De Kleintjeskamp

De vormgeving van de volkshuisvesting was aanvankelijk een probleem. Er was in 1920 nog geen model voorhanden om goedkoop en goed te bouwen in grote aantallen. De huurkazernes van speculatiebouwers waren niet navolgenswaardig, de verheffing van de arbeider vroeg om een ander beeld. De Kleintjeskamp in Doetinchem (1924, Volkshuisvesting) laat zien dat men de woonvormen voor de gegoede middenklasse als voorbeeld nam: de vrijstaande woning met uitspringende erker. Maar dan wel twee onder één kap en de maten van de plattegrond waren kleiner. Desondanks bood het project een ongekende woningkwaliteit. De woningen waren ook voldoende degelijk gebouwd om, na renovatie, tot op de dag van vandaag gewaardeerd te worden door de bewoners. De Kleintjeskamp staat bekend in Doetinchem om de saamhorigheid van de buurt.

De woningen waren voorzien van een flinke tuin met een schuur zodat er een varken kon worden gehouden. Er was een winkel in de buurt. Het geheel lijkt een uitwerking van de tuindorpgedachte. (De Engelsman Ebenezer Howard propageerde aan het eind van de negentiende eeuw een open bebouwing in kleine dorpen die zelfvoorzienend waren. De Engelse tuinsteden die daaruit waren ontstaan golden als voorbeeldig)

De detaillering van de woningen laat invloed van de Amsterdamse school vermoeden.

De woningwet bleek in de crisisjaren 1920-1935 een last voor 's lands financiën. In de rijksbegroting keldert het budget voor woningwetwoningen in een paar jaar van f 183 miljoen naar f 10 miljoen. Van de weeromstuit werd beknibbeld op de kwaliteit van de woningen. Een woningproject op de nabijgelegen IJkenbult kon als gevolg daarvan de tand des tijds niet doorstaan en moest in de zeventiger jaren worden gesloopt.

 

prentbriefkaart: bron archief Sité

Plattegrond na renovatie in 1976. De keuken is toen ondergebracht in een nieuwe uitbouw met plat dak

 Archief Sité

«  Ambachtelijke kwaliteit

De Delftse school  »