geschiedenis van het Gouvernement représentatif. Net als onder Thorbecke in Nederland, is door toedoen van Guizot veel verbeterd aan de infrastructuur van Frankrijk, en beiden hebben grote invloed gehad op de organisatie van het onderwijs in hun land.
       Maar Thorbeckes politieke carrière begon op het moment dat die van Guizot eindigde. Bij gelegenheid van Guizot's val heeft Thorbecke enkele woorden aan Guizot gewijd, het stuk getiteld BIJ HET PORTRET VAN GUIZOT. Hierin geeft Thorbecke aan dat Guizot als politicus in 1848 de tekenen des tijds niet goed meer verstaan heeft, in concreto: hij was tegen uitbreiding van het kiesrecht. Dit is het stuk waarin het relatief beroemde citaat voorkomt: "Men is niet ligt populair, indien men niet met zijn volk de fouten gemeen heeft".
       Na zijn val wijdde Guizot zich weer aan de geschiedschrijving, en voltooide hij onder andere deze geschiedenis van de Engelse revolutie.)







NATIONALE GESCHIEDSCHRIJVING

In antwoord op een oproep van Willem I over het vraagstuk hoe het schrijven van een Nationale Nederlandse Geschiedschrijving zou moeten plaatsvinden, zendt Thorbecke een antwoord in. Met deze oproep had Willem I voor: aankweeking van vaderlandsliefde, bevordering van burgerdeugd en instandhouding van het nationaal karakter. Alle gouverneurs der provincie werden alvast aangespoord maatregelen te nemen om archieven op orde te brengen, en er inventarissen van aan te leggen en die beschikbaar te stellen.
       Thorbecke had geen tijd om ook een voorstel in te sturen voordat de inzendingstermijn af zou lopen, hoezeer hij er ook van overtuigd was iets te zeggen te hebben over dit onderwerp. Maar ziet, wat gebeurt? Hij struikelt ergens languit op een stoep, waarbij hij zijn enkel verstuikt, waardoor hij enkele weken geen college kan geven, en thuis komt te zitten met zijn voet op een stoel (met 12 bloedzuigers op zijn voet om het genezingsproces te versnellen). Zodoende krijgt hij onverwacht de tijd om aan deze inzending te werken.

       Hij begint met te zeggen dat voor wat betreft Nederland geldt, dat eerst de geschiedenis der afzonderlijke provincies/heerlijkheden op schrift gesteld zou moeten zijn, voordat een algemene geschiedenis van Nederland geschreven kan worden. Maar voordat dit weer kan gebeuren, is een landelijke onderneming nodig, die alle oorkonden, brieven, instructies, verslagen der Staaten-Generaal en der Provinciale Staaten, verdragen, handvesten, recessen der provinciale dagvaarten en landdagen, memoriaalboeken van hoge gerechtshoven, reken- en leenkamers boven water haalt en fatsoenlijk uitgeeft. En dan volgt een opsomming waaruit zijn onwaarschijnlijke vertrouwdheid blijkt met dergelijke ondernemingen in Frankrijk, Duitsland, Engeland en Italië, en ook de schandalige achterstand die Nederland in dit opzicht heeft. Wat er hier is uitgegeven is niet altoos met genoegzaam oordeel bijeengebracht, en is veelal alleen uitgegeven met het oog op de rechtvaardiging van een bestaande situatie, dus niet met een zuiver geschiedkundig motief.

       Er is kortom nogal wat werk te doen: er moet een nationale commissie komen, die al dit werk zal coördineren. Ze zal een tijdschrift moeten uitgeven waarin verslag gedaan wordt van alle ontdekkingen en publicaties. De commissie zal moeten toezien op gelijksoortige wijze van publicatie. Heel belangrijk is, dat een commissie aan het hoofd staat van deze onderneming, en niet een bepaald individu. Want in dat geval bestaat het risico dat alle medewerkers het idee verliezen dat ze voor de staat bezig zijn, en gaan denken dat ze ter meerdere eer en glorie van dat individu bezig zijn. Alsdan kan een aanvang worden gemaakt met het schrijven van de geschiedenis van de diverse provincies. Verder mag deze schrijvers geen strobreed in de weg gelegd worden: het schrijven van een geschiedenis is de zaak van de schrijver, en moet gebeuren zoals hij dat ziet.
       Pas daarna, ten slotte, zal een Algemeene Geschiedenis der Neederlanden geschreven kunnen worden. En ook hier geldt, dat de schrijver daarvan alle vrijheid gelaten moet worden, hier mag verder niemand zich in mengen. Hij benadrukt heel sterk dat het schrijven van een geschiedenis een individuele aangelegenheid is.

       Met andere woorden, datgene wat de opdracht was van de Koning, zal in de komende decennia niet te verwachten zijn, terwijl anderzijds wel rijke fondsen al die tijd beschikbaar gesteld moeten worden. En juist over de vraag hoe die geschiedenis geschreven dient te worden, zegt Thorbecke dat niemand anders dan de benoemde schrijver zich daar mee mag bemoeien.
       Er waren in totaal 44 inzenders, waarvan 5 een eervolle vermelding kregen (onder wie Groen van Prinsterer), maar uiteindelijk is er niets met alle aanbevelingen gedaan. Tenzij veel later: in 1902 (!) werd een commissie in het leven geroepen, om een begin te maken met de 'Rijks Geschiedkundige Publicatieën', die letterlijk stelde: Zoo er dan thans een programma wordt uitgevoerd, is het dat van Thorbecke, in bijzonderheden gewijzigd naar een ondervinding van vijf en zeventig jaren.

       Voor dit Ontwerp tot eene nieuwe bewerking der landsgeschiedenis, klik HIER.






1829


ONDERWIJS

In 1829 publiceerde Thorbecke het geschrift: Over het bestuur van het onderwijs, in betrekking tot eene aanstaande wetgeving.

     Als het werkje verschenen is, reageert Thorbeckes vriend Guillaume Groen van Prinsterer enthousiast: Zorg toch, dat hetzelve behoorlijk worde verspreid. Door den vreesselijken aandrang van nietsbeduidende geschriften wordt anders het waarlijk goede en nuttige tegenwoordig al spoedig verdrongen. (Thorbecke-Archief dl III, brief 346).
Maar volgens L.W.G. Scholten (Thorbecke en de vrijheid van onderwijs tot 1848) heeft deze brochure indertijd nauwelijks invloed uitgeoefend, hetgeen hij verklaart door te stellen dat Thorbeckes uiteenzettingen geheel buiten den strijd van die dagen gehouden waren.

     Dat is misschien niet helemaal waar, wel is duidelijk dat hier een filosofisch geschoold schrijver aan het woord is, die, alinea na alinea, de onduidelijke begrips-definities en onjuiste redeneringen uit het geschrift: De la direction exclusive de l'instruction publique dans les Pays-Bas, considérée comme une des prérogatives de la Couronne gispt, zonder dat dit altijd even relevant is voor wat hij zelf te beweren heeft aangaande het onderwijs, namelijk:

- iedereen mag scholen oprichten, maar wel dient de kwaliteit van de leraren door de staat getoetst te worden;
- de staat moet ervoor zorgen dat de diverse instellingen van onderwijs enigszins op elkaar aansluiten;
- de staat dient toezicht te houden op het onderwijs in het algemeen, en verleent of weigert autorisatie tot het stichten van nieuwe scholen;
- tot slot bepaalt ook de staat welke diploma's recht geven op vervolg-onderwijs, of op uitoefening van bepaalde beroepen.

     Een en ander mag ons als tamelijk vanzelfsprekend voorkomen, feit is dat Thorbecke met deze adviezen tegen Koning Willem I en diens opvatting inging, en in feite partij koos voor de Vlaamse Katholieken, die er fel tegen waren gekant dat vanuit Noord-Nederland hen een staats-monopolie op het gebied van onderwijs werd opgelegd. Zo fel, dat de emoties hoog waren opgelopen. Het is een zekere naïeveteit van Thorbecke (...) te menen dat, terwijl de partijen reeds zo verbitterd tegenover elkander stonden, een rustig betoog van het heldere inzicht nog iets had kunnen uitrichten. (I. J. Brugmans: Thorbecke, hoofdstuk III, Gentse Tijd).
     Gezegd moet wel worden dat Thorbecke ontevreden was over het tempo van drukken: Deze langzaamheid der Hollandsche drukkers, ofschoon overbekend, gaat nu mijne verwachting te boven. Op deze wijze verstrijkt het gunstig tijdstip. (Thorbecke-Archief dl III, brief 332). Hij was zich er dus wel van bewust dat de tijd drong.

Gezuiverd van de 'drukfeilen', waar Thorbecke zich ook over beklaagde, treft U dit stuk HIER aan.







1830


INDUSTRIALISATIE

In 1830, zijn laatste jaar te Gent, hield Thorbecke een lezing, getiteld:

"Verhandeling over den invloed der machines op het zamenstel der maatschappelijke en burgerlijke betrekkingen".

        Bijzonder in de aandacht aanbevolen! Thorbecke behandelt hier de invloed van de industrialisatie op de maatschappij. In het eerste deel wijst hij op de voordelen (meer goedkope productie, die ten goede kan komen aan iedereen; en ook, onverwacht, toename van arbeidsplaatsen). Maar dan stelt hij de geestdodendheid van de fabrieksarbeid aan de kaak, en het daarmee gepaard gaande verlies aan individualiteit van de fabrieksarbeider; ze worden uitwisselbaar, en daarmee misbaar. Dit leidt vervolgens tot een toenemende kloof tussen werkgever en arbeider, ook omdat de eerste steeds rijker wordt: Zo neemt met den rijkdom de armoede in de staat toe.
        En dat in een tijd, dat onder invloed van de Franse Revolutie er juist een ideologie was ontstaan om de rijkdommen eerlijker te verdelen over de hele bevolking. Thorbecke besluit met te zeggen dat het geen zin heeft om te proberen de industrialisatie tegen te houden, dat is onbegonnen werk. Een regering kan slechts trachten de nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken. Maar een regering moet dit ook doen om: ons niet blindelings en werkeloos te laten afdrijven met den stroom van zulk een gebeurtenis.

        U vindt deze tekst HIER.






BELGIË

Als gevolg van de Belgische opstand moest al wat Noord-Nederlander was vluchten uit Gent. Zo ook Thorbecke. En dus was hij weer ambteloos. Hij logeert bij vrienden in Leiden, en begint brieven te schrijven naar de minister, ten eerste om weer ergens benoemd te worden, ten tweede om zijn achterstallige Gentse salaris alsnog te verkrijgen.
       Al die tijd houdt hij constant de mogelijkheid in de gaten, om zijn te Gent achtergelaten spullen te laten overkomen (hij had hals over kop moeten vluchten). Maar lange tijd wordt er niets toegelaten bij de grens wat uit het land der vijand komt. Eindelijk (oktober 1831) achten hij en een collega de gelegenheid gekomen om het er op te wagen. Ze komen heelhuids aan, en worden te Gent blij ontvangen door oude collega's en bekenden.
       Dan inspecteert hij zijn spullen en geeft opdracht alles in te pakken. Nu nog een schip vinden dat de hele zaak zou kunnen vervoeren. Dan wordt hij echter getipt dat hij moet maken dat hij wegkomt, om niet de volgende morgen opgepakt en in hechtenis te worden genomen, op bevel van de Gouverneur der provincie, bij wie hij bij aankomst zijn paspoort had moeten achterlaten. Dus vertrekt hij onmiddellijk, richting Frankrijk, om in Duinkerken de stoomboot naar Rotterdam te nemen.  Ziedaar den afloop van deze eenigszins gewaagde reis. Ik moet nu al weder afwachten, of de omstandigheden de verzending mijner goederen vóór den winter mogelijk zullen maken. (Zie: De Briefwisseling van J.R. Thorbecke, deel I, brief 213).
       Ondanks deze ervaring blijft Thorbecke de afscheiding betreuren, en in zijn brieven leest men niet zulke ongenuanceerde, denigrerende opmerkingen aan het adres der Belgen als in die van zijn correspondenten. Thorbecke maakt een duidelijk onderscheid tussen de diverse groepen en hun gedrag. Hetgeen ongetwijfeld met zijn vijfjarig verblijf te Gent te maken heeft.

       Meteen in 1830 had Thorbecke twee brochures geschreven. Een woord in het belang van Europa, bij het voorstel der scheiding tusschen België en Holland verscheen in september.
Hij stelt hierin dat de afscheiding van België alleen maar nadelen zal hebben, zowel voor België en Nederland zelf, als voor Europa, dat immers zijn voormuur tegen Frankrijk verliest. Nadat er een einde aan Napoleon's dwingelandij was gekomen moest het Koninkrijk der Nederlanden groot en kloek zijn, een buffer vormen tegen eventuele nieuwe agressie vanuit Frankrijk. Maar als dit rijk opgedeeld wordt kan het die rol niet meer spelen, en de twee nieuw ontstane rijkjes zijn elk te klein om een rol van betekenis te spelen.

       Enkele maanden later verschijnt de iets langere brochure: Over de erkentenis der Onafhankelijkheid van Belgie. De situatie is inmiddels verder geëscaleerd, maar Thorbecke staat nog steeds op het standpunt dat een afscheiding slecht zou zijn. Er mag rebellie zijn in het zuiden, dat is nog geen reden zich neer te leggen bij een afscheiding. Bovendien, zou België werkelijk in staat zijn haar onafhankelijkheid te behouden na een afscheiding?
        Dan stelt Thorbecke de vraag of Europa hier mag ingrijpen. Weinig is er nog, hetzij in de wetenschap, hetzij in de praktijk, tot beslissing dezer groote vraag gedaan. Maar hoe dit zij, een interventie lijkt Thorbecke niet doelmatig. Staat België juridisch sterk? Als België zich af mag scheiden, mag dan niet iedere stad of dorp dit ook doen? Thorbecke keurt, terugblikkend, de onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten goed: hun geschiktheid om op zich zelven te rusten, was buiten alle tegenspraak. Maar zover is België zeker nog niet.
       En dan schrijft Thorbecke (blz. 57) dat hem net bericht is dat de vijf grote mogendheden in Londen de onafhankelijkheid van België hebben geaccordeerd. Bij het lezen hiervan geloofde Thorbecke zijn ogen eerst niet: Wij herinnerden ons vervolgens, dat het paard van Caligula consul was, en dat wij ons over zoovele dingen verwonderen, alleen omdat wij ze niet hebben bijgewoond. Zijn nu al zijn overwegingen achterhaald door de praktijk? De zaak is nog niet afgedaan, meent hij. Het zal misschien noodzakelijk blijken inderdaad afstand te doen van België, maar het is nimmer noodzakelijk zich zelven te vernederen, m.a.w. de Koning dient zich niet onverwijld bij dit onrecht neer te leggen.




1836


JOHAN DE WITT

In 1836 schreef Thorbecke, sinds maart 1831 hoogleraar te Leiden aan de faculteit der Rechten, een recensie van Johan de Witt en zijn tijd van P. Simons.

       Hij begon neutraal-welwillend, om daarna het boek neer te sabelen:
Die ons een leven van de Witt geeft, den man waardig, hem is voor altijd eene plaats onder de geschiedschrijvers verzekerd. De titel belooft meer: Johan de Witt en zijn tijd. (...) Wij lezen de eerste bladzijden, en ontwaren dadelijk, dat de titel niet zoo ernstig gemeend was.

       Het boek bezit geen wetenschappelijke kwaliteiten: Daar is in dit geschrift noch blijk van studie der bronnen, noch van kritiek. Maar het boek is mogelijk wel boeiend om te lezen? Helaas: Doch eene voorstelling, al dringt zij niet tot den grond, al glijdt zij slechts over de oppervlakte der verschijnselen heen, kan hare verdiensten hebben. Zij behoeft niet nevelachtig, flaauw en dof te zijn. Waar vindt men, in die van den schrijver, wisse, duidelijke omtrekken? Waar, zoo niet leven, kleur en beweging, althans licht en schaduw? En Thorbecke sluit af met het volgende twijfelachtige compliment: De schrijftrant is niet rhetorisch. Wij noemen dat eene deugd, indien de afwezigheid eener ondeugd zoo genoemd worden mag.

       Het artikel was bestemd voor het Driemaandelijksch Tijdschrift.
In februari 1836 had Thorbecke een exemplaar ontvangen van dit nieuwe tijdschrift, met een verzoek of hij hiervoor zou willen schrijven, waarop Thorbecke bevestigend antwoordt, en zegt dat hij onder andere het boek over Johan de Witt zou willen bespreken. Hij zendt zijn artikel in, en krijgt in april een reactie van redactielid J.W. Holtrop: De redactie van het Driemaandelijksch Tijdschrift meent aan UHooggeleerde (...) eene geheel openhartige en onbewimpelde handelwijs verpligt te zijn. Het is daarom dat mij is opgedragen UHooggeleerde te berigten dat de schrijver van Jan de Witt en zijn tijd, lid der redactie is.

       Voorwaar een penibele situatie, waarin de redactie zich echter zeer grootmoedig betoonde: Volgens de regelen die wij ons gesteld hebben zal echter Uwe beoordeeling geplaatst worden, waartegen zich de heer Simons geenszins wil verzetten, zich alleen voorbehoudende om te doen blijken van zijne deelneming aan de redactie, en van zijn toestemming tot de plaatsing. Wij meenden echter dergelijke aanmerkingen niet te moeten opnemen, zonder er UHooggeleerde vooraf van verwittigd en een nader antwoord afgewacht te hebben (...) omdat het ons leed zou doen, zoo er eene onaangename verhouding plaats greep tusschen een lid der redactie en UHooggeleerde, op wiens medewerking wij hoogen prijs blijven stellen.
       Meteen schreef Thorbecke een brief terug, waarin hij het fiksch gedrag der redactie looft, en zegt dat hij geen bezwaar heeft tegen de voorgestelde verklaring. Ik verzoek UWE. (...) aan den heer Simons mijne bijzondere achting te betuigen voor het doorstaan dezer proef; hetwelk allezins toont wat men zich van een, in dezen geest bestuurd, Tijdschrift beloven mag.
(Zie: De Briefwisseling van J.R. Thorbecke, deel II, brieven 406, 428, 471 en 473).

       Hier vindt U deze tekst, waarin Thorbecke zich niet beperkt tot een bespreking van het boek, maar ook zijn eigen visie op JOHAN DE WITT en zijn tijd geeft.

       Na afloop van de 80-jarige oorlog was het de vraag, of de verenigde provinciën wel een eenheid zouden kunnen blijven, of ze de band, gesmeed als gevolg van een gemeenschappelijke vijand (Spanje), konden bewaren.
       Maar ook de internationale omstandigheden waaronder de zeldzame man aantrad waren gecompliceerd: na de vrede van Munster dreigde al heel gauw Frankrijk gevaarlijk te worden op het Europese toneel, en op zee dreigt Engeland. Spanje is niet langer de grootste bedreiging voor ons. Dit zijn de omstandigheden waarbinnen de Witt zijn gedrag moest bepalen. Voor Lodewijk XIV was het zaak om de Republiek stadhouderloos te houden, want als een Oranje het hier weer voor het zeggen kreeg, zou dat kunnen leiden tot afhankelijkheid van de Stuarts in Engeland, of althans tot een bondgenootschap van de Republiek met Engeland.
       Dus trachtte de Witt de Prins van Oranje buiten het publiek bedrijf te houden, om de relatie met Frankrijk niet te verstoren, maar anderzijds moest men wel iets met hem aanvangen om Engeland niet te bruuskeren. De Witt moest tussen beide machten in laveren: De Republiek (...) kon zich slechts handhaven tegen de eene door de andere (...) Maar zoodra Frankrijk en Engeland zich tegen de Republiek vereenigden, zakte de grondslag van zijn stelsel weg, en was zijne diplomatie ten einde.
       Allemaal aspecten die gemist zijn door de schrijver van dit boek, volgens Thorbecke; de auteur heeft het over 'onweder' daar waar Thorbecke vanuit zijn organische visie op de geschiedenis zegt: Wij hebben hier met geene onweders te doen, maar met nieuwe krachten die zich ontwikkelen. (...) In hetgeen de schrijver van de binnenlandsche aangelegenheden zegt is evenmin, als in zijn verhaal van de diplomatische gebeurtenissen, eenheid, zamenhang of begrip..





1837


ONZE BETREKKING TOT DUITSCHLAND

Het is alsof men Busken Huet leest:
... er worden bij ons boeken geschreven en met stichting gelezen, die elders slechts het uitwerksel hebben zouden de volslagen onbekwaamheid van den auteur aan een ieder in het oog te doen vallen; allerlei persoonlijke bedenkingen en vreesachtigheden zijn aan de opkomst eener hartige kritiek in den weg; vele namen zonder gehalte hebben bij ons courante waarde, alléén van wege den publieken stempel.

       De Duitse conservatieve historicus Heinrich Leo (1799-1878), vrijwel even oud als Thorbecke, ook Lutheraan en ook beïnvloed door Eichhorn, en o.a. auteur van Zwölf Bücher niederländischer Geschichten, bezocht in 1836 Nederland, en ontmoette in Leiden ook Thorbecke.
       Teruggekeerd in Duitsland schreef hij in de Jahrbücher für wissenschaftliche Kritik positief over de dissertaties die onder leiding van Thorbecke in Leiden tot stand waren gekomen (eine Reihe so tüchtiger Abhandlungen), maar suggereerde in één moeite door dat Nederland, gezien het algemene culturele verval, er beter aan deed zich bij Duitsland aan te sluiten.
       Dit kon niet onweersproken blijven.
       Thorbecke deed dat in een artikel, waarin hij schetst hoe Nederland in de 17e eeuw een voorsprong op Duitsland had genomen, maar deze inmiddels op alle terreinen was kwijtgeraakt. Hij is het dus wat dat betreft eens met Leo, zie het boven aangehaalde citaat. Maar om deze achterstand in te halen is aansluiting bij Duitsland niet de manier, daarvoor bestaat er te veel verschil tussen beide landen:
       Hiermee raakte Thorbecke een gevoelige snaar. Nog in 1860, in een recensie van Thorbeckes Historische schetsen, waarin dit stuk was opgenomen, schreef zijn oud-leerling G.W. Vreede in De Gids: Met onverdeelden bijval beäamt voorzeker elk Nederlander de fiksche beschouwing van onze betrekking tot Duitschland; - eene wederlegging van Leo en andere aanmatigende Duitsche publicisten. "Wij zijn", schrijft Thorbecke, wien men wel eens heeft nagegeven, dat hij mank ging aan het euvel van germanisme, "wij zijn Nederlanders, wij zijn geen Duitschers".

       Vreede zinspeelt even op een persoonlijk aspect: ook Leo had Thorbecke weer eens als een halve Duitser neergezet: Herr Prof. Thorbecke in Leyden, der obwohl Niederländer doch seiner litterarischen Thätigkeit nach auch uns angehört.
       Voor zijn positie was dit niet goed; in de Franse vertaling van Leo's stuk, gemaakt voor publicatie in het regeringsorgaan Journal de La Haye, werd dan ook op verzoek van Thorbecke juist dit stuk weggelaten (zie: De Briefwisseling van J.R. Thorbecke, dl III, brief 129).
       Opmerkelijk, maar misschien in dit kader begrijpelijker is de volgende uitspraak uit dit stuk:
Terwijl in Duitschland eene abstracte, subjectieve, bespiegelende werkzaamheid op zich zelve blijven, en met de wereld, die zij schept, zich vergenoegen kan, vinden wij ons, in gevolge van ons natuurlijk, zedelijk en staatkundig zamenstel, steeds onder den invloed van het zinnelijke, uitwendige, objectieve, van maatschappij en praktijk. Neemt Thorbecke hier afstand van de vorm waarin hij zijn eigen Duitstalige geschrift over de geschiedfilosofie had gepubliceerd?

       U vindt deze korte tekst HIER.  





1841


SIMON VAN SLINGELANDT'S TOELEG OM DEN STAAT TE HERVORMEN

Op 8 februari 1841, 23 jaar nadat hij voor het eerst als student bekroond was tijdens de dies van de Leidse Universiteit, hield Thorbecke, ter afsluiting van het jaar waarin hij rector magnificus was geweest, een rede met de titel: Oratio de Simonis Slingelandii rempublicam emendandi studio. Het is een tekst die een groot aantal zinnen bevat die als pakkende one-liners dienst kunnen doen, en waarin Thorbecke ook weer zijn organische visie op de geschiedenis aanstipt.

       In De Gids schreef een anonieme recensent:
Even als zijn Hollandsch, is ook zijn Latijn gedrongen, krachtig, - wel eens afgebroken. Geen woord te veel, maar ook ieder woord, dat men er bijvoegde, zou het piquante, het treffende, het eigenaardige doen verloren gaan. Zelfs aan de meest afgesletene zaken weet de Heer T. door zijne voordragt eene frissche kleur te geven. (....) De geheele Redevoering is een nieuw bewijs, hoe ook onderwerpen van den nieuweren tijd in goed, zuiver, fraai Latijn kunnen worden behandeld. Waarop hij Thorbecke aanmoedigde om zijnen voortreffelijken arbeid ook in onze moedertaal algemeen verkrijgbaar te stellen.
       Dat heeft Thorbecke gedaan, toen hij de redevoering vertaald opnam in zijn Historische schetsen. Deze vertaling vindt U HIER.

       Simon van Slingelandt (1664-1736) was onder andere Raadspensionaris van Holland, en heeft pogingen ondernomen om te komen tot verbetering van het staatsbestel van de Republiek. Er wordt vaak gezegd dat Thorbecke zichzelf vergelijkt met van Slingelandt, en dat is onaanvechtbaar.
       Natuurlijk zien wij de parallelen met wat er later met Thorbecke zal gebeuren, voor de tijdgenoten lag dat anders. Toch was een toespeling op het Nederland van die tijd wel zichtbaar, getuige dezelfde recensie uit De Gids:

       Wij hebben meermalen opgemerkt, dat de Redenaar bijna nooit den toestand der Republiek met onzen toestand opzettelijk vergelijkt, doch dat zijne voorstelling zoo is, dat de algemeene waarheden, ook voor onzen tijd van belang, als van zelve in het oog vallen. Ten voorbeelde strekke de volgende plaats, die zoo geheel op het voorgevallene met de verandering der Grondwet toepasselijk is:

(en dan volgt deze passage uit Thorbeckes rede:)

       Zulke drogredenen van vadsige menschen, waaruit de geest zijner tijdgenooten bleek, van verbetering afkeerig, maar vindingrijk in voorwendsels voor de vadsigheid, plagt Slingelandt op eene wijze te beantwoorden, welke de noodzaak van verbetering helderder deed uitkomen. Hij toonde aan, dat zij, den naam van vrijheid voorwendende, de vrijheid zelve sloopten. Niet ligt scheen ooit iemand van een groot en hoog karakter het bestaande vooruit te streven, of terstond riepen onnoozele en angstvallige menschen, dat hij de orde verstoorde en omverwerping beoogde. Alsof behoud in het weren van verandering, en niet veeleer in wijze verandering bestond.






(1831-1849)


THORBECKE ALS DOCENT TE LEIDEN

Na het overlijden van Thorbecke (1872) publiceerde W.C.D. Olivier zijn Herinneringen aan Mr. J.R. Thorbecke, zo al niet hagiografisch, dan toch wel sterk apologetisch.
HIERUIT de bladzijden die Thorbecke als docent schetsen, aangezien deze toch wel een betrouwbaar getuigenis vormen, en een aardig inzicht geven in Thorbeckes optreden als hoogleraar te Leiden.


College vertrek Thorbecke (Garenmarkt)

Het tuinhuisje aan de Garenmarkt waar Thorbecke zijn colleges gaf.


In zijn Professor Thorbecke (1931) publiceerde C. van Vollenhoven ook herinneringen aan Thorbecke. Hij zegt onder andere dat Thorbecke nogal anders was dan zijn oudere collega's: hij schreidt niet, heeft een vluggen (niet haastigen), vroolijken tred (...) Hij werkt hard (niet snel), en werkt altijd.
En dit is hoe het beroemde college over de Grondwet is ontstaan:

       Na den vacantiezomer van 1835 zien een paar van die getrouwen der staats- en rechtsgeschiedenis [d.w.z. studenten] elkaar in Leiden terug; praten subiet over den Thor, en over de komende colleges. Ze hebben één vrees, één grief: waarom houdt Thorbecke, met Karel den Vijfde (...) begonnen, halt bij 1795? Wij zijn nu veertig jaar verder, en het zijn waarlijk geen stille jaren, het zijn jaren van omkeer en tumult geweest. Een paar uit de getrouwen vatten moed; gaan naar Thorbecke toe; vragen hem op den man af om een college over het staatsrecht van nu, over de grondwet van 1815.
       De professor zegt, dat hij niet genoeg daarvan weet, dat niemand daarvan weet; maar hij zal zien. (...) Thorbecke schrijft er over aan minister Van Maanen - lid der grondwetscommissies van 1814 en 1815 -, gaat met de diligence naar den Haag; en op een Novemberdag van 1835 houdt hij op de Breedestraat een van zijn jonge vragers staande:
„Ik kom uit den Haag; ik heb de Schets van Hogendorp in mijn zak; wij kunnen nu spoedig met ons grondwetscollege beginnen; zorg maar voor auditores."
Begin 1836 wordt het college geopend; en straks komt de series voor 1836 het bevestigen, dat te Leiden de grondwet historisch wordt verklaard in vergelijking met andere grondwetten
:  J. R. Thorbecke Historicam tradet Legis Fundamentalis, cum aliis nostri aevi Legibus Fundamentalibus comparatae, interpretationem.  
       Het grondwetscollege van 1836, 1837, 1838 (…) is examen- noch testimoniumvak.





1839/1841


AANTEEKENING OP DE GRONDWET

Het is uit Thorbeckes college over de grondwet, dat in 1839 zijn kloeke Aanteekening op de Grondwet is voortgekomen. In het voorwoord hiervan zegt hij: En ik meen geenszins te verbloemen, dat ik tevens schreef met het oog op eene herziening, waarvan de noodzakelijkheid sedert lang kon worden bevroed. Even later gevolgd door zijn bekende uitspraak: De Grondwet mag niet een loutere vorm, zij moet eene nationale kracht wezen. Maar in het voorwoord van de tweede druk (1841) moet hij constateren: De hoop, die men (...) van eene herziening koesterde, is teleurgesteld. (...) Men zag de gebreken en wat men behoefde. Doch de moed ontbrak.
       Ziehier deze voorwoorden alsmede het eerste hoofdstuk uit deze Aanteekening. Hierbij is steeds, indien aanwezig, het corresponderende artikel uit Thorbeckes Proeve van herziening der grondwet volgens de Aanteekening uit 1840 afgedrukt.
De tekst is in twee delen beschikbaar op Google Books: Deel I en Deel II.



1844


THORBECKE-SCHRIK

Intussen was op 4 september 1840 wel een grondwetsherziening doorgevoerd, nodig vanwege de officiële bekrachtiging van België's afscheiding, maar deze wijziging ging voor Thorbecke niet ver genoeg.

       Thorbecke bleef van mening dat een fundamentele grondwetsherziening nodig was. Nadat hij in maart 1844 door de Staten van Zuid-Holland, in een tussentijdse vacature, tot tweede kamerlid was gekozen, diende hij in december 1844 samen met acht andere leden het 'Voorstel der Negenmannen' in. Het voorstel werd niet in behandeling genomen. De Kamer wilde wel aanpassingen overwegen, maar niet zulke rigoureuze als Thorbecke c.s. voorstelden.
       In De Gids verscheen een uitvoerig artikel over dit voorstel. Bij het weinige belang, dat men ten onzent in staatszaken stelt, zoo zij altans onzen financiëlen toestand niet onmiddelijk betreffen, achten wij het maar al te waarschijnlijk dat velen voor de moeite zullen teruggeschrikt zijn om, met de bestaande Grondwet in de hand, het ontwerp ter herziening na te gaan. Men prees Thorbecke en de zijnen omdat zij de voorgestelde kleine wijzigingen afwezen: Men herinnert zich de vastheid der elf leden, die weigerden, op welke wijze ook, tot eene herziening mede te werken, waarvan de eenige vrucht zijn zou dat eene nieuwe herziening onvermijdelijk werd.

       Lof dus voor Thorbecke in De Gids vanwege zijn voorstel, maar met zijn optreden bracht Thorbecke anderen danig aan het schrikken. Zijn collega-hoogleraar Van Assen, die jarenlang met hem bevriend was geweest, liet er zich in een brief aan De Bosch Kemper vol afgrijzen over uit: Hebt gij in het voorstel van de Decembriseurs niet de superbia erkend van god Thor? (...) Zijn Koning neemt de regering waar als een homme d´affaires. De Gouverneur van Zuid-Holland, baron Van der Heim van Duyvendijke, meende het volgende portret te moeten schilderen van Thorbecke in een verslag aan de Koning over de toestand gedurende het jaar 1844: zie welk een verderfelijke invloed Thorbecke in sommiger ogen kon uitoefenen.

       (Het punt, aan het einde van dit stuk verwoord, ... dat men een voorstel heeft durven doen, hetwelk eene bijna geheele vernietiging van Uwer Majesteits grondwettige rechten ... zoude tengevolge hebben  werd toen door velen zo gevoeld. Maar het is wel opmerkelijk, dat meer dan 100 jaar na dato een dergelijk sentiment nog doorklinkt in een boek uit 1950, De ongekende Thorbecke, van Carl Wilhelm de Vries. Dit boek is bedoeld als tegengif voor bepaalde 'fabels' die de ronde deden in de Thorbecke-hagiografie. Daartoe wijst hij er, terecht, op dat Thorbeckes optreden in de oppositie niet altijd consistent was met door hem zelf beleden opvattingen. Verder hekelt hij het gebrek aan homogeniteit in het eerste kabinet Thorbecke. Maar dit is een wat anachronistisch verwijt: Thorbecke was geen eerste minister (die functie bestond toen niet), en volgens Thorbecke was elke minister individueel verantwoordelijk. Maar verder bevat het boek vileine passages over Thorbeckes karakter, waarbij de auteur er niet voor terugdeinst op suggestieve wijze Thorbeckes jong overleden zoons erbij te betrekken. We zien hier voorts weer de 'Duitse' Thorbecke die ons volk niet goed aanvoelt, noch de positie van ons koningschap. Een groot wetgever, dat wel, maar geen groot regeerder. Ziehier enkele markante passages uit dit ietwat curieuze boek.)

       Thorbecke wordt prompt 'gestraft' voor zijn brutale optreden: de Statenvergadering van Zuid-Holland, voorgezeten door Van der Heim van Duyvendijke, herkiest hem in juli 1845 niet voor de tweede kamer. Wel werd hij in oktober van dat jaar gekozen in de gemeenteraad van Leiden.





OVER HET HEDENDAAGSCHE STAATSBURGERSCHAP

Thorbecke poogt in deze rede uit 1844, gehouden in het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, middels kennis van den weg, waarop wij zijn erachter te komen in welke richting de staatsgeschiedenis zich beweegt.
       Kijkend naar het verleden (I. Het beginsel) bepaalt hij de invloed van de Franse Revolutie: deze heeft veeleer een ontwikkeling voltooid, dan dat ze die zou hebben afgebroken. Onder Lodewijk XIV werd Frankrijk meer en meer één geheel, en de Revolutie heeft dat proces voortgezet. Het Staatsgezag bemoeit zich tegenwoordig meer dan voorheen met de burgers (belastingen, militaire dienst), en schrijft een algemeen rechtssysteem voor. Enerzijds worden de burgers hierdoor afhankelijker van de Staat, maar anderzijds zorgt de Staat ook beter voor zijn burgers (publieke veiligheid, onderwijs). Iedere burger staat in dezelfde, wederzijdse, betrekking tot de Staat, in plaats van dat, zoals voorheen, diverse standen hun eigen positie en bevoegdheden hadden.

       Proberend naar de toekomst te kijken (II. De uitkomst) acht Thorbecke het onmiskenbaar dat het beginsel van algemeen stemrecht in de Staatsgeschiedenis onzer eeuw ligt. Zij die regeren, worden ook zelf geregeerd (niemand staat boven de wet). Communicatie en vervoer zijn enorm toegenomen: Niemand werkt of regeert meer alleen, werking wekt, op elk gebied van menschelijk bedrijf, medewerking; regering mederegering. Deze ontwikkeling tot medebestuur van allen openbaart zich op ieder ander gebied van het leven: Hoe hooger ontwikkeld organisch wezen, des te vrijer de leden, des te grooter hunne medewerking tot regeling van het geheel.

       Rest nog de tegenwerping: het stemrecht is niet aan iedereen gegeven, zij die geen bezit hebben worden uitgesloten. Het is dus geen algemeen stemrecht. Het antwoord hierop luidt, dat zij die van anderen afhankelijk zijn voor hun bestaan, niet vrij genoeg zijn om zich tot de algemeene zaak te verheffen. Het principe van algemeen stemrecht blijft dus bestaan, alleen worden (wellicht tijdelijk) sommige mensen uitgesloten. Maar dan moet het wel voor iedereen mogelijk zijn om bezit te verwerven! En aan hoevelen ontbreekt de gelegenheid tot arbeid!   (Dacht Thorbecke hierbij aan zijn vader, die een groot deel van zijn leven werkloos was?)

       In het laatste deel (Laat mij den knoop van het betoog toehalen) snijdt Thorbecke een aspect van de maatschappelijke ontwikkeling aan, dat deze vereiste lijkt tegen te werken: als gevolg van de industrialisatie dreigen de rijken steeds rijker, de armen steeds armer te worden.
       Onomwonden stelt Thorbecke dat de wetgeving die allen Staatsburgerschap aanbiedt onder eene door weinigen bereikbare voorwaarde slechts ironie is. Wat moeten we hier aan doen, wat kunnen we hier aan doen? Thorbecke besluit met een uiting van bescheidenheid: op zijn tijd moeten we erkennen, dat onze wetenschap niet alles kan voorzien, onze politiek niet alles kan beïnvloeden.

       Jan Romein over dit stuk in Erflaters van onze beschaving: Men kan met enig recht wel zeggen, dat indien Thorbecke na het uitspreken van deze rede overleden zou zijn, hij nog verdiende met ere genoemd te worden als de eerste onder de weinige sociaal-politieke theoretici ten onzent.

U vindt de volledige tekst HIER.    
Een kleine waarschuwing is misschien op zijn plaats: deze tekst van Thorbecke bevat de nodige vreemdsoortige, ietwat cryptische zinswendingen. Het is mogelijk naar aanleiding hiervan, dat zijn collega aan de universiteit van Leiden, John Bake, schreef over de wijze van voordragt, die allengs in barbaarschheid verandert, en eindelijk, met verkrachting van alle noodzakelijke regelen van taal en stijl, stikdonker wordt. (Zie Schouten: Het Grieks aan de Nederlandse universiteiten in de 19e eeuw, p. 109/10.)
       Het is ook moeilijk voorstelbaar dat het publiek te Amsterdam deze lezing probleemloos heeft kunnen volgen. Dat Thorbecke hier voor het eerst pleit voor directe verkiezingen, een tamelijk revolutionair standpunt toentertijd, is wellicht slechts tot weinigen doorgedrongen. Thorbecke spreekt dan ook niet als een vakbondsleider die zijn eisen kenbaar maakt, maar als de historicus die een ontwikkeling in de geschiedenis gewaarwordt, en daar voorzichtig conclusies aan verbindt.


       Deze rede van Thorbecke is 4 jaar later in het FRANS vertaald, en gepubliceerd onder de titel Des droits du citoyen d'aujourd'hui in het internationaal georienteerde juristen-tijdschrift Revue de droit français et étranger, dat eerder al een recensie had gepubliceerd van Thorbeckes Aanteekening op de Grondwet. In het voorwoord wordt Thorbecke, op grond van zijn recente publicaties, één van de belangrijkste hedendaagse publicisten van Europa genoemd.





1842-1848


DE GIDS

Van 1842 tot 1848 schreef Thorbecke zes stukken in De Gids, het door Potgieter in 1837 opgerichte, breed geörienteerde tijdschrift, dat nog steeds bestaat. De diversiteit van de onderwerpen springt ook hier in het oog.


       Van 1842 dateert het stuk over Staatscrediet naar aanleiding van een publicatie van Louis Drucker, die door Thorbecke welwillend beoordeeld wordt. Geen wonder, als men weet dat Thorbecke niet alleen hoogachting koesterde voor Druckers deskundigheid op het gebied van (staats-)financiën, maar ook voor publicatie al inzage in het stuk had gehad, en voorstellen tot wijziging had gesuggereerd (Zie: Briefwisseling van Thorbecke, deel IV, brieven 135, 174 en 189).
       Drucker benadrukt de verplichtingen van de staat jegens hen die de staat geld geleend hebben. Dit naar aanleiding van de voorgestelde conversiewet, waarin de staat eenzijdig een rente-verlaging afkondigde. Dit plan maakte de nodige tongen los, niet allemaal van hoog niveau, volgens Thorbecke: De publieke overweging der in 1841 voorgestelde conversie was niet vrij van de verschijnselen, die zich bij de behandeling van praktische vragen of maatregelen van Regering, waarin veler belang is gemoeid, doorgaans voordoen. Men neemt tegenspraak kwalijk; hoe flaauwer inzigt men zelf in de zaak heeft, des te minder kan men begrijpen, dat een ander haar anders inziet.
       Juridisch gezien was de vraag of de staat dat zomaar mocht doen, en of hier geen wederzijdse toestemming voor nodig was. Welk recht is hier geldig? Als schuldenaar heeft de Staat of Souverein niet te gebieden. Hij is, ten aanzien zijner schuldeischers, bijzonder persoon, in geene andere dan privaatregtelijke betrekking. Het kan zijn dat de staat om financiële redenen genoodzaakt was hiertoe over te gaan. Maar als dat het geval is, zegt Thorbecke, dan moet men niet langer pretenderen een rechtsgrond voor deze eenzijdige verandering van voorwaarden te hebben.
       Thorbecke is niet zo blij met de toon van dit geschrift, maar dat neemt niet weg dat men de inhoud serieus moet nemen, ook de regering. Maar haar houding is er niet naar: Zoolang men achter elk afkeurend oordeel eenen vijand of mededinger vermoedt; zoolang men zijne zaak met andere middelen, dan door overwigt van kennis en verstand, zoekt te dekken, zal men voeden, wat men bestrijdt.

       In 1843 verscheen een stuk naar aanleiding van een boek van J.H. van Rechteren, over een Vereenvoudigde huishouding van staat. Thorbecke stemt in met het idee van Van Rechteren om de staatsfinanciën fundamenteel te reduceren, en niet te doen zoals de Tweede Kamer, die over elk artikel en onderdeel, of het niet wat minder zou kunnen, met den minister dingt. Als er bezuinigd moet worden, is dat het uitgangspunt, en op grond van de beschikbare middelen moet bezien worden wat mogelijk is.
       In het tweede deel van dit artikel verbreedt Thorbecke dit thema, en zegt dat iedereen die het goed meent met ons land, uitkijkt naar hervorming onzer instellingen, van de Grondwet tot op de laagste trappen der administratie. Dus algemene hervormingen zijn nodig, niet alleen financiële. Maar het gebeurt niet. Waarom? Wij waren nooit, hoe gaarne wij er den schijn van aannamen, zeer sterk ons zelven de wet te geven; wij lieten ons haar door de omstandigheden of van buiten opdringen; of behielpen ons met overwegen en niets doen. Hetgeen men ons in het gebied der wetenschap verwijt, dat wij ophoopen, en niet voortbrengen, schijnt ook in het Staatswezen ons gebrek. De regering wacht op geleide, slaat noten aan zonder een akkoord te grijpen, maar wie anders zal het initiatief kunnen nemen? En dan sluit Thorbecke af met een bijna wanhopige verzuchting: een herziene grondwet zou een prikkel kunnen zijn om ons zelven te helpen. Of zijn wij een oud wrak, dat zijn herstel of zijne ontbinding van vreemde hand wacht? De Hemel vinde ons beter lot waardig.

       Tevens uit 1843 stamt het korte stuk over Dijk- en Polderzaken, naar aanleiding van de Brief aan den Hooggeleerden Heere Mr. J. R. Thorbecke van A.G. Brouwer. Thorbecke wil niet reageren op het boek van Brouwer, maar wil wel van de gelegenheid gebruik maken om eenige regtsvragen over het gewigtig onderwerp aan te stippen. Men doet er verkeerd aan dit woord gewigtig te interpreteren als een beleefdheid jegens de auteur van de Brief. Thorbecke was in dit soort zaken oprecht geïnteresseerd.
       Het betreft hier vijf punten, met name het 'eigendom' van dijken betreffende. Een poldergemeenschap kan niet naar eigen goeddunken beschikken over haar dijken, omdat deze een algemeen belang dienen. Er bestaan dan ook verplichtingen ten aanzien van het onderhoud, van hogerhand opgelegd, waaraan de leden van de poldergemeenschap zich niet mogen onttrekken.
       Naar aanleiding van deze 'polderzaken' is het misschien aardig op te merken, dat Thorbecke al gesproken heeft over de droogmaking van de Zuiderzee. (Parlementaire Redevoeringen, deel V, p. 840). Hij geeft in 1865 als minister te kennen dat onderzoek ertoe neigt dat dit nu technisch mogelijk is geworden. Zoals bekend is de afsluitdijk pas 67 jaar later tot stand gekomen.


       In 1846 verscheen een stuk over enkele Juridische vragen de kerk betreffende. Ook hier gebruikt Thorbecke de term gewigtig om het belang van het onderwerp aan te duiden.
       Binnen de hervormde kerk gold de regel, dat als een lid tot een bepaalde functie gekozen werd, hij deze diende te accepteren, op straffe van een boete van 100 gulden (de uitkoopsom). In Zutphen deed zich het geval voor, dat de persoon die gekozen was tot diaken, deze functie weigerde te aanvaarden, en vervolgens ook weigerde de opgelegde boete te betalen. Naar aanleiding van het hieruit ontstane geding wil Thorbecke enkele juridische kwesties aanstippen.
       De gedaagde werd in het ongelijk gesteld, omdat hij immers, als lid van de hervormde kerk, de hierbij behorende condities geaccepteerd had. Volgens Thorbecke klopt dit niet. 'Lidmaatschap' van een kerk is niet hetzelfde als lidmaatschap van willekeurig welk ander zedelijk lichaam. Men kan hier namelijk niet spreken van een vrijwillige acceptatie van de voorwaarden van toetreding: ten eerste kan iemands geweten hem 'dwingen' lid te worden van een bepaalde kerk, ten tweede is er maar één hervormde kerk, er bestaat dus geen keuzemogelijkheid.
       Verder bestaat er een zichtbare en een onzichtbare kerk (d.w.z. de inwendige kerk, het geloof, en de uitwendige kerk, het genootschappelijk leven van de kerk). Dit onderscheid is juridisch van belang; rechtsvragen zouden slechts betrekking mogen hebben op die uitwendige kerk. Maar dat gebeurt in het onderhavige geval niet: rechters, pleiters en openbaar ministerie (de zaak is ook in hoger beroep voorgekomen) nemen aan dat iemand op grond van een belijdenis bijvoorbeeld, lid is van de uitwendige kerk, dus op grond van een handeling die tot de inwendige kerk behoort. Terwijl hiervoor eigenlijk een burgerlijke handeling nodig zou zijn.
       Op de vraag of de kerk het recht had deze boete op te leggen, antwoordt Thorbecke ontkennend. Daar waar de rechter zegt dat de boete slechts een clausule betreft, bedoeld ter naleving van de contractuele verplichting, is er volgens Thorbecke sprake van een straf. Omdat deze verbintenis niet voortkomt uit een overeenkomst tussen gelijkwaardige partijen, mag men niet, zoals de procureur-generaal doet, zeggen dat het individu niet bevoegd is op te komen tegen eigen toestemming. Thorbecke vergelijkt het met iemand die de rechtvaardigheid van een bepaalde wet, door de staat uitgevaardigd, betwist. Dat is de situatie waarmee het onderhavige geval kan worden vergeleken, en dat is volgens de procureur-generaal toch ook toegestaan?
       Als deze boete een straf is, dan moet deze vervolgens op een wet gebaseerd zijn, wil de rechter er iets mee kunnen. In dit geval is dat des te noodzakelijker, daar anders deze kerk net zo goed 1000 in plaats van 100 gulden boete kan opleggen, en expres leden kan kiezen van wie ze zeker is dat ze zullen weigeren, om zo de kerkkas te spekken.
       Naar aanleiding van de juridische betwistbaarheid van de Reglementen op de administratie der kerkelijke fondsen en de kosten van de eeredienst bij de hervormde kerk van 21 juli 1821, waarop de rechter zich beriep, besluit Thorbecke met te zeggen: Mijn hoofddoel bij dit advijs is, de vraag aan te bevelen, of niet onze begrippen en onze wetgeving ten opzigte van zedelijke ligchamen velerlei ontwikkeling dringend eischen.


RUTGER JAN SCHIMMELPENNINCK

       Iets bekender is het stuk naar aanleiding van het verschijnen van twee boeken, één over raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck, het andere over de letterkundige Samuel Iperuszoon Wiselius. Dit stuk uit 1846 is bekend gebleven omdat Thorbecke het later heeft opgenomen in zijn bundel Historische Schetsen.
       Al is het stuk ogenschijnlijk een recensie van de genoemde boeken, bijna twee derde van deze tekst gaat over de toestand van Nederland in de Bataafs-Franse tijd. Hierin vecht Thorbecke de traditionele visie op de gebeurtenissen uit deze periode aan. Invloed hebben deze twee artikelen echter op onze historiografie niet uitgeoefend, want het beeld der concilianten handhaafde zich tot in de tweede helft van de twintigste eeuw. Aldus C.H.E. de Wit in: Thorbecke en de wording van de Nederlandse natie, waarnaar verwezen wordt voor verdere historische achtergrond bij dit en het volgende atikel. (Concilianten: de historici volgens wie gematigde patriotten of moderaten (o.l.v. Schimmelpenninck) zich zouden hebben verzoend met de orangisten, in 1801, om onze revolutie te nationaliseren, en zo 'jacobinisme' bij ons te voorkomen.)

       Thorbecke benadrukt de passiviteit van Nederland, dat zich verschool achter de vermeende agressiviteit van de Fransen, maar: de gewapende vreemdeling viel de aanhangers van het oude veel minder hard, dan de vorige overheid de voorstanders van nieuwigheid. Daar waar de Franse revolutie middels veel nieuwe wetgeving in ieder geval voor een nieuw soort staat en een nieuw elan heeft gezorgd, gebeurt in Nederland het volgende: Het geslacht der bedachtzame burgervaderen, niet zoozeer gemaakt voor publieke betrekking, als overtuigd, dat de posten voor hen en de hunnen waren gemaakt, werd andermaal meester. Natuurlijk was het ontbreken van geweld in ons land een geluk, maar dit heeft een schaduwzijde: Dat (..) dolken, bloed en lijken slechts in onze woorden voorkwamen, was een geluk; doch ook in andere opzigten verschilden spreken en handelen eene hemelsbreedte, en voerden wij met grooten omslag niet of weinig uit. En er was ook niet één man die het land op sleeptouw kon nemen, want: wij sloten ons niet gaarne aan; en vooral niet aan eene bewegende kracht.
       Ook bij de feitelijke bespreking van de boeken aangekomen houden Thorbeckes wisecracks over ons karakter niet op. Nadat hij heeft opgemerkt dat gedenkschriften of biografieën bij ons spaarzaam zijn, geeft hij als verklaring: Wij verbergen niet enkel voor den tijdgenoot, maar ook voor de nakomelingschap. Wij duchten het licht; het zou iemand kunnen krenken.

       Relevant in een heel ander opzicht is dit stuk ook, daar waar Thorbecke zich uitlaat over de stijl. Dit is zoals hij de stijlontwikkeling in zijn tijd karakteriseert:

Mag ik ten slotte een woord over den stijl der beide werken in 't midden brengen? In ons proza is sedert eenigen tijd nieuws ingedrongen. (...) wij zijn de preek, zoolang rigtsnoer van onzen stijl en grootmoeder onzer welsprekendheid, niet meer uitsluitend getrouw. Verscheidenheid van vormen en uitdrukking wordt beproefd. Wij pogen minder dof en mat, dan voorheen, te schrijven; wij trachten naar kleur en toon; slordige spraak vindt niet meer zoo ligt genade, als vroeger; voor eene wijde, omslagtige, over de verschillendste onderwerpen in dezelfde plooijen gespreide rede wordt juiste, eigenaardige voorstelling verkozen. Spreken, in 't publiek meer geoefend, en schrijven komen nader tot elkander. De losheid van het verhaal en der beschaafde zamenspraak begint in geschriften over te gaan.

       Thorbeckes eigen stijl is en was niet naar ieders smaak. Hij was zich daarvan bewust, maar hield wel vast aan zijn eigenaardigheden. Getuige bijvoorbeeld dit brieffragment van 31 mei 1843, gericht aan de redactie van De Gids: Ik zal mij aan de Redactie zeer verpligt achten door den nauwkeurigsten afdruk van nevensgaande proef. Het ware mij ook aangenaam, zoo de Redactie kon goedvinden, mijne verkortingen en andere blijken eener eigenzinnige schrijfwijze voor mijne rekening te laten. Daar het opstel is onderteekend, kan er geen twijfel zijn over den schuldige. (Briefwisseling Thorbecke, Deel IV, brief 299).
Mogelijk had de redactie van De Gids moeite met constructies als:

               Voor Wiselius en die van zijne denkwijs
of:
              Wij zijn van den weg, met weinig veel te doen

waarbij iets bedoeld wordt als: wij zijn van de weg geraakt.

Men kan ook denken aan de brieven uitgewisseld met Jacob Geel, waarin zij zeer gedetailleerd elkaars artikelen bespreken, en Geel een zinsconstructie als:

              voor die de dag nacht schijnt

afkeurt, zeggende dat hij zelf geschreven zou hebben: voor hen, wien de dag nacht schijnt. (Briefwisseling Thorbecke, Deel III, brief 121). Maar in diezelfde brief zegt Geel ook: Schrijf, in 's hemels naam, meer! Want de precisie van Uw stijl kan een model worden.
Precisie en bondigheid kan men inderdaad als doel onderkennen in Thorbeckes stijl, maar dat kan niet meer gezegd worden van dit citaat over Napoleon, waarbij de naamval duidelijk moet maken wat het lijdend voorwerp is, en niet de plaats in de zin:

               Men moet zijne gedachte of zijn plan niet zoeken in de hartstogtelijke, wilde uitvallen, waartoe dezen buitengewonen geest, vooral in later jaren, tegenwerking zoo vaak vervoerde.


       Het laatst verschenen artikel (1848) is een recensie van twee boeken, over Karel Hendrik Ver Huell en over Rutger Jan Schimmelpenninck, ook later opgenomen in de Historische Schetsen.
       Het boek over Karel Hendrik Ver Huell wordt redelijk positief beoordeeld. Het is de moeite waard te zien hoe positief Thorbecke zich hier uitlaat over Napoleon, die hij volkomen gelijk geeft dat het instellen van een monarchie in Nederland de enige mogelijkheid was; hij roemt Napoleons streng logisch verstand. En van de inlijving van ons land bij Frankrijk zegt hij: Hetgeen de inlijving ons schonk, is nog op dit oogenblik van méér beslissenden, doordringenden invloed op ons Staatswezen, dan al wat wij in constitutionele en andere regeling sedert 1813 oorspronkelijks tot stand bragten. Als we dit zien is duidelijk dat Thorbecke een lange weg heeft afgelegd sinds de tijd dat hij als 17-jarige jongen berichten doorkreeg van de slag bij Waterloo, en zijn ouders schreef: zoodat het nu schijnt, of wij elkander weldra met den ondergang van dien Tyran zullen kunnen gelukwenschen, en 3 dagen later: Ware de tyran doorgedrongen en hadde Brussel bereikt (...) God weet, welke de gevolgen zouden zijn geweest. (Thorbecke-archief, Deel I, brief 56 en 58, 21 en 24 juni 1815.)
       Het tweede boek evenwel wordt neergesabeld. De schrijver ervan, M.C. van Hall, had zich gestoord aan Thorbeckes artikel uit 1846 over Schimmelpenninck (bovenstaand), waarin naar zijn mening niet genoeg eerbied jegens Schimmelpenninck betoond werd. Schitterend is het volgende fragment: De Heer van Hall zoekt eene bijzondere bevestiging der verdienste van Schimmelpenninck in de omstandigheid: ‘dat hij eene uitzondering is gebleven op den zoo dikwerf herhaalden regel, dat een profeet niet wordt geëerd in zijn vaderland’. De Heer van Hall vergunne, dat ik aan het bestaan van dien regel bij ons twijfel. De nederlandsche profeten kunnen zich, dunkt mij, over gebrek aan vereering in hun vaderland niet beklagen. Verder betwist Thorbecke op bepaalde punten het belang dat de schrijver aan het optreden van Schimmelpenninck toekent, en hij ziet de bui dan ook al hangen: Het is te duchten, dat men in deze kritische vragen (...) niet zal zien een verlangen naar het licht, dat zoo iemand als Graaf Schimmelpenninck ons moet kunnen schenken, maar gebrek aan welwillendheid, of de hemel weet welke geheime vijandige drijfveer.






1848


RONDOM DE GRONDWET

In maart 1848 draaide Koning Willem II, danig geschrokken van de politieke woelingen in het nabije buitenland, als een blad aan de boom om: hij vond nu opeens een fundamentele wijziging van de grondwet noodzakelijk. Hij benoemde hiertoe een commissie, waarvan Thorbecke voorzitter werd.
Ter nadere verklaring, uit het Koninklijk Besluit van 17 maart 1848:

Wij Willem II (...) Hebben besloten en besluiten:
1° Eene Commissie in te stellen, om, met overweging van de wenschen der Tweede Kamer van de Staten-Generaal, aan ons een volledig ontwerp van Grondwetsherziening voor te dragen, en om Ons tevens derzelver denkbeelden omtrent de zamenstelling van een Ministerie mede te deelen.
2° tot leden van gemelde Commissie te benoemen de Heeren:

Mr. D. DONKER CURTIUS.
Mr. J. M. DE KEMPENAER.
Mr. L. C LUZAC.
Mr. L. D. STORM.
Mr. J. R. THORBECKE.



Het voorstel is door Thorbecke op schrift gesteld, en zijn invloed op de inhoud was zeer groot, maar enkele punten heeft hij er niet door kunnen krijgen: Thorbecke

- had de Eerste Kamer af willen schaffen;
- had de Staten-Generaal meer bevoegdheden willen toekennen voor het bestuur der koloniën;
- had de financiële steun aan kerkgenootschappen willen afschaffen.

Desniettemin ging dit voorstel velen in het parlement te ver. Toch is het door de Tweede en Eerste Kamer geloodst, door het kabinet Donker Curtius / De Kempenaer; dit is gebeurd niet in de laatste plaats dankzij de volhardende aandrang van Willem II. Deze houding van Willem II blijft verbazingwekkend; het verslag van de commissie windt er namelijk geen doekjes om dat er nogal wat mis is met het bestuur van het land:

De Grondwet heeft staatsburgerschap, de eerste drijfveer onzer eeuw, zooveel zij kon, laten slapen. Om hartstogt te mijden, brak zij de ziel. De burgerij had tot hiertoe het besef, dat zij mederegeerde, niet.

Ziehier dit VERSLAG DER COMMISSIE.




DAGVERHAAL AAN ADELHEID

Een heel ander aspect was hoe Thorbecke de samenwerking met zijn mede-commissieleden heeft ondergaan.

Ik moet uit alles besluiten, dat hun voorname toeleg, onder aanvoering van Kempenaer is geweest, mij weder buiten het spel te brengen, en inzonderheid te beletten, dat mij eenig ministerie te beurt viel. (..) met deze inderdaad onbekwame, jaloersche, kuipzieke, zwakke en valsche menschen zou ik toch hoogstwaarschijnlijk niet langer dan eenige dagen hebben gezeten.

     In 1903 publiceerde Thorbeckes zoon in De Gids dit zogeheten DAGVERHAAL AAN ADELHEID; het is het door Thorbeckes vrouw Adelheid uit zijn mond opgetekend verslag van de gebeurtenissen in de eerste helft van maart / tweede helft april 1848.

Adelheid Solger







  (Afbeelding ontleend aan:
  THORBECKE
  Brieven aan zijn verloofde
  en aan zijn vrouw

  Amsterdam, 1936).


Vanuit Thorbeckes perspectief waren er nu op twee momenten belangrijke concessies gedaan aan zijn oorspronkelijke ideeën: ten eerste in de commissie, waarin hij niet op alle onderdelen zijn zin had gekregen, en vervolgens in de kamer, waar wederom veranderingen waren aangebracht. Thorbecke schrijft nu nog zijn Bijdrage tot de herziening der grondwet om zijn oorspronkelijke opvattingen nader kenbaar te maken.

     Hij laat hierin een korte, typerende, verantwoording vooraf gaan aan de behandeling van de feitelijke artikelen, waarin hij zich uit over het fenomeen 'inschikkelijkheid', dat hem niet boven bedenking schijnt:

     Het ontwerp der Commissie v. 17 Maart, eene nieuwe uitgaaf van het voorstel van 1844, week in sommige wezenlijke punten af van de gronden, waarop, volgens mijne overtuiging, de Staatsregeling moest worden gevestigd; het ontwerp, door de ministers aan de Statengeneraal voorgedragen, wijkt in onderscheidene deelen nog verder af. Men heeft mijn advijs en mijne ketterijen over de Grondwet zoo vaak welwillend ontvangen; men zal het ook thans doen, nu weldra de laatste hand zal worden gelegd aan een werk, dat mij langer en gestadiger, dan iemand, bezig hield.
     Hetgeen van vele zijden, ten aanzien der groote vragen van den dag, wordt verlangd, dat men inschikkelijk zij, dat men, zoo als het heet, zijn gevoelen ten offer brenge op het altaar des vaderlands, schijnt mij niet boven bedenking. Ieder zal dat verzoek met gelijk regt aan den ander doen; en wat zal er, na die wederzijdsche offeranden, overig blijven? Indien men, om een stelsel aan te nemen, zijn gevoelen, dat is zijne overtuiging, ten offer brengt, waarop rust het aangenomen stelsel? Men vergt van zijn tegenstander, dat hij hetgeen hij onregt, verkeerd of schadelijk acht, goed vinde en helpe invoeren. Al verkreeg men dit, welke beteekenis of kracht zou, voor de oprigting van een nationalen Staat, eene zege hebben, die men alleen aan laffe toegevendheid te danken had?


     Vervolgens verdedigt hij zich tegen eventuele verwijten dat hij nu als individu spreekt, en niet meer de mening van zijn commissie verwoordt:

     Bij het uiten van het eerste woord over mijne benoeming in eene Commissie tot herziening der Grondwet, verklaarde ik, benoemd, te zullen aanvaarden onder voorwaarde van het behoud der vrijheid, die ik nu ga nemen. Al behoor ik met hoofd en hart tot het kamp der hervormers, al is het ontwerp over het algemeen mijn voorstel, dit mag mij, geloof ik, niet weerhouden, de verbetering aan te wijzen, die onderscheidene stukken, mijns inziens, volstrekt eischen.

     En hij besluit dit geschrift met deze alinea, waarin hij herhaalt dat het vaststellen van een nieuwe grondwet geen kwestie van handjeklap mag worden:

     Men zal zich, hoop ik, over mijn doel niet willen bedriegen. De Commissie heeft zich, als eenheid, verantwoord door openbaarmaking van haar ontwerp en verslag. Ik meende, daarenboven eene individuële rekenschap te zijn verschuldigd; persoonlijke rekenschap zoo men wil, doch rekenschap inzonderheid van beginselen of begrippen. Ik onderwerp die aan beter politisch verstand. Dit toch, en niet politische toegevendheid, zal de gronden onzer hervorming moeten leggen. Ik althans kan noch gelooven, dat het een geluk is, zoo Gouvernement en Vertegenwoordiging eene Staatsregeling beramen, gelijk twee procureurs eene dading treffen: noch dat het burgerpligt is, de oogen te sluiten of aan te nemen hetgeen men afkeurt; noch durf ik mij vleijen, dat hetgeen heden, bij den eersten aanleg, wordt gemist of verzuimd, morgen, bij den opbouw, zal kunnen worden vergoed.





DE GRONDWET VAN 1848

Voor de uiteindelijke tekst van de Grondwet van 1848, zie Wikisource.


Het is niet Thorbecke geweest die als minister de nieuwe Grondwet door de kamer heeft geloodst. Het was het kabinet Donker Curtius (Justitie) / De Kempenaer (Binnenlandse Zaken) dat dit deed: Thorbecke was "gepasseerd" als minister, zijn wij geneigd te zeggen, maar voor de tijdgenoten moest nog maar blijken dat deze onbuigzame professor in staat was als praktisch politicus op te treden.
     Er is ook wel gezegd (o.a. door I. J. Brugmans in zijn Thorbecke uit 1932) dat juist doordat Thorbecke op dit moment geen minister was, de grondwet ingang heeft weten te vinden: hijzelf zou niet berust hebben in de concessies die nodig waren om de grondwet geaccepteerd te krijgen.

     Toch bleek Thorbecke ook weer niet zo onbuigzaam, dat hij zich nu verder niet meer met de politiek wilde bemoeien. Het kabinet Donker Curtius / De Kempenaer viel al snel en op 1 november 1849 treedt het eerste kabinet Thorbecke aan. Een aantal jaren later vatte Thorbecke de situatie van toen aldus samen:

Zeldzaam werd eene taak, als die waarvoor het Ministerie van den 1en November 1849 opkwam, bij gunstiger openbare stemming aanvaard.

Maar het Nederlandse conservatisme maakte dat het niet gemakkelijk ging:

Natuurlijk ontbrak tegenspraak niet en het minst stille wederstand. Tegenover moed stond vrees. Allerwege heeft een ministerie van hervorming op verzet, meer dan op medewerking te rekenen; onder ons bovenal, waar overlevering en gewoonte breede wortels hebben.
Men begreep nu, dat de verandering grooter zou zijn dan die der Grondwet zelve, want dat deze ernstiger en dieper dan men had gedacht, zonder ommekeer, uitvluchten of transactie, met eene oprechtheid die soms voor het tegendeel van politiek doorgaat, in het leven gebracht zou worden, hield men voor zeker. Hoe sterker de stroom der nieuwigheid, des te zorgelijker.







1860


ANTON REINHARD FALCK

Met Anton Reinhard Falck (1777-1843) was Thorbecke al bekend geraakt tijdens zijn studietijd. In de tijd dat hij in Duitsland verbleef, en leefde met de hoop op een leerstoel in de filosofie aan een Nederlandse universiteit, stuurde hij verslagen van zijn bevindingen aan onder andere Falck, die toen minister van onderwijs was, en in wie hij zijn beschermer zag. Falck zelf was ook geïnteresseerd geweest in filosofie en had ook een studiereis door Duitsland gemaakt tijdens zijn jeugd.

        Over diens in 1857 verschenen correspondentie schreef Thorbecke een 'recensie', maar het artikel handelde meer over de toestand van de Nederlandse politiek tijdens het leven van Falck, alsmede de positie van Willem I. Zo benadrukt Thorbecke de gevolgen van het (toenmalige) ontbreken van ministeriële verantwoordelijkheid:

        Zelfs onze eerste mannen hielden ministeriële verantwoordelijkheid en de daaruit voortvloeijende pligten niet voor een algemeen beginsel van politieke zedelijkheid, maar voor eene staatkundige uitvinding, voor een bestanddeel van eene bepaalde theorie of constitutie, welke de onze niet was; voor eene nieuwigheid, strijdig met onze zeden en gewoonten. Men begreep niet, hoe, wanneer de Koning bevoegd ware om te beslissen en te bevelen, hij die gehoorzaamde en uitvoerde voor het besluit of bevel aansprakelijk kon zijn, meer dan de regter, die zelfs eene dwaze wet toepast, of de krijgsman, die zelfs een wreed gebod volbrengt.
        De rollen waren omgekeerd. Koning Willem I had het initiatief en de vasthoudendheid van een minister; de vorstelijke deugd van resignatie liet hij aan zijne ministers over.

        Ook ontbreken sommige door Thorbecke waargenomen karaktertrekken van zijn landgenoten niet:

        Hij [Falck] schrikte ook niet af door de nederlandsche zwaarmoedigheid, die, onder overweging van het voor en tegen, in een cirkel draait om te eindigen waar men begon.

        Ook daarin plegen wij de bescheidenheid van den bijzonderen omgang te betrachten; waarbij men zich in iemands zaken noode mengt, en niet gaarne onaangename dingen zegt.

        Mooi is de term "ironische gelatenheid" waarmee hij Falck karakteriseert:

        Falck inzonderheid, die, bij alle getrouwheid aan eigen overtuiging, zich weinig moeite gaf om die veld te doen winnen. Hij bezat te veel ironische gelatenheid, om op eene erkende waarheid, die hij voor zich zelven vasthield, met volharding aan te dringen.

        Falck was al voorstander van een vereniging met België in 1813, zo blijkt uit de brieven, en verrassend voor Thorbecke was het om bij lezing te ontdekken dat Falck hierover regelmatig contact had met de hoogleraar klassieke letteren in Amsterdam, van Lennep, bij wie Thorbecke zelf gestudeerd had aan het Athenaeum Illustre. Wie vermoedde, bij het wellustig genot van classieke studien en poezij, dat van Lennep door alle aderen ging, zóóveel levendigheid van politieke deelneming, als hier uit Falck’s antwoorden, gedurende eene reeks van kritische jaren, zigtbaar wordt?

        Ziehier dit stuk naar aanleiding van het verschijnen van de correspondentie van ANTON REINHARD FALCK




PARLEMENTAIRE REDEVOERINGEN


     Vanzelfsprekend kwam, toen de politiek voor Thorbecke een full-time bezigheid werd, een einde aan zijn hoogleraarschap (op 18 januari 1850 nam hij ontslag in Leiden), en ook aan zijn buitengewoon gevarieerde schrijverschap, zoals dat hopelijk tot uitdrukking is gekomen in alle hier opgenomen teksten. Van deze laatste periode stammen (behalve bovenstaand artikel over Falck) nog zijn Parlementaire Redevoeringen, die deels door hemzelf, deels na zijn dood door G.G. van der Hoeven zijn uitgegeven.
De eerste vier, en het zesde deel van de door hem zelf uitgegeven serie zijn beschikbaar op Google Books:
Deel I: 1840-November 1849,   Deel II: Nov. 1849 - Sep. 1850,   Deel III: Feb. 1862 - Sep. 1863 en   Deel IV: Sept. 1863 - Sept. 1864, Deel VI: Sept. 1865 - Feb. 1866.




1869


NAREDE

Aan de uitgave van het laatste deel van de door hemzelf uitgegeven Parlementaire Redevoeringen voegde Thorbecke een NAREDE toe, het nawoord waarin hij zijn visie geeft op, en een verdediging van, de Nederlandse constitutionele monarchie, zoals hij die in 1869 twintig jaar lang heeft (mee)gemaakt als minister en als lid van het parlement.


Is het alleen de vraag, wat het volk of de meerderheid wil,
dan vervalt de vraag naar hetgeen regt, waar, goed en uitvoerbaar is.





1872


HERDENKINSGARTIKELEN  

Na Thorbeckes overlijden op 4 juni 1872, verschenen vanzelfsprekend talloze herdenkingsartikelen in Nederland. Het besef van een groot verlies was wijd verspreid. In de woorden van S. Vissering in De Gids: De dagen der eerste diepe verslagenheid over zijn verscheiden zullen voorbij zijn wanneer deze regelen gelezen worden. Maar de dagen van rouw zullen nog niet zijn geweken. En de dagen van bekommering zullen wellicht pas zijn aangebroken.

    Ziehier dit mooie In Memoriam uit De Gids over deze man van het kernachtige woord, niet van de phrase; een man van de krachtige daad, niet van de onvruchtbare bedrijvigheid. De man die onzen wetsstijl heeft geschapen. De onverstaanbare breedsprakigheid, waarin zich de stellers onzer staatsstukken plegen te vermeien, werd onder zijne hand besnoeid tot een laconisme, dat hem door sommigen als overdrijving naar den anderen kant werd toegerekend. Men verweet hem gewrongenheid en gezochtheid. Maar van hem gold ten volle het woord, dat de stijl de man is.


    Maar ook in het buitenland werd aandacht aan zijn overlijden besteed. In Duitsland in 1874 in de Preußische Jahrbücher, maar nog in het jaar van Thorbeckes overlijden publiceerde Albert Réville in de Revue des deux Mondes, dat toen rond de 16.000 abonnees telde en ook buiten Frankrijk veel werd gelezen, een beschouwing over Thorbecke en de politieke ontwikkelingen in Nederland.
    Albert Réville (1826–1906) was een Fransman die van 1851 tot 1872 predikant van de Église Wallonne te Rotterdam was. Het is tijdens die periode dat hij zijn kennis over de situatie in Nederland heeft opgedaan.

Albert Réville



        Hij is goed ingevoerd. Niet alleen kent hij Thorbeckes geschriften, en ziet hij de constante lijn in zijn opvattingen: Zijn hele politieke carrière in ogenschouw nemend, zie je dat het in feite de jonge filosoof is, die de staatsman tot leven geroepen heeft, en die hem steeds begeleid en gestuurd heeft, maar ook heeft hij via diens zoon inzage gehad in Thorbeckes nalatenschap. Verder kent hij Bilderdijk en de ontwikkelingen die hebben geleid tot de Belgische afscheiding.

        Réville ziet het Nederland van vóór Thorbecke als een 'in feite' liberaal land, dat alleen nog niet de bijbehorende grondwet en instellingen had. Hij schetst de aanvankelijke populariteit van Willem I, en de langzame afkalving daarvan: Hij had het idee zelf liberaal te zijn, maar trok daar al te gemakkelijk de conclusie uit, dat de belangen van het liberalisme samenvielen met zijn persoonlijke belangen. Dit leidde niet tot opstandigheid, omdat er een soort politieke apathie heerste na afloop van de Franse overheersing, en ook omdat veel persoonlijke vrijheden nog bestonden, hetgeen in Nederland belangrijker werd geacht dan fundamentele politieke hervormingen. Dan gaat hij over tot het beschrijven van Thorbeckes politieke activiteit, te beginnen met de publicatie van zijn Aanteekening op de grondwet.
        Hij belicht het unieke hiervan: een dor en nuchter geschrift, zonder enige opruiende toon, bewust monotoon gehouden. Een dergelijk boek kon alleen in Nederland aanslaan, overal elders zouden mannen van Thorbeckes statuur achter impulsieve volksbewegingen aanlopen, maar niet in Nederland. Hier moest, om te kunnen aanslaan, een politieke hervorming juist weloverdacht en van te voren bestudeerd zijn.

        Maar niet iedereen in Nederland is blij met Thorbecke; zeer raak is de volgende typering, waarin hij Franse conservatieven afzet tegen hun Nederlandse collega's:
        De conservatieve partij bestaat uit eerbiedwaardige mannen, liberaal zolang het theoretische beginselen betreft, maar weinig geneigd ze ruimte te geven in de praktijk. (...) Ze zijn niet te vergelijken met onze 'légitimistes', aanhangers van het goddelijk recht, en nog veel minder met hen die nog heil zien in de oude feodale privileges.
        In Nederland is de adel te gering in aantal en in middelen om als aparte klasse een rol te kunnen spelen. Men moet ze meer zien als afstammelingen van de burgerlijke aristocratie, die zo veel macht had de laatste twee eeuwen onder de republiek. Zij zouden er bijvoorbeeld niet aan moeten denken de regering in handen te zien van Groen van Prinsterer en zijn ultra-royalistische aanhangers, ze willen slechts dat er geen nieuwelingen aan de macht komen, afkomstig uit de lagere klassen, maar dat de macht in handen blijft van de beproefde oude garde. Het zijn mannen 'comme il faut', enigszins beperkt in hun visie, die zich zonder al te veel problemen neerleggen bij eenmaal doorgevoerde hervormingen, ze uiteindelijk zelfs uitstekend achten, maar zich altijd met alle macht verzetten tegen het invoeren van hervormingen. Als ze aan de macht zijn, zijn ze altijd meer op behoud dan op verandering gericht.
        Het is het type dat men aantrof en aantreft in de oude republieken als Genève, Basel, Frankfurt, Hamburg e.d., overal waar een rijke burgerij van vader op zoon bestuursfuncties vervuld heeft.


        Maar ook verder is hij goed op de hoogte van de voetangels en klemmen in de Nederlandse politiek; zo heeft hij het bijvoorbeeld over de bijna religieuze verering van het Oranjehuis door de Nederlandse bevolking; verder stelt hij dat Thorbecke niet bepaald vooruitstevend is geweest ten aanzien van de koloniale kwestie; en hij zegt dat Thorbecke de April-beweging in 1853 niet heeft zien aankomen, omdat hij het verschil tussen een supra-nationale godsdienst als het katholicisme en de andere christelijke godsdiensten, voor zover dit impact heeft op een politiek waarin de scheiding van staat en kerk is doorgevoerd, had miskend.

        Opmerkelijk is verder dat Réville een fédération européenne reeds als cette grande idée de l'avenir betitelt, en curieus is dat hij de naam waaronder Thorbecke bekend stond bij zijn studenten, Thor, associeert met de Germaanse godheid van die naam (waarbij Thor een gewone hamer hanteert, en Thorbecke de voorzittershamer?).

Ziehier het stuk: ALBERT RÉVILLE over Thorbecke.







DOORZOEK deze site:







ANDERE WEB-SITES:







Thorbecke

Geen reeks van geslachten plaveide zijn pad.
Hij steunde op ´t geloof van geen kerk.
´t Was zelf zich-verworven al wat hij bezat.
Hij, vader en zoon van zijn werk.

H.J. Schimmel (1876)                




REACTIES

Klik Hier indien U de linker kolom niet ziet.

Voor suggesties of vragen kunt U een e-mail sturen.
Bij voorbaat dank voor Uw reactie,

                                                                   Don Janssen.


U bent bezoeker nr :




eXTReMe Tracker