Het stoepje in de liftcurven van moderne profielen met flaps
door Karel Termaat
Inleiding:
Het
draagvermogen van een vleugel laat zich eenvoudig berekenen met de bekende
liftformule:
L = CL .
½.r.V2.S (1)
Hierin
zijn de luchtdichtheid r (rho) en het
vleugeloppervlak S constanten, V is de variabele vliegsnelheid die de vlieger
binnen ruime marges zelf kan instellen en CL is de daarbij passende
liftcoëfficiënt. Tijdens de evenwichtsvlucht moet de opgewekte lift
uiteraard gelijk zijn aan het gewicht G van het zweefvliegtuig, dit inclusief
bemanning en andere belastingen zoals die bijv. bij het cirkelen optreden. We
kunnen voor de liftformule dus ook schrijven:
G = CL . ½.r.V2.S (2)
waaruit
als functie van de vliegsnelheid, direct
de grootte van de liftcoëfficiënt CL volgt die nodig is om de kist
te dragen, namelijk:
CL = (G/S) / ( ½.r .V2) (3)
Hierin
is G/S de bekende
vleugelbelasting (in N/m2, veelal benoemd in kgf/m2) en ½.r .V2 de dynamische druk. Uit deze
formule blijkt dat de voor de vlucht benodigde CL bij hogere snelheden kwadratisch snel kleiner
wordt en andersom. Een belangrijke constatering zoals later zal blijken.
Aerodynamisch
gezien is de liftcoëfficiënt CL een eigenschap van het profiel van
de vleugel die bij het betreffende zweefvliegtuig wordt toegepast en daarbij
direct afhankelijk van de invalshoek a (alfa) van de inkomende
stroming. Het verband tussen CL en a wordt gewoonlijk vastgelegd
in een grafiek, de CL- a grafiek, ook wel de liftcurve
genoemd.
Naast
de liftcoëfficiënt CL en de daarbij behorende invalshoek a is een tweede belangrijke parameter de
weerstandscoëfficiënt CDp
van het profiel. Ook deze coëfficiënt wordt gewoonlijk vastgelegd in een
grafiek, de CL- CDp grafiek,
ook wel de weerstandscurve van het profiel genoemd. CDp is
nodig bij de berekening van de weerstand die het profiel door zijn vorm en
wrijving met de lucht tijdens de vlucht ondervindt, te weten:
WDp = CDp . ½.r.V2.S (4)
Hieruit
zien we dat de profielweerstand met het kwadraat van de vliegsnelheid verandert
en het dus vooral bij de hogere snelheden gewenst is CDp door een
optimaal ontwerp zo klein mogelijk te houden.
Een
tweede weerstandsbron ontstaat omdat de vleugel een
‘actie = reactie’ effect oproept terwijl deze door de lucht beweegt. Het
gewicht van het vliegtuig wordt ‘gedragen’ door de lucht die daardoor enigszins
naar beneden wordt afgebogen. De weerstand die hiervan het gevolg is wordt
geïnduceerde weerstand WDi genoemd. Het is de prijs die voor
de lift betaald moet worden. Bij lage snelheden is de geïnduceerde weerstand
ongeveer even groot als de profielweerstand. Door het drukverschil tussen
bovenzijde en onderzijde van de vleugel ontstaan bij de tippen stabiele wervels
die een aanmerkelijke bijdrage aan WDi
geven. Met winglets kan de grootte van deze tipwervels en
daarmee het effect op WDi beperkt worden. Daarnaast
bevorderen zij een betere omstroming van de uiteinden van de vleugel wat
gunstig is voor het klimvermogen en de stabiliteit om de langsas. Bij hogere
vliegsnelheden neemt de geïnduceerde weerstand snel af want:
WDi =
constante / V2 (5)
Bij
bekende liftcoëfficiënt CL, berekend voor een gegeven vliegsnelheid
V met formule (3), kunnen nu uit de CL- CDp
en CL- a grafieken direct de profiel-weerstandscoëfficiënt CDp en de bijbehorende
invalshoek a worden
afgelezen. Verderop zal blijken dat bij gegeven CL deze
invalshoek door de vlieger steeds nauwkeurig bewaakt moet worden om bij een
lage profielweerstand optimaal te vliegen.
Het
genereren van nauwkeurige CL- CDp en CL-
a grafieken is typisch het werkgebied van de
aerodynamicus die al zijn theoretische kennis en ervaring, goede programmatuur
en een goede windtunnel nodig heeft om tot een optimaal profielontwerp te
kunnen komen. Bij de TUDelft, is Loek Boermans in zijn functie als leider van
het Low Speed Aerodynamics Laboratory, samen met zijn medewerkers
in dit doel veelvuldig geslaagd en geniet inmiddels grote bekendheid op het
gebied van de lage snelheids aerodynamica bij zweef- en motorvliegtuigen.
Profielen
zonder en met flaps:
Zoekt
men in de literatuur naar liftcurven, dan vindt men voor de CL- a grafieken veelal een figuur zoals gegeven in
figuur 1.

Figuur
1: De klassieke
liftcurve voor een a-symmetrisch
vleugelprofiel
zonder flaps (ref. Botag in Wikipedia)
- Profielen van zweefvliegtuigen uit de Standaard Klasse hebben gewoonlijk liftcurves die sterk op die van figuur 1 lijken. In deze publicatie over profielen met flaps, wordt op het wel en wee van deze klasse vliegtuigen niet verder ingegaan. Over eerdere niet zo gunstige ervaringen van Baer Selen bij het thermieken in turbulente lucht met een vliegtuig uit die klasse, zou overigens veel gezegd kunnen worden. In samenwerking met de TUDelft werden goede oplossingen, in de vorm van vliegsnelheid, profielwijziging en later ook de toepassing van winglets, aangedragen om dit gedrag te verbeteren.
-
Als het profiel wel flaps heeft, geldt voor elke flapstand een andere lift- en
weerstandscurve. Bij positieve flapstanden krijgt het profiel meer welving en
schuiven deze curven, die betrokken blijven op de koorde met de flaps in de
nulstelling, in hun grafische presentaties meer naar boven. Voor negatieve
flapstanden geldt uiteraard het omgekeerde.
Binnen
de grenzen van handelbaarheid en veiligheid wordt bij een profielontwerp steeds gestreefd naar een zo
laag mogelijke weerstand. Essentieel daarbij zijn een kleine profieldikte en
een zo lang mogelijke laminaire grenslaag aan beide zijden van het profiel. Het
blijkt inderdaad mogelijk een relatief dun profiel te ontwerpen dat in een
klein gebied van invalshoeken rond a = 0° bij praktische
flapstanden zowel aan de onderzijde als aan de bovenzijde van het profiel een
zeer lange laminaire grenslaag heeft. Aan de onderzijde geldt dit tegenwoordig
tot aan het begin van de flap, of soms zelfs tot halverwege die flap. Daar
wordt dan met zigzagtape of uitblaasgaatjes de laminaire grenslaag kunstmatig
tot omslag naar turbulent gebracht zodat ook voor het laatste deel van het
profiel nog een stabiele grenslaag ontstaat en geen vroegtijdige loslating van
de stroming optreedt. Op de bovenzijde van het profiel vindt de transitie onder
gunstige omstandigheden op zo’n 75% van de koorde plaats. Door de specifieke
vorm van het profiel gebeurt dit op een goed gecontroleerde, natuurlijke wijze.
Daarbij ontstaat veelal een dunne laminaire
blaas, waarbij de laminaire grenslaag loslaat van het oppervlak, turbulent
wordt en stroomafwaarts weer gaat aanliggen, zonder extra weerstand te genereren.
Bij
iedere flapstand is er een klein gebied van invalshoeken aan te geven, waarvoor
bovenstaande geldt en waarbij de weerstand van het profiel zeer laag is. Om
hiervan te profiteren moet bij elke waarde van de vliegsnelheid en bijpassende
waarde van CL zoals die volgt uit formule (3), de juiste flapstand
gekozen worden. Bij die juiste flapstanden komt CDp steeds uit op een zeer lage waarde. Voor de
Antares toont figuur 2 de CL- CDp curven
bij verschillende flapstanden waaruit dit duidelijk blijkt. Sterk gelijkende
curven gelden voor andere moderne profielen met flaps.

Figuur
2: Gemeten
CL- CDp curven bij verschillende
flapstanden voor
het
DU97-127/15M profiel bij Re = 1.5*10E6 (ref. TUDelft, nabewerkt).
Het
zal uit figuur 2 duidelijk zijn dat bij de lage CL waarden die
optreden tijdens snel vliegen een iets te positieve flapstand een aanzienlijke
toename in CDp kan veroorzaken. Zo is de combinatie CL=
0.3 (bij 180km/h) en flapstand +5° ongunstig. Flapstand 0° of -3° is hier de
goede keuze. Maar ook bij langzaam vliegen en meer positieve flapstanden moet
men oppassen. Zo is de combinatie CL=1.0 (bij 100km/h) en flapstand
0° bepaald ongunstig omdat de weerstand dan zeer hoog is (CDp valt
zelfs buiten de grafiek). Flapstand 10° of 20° is hier de goede keuze.
In
al die gevallen waarin een ongunstige combinatie van liftcoëfficiënt en
flapstand wordt gekozen, wordt de laminaire grenslaag hetzij aan de onderzijde
van het profiel hetzij aan de bovenzijde ervan onnodig vroeg turbulent en
veroorzaakt, zeker als daarbij ook nog loslating optreedt,
veel extra profielweerstand. Gewoonlijk geven zweefvliegtuigfabrikanten
tabellen waarin lettend op de profielweerstand gunstige combinaties van
vliegsnelheden en flapstanden worden vermeld. Nauwkeurige CL- CDp
grafieken die via berekeningen en windtunnelmetingen zijn ontstaan liggen
daaraan ten grondslag. Het is zaak hier tijdens de vlucht grote aandacht aan te
geven.
Voor
een modern profiel met flaps zijn in figuur 3 een aantal gemeten liftcurven
gegeven. Zowel bij langzaam vliegen met positieve flapstanden en grote CL
als bij snel vliegen met negatieve flapstanden en lage CL,
(FL<0°, niet ingetekend), is het gebied van
invalshoeken waarbij de weerstand laag is klein en ligt typisch in de buurt van
Alfa = 0°.

Figuur
3:
Liftcurven van een modern profiel met flaps (nabewerkt);
vóór
het horizontale deel is dCL/da = 0.1/grd, daarin is dCL/da = 0
Wat
bij de liftcurven van figuur 3 direct opvalt en afwijkt van de vorm van de
liftcurve van een profiel zonder flaps zoals gegeven in figuur 1, is het
horizontale verloop in het middendeel van de curven, vooral voor die bij de
meer positieve flapstanden. Dit horizontale deel valt per flapstand steeds
samen met de bovengrens van de betreffende CL- CDp
weerstandscurve zoals gegeven in figuur 2. Voor nog wat grotere waarden van CL
neemt CDp heel snel toe, zoals voor CL = 1.0 bij flaps =
0° in figuur 2 aangegeven. Het is dus gewenst om tijdens de vlucht die
bovengrens ruim te respecteren door een juiste combinatie van CL
(snelheid) en flapstand te kiezen waarbij een lage CDp
gegeven is. Er wordt dan met een kleinere invalshoek
a ruim vóór het horizontale deel in de
liftcurven van figuur 3 gevlogen.
In
het horizontale deel van de liftcurven van figuur 3 neemt bij toenemende
invalshoek de lift op het voorste deel van het profiel verder toe, maar op het
meer stroomafwaarts gelegen deel neemt deze al af als gevolg van het voortijdig
turbulent worden van de grenslaag en loslating van de stroming op de naar
beneden uitgeslagen flaps. Bij een goede balancering
van deze twee effecten bij het ontwerp van het profiel, is de totale lift in
dit gebied van de liftcurven ongeveer constant en onafhankelijk van de
invalshoek. Voorbij het horizontale deel in de liftcurven neemt CL
weer toe door een wat terughoudende afname van de lift op het laatste deel van
het profiel bij de grotere invalshoeken. Tenslotte tonen de liftcurven het
bekende verloop behorende bij het overtrekken van een profiel. Het horizontale
deel in de liftcurven, het zogenoemde stoepje, wordt nu al voor
langere tijd bij het ontwerpen van profielen met flaps toegepast nadat gebleken was dat een nog verder op lage
weerstand geoptimaliseerd profiel met een dip in de liftcurven, niet goed bij
thermiekvliegen functioneerde.
Sinds
een paar jaar lijken toch enkele in de praktijk optredende problemen, zoals
eerder bij thermieken opgemerkt door Baer Selen bij een zweefvliegtuig zonder
flaps en later in bredere zin door Ronald Termaat en door mijzelf voor een
zweefvliegtuig met flaps, door vlakke delen in de liftcurven veroorzaakt te
worden. Bij een plezierig en constructief overleg van Ronald en mij met Loek
Boermans over deze problemen, bleek dat Loek na lang
zoeken er achter was gekomen dat in een nieuw ontwerp het vlakke deel in
liftcurven beter vervangen kan worden door een lichte positieve gradiënt. Maar
vliegers van zweefvliegtuigen met flaps hadden hierover nog nooit opmerkingen
gemaakt vertelde hij. Ronald en ik waren de eersten die er over begonnen waren,
nu tijdens dit bezoek bij de TUDelft en kort er voor ook vanuit Issoudun in de
periode van EK2007.
De
problemen waar het bij een profiel met flaps met een stoepje in de
liftcurve om gaat zijn:
a.
De kist kan bij de landing niet netjes afgevangen worden, immers landend met
een invalshoek die net vóór of juist al in het horizontale deel van de liftcurve ligt, geeft bij
invalshoekvergroting tijdens het afronden geen extra lift en derhalve stuitert
de kist tegen de grond;
b.
Tijdens het relatief langzaam aanvliegen van thermiek (zoeken) blijft de bekende
stoot naar boven uit, immers door de opeens optredende verticale stroming
passeert de invalshoek het begin van het horizontale
deel en blijft CL constant. Het profiel reageert niet op die
vrij plotselinge opwaartse beweging van de lucht; het vinden van thermiek en
ook het centreren ervan wordt hierdoor bemoeilijkt;
c.
Bij het vrij langzaam vliegen in onregelmatige, turbulente thermiek blijft het
stijgen achter bij de verwachting, immers naar bovengerichte luchtbewegingen
hebben geen optillend effect als de invalshoek a in het horizontale gebied
terecht komt, terwijl naar beneden gerichte luchtbewegingen a verkleinen en het profiel op de
gebruikelijke wijze naar beneden drukken. Ergo, het gemiddelde thermische
stijgen in dit type thermiek wordt ongunstig beïnvloed door het gemiddelde
negatieve effect van de turbulenties.
Twee
benaderingen om de problemen onder
controle te krijgen:
1.
Aanpassen van het profiel:
Voor
nieuwe zweefvliegtuigen met flaps mogen de liftcurven zoals gegeven in figuur 3
geen stoepje meer vertonen, maar moeten in het betreffende invalshoekbereik
tenminste een licht stijgend verloop hebben, opdat invalshoekvergrotingen die
in dit gebied terecht komen nu wel een toename in de liftcoëfficiënt
veroorzaken.
De
landingsproblemen zijn dan beter onder controle te krijgen en het aanvliegen
van thermiek zal beter waar te nemen zijn. Daarnaast zal het negatieve effect
van turbulenties op het gemiddelde stijgen in een turbulente bel duidelijk
minder sterk zijn omdat upgusts een optillend effect zullen veroorzaken en het
effect van de negatieve gusts daarmee deels zullen compenseren. Figuur 4 toont
tijdens de vlucht in thermiek gemeten verticale snelheidswisselingen waarbij
het testbed zweefvliegtuig, de ASW-19 van de TUDelft, gemiddeld 3m/s steeg.
Volgens berekeningen van Loek Boermans zal bij een profiel met een horizontaal
stoepje zoals aangegeven (typical airfoil), door de dynamische effecten bij
750m afgelegde weg, een extra hoogteverlies van 19m zijn opgetreden. Dit komt
bij een vliegsnelheid van 25m/s (90km/u) overeen met een extra daalsnelheid van
0,63m/s. Wordt in het invalshoekbereik van het stoepje de licht positieve
gradiënt van dCL/da = 0,025 per graad in de
curve gerealiseerd (new airfoil), dan is de extra daalsnelheid maar 0,23m/s.
Het verschil is 0,40m/s, d.w.z. dat een profiel met een lichte gradiënt in de
liftcurve, voor deze vliegsnelheid 0,40m/s beter zal stijgen dan een profiel
met stoepje. Een aanmerkelijke
verbetering dus.

Figuur
4: Extra
effect van turbulenties op de daalsnelheid tijdens cirkelen
met
een constante vliegsnelheid van 25m/s (ref. TUDelft; zie ook de
serie publicaties
van
Loek Boermans in Sailplane and Gliding van de maanden juni t/m nov. 2009)
Maar
bij een nieuw profielontwerp wil je niet inleveren op eerder bereikte gunstige
snelvliegeigenschappen. Gedetailleerde ontwerpberekeningen tonen aan dat dit
inderdaad niet het geval hoeft te zijn.
Bij
de huidige profielen met stoepje
kan de vliegstijl als volgt worden
aangepast om de negatieve effecten te beperken:
a.
Landt met een wat hogere snelheid waarbij de invalshoek duidelijk vóór het
begin van het stoepje blijft. Maak een vloeiende wiellanding en rem af met
volle remkleppen en een effectieve, betrouwbare wielrem. Een goed verende
wielophanging is hier wel op zijn plaats;
b.
Vlieg nieuw stijgen voldoende snel aan opdat plotselinge invalshoekvergrotingen
zoals die bij het binnenvliegen van thermiek kunnen optreden nog vóór het
stoepje vallen. De liftcoëfficiënt CL heeft dan nog de sterke
positieve gradiënt van dCL/da = 0,1 per graad waarbij een
goed waarneembare toename in de draagkracht optreedt;
c.
Vlieg wat harder in turbulente thermiek en doe dat met relatief veel helling om
goed gecentreerd te blijven; de invalshoek a blijft dan steeds zo veel
mogelijk vóór het stoepje liggen;
d.
Bij een wat ruimere uitgebreidheid van het turbulente thermische gebied lijkt
het mogelijk wat beter te scoren door een terughoudend gebruik van de flaps bij
een wat verhoogde snelheid, immers uit figuur 3 blijkt dat het stoepje bij
kleinere flapstanden naar hogere waarden van a verschuift en daarmee de
marge voor het bereiken van het plateau door positieve turbulenties wat groter
wordt;
e.
Bij langzaam vliegen dichtbij het stoepje is het raadzaam om bij overgang naar
een nog lagere snelheid eerst de flaps te verstellen en daarna de snelheid
verder terug te nemen. Bij de overgang naar een hogere snelheid is het raadzaam
eerst de snelheid te verhogen en daarna de flaps te verstellen. Op deze manier
blijft de marge tussen de actuele invalshoek en die behorende bij het begin van
het stoepje steeds zo groot mogelijk. Bij snel vliegen is er geen stoepje
waarop gelet moet worden.
Ter
toelichting van deze richtlijnen zijn
snelheidsafhankelijke berekeningen uitgevoerd met een daartoe door mij
ontwikkelde dynamische routine. De resultaten van twee berekeningen geef ik
hier weer.
In
figuur 5 wordt als functie van de cirkelsnelheid Vvc de stijgsnelheid Vs_total
weergegeven in een rustige thermiekbel met een maximale sterkte van 3m/s in het
centrum. De liftcurve van het profiel van figuur 3 met de flaps ingesteld op
15° wordt toegepast. De liftcurve is in figuur 5 de rode lijn die bij 100km/h
duidelijk het stoepje laat zien.
Uit de figuur
blijkt dat het maximale stijgen dat bereikt kan worden 1,8m/s is bij een
vliegsnelheid van 102km/h. Dit is net vóór het stoepje.

Figuur
5: Cirkelen
in rustige thermiek zonder turbulenties
Vervolgens
werd een identieke berekening uitgevoerd waarbij echter aan het thermiekmodel
van figuur 5 ruisachtige sinusvormige turbulenties werden toegevoegd met een
gemiddelde amplitude van 1,5m/s. Het resultaat van deze berekening is gegeven
in figuur 6.

Figuur
6: Cirkelen
in onrustige thermiek met turbulenties
In
deze figuur is nadrukkelijk het negatieve effect van de turbulenties aanwezig.
De gunstige totale klimsnelheid Vs_total van 1,8m/s van figuur 5 daalt hier
naar 1,3m/s. Een vrij dramatische afname in het klimmen met zo’n 0,5m/s. Het
separaat weergegeven effect van de turbulenties Vs_gusts op de klimsnelheid
spreekt voor zich. Uit de figuur blijkt dat het nuttig is wat harder te gaan
vliegen, bijv. met een snelheid van zo’n 110km/h.
Met
een invalshoek vliegen die voorbij het stoepje ligt waar de liftcurven van
figuur 3 weer gaan stijgen, d.w.z. vliegen met een lagere snelheid dan 100km/h
is misschien mogelijk, maar zal voor de vlieger uiterst lastig zijn. Bij de
relatief grote invalshoek die hiervoor nodig is zijn de flaps overtrokken; dat
zal in combinatie met de optredende verticale snelheidswisselingen van de lucht
het controleren van een acceptabele vliegstand er niet eenvoudiger op maken.
Toch zijn hier wel positieve berichten over. Wellicht wegen de gunstige
dynamische effecten op tegen de verhoogde eigen daalsnelheid en slechte
controleerbaarheid. Deze methode raad ik bij vliegen in gemeenschappelijk
verband zeker af. Men kan dan wellicht beter overwegen de turbulente thermiek
te verlaten om wat verderop rustiger stijgen aan te vliegen. Zelf deed ik dat
al eens vanaf een veelbelovende plek bij Epe
op de Veluwe nadat ik al foeterend nog steeds geen meter omhoog gekomen was.
Een globale
vergelijking van de resultaten van mijn dynamische routine met die van Loek
Boermans ligt uiteraard voor de hand. Loek voerde zijn meer gedetailleerde
analyse met een echt turbulentiesignaal uit bij een vaste vliegsnelheid van
90km/h en vond een negatief effect van -0,63m/s, zie figuur 4 hiervoor. In figuur
6 vind ik, vliegend met een wat hogere
vleugelbelasting, bij 102km/h en een sinusvormig turbulentiesignaal met
random amplitude een effect van -0,50m/s. In principe dus goede
overeenstemming, maar een iets conservatiever resultaat.
De
verbetering in dit verlies die optreedt door in plaats van het vlakke stoepje
een gradiënt van dCL/da = 0,025 per graad te kiezen
levert in de analyse van Loek het respectabele effect op van +0,40m/s bij
90km/h. Een identieke berekening met mijn snelheidsafhankelijke routine komt
uit op een verbetering in de daalsnelheid met +0,32m/s bij 102km/h. Dus
eveneens goede overeenstemming.
Conclusies:
-
De eerste moderne vliegtuigen met profielen zonder vlak stoepje, n.l. Diana 2,
de ASH-30, de JS1 en ook de Arcus vliegen inmiddels.
-
Men kan verwachten dat in de naaste toekomst uitsluitend profielen zonder
stoepje in de CL-a grafiek zullen worden
ontworpen en toegepast. De winst in performance die door deze modificatie kan
worden geboekt is gunstiger dan wat nog te bereiken zou zijn met een verdere
verkleining van de profielweerstand of de geïnduceerde weerstand.
-
Bij de huidige moderne profielen lijkt het mogelijk door strategisch te vliegen
de invalshoek a zoveel mogelijk vóór het stoepje
te houden waarmee de negatieve effecten in de landing, bij het aanvliegen van
thermiek en vooral bij het cirkelen in turbulente thermiek kunnen worden
verminderd.
Er
moet nog wel worden gezegd dat de in dit artikel genoemde berekeningen zijn
uitgevoerd onder de aanname dat het stoepje over de gehele spanwijdte op het
zelfde moment en in dezelfde mate actief is. Dit is echter niet het geval. Door
de willekeurige ruimtelijke verdeling en afmetingen van turbulenties treedt er
een zekere spreiding van hun positieve en negatieve effecten over het
vleugeloppervlak op. Daarnaast zijn de profieleigenschappen over de lengte van
de vleugel veelal niet constant omdat gewoonlijk meerdere profielen worden
toegepast om gunstige en vooral ook veilige vliegeigenschappen te
bewerkstelligen. Gevolg is dat de negatieve effecten van het stoepje zich niet
tegelijkertijd en in dezelfde mate manifesteren en het totale effect in feite
een som van locale effecten is. De
uitkomsten van de berekeningen worden
hierdoor wat overschat weergegeven.
Aan
de TUDelft loopt een simulatieonderzoek waarbij met de Flight Simulator “Silent
Wings” in de turbulente thermiek van figuur 4 wordt gevlogen met een
zweefvliegtuig voorzien van vleugelprofielen met en zonder stoepje. Hiermee
wordt getracht een nog beter inzicht te krijgen in het gedrag en de prestaties
van het vliegtuig in afhankelijkheid van het stuurgedrag van de piloot. Het laatste woord over het stoepje is dus nog niet
gezegd.
Tenslotte:
Mijn
vrienden wil ik bedanken voor de inspirerende discussies over en directe
bijdragen aan deze publicatie betreffende het plateau in de CL-a curven van moderne zweefvliegtuigen met
flaps. Dit geldt met name voor mijn zoon Ronald en daarnaast uiteraard voor
Loek Boermans, die beiden op hun eigen gebied van praktische ervaring en
theoretische kennis een substantiële bijdrage hebben geleverd in de
totstandkoming van dit werk. Daarnaast heb ik vrij veel specifieke literatuur
bestudeerd om mij met het mooie vakgebied van de aerodynamica wat beter
vertrouwd te maken: boeken en dictaten van Helmut Reichmann, Fred Thomas, Loek
Boermans, John Anderson en anderen. Daarnaast bleek met enig zoeken ook het
internet een bron van kennis te zijn, vooral ook betreffende het werk van
vroege pioniers op dit gebied.