Finnen willen Europa ontketenen

 

Henk Klomp

 

Europa moet zijn talent aan het werk houden. Hoe de Finnen het voorbeeld geven.

 

Europa, trotse ontwikkelaar van de eerste experimentele wetenschap en moderne techniek, lijkt ten onder te gaan in een revolutie die ze ooit zelf aanwakkerde. Want China wil in de toekomst de ‘high-tech werkplaats van de wereld’ worden. Nu al, meldt EU-adviseur Andrew Dearing in Science, overweegt veertig procent van de grotere Europese bedrijven nieuwe R&D-faciliteiten op te starten op een van de 100 Chinese STIP’s (science and technology industrial parks). Onderzoekswerk is er namelijk veel goedkoper: het jaarloon van een Chinese onderzoeker bedraagt immers maar 7000 euro, veel minder dan in westerse landen.

Op zich hebben China, Europa en de Verenigde Staten in de strijd om menselijk bètakapitaal gelijke kansen: jaarlijks studeert ongeveer eenzelfde aantal bètawetenschappers en ingenieurs af - een half miljoen –. Maar Europa slaagt er vooralsnog niet in meer dan 2 procent van het BNP vrij te maken om dit talent aan het werk te zetten, tegen bijvoorbeeld 3 procent in de Verenigde Staten. Het arme China besteedt nu al evenveel aan innovatie als het rijke Nederland, 1,7 procent van het BNP, maar het Chinese innovatiebudget groeit elk jaar met 20 procent. Tot nu toe investeerden de Chinezen met name in namaakproducten die ze goedkoper produceerden en leunden voor de kennis sterk op het westen, maar de kwaliteit van hun universiteiten neemt toe.

De Verenigde Staten, die verder zijn in kennis, zetten door de hogere investeringen meer innovatieve projecten op poten dan Europa. Bovendien passen alle onderzoeksprojecten op universiteiten, die centraal verdeeld worden door een machtige tweede geldstroom, als stukjes van een grote puzzel in elkaar, omdat de Verenigde Staten al sinds de Amerikaanse Burgeroorlog een eenheid vormen. In Europa is het onderzoek met zijn talrijke landen en talen en 2000 onafhankelijke universiteiten hopeloos versnipperd.

 

Vooruitgang

De Finse Kennedy legde, toen hij tijdens de grote recessie na de val van de Muur premier werd, de balans anders. In plaats van alles op alles te zetten om de Finse houthakindustrie nieuw leven in te blazen, reserveerde hij een structureel, maar beperkt deel van ‘s lands budget voor het beste onderwijs, onderzoek en innovatie. Een hoog opgeleide bevolking – in Finland ligt daarbij de nadruk sterk op bèta en techniek - was de simpele gedachte, zou tot nieuwe ideeën en innovatie leiden en de economie uit het dal trekken. In de universiteitssteden bloeiden inderdaad nieuwe bedrijven op, die het kenmerk werden van het Finland na de Koude Oorlog.

Revolutie

De charismatische oud-premier Esko Aho van Finland, bijgenaamd ‘Kannuksen Kennedy’ (de Kennedy uit Kannuks), pleit in Creating an innovative Europe, ook wel het Aho-rapport genoemd, dan ook voor een nieuwe revolutie in Europa. De Europese leiders, die na de Lissabonse oproep aan het bedrijfsleven in R&D te investeren de beurs juist zagen kelderen en het venturekapitaal dalen van 10 miljard in 2000 naar 1 miljard in 2004, hadden de Fin gevraagd om advies. In Finland, het land van boeren en houthakkers, ontstond uit een laarzenfabriek door goed beleid ‘s werelds marktleider in mobiele telefoons, Nokia. Finland, dat overigens voor de val van de muur al leverancier van luxegoederen aan de communistische Russische elite was, is tegenwoordig Europa’s snelst groeiende economie, met het beste onderwijs en de best opgeleide ingenieurs ter wereld. In het land wordt 3,6 procent van het BNP aan R&D besteed, het dubbele van Nederland, waaraan het bedrijfsleven tweederde bijdraagt.

Aho’s advies was even simpel als politiek onhaalbaar: stop twintig procent van het geld uit de structuurfondsen, de sociale en ontwikkelingsgelden, bedoeld om de welvaart in Europa te verdelen, voortaan in innovatieve projecten in die landen, in werk dus voor de hoogopgeleiden, die nu nog vaak hamburgers staan te bakken bij de plaatselijke Mac Donald. De jaren na het verdrag van Lissabon vloeide dit geld, pakweg eenderde van het totale Europese budget, weg naar werkgelegenheidsprogramma’s en subsidies aan oude bedrijfstakken in Spanje, Frankrijk, Duitsland, Portugal, Griekenland, Italië en sinds 2004 ook Polen. Hieraan ging 60 miljard, bijna de helft van het fonds, op. Het een-na-grootste deel van deze fondsen ging naar het in leven houden van nauwelijks innovatieve MKB’s, vooral in Polen. In Polen wordt slechts een halve procent van het BNP in R&D geïnvesteerd.Als politicus hield Aho het overigens niet al te lang vol: de bevolking stemde hem weg, vanwege de werkeloosheidpercentages van 20 procent, vooral mensen die de sprong naar de nieuwe economie niet konden maken. Toch legde hij wel degelijk de basis voor het innovatieve én sociale Finland van tegenwoordig, waar de andere Europese leiders nu met jaloezie naar opkijken.

Neem Nederland. ‘Toen Aho in de crisis van de jaren negentig de kenniseconomie stichtte, was de remedie van de SER juist behoudend: in het ‘akkoord van Wassenaar’ kozen leiders voor loonmatiging en een investeringsstop in onderwijs en wetenschap, wat sindsdien traditie werd,’ zegt Frans Nauta, voormalig secretaris van het Innovatieplatform.

De ingeslagen weg had gevolgen voor de toekomst. Tegenwoordig is het budget voor de reïntegratie van werkelozen in Amsterdam bijvoorbeeld het dubbele van dat voor technologische projecten op alle universiteiten. Omdat de reïntegratie in Amsterdam bovendien maar bij 10 procent lukt, geeft de overheid omgerekend zelfs bijna

 

 

 

een heel jaarsalaris van een kenniswerker uit om een kansarme werkloze een half jaar als bewaker aan het werk te krijgen. Het manco in Nederland lijkt nauwelijks anders dan in Zuid-Europa.

 

Slochteren

Balkenende probeert Aho na te doen met het Innovatieplatform – ‘het platform is een ijsbreker, geen poldermodel’ -, maar tot nu toe heeft hij nog geen structureel innovatiegeld vrijgemaakt, zoals premier Wim Kok in 2000 beloofde op de EU-top in Lissabon. Aho bedong op de begroting in de crisis wel structureel enkele procenten voor innovatie. ‘Al twintig jaar besteden de Finnen elk jaar ongeveer vierhonderd miljoen aan innovatie. Daar bestaat een stabiele kennisindustrie, terwijl de Nederlandse fluctueert met de opbrengsten uit aardgas,’ zegt Nauta.

Den Haag vestigt de kenniseconomie tot nu toe op de wankele basis van de oprakende gasvoorraad in Slochteren. De hoge prijs leverde in de laatste jaren een groeiend Fonds Structuurversterking op, dat in horten en stoten plotseling vrijkwam als innovatiegeld. Maar de voortgang van de grote projecten die nu lopen, zoals het genoomonderzoek, de nanotechnologie en het mems-onderzoek, is onzeker. Als de gasprijs gaat dalen, of de nieuwe minister van Financiën beslist dat komende jaren het viaduct in Maastricht voorrang krijgt, zitten de onderzoekers zonder geld.Europa ontketenen

Aho wil na Finland nu ook Europa ontketenen met Europa-brede projecten in sleutelindustrieën, zoals eHealth, energie, medicijnen en milieu. Hij wil in de wereldwijde ‘battle of brains’ in Europa zoveel mogelijk bèta’s en ingenieurs aan het werk hebben. Europa heeft problemen genoeg, die met technologie kunnen worden opgelost. Neem de vergrijzing. Die gaat ongetwijfeld leiden tot meer vraag naar zorg. Als de computer bij elektronische dossiers eindelijk toegang krijgt tot medische data, kan de zorg door ICT-ers en elektrotechnici drastisch efficiënter en goedkoper gemaakt worden. De Europese files zijn aan te pakken door auto’s een variabele wegenbelasting naar plaats en tijdstip te laten betalen, ook een technische klus. Ook heeft Europa nog een klimaatprobleem op te lossen.

Maar om ontketend te worden moet Europa wel voor producten, kenniswerkers en fondsen één geheel worden, meent Aho. Maar de Europese verdeeldheid heerst zelfs op de kleinste schaal in het continent. Het is vanuit Europees perspectief bijvoorbeeld zonde dat de Nederlandse technologiestichting vanwege geldgebrek goede ideeën niet kan belonen, terwijl de Vlaamse Wetenschapsminister Fientje Moerman de Vlaamse universiteiten afloopt om ideeën voor besteding van haar Innovatiefonds van 150 miljoen te vinden.

 

Deze tekst werd gepubliceerd in Technisch Weekblad.