Fivelboezem: tijdlijn in het landschap

De ontstaansgeschiedenis van Groningen begint aan het einde van de ijstijden, circa 10000 jaar voor Christus. Door het vochtige klimaat en door het stijgen van de zeespiegel ontstond op grote schaal veenvorming, globaal ten zuiden van de lijn Groningen - Delfzijl. De afvoer van water uit het veengebied in dit deel van Groningen vond voornamelijk plaats via de Hunze en de Fivel. Aan de zeezijde van dat veengebied ontwikkelde zich een kwelderlandschap met klei- en zandplaten en geulen, dat we heden ten dage ook aan de oostzijde van Schiermonnikoog aantreffen.

Figuur 1: Ontstaansgeschiedenis van het landschap in de Fivelboezem.

Omstreeks 1000 jaar voor onze jaartelling ontwikkelde zich tussen Fivel- en Hunzeboezem een kleikwelder, die aan de zeezijde omringd werd door een wat hoger gelegen kwelderwal. Op deze kwelderwal heeft vanaf ongeveer 650 voor Christus de eerste bewoning plaatsgevonden. Omdat het gebied bij hoge vloeden nog regelmatig onder water stond, hebben de bewoners verhoogde woonplaatsen opgeworpen, die nu als wierden nog steeds in het landschap herkenbaar zijn. Doordat die eerste bewoning juist op de kwelderwal plaatsvond, ontstond zo de karakteristieke wierdenreeks die aan de oostzijde van de Hunzeboezem gemarkeerd wordt door de wierden van onder meer Adorp, Sauwerd, Winsum en Baflo. Deze reeks loopt vervolgens aan de noordkant door met de wierden van onder andere Warffum en Usquert. Aan de westzijde van de Fivelboezem vinden we ondermeer de wierden van Rottum, Kantens, Toornwerd, Middelstum en Westerwijtwerd. Zoals Figuur 1 laat zien liep deze kwelderwal in zuidelijke richting door tot ongeveer Ten Post.

Aan de oostzijde van de Fivelboezem ontstond ook een kwelderwal, waarop onder andere de wierden van Winneweer, Garrelsweer, Loppersum, Eenum, Leermens, Godlinze en Spijk zijn ontstaan. Ook aan de westzijde van de Hunzeboezem vond bewoning op wierden plaats, onder meer te Feerwerd en Ezinge.

De door de Hunze- en Fivelboezem ingesloten oude kwelder bestond in hoofdzaak uit knipklei en was vanwege de slechte ontwatering en de begroeiing met moerasbos en veen een moeilijk toegankelijk gebied. Vanuit de Fivelboezem liepen kleine kreken deze oude kleikwelder in. Veel van de oude wierden op de kwelderwal lagen ook aan deze slenken en hadden er een duidelijke relatie mee. Bovendien vormden deze slenken veelal de bovenlopen van de maren die later zouden ontstaan bij het verder dichtslibben van de Fivelboezem.

 

Vanaf ongeveer het begin van onze jaartelling ontstond onder invloed van het stromingspatroon aan de noordoostzijde van de kwelderwal, ongeveer ter hoogte van Usquert, een haakvormige strandwal die zich geleidelijk in oostelijke richting ontwikkelde. Halverwege de 15e eeuw had deze strandwal de omvang bereikt zoals die in Figuur 1 is weergegeven. Op deze strandwal zijn onder meer de dorpen Olddörp, Uithuizen en Uithuizermeeden ontstaan. In de luwte van deze strandwal kon opslibbing plaatsvinden, die vanwege het stromingspatroon in de Fivelboezem aan de westzijde sneller verliep dan aan de oostzijde.

Doordat de opslibbing van west naar oost verliep, ontstond er een afwateringspatroon in dezelfde richting. Alle oude maren zoals de Helwerdermaar/Uithuizermeedstermaar, Koksmaar, Eppenhuizermaar en Startenhuizermaar vinden hun oorsprong ergens op de oude kleikwelder en wateren in oostelijke richting af. Tussen de maren en veelal parallel hieraan, op de hogere delen van de kwelders, ontstonden de voorlopers van de huidige wegen, de veedriften.

Op de hoogste plaatsen op deze kwelders, vaak op kwelderwallen langs de maren, werden in oostelijke richting steeds nieuwe nederzettingen gesticht zoals Zandeweer, Eppenhuizen, Garsthuizen en Westeremden. Maar er zijn nog verschillende andere oude bewoningsplaatsen, zoals Walsum en Startenhuizen, die thans slechts één of enkele boerderijen omvatten.

 

Aan het einde van het eerste millennium van onze jaartelling kwam het gebied langzaam onder invloed van het christendom en deden de monniken hun intrede. Een groot aantal kloosters herinnert aan hun aanwezigheid, zoals de voormalige kloosters te Usquert, Rottum, Warffum, Wittewierum (Ten Post) en Appingedam. De monniken hadden vanwege hun hoge organisatiegraad een grote invloed op de omgeving. Niet alleen stichten zij kloosters, maar ook bedreven zij landbouw, zeg maar de kolchozen van de middeleeuwen. Het Zandster Voorwerk en Garsthuizer Voorwerk herinneren ons hieraan nog steeds. De monniken hebben waarschijnlijk ook zorggedragen voor de eerste dijken. Niet dat die vergeleken kunnen worden met de huidige deltawerken, er moet meer aan kaden van circa één tot anderhalve meter hoogte gedacht worden, maar gedurende de zomerperioden verlaagden deze kades het overstromingsrisico van de grazige kwelderweiden aanmerkelijk.

De eerste echte dijk van enige betekenis en omvang in de Fivelboezem was de Oldijk. Deze liep globaal van Uithuizen via Oldenzijl met een grote boog om Garsthuizen en verder door naar Westeremden. In het veld is deze oude dijk niet meer terug te vinden, maar namen als Balkjepad, Oldenzijl, Dijkumerweg en Fiveldijk herinneren ons nog steeds hieraan. Ondanks deze dijk had de zee, met name in de winter, via de maren nog steeds invloed op het binnendijks gelegen gebied. Helemaal veilig was het dus beslist nog niet.

Het dichtslibben van de Fivelboezem zette zich steeds verder voort en steeds weer werd nieuwe kwelderaanwas beschermd door dijkjes. Veel van deze dijken zijn heden ten dage nog steeds als wegen en paden terug te vinden Halverwege de vijftiende eeuw werd de eerste ringdijk aangelegd, de "Oude Dijk", die bescherming bood aan vrijwel het gehele toenmalige Groninger Hoogeland. Restanten van de Oude Dijk zijn nog steeds terug te vinden ten noorden van Warffum, Usquert, Uithuizen, Uithuizermeeden en in Oosternieland. De dijk liep verder via Kolhol en sloot ter hoogte van Godlinze aan op de bestaande dijk in het zuidoostelijke deel van de Fivelboezem. Met deze dijk werd de invloed van de zee in het binnendijkse deel van de Fivelboezem definitief beëindigd en daarmee werd de ontwikkeling van het landschap min of meer bevroren. De Oude Dijk heeft tot circa 1750 dienst gedaan en werd na een reeks van doorbraken uiteindelijk vervangen door een nieuwe, verder naar buitengelegen dijk, de Middendijk.

 

Juist het samenspel van natuurlijke, fysische ontwikkeling met de kenmerkende west-oost lopende maren en de invloed van de mens met de bewoning op de hogere delen en de oude van west naar oost lopende veedriften maken dit gebied landschappelijk en cultuurhistorisch waardevol.