ÿþ<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Frameset//EN" <html> <head> <title> Thorbecke</title> <style type ="text/css"> span {font-size: 12pt; } p {margin: 3%;} </style> <span> <h2 align = center> Thorbecke volgens C.W. de Vries</h2> <hr width = 100% size = 4 noshade> <br> <br> </head> <body bgcolor="#D0DEDB" lang=NL> <font color = 'black'> <p> &#160; &#160; &#160; &#160;<b>Bladzijde 23/24</b>: «Thorbecke als mens kennen wij niet. Een portret ten voete uit, kan nog lang niet worden geteekend. (...) Wij kennen zijn traditioneele stroefheid of onvriendelijk gezegd: zijn houterigheid. Wij kennen zijn hooghartigheid, zijn eigengereidheid, zijn zin voor «organiseerend verstand», zijn onverzettelijkheid, zijn emotie. (...) Maar dan die onaangename stugheid? Onttrekt een vreeslijk geheim Thorbecke aan onze waarneming? Er is stellig een omslag in Thorbecke's leven (...) Zij (<i>zijn zoons Rudolf en Herman</i>) zouden in 1851 en 1853 den leeftijd bereiken voor de verdere schoolopleiding. Maar daarvan kwam niets terecht. Is toen de glimlach voorgoed weggegleden? De historieschrijver denkt niet aan schuld, maar hoe en waarom zijn deze twee jongens uit de burgerlijke maatschappij verdwenen? Waren de jongens een ramp voor de vader of was de vader een ramp voor de twee jongens, die alleen maar anders wilden dan de vader?» <br><br>&#160; &#160; &#160; &#160;<b>Bladzijde 67</b>: «Thorbecke scheidde uit zijn eerste ministerie met onaangenaamheden, zóó als hij de faculteit te Leiden had verlaten, zóó als hij de commissie van 17 Maart 1848 had verlaten ... zóó als twee kinderen hem zullen verlaten.» <br><br>&#160; &#160; &#160; &#160;<b>Bladzijde 28</b>: <i>Naar aanleiding van de volgende uitspraak van Thorbecke in het Verslag der Commissie voor de grondwetsherziening: "De burgerij had tot hiertoe het besef, dat zij mederegeerde, niet. (...) Dat besef wordt door eene echte, eenvoudige vertegenwoordiging in plaatselijke, provinciale en landsregering aan de ingezetenen geschonken", merkt de Vries op:</i> «De aanbeveling is mooi, maar is zij juist? (...) Een kleine groep van de burgerij kreeg het kiesrecht (...) Hoevelen van de kleine groep hadden het besef dat zij «mederegeerden»? En «regeerden» zij mede? Thorbecke liet immers mederegeeren van niemand toe, noch van de Koning, noch van het parlement, noch van de kiezer.» <br><br>&#160; &#160; &#160; &#160;<b>Bladzijde 70</b>: <i>Het royalisme van De Vries (overal in dit boek wordt het optreden van Willem III verdedigd) komt naar voren in de volgende opvatting:</i> «Bij de groote momenten van zijn leven, handelt de mensch spontaan. April 1853 was een hoogtepunt van 's Konings leven. Spontaan had hij, na Thorbecke lang te hebben verdragen en geduld, (...) het ministerie zijn persoonlijk vertrouwen [opgezegd].» <br><br>&#160; &#160; &#160; &#160;<b>Bladzijde 150/1</b>: «Als minister heeft Thorbecke stellig last van de dogmatische inslag van zijn geest. Dogmatisch maakt despotiek. (..) De dogmatische inslag in Thorbecke's geest maakt dat Thorbecke ons Noord-Nederlandsche volk in 1830 niet begreep. (...) Thorbecke's dogmatiek dwingt hem in een positie tegen de Koning, wanneer Thorbecke tegen zijn wil wellicht en in elk geval tegen zijn theorie in, de waarde van het koningschap ondermijnt.» <i>En dan haalt de Vries met kennelijke instemming het volgende citaat aan:</i> «Hoe menigmaal heb ik niet bezadigde menschen, die overigens de groote bekwaamheden van Thorbecke alleszins huldigden, hooren zeggen: hij handelt verkeerd, hij ondermijnt het Koningschap en, indien dit lang zoo moet duren, dan zal de rol van den volgenden Koning geheel tot nul zijn gereduceerd.» <br><br>&#160; &#160; &#160; &#160;<b>Bladzijde 60</b>: <i>Dat Thorbecke nadenkt, en niet 'voelt' is een groot euvel: De Vries staat aan de kant van hen die de armenzorg bij de kerk wilden houden, en tegen Thorbecke's voorstel waren om de staat hiervoor verantwoordelijk te maken.</i> «In September 1852 had Thorbecke, die ons volk in vele opzichten zoo slecht kende, nog niet begrepen, dat zijn ontwerp kansloos was. Thorbecke's rationalisme begreep niets van het "getuigen" tegen zijn ontwerp, dat toch uitging van de "redelijke" gedachte, dat een 'kerkgenootschap een vereeniging is'. (...) Op 13 April 1853 verschijnt nogmaals een tweede vernietigend voorloopig verslag, gericht tegen alle rationalisme van den Minister, die tevergeefs redeneert tegen wat het hart als 'zorg' voor armen gevoelt. (...) Het ontwerp-Armenwet [is] een voorbeeld van Thorbecke's zucht om te regelen, ook wanneer regeling door de wet geen verbetering beloofde.» <hr width = 100% size = 5 noshade> </p> <h4> Terug naar de <a href = 'thorbeckiana.html' target = '_top'> Thorbecke Pagina</a> </h4> <br> </span> </body> </html>