Beter biseks, of het meervoud van homoseksualiteit


Onlangs vierde het Lesbisch Archief in Amsterdam haar tienjarig bestaan. Om het feest nog meer luister bij te zetten had het Archief een loterij georganiseerd en daarvoor had mijn uitgever enkele prijzen beschikbaar gesteld. Het betrof een viertal publicaties die recentelijk bij Schorer Boeken waren uitgebracht, waaronder het van mijn hand verschenen Beter biseks. Op het moment dat de aanwezigen dit boek in de peiling kregen, ontstond er een hels kabaal in de zaal. De voor het jubileum bijeengekomen dames gingen over tot een stampei van je welste en lieten massaal hun afkeuring blijken voor een dergelijk in hun ogen abject geschrift. Wie had het in godsnaam in haar hoofd gehaald, zo viel uit het gejoel op te maken, om nota bene een boek over biseksualiteit in de prijzenkast op te nemen! Hoe kon men het puikje van de lesbische wereld met zo'n wanstaltig product opzadelen! Biseksuelen, dat is toch algemeen bekend, dat zijn de meest onbetrouwbare en verraderlijke schepselen die op deze aardkloot rondlopen! Judassen zijn het, anders niet!

De homo- en lesbische wereld laat zich er graag op voorstaan, hoe vreemd het na deze vermakelijke maar evenzeer ontluisterende anekdote ook moge klinken, dat zij een amalgaam is van allerhande scenes en cultuurtjes. Lag in vroegere dagen het beeld van een op drift geraakt tweestromenland meer voor de hand, tegenwoordig is de idee ingeburgerd geraakt dat we te maken hebben met een bonte lappendeken - we zouden ook kunnen zeggen een regenboogcoalitie - van vrolijke leefstijlen, erotische specialismen en meer of minder perverse voorkeuren. Nieuw is deze gedachte allerminst. Twintig jaar geleden gaven de Amerikaanse onderzoekers Alan Bell en Martin Weinberg al de titel: Homosexualities. A study of diversity among men and women, mee aan hun studie naar de leefwereld van homomannen en lesbiennes.

Toch reikt deze pluriforme instelling waarin diversiteit in alle toonaarden bezongen wordt, zelden zover dat de notoire "dubbeldekkers" van de seksuele betrekkingen, de voornoemde verraders van de echte lesbische liefde, de knusse geborgenheid van het roze front deelachtig mogen worden. Roepen biseksuelen bij lesbische vrouwen bovenal toorn, afgrijzen of in het beste geval ontsteltenis op, in homokring is het eerder regel dan uitzondering om op een meewarig en vooral lacherig toontje over biseksualiteit te spreken. Wie zich erop beroept biseksueel te zijn, hoeft er doorgaans niet op te rekenen als zodanig serieus te worden genomen. Periodieke woede uitbarstingen daargelaten, hebben we het wat homoland m/v betreft in feite over een non-issue.

Hoezeer deze houding in het bewustzijn van de modale gay is ingesleten, werd me duidelijk toen ik enige tijd terug aanwezig was bij een talkshow van RTL4 rond biseksualiteit. Onder de bezielende leiding van presentatrice Maya Eksteen hadden de gasten amper hun zegje gedaan of een eerste telefonische reactie uit het land verwees wat ze zoëven te berde hadden gebracht regelrecht naar het land der fabelen. Al praatten ze als Brugman, zo viel in de woordenvloed van de beller te beluisteren, bij hem ging het er niet in dat hun verhaal ergens op sloeg. Hij liep lang genoeg als homo mee om te weten dat die lui allemaal vroeg of laat de ene of de andere kant zouden verkiezen. Een modegril was dat hele biseksuele gedoe zijns inziens en verder niets.

Het lijkt dan ook de ironie ten top dat uitgerekend de studie, waarin de kwestie of biseksuelen eigenlijk niet verkapte homoseksuelen dan wel heteroseksuelen zijn op wetenschappelijk verantwoorde wijze aangesneden werd, in de onverbiddelijke prullenbak van de geschiedenis is beland. Het hoe en waarom van de ontijdige vergetelheid van dit Tilburgse onderzoek uit de jaren zeventig onttrekt zich aan mijn waarneming. Aan het onderwerp kan het in ieder geval nauwelijks gelegen hebben. Het betrof immers de eerste Nederlandse studie, waarin de leefwereld van homoseksuelen verkend werd. Een kleine 400 mannen en vrouwen werden ondervraagd op onderwerpen als de bewustwording van de "homofiele gerichtheid" - in de jaren zeventig was dat nog altijd een gangbare uitdrukking -, de vaste vriendschap en ervaringen met discriminatie.

Een van de rapporten die het onderzoek niettemin heeft opgeleverd, is gewijd aan het onderwerp zelfbenoeming. In dat verband werd ook de vraag opgeworpen in hoeverre "bifilie" - de term is van de onderzoeker Wally Nelemans - een reëel bestaand fenomeen was. Na vastgesteld te hebben dat ruim 6% van de ondervraagden zich als biseksueel benoemde, werden twee onder homoseksuelen levende visies op hun realiteitsgehalte getoetst. Volgens de eerste zijn biseksuelen homofielen die hun homofiele gevoelens nog niet helemaal hebben aanvaard en voor wie het homoseksuele etiket te bedreigend is. De tweede opvatting, die menigeen al even bekend in de oren zal klinken, luidt dat bifielen zich alleen maar als zodanig presenteren om zich acceptabeler te maken in de ogen van de heteromeerderheid. De onderzoeksgegevens ondersteunden noch het ene noch het andere vooroordeel. Naar de mening van de onderzoeker was er dan ook geen reden om te twijfelen dat "voor vele zich als bifiel omschrijvende personen de zelfetikettering de werkelijke gevoelens dekte". Er was, kortom, naar zijn mening geen enkele reden om aan het bestaan van biseksuelen te twijfelen.

Zoals bekend verdwijnen vooroordelen niet op afroep, en zeker niet op voorspraak van een wetenschappelijke studie die in zijn eigen tijd al afgeschreven was. De homoseksuele scepsis is daarvoor teveel schatplichtig aan de in onze cultuur dominante idee dat de seksuele identiteit onveranderlijk verankerd ligt in onze natuur. De gedachte is diepgeworteld dat er zoiets als een "ware" seksualiteit bestaat en er dientengevolge twee soorten mensen zijn: heteroseksuelen en homoseksuelen. Een tussenweg wordt doorgaans niet geaccepteerd. Vandaar dat biseksuelen verweten wordt niet te kunnen kiezen. Dat ze de beschuldiging voor de voeten geworpen krijgen van twee walletjes te eten en hen regelmatig te kennen gegeven wordt dat ze zich hooguit in een seksuele overgangsfase bevinden.

In een opstel in het Tijdschrift voor seksuologie signaleerde de socioloog Paul Schnabel niet voor niets een steeds sterker wordende tendens tot wat hij "seksueel essentialisme" noemt. In zijn visie is seksualiteit meer dan ooit een wezenlijk bestanddeel van de moderne persoonlijkheid en identiteit geworden. Via de seks leren we ons ten diepste kennen en komen we te weten met wie we van doen hebben. Gedrag is daarbij niet doorslaggevend, maar wel het gevoel dat ermee gepaard gaat, de beleving van de aantrekking, van de gender-identiteit en van seksuele fantasieën. Deze "gevoelde identiteit" wijst, zo betoogt hij, "de weg naar de ware vorm". Men kan vrijelijk kiezen - het is, met andere woorden, geen drama meer om homoseksueel te worden - "maar men wordt wel geacht een keuze te maken en daar bij te blijven. Het onderscheid tussen homo- en heteroseksualiteit is scherper geworden. Van een keuze is in die zin dan ook geen sprake, het is vooral een kiezen voor de van nature gegeven identiteit", aldus Schnabel.

We stuiten hier op een opmerkelijke paradox: in de afgelopen decennia zijn de keuzevrijheid op seksueel gebied en de mogelijkheden om seksualiteit en de seksuele identiteit vorm te geven ontegenzeglijk toegenomen. Vreemd genoeg heeft dat proces echter niet geresulteerd in een flexibeler kijk op de seksuele omgang. Integendeel, de kloof tussen hetero's en homo's is juist dieper geworden en het heeft er zo nu en dan de schijn van dat we met twee totaal verschillende mensensoorten van doen hebben. Tegelijkertijd zijn nichten en potten steeds meer op het hen toegewezen territorium teruggedrongen en hebben ze, deels noodgedwongen en deels op eigen initiatief, geleidelijk aan, in de woorden van de filosoof Jan Willem Duyvendak, hun eigen homoseksuele "Bibelebonse berg" opgetrokken.

Voor biseksuelen lijkt in dit rijk van een van nature gegeven seksualiteit geen plaats. Hoe zeer de zegeningen van het meervoud van homoseksualiteit ook met de mond beleden worden, op de keeper beschouwd is de wereld van de homoseksualiteiten slechts voorbehouden aan wie zich bekent tot het ene ware geloof. Zo rotsvast is men er ook in homo- en lesboland van overtuigd dat iemand van een vrouw óf een man houdt, dat de mogelijkheid om beiden te beminnen bij voorbaat van tafel geveegd wordt. In weerwil overigens van de door velen gekoesterde seksuele en relationele praktijk. Maar in de regel bewaart men liever het stilzwijgen over haar of zijn stiekeme uitstapjes naar het andere geslacht dan dat men publiekelijk bekent niet "zuiver" op de homoseksuele graat te zijn.

Nu is het zeker niet mijn bedoeling om biseksuelen als zielige slachtoffers neer te zetten van de uitsluitingsdriften van een stel krijsende lesbische dames of grijnslachende homoheren. Wat me voor ogen staat - tegen beter weten in uiteraard - is veeleer de tenietdoening van de zoëven gememoreerde kloof tussen de twee monoseksualiteiten, zoals bi-activisten schamperend plegen te zeggen. Met opzet gebruik ik hier de uitdrukking tenietdoen en niet termen als overbruggen of bruggen slaan, die eigenlijk beter bij het beeld van een door krochten en ravijnen gespleten sociaal landschap passen. We hebben het in deze immers niet over het lijmen van een breuk tussen twee partijen die qua machtsverhouding redelijk gelijk op gaan. In sexualibus lijkt eerder het omgekeerde het geval en is ongelijkheid op voorhand ingebouwd.

Een onvermoede getuige voor de verdediging is op dit punt de publicist Bram de Swaan. Onder de titel "Net zo" vraagt hij zich in zijn column in de NRC, gewijd aan het homohuwelijk, af waarom hij er n navolging van, zoals hij schrijft, "de meeste mannen die met een vrouw en de meeste vrouwen die met een man getrouwd willen zijn" bezwaar tegen heeft "dat een man met een man of een vrouw met een vrouw trouwt". Wikkend en wegend streept De Swaan, die we toch tot het liberaal denkende deel van Nederland mogen rekenen, de diverse juridische en sociale tegenargumenten stuk voor stuk door tot hij zijn ultieme wapen in stelling brengt: de, wat hij noemt, "emotionele weerstand" die hij voelt tegen de mannen- en vrouwenliefde. Want het is, zo geeft hij in alle eerlijkheid toe, en nu citeer ik weer, "niet zo gemakkelijk om homoseksuele liefdesbetrekkingen als gelijkwaardig te aanvaarden". Net zoals de meeste mensen voelt hij zich immers "vanzelfsprekend en onontkoombaar" aangetrokken tot het andere geslacht. Vandaar dat we moeilijk van hem kunnen verwachten dat hij de homoseksuele liefde "zomaar gewoon" vindt.

Net zoals het grootste deel van de Nederlandse bevolking onderschrijft De Swaan ongetwijfeld de stellingen met betrekking tot homoseksualiteit die het Sociaal en Cultureel Planbureau met de regelmaat van een klok aan een groep landgenoten voorlegt. Natuurlijk vindt men dat het homo's en lesbo's vrij staat om hun leven naar eigen wens in te richten. En vanzelfsprekend is het gros van de Nederlanders van mening dat homo- en lesbische stellen dezelfde rechten als "gewone echtparen" dienen te krijgen op het gebied van huisvesting en erfrecht. Als we afgaan op de rapportage van het Sociaal en Cultureel Planbureau zit het hier te lande met de acceptatie van homoseksuelen wel snor en leven we zo ongeveer in het homo- paradijs. Maar wie goed oplet ziet af en toe - de discussies rond het homohuwelijk waren typisch zo'n moment - veelbetekenende barstjes en scheurtjes ontstaan in het pantser van de veel geroemde tolerantie, en ontdekt dat er een poel van weerzin tegen de gelijkgeslachtelijke liefde onder schuil gaat.

Wat dat aangaat fungeren bi's, juist vanwege het gebrek aan groepsbeschutting, als een soort antennes voor de wijdverbreide, onderhuids tierende anti-homoseksuele gevoelens. De ten behoeve van Beter biseks geïnterviewde biseksuele vrouwen en mannen laten weinig heel van het zonnige beeld dat het Sociaal en Cultureel Planbureau schetst. De een na de ander heeft ervaren dat homo-erotische gevoelens beter niet geuit kunnen worden. Een rode draad in hun verhalen vormt de in hun omgeving en vaak ook bij henzelf levende opvatting dat homoseksualiteit "onnatuurlijk" is en "niet hoort", dat homoseksuelen "niet helemaal voldoen" en dat een bestaan als lesbienne of homo "het ergste is dat iemand kan overkomen". Sommigen hoopten van dergelijke gevoelens "genezen" te zijn, wanneer ze verliefd werden op iemand van het andere geslacht. Ook vond men de gevoelens voor iemand van de eigen sekse "doodeng", kon men het "niet plaatsen" en had men geen idee "wat ermee aan te vangen". Deze moeizame verhouding met homoseksuele gevoelens werkt door in het biseksuele denken over homo- en hetero-relaties. De gedachte dat gelijkgeslachtelijke paarvorming in onze maatschappij weinig status heeft, leeft heel erg onder biseksuelen. Menigeen verkiest voor de buitenwereld een zogenaamde "normale" relatie boven een homoseksuele verhouding. Een van de geïnterviewde vrouwen verwoordt deze dwangpositie als volgt: "Ik heb, hoe raar het misschien ook klinkt het idee dat ik als lesbische vrouw niet voldoe. Terwijl ik helemaal geen moeite heb om me als hetero-vrouw te zien, dat is gewoon volgens het patroon. Ik kwam erachter dat ik met dat homoseksuele stuk van mezelf in de knoei zat, toen ik een wat langere relatie met een vriendin had en we op het punt stonden ons samen aan mijn familie te presenteren. Op dat moment vloog het me echt aan en dacht ik: o nee, dat lukt me niet." Men heeft sterk de indruk eerder geaccepteerd te worden als men zich aanpast aan wat in de samenleving gangbaar is.

Dit soort geluiden uit biseksuele hoek - maar ook onder homoseksuelen zijn gelijksoortige bedenkingen niet van de lucht - duiden erop dat er een levensgrote kloof gaapt tussen de van officiële zijde gepropageerde idee van gelijke behandeling en de werkelijkheid van alledag, zoals deze zich voordoet aan menig "seksueel dissident". Ze vormen een niet mis te verstaan teken aan de wand van het gidsland dat Nederland pretendeert te zijn en laten overduidelijk zien dat homoseksualiteit en de gelijkgeslachtelijke liefde hier allesbehalve geaccepteerd worden. Ze drukken ons met de neus op het feit dat de heteroseksuele normaliteit nog altijd de punten uitdeelt en ons met een verpletterende vanzelfsprekendheid haar regels oplegt. Want laten we ons geen illusies maken. Zo weinig heeft de liefde voor - laat staan de seks tussen - geslachtsgenoten blijkbaar gemeen met "normale", heteroseksuele liefdesverhoudingen, dat er op voorhand van enige gelijkwaardigheid geen sprake kan zijn. Eerst zullen zij, dat wil zeggen de heteroseksuele "meerderheid", aan dat idee moeten wennen en hun tegenzin overwinnen, aldus nogmaals De Swaan.

Voor de homo- en lesbische beweging vallen uit deze wetenschap een tweetal lessen te trekken. Keer op keer blijkt dat de politiek van de gefixeerde identiteiten en het ieder-voor-zich een volstrekt doodlopende weg is. Weliswaar heeft homo en lesbisch Nederland er een stuk of wat prettig gestoffeerde getto's annex vrijplaatsen aan overgehouden, waardoor het leven ven menigeen er ontegenzeglijk op vooruit is gegaan. Maar daarbuiten is het nog altijd huilen met de pet op en staan we als het ware met z'n allen in de kou. Want als het op uitsluiting, discriminatie en vernedering aankomt, kan er niemand tippen aan wat de heterowereld vermag. In plaats van almaar op de trom van onze eigenheid te slaan zouden we daarom onze creativiteit moeten aanwenden om de scheidslijnen juist af te breken. In plaats van louter lippendienst te bewijzen aan de idee van een regenboogcoalitie moesten we onderhand eens proberen om de claim van inclusiviteit echt waar te maken.

Daarnaast dienen we ervoor te waken dat het huidige debat rond huwelijk, adoptie en ouderschap niet alle energie opslokt. Te snel en te gemakkelijk wordt het emancipatiestreven momenteel vereenzelvigd met de strijd om gelijke rechten voor lesbo's en homo's op met name deze punten. Hoe belangrijk het voor sommigen ook is dat het burgerlijk huwelijk opengesteld wordt en sociaal ouderschap de wettelijke status krijgt die het - al is het dan ongeschreven - rechtmatig toekomt, te vaak wordt de suggestie gewekt dat we hiermee langzamerhand bij het eindstation van de emancipatie zijn aanbeland. Niet alleen dreigen andere leefvormen en samenlevingsvarianten - wat te denken van al die alleenstaanden en allerhande groepsexperimenten - daardoor helemaal uit de boot te vallen en ten onder te gaan in de grenzeloze expansiezucht van de alomtegenwoordige tweerelatie. Ernstiger nog zou het zijn als we de illusie van een gelopen wedstrijd voor zoete koek slikken. Als we de ogen sluiten voor de immense onderstroom in onze maatschappij aan schijnbaar onuitroeibare gevoelens van superioriteit en arrogantie, die alles wat niet als "normaal" geldt op een lager plan zet en waarmee zelfs als liberaal bekend staande hetero's behept zijn. En dit zou temeer verontrustend zijn als we, zoals het zich laat aanzien, afgescheept worden met een enkele legalistische aanpassing van de wetgeving die totaal geen recht doet aan het alleszins gerechtvaardigde verlangen naar gelijkwaardigheid.

back


Created: 3-08-98 Updated: 1-12-98