|
De dag begon, net als alle anderen, met het aflopen
van de wekker om half 8. Aangezien het gisteravond best laat was voordat we
eindelijk gingen slapen, hadden we aardig wat moeite met opstaan. Pas om half
10 zaten we aan het ontbijt. We hadden de ontbijtzaal helemaal voor ons zelf,
want de meeste gasten waren uiteraard allang vertrokken. Een klein uurtje later vertrokken we
richting Dettifoss. We reden via de 1 richting Egilsstaðir en kwamen zo weer
langs de afslag naar het Kraflagebied. Het was helaas nog steeds ontzettend
mistig, zodat we direct doorreden naar de beroemde waterval. Het eerste stuk
over de 1 was zeer goed te doen, maar het laatste stuk over de 864 was echt
rampzalig. Het was een grindweg die overdwars was bezaaid met ribbels, waardoor we
bonkend in de auto zatten. Het was maar 28 km lang, maar het kostten ons ruim 5
kwartier om het hele stuk te rijden.
Geradbraakt kwamen we rond
half 1 eindelijk bij de waterval aan. Gelukkig stond er bij de parkeerplaats
weer zo’n handig toiletgebouwtje, want de nood was behoorlijk hoog na al dat gestuiter. Via een
stenen trap konden we een dichtbij de waterval komen. Het water stortte zich vlak voor
onze voeten, over een lengte van 100m, 44m omlaag. Vanaf deze plek hadden we
ook een prachtig uitzicht over de mooie canyon van de Jökulsá. We werden
vergezeld door een Japanse- of Chinese cameraploeg. Via een gemarkeerd (geel)
voetpaadje maakten we een wandeling stroomopwaarts langs de Jökulsá á
Fjöllum-gletserrivier naar de iets hoger gelegen Sellfoss. Deze waterval was
‘slechts’ 13 m hoog, maar stortte wel over een grotere lengte naar beneden. Het
pad was af en toe echt slecht te volgen. De gele paaltjes stonden soms midden
tussen enorme rotsblokken waar we niet over heen konden.
Rond 2 uur waren we weer
terug bij de auto, waar we even een lekker banaantje aten om onze energie weer op
pijl te brengen. Vanaf de parkeerplaats reden we nu noordwaarts over de 864
naar Ásbyrgi. Deze kant van de weg was beduidend beter dan het stuk dat we op
de heenweg hadden moeten trotseren. Onderweg werden we nog getrakteerd op een
prachtig sneeuwhoen die verdekt langs de weg stond opgesteld. Het was nog een
aardig eindje rijden naar de ‘hoefijzervormige’ kloof. Half 4 kwamen we op de
parkeerplaats in Ásbyrgi aan. We maakten een korte wandeling over de beboste
bodem naar het uitzichtpunt en een meertje. Bij het uitzichtpunt hadden we een
prachtig uitzicht over de lage boompjes in het dal en de enorme steile, 100m hoge,
rotswanden. In die wanden nestelden een groot aantal noordse stormvogels, die
af en toe vlak langs ons vlogen.
Na een klein uurtje wandelen, waren we best moe en
liepen we terug naar de auto. Via de 85 reden we langs de kust naar Húsavík
voor het diner. In het zelfde restaurant als gisteren genoten we ditmaal van
een heerlijke zalmmoot met patatjes en een mixed juice (ISK 5360). Via het
vervolg van de 85 reden we terug naar Nafrastaðir voor de nacht. Alles moest
ingepakt worden, want morgen zouden we weer vertrekken naar het volgende overnachtingadres.
|