De Borg bestaat uit verschillende natuurlijke grotten die met behulp van magie van een rotsvormer bijgewerkt en vergroot zijn. Er zijn veel kleine kamertjes waardoor de hele stam in de borg past. Je kunt er binnen komen door de grote ingang die naar de centrale ruimte leidt of door kleinere neveningangen, die vaak eerst naar een opslagruimte of werkplaats leiden. Ook zijn er verschillende lucht- en rookgaten. Deze zijn echter niet groot genoeg om een elf door te laten (meer de grootte van een kleine schoorsteenpijp). Alle ingangen zijn goed af te sluiten door middel van zware leren flappen die op verschillende plekken vastgezet kunnen worden. Dit zorgt ervoor dat er geen warmte onnodig uit de Borg ontsnapt en dat er geen regen of sneeuw binnenwaait.
In de vallei groeien grassoorten van verschillende lengten. Ook staan er her en der kleine bosjes met verwaaide bomen en er omheen struikgewas. Tussen de grassen groeien diverse soorten bloemen en kruiden. De vallei zelf is redelijk vlak, maar loopt aan de randen omhoog, als een kom. Dit komt omdat het dal aan alle zijden omsloten wordt door heuvels en bergen. Met uitzondering van de noordzijde, dat moerasgebied is.
Er zijn verschillende toegangen naar het dal. Op verscheidene plekken tussen de heuvels en bergen zijn passen waardoor je de vallei in en uit kunt. Door deze passen komen ook de kuddes wild die door de vallei trekken op zoek naar nieuwe graasgebieden. Hoewel de heuvels wel begaanbaar zijn, hebben ze aan de buitenzijde van de vallei erg steile hellingen, en staat er op andere plekken weer dichte struikbegroeing. Grotere kuddes lopen daardoor altijd door de passen. Ook de nomadische mensenstammen zoeken de makkelijkst begaanbare wegen en trekken niet zomaar door de heuvels, maar meer door de valleien. Ook zij zullen hoofdzakelijk door de passen trekken.
Vanuit het oosten en vanuit het westen lopen 2 kleine riviertjes het dal in. Het water van het westelijke riviertje komt van hoger uit de bergen als smeltwater en is erg koud, ook 's zomers. Hierin wordt dan ook niet zoveel gezwommen. Het water wordt meestal gebruikt voor drinkwater en om mee te koken. Het riviertje stroomt erg wild de berg af, met daarbij een smalle, maar hoge waterval. Het oostelijke riviertje is minder koud en ontspringt ergens verder ten oosten van de heuvels uit een bron. Dit water is wel geschikt om in te zwemmen, hoewel er sterke stroming staat. Vooral in het gedeelte waar de rivier tussen de heuvels door stroomt. Hier zijn verschillende stroomversnellingen waar het water trapsgewijs door loopt. Deze rivier wordt elke herfst opgezwommen door duizenden roodbuiken (zalmen). In het noorden van de vallei komen de 2 riviertjes samen. Omdat daar niet echt een rivierbedding is, stroomt het water breed uit in een moerassig gebied. Verder noordwaarts versmalt de moerasvlakte en wordt het moeras langzaam maar zeker dieper en neemt het weer de vormen aan van een rivier. Die rivier stroomt noordwaarts over een steppevlakte verder. Op de plek waar de 2 riviertjes samen komen, liggen verschillende oude rivierarmen in de omgeving.
Op korte loopafstand van de Borg liggen verschillende warmwaterbronnen. De bronnen zijn waar de naam van de Borg vandaan komt. Zelfs 's winters geven de bronnen voldoende warmte af om er voor te zorgen dat de winter in het dal een stuk minder koud is, dan in de omringende gebieden. De elfen vinden het lekker om in de bronnen te baden. Vooral 's winters is dit een favoriete bezigheid. Omdat 's winters in het dal veel sneeuw valt en het buiten erg koud kan worden, zorgen de elfen ervoor dat er altijd een pad naar de bronnen sneeuwvrij gehouden wordt. Ook hebben ze een van de favoriete bronnen overdekt met een grote leren tent, zodat de warmte daarin goed blijft hangen.
Sommige van de bronnen zijn zwavelhoudend, de ene meer dan de andere. Hoewel de overdekte bron niet duidelijk zwavelhoudend is, is het echter niet aangeraden het water te drinken. Ook is het verstandig om niet zomaar het water in te duiken van de overige bronnen, aangezien de watertemperatuur per bron verschilt. Sommige van de bronnen zijn gevaarlijk heet en in enkele is zelfs een ei te koken.
De ingang van de tent valt erg op. De 'deur' is gemaakt van twee grote mammoetslagtanden die samen een boog vormen. Daartussen hangen huiden die de wartme binnen en de kou buiten houden. De koepeltent met gebogen onderling verbonden stokken -die zijn verankert in de grond- is bekleed met vele huiden. In de nok van de tent is een opening waardoor rook, stoom en dampen wegkunnen. In de zomer kan het tentdoek opgebonden op opengeklapt worden waardoor het lekker door kan waaien.
In de tent is het warm genoeg om ontkleed rond te lopen. De overdekte bron heeft een ondiepe en een wat diepere kant en het water heeft een aangename warmte, ongeveer lichaamstemperatuur. In het ondiepe gedeelte kunnen ook de kinderen zich wassen en gaan de elfen vaak lekker zitten, puur om van het warme water te genieten. Het diepere gedeelte is ongeveer 2 elflengtes diep. De bron is groot genoeg om (in het diepe gedeelte) korte baantjes te zwemmen. Sommige elfen vinden het lekker om na een warm bad af te koelen in de sneeuw en zich daarna pas af te drogen in de warmte van de tent. Het baden in de warmwaterbron wordt gezien als een belangrijk sociaal gebeuren in de stam. Meestal zijn er dan ook meerdere elfen tegelijk hier te vinden.
In de tent is nog voldoende ruimte over om rond de bron te luieren op de daarvoor gemaakte zitplekken of om jezelf te verzorgen. Aan één kant van de tent liggen stapels vachten om op te liggen of jezelf af te drogen. Een eindje verder is een soort ladder schuin tegen de wand geplaatst. Hierop kunnen de natte vachten worden gehangen om te drogen. Aan de andere kant van de bron staat een smalle tafel met daarop verschillende verzorgingsmaterialen, zoals kammen, schuurstenen en tandenborstelstokjes. Ook een opgepoetste koperen plaat die dienst doet als spiegel ligt daar. Daarnaast hangen verschillende verschillede kruiden, waaronder zeepkruid, aan de wand. Zeepkruid wordt gebruikt om te wassen, andere kruiden worden gebruikt om in de vuurkorven te gooien. De vuurkorven, waarvan er diverse verspreidt staat in de tent, zijn niet zo zeer bedoeld voor de warmte, maar voor de zachte verlichting die het geedt en voor de aromatische geuren die de kruiden verspreiden als deze op de kooltjes gegooid worden.
Er zijn slechts enkele regels voor het gebruik van de bronnen. Als een elf gaat baden en hij is erg vervuild dan wordt deze geacht zich eerst af te spoelen voordat hij de bron in gaat. Het is namelijk niet de bedoeling dat er allerlei vuil en takjes en dergelijke in de bron komen. De tweede regel is dat iedereen z'n eigen spullen opruimd nadat hij of zij het gebruikt hebben. Dus de tent (en de bron) wordt gewoon netjes gehouden.
De heuvels zijn eigenlijk de uitlopers van het grote gebergte. Vanaf de vallei zijn ze redelijk goed toegankelijk, hoewel het wel ruig terrein is. In de loop van de eeuwen hebben de plantvormende elfen en de rotsvormers van de stam er voor gezorgd dat de ruigheid van de heuvels aan de andere kant verhoogd is. Zo zijn er extra steile wanden gemaakt en ontoegankelijke rotsblokkades. Ook zijn er stekelstruiken geplaatst. Dit alles om ervoor te zorgen dat al het wild door de makkelijker te controleren passen komt. Ook zorgt het ervoor dat de vallei beter te beveiligen is. Zo kan de vallei redelijk makkelijk afgesloten worden als de wachters de rondtrekkende nomadenstammen aan zien komen. De hele stam helpt dan om de passen af te sluiten en te camoufleren. Hierbij zijn vooral de rotsvormers en plantvormers belangrijk.
Het gebergte waar ook de berg toebehoord waarin de Borg gebouwd is, wordt door de elfen het "Massagebergte" genoemd. De hellingen van de berg waarin de borg ligt, zijn voornamelijk begroeid met grassen en struiken. Direct naast de berg loopt de enige pas in de verre omtrek die door het gebergte loopt. Helaas is deze pas tijdens de aardbeving ingestort. Dit zorgt voor de nodige problemen. Zo komt er beduidend minder wild het dal in en ook is een klein jachtgroepje door de instorting van de stam afgesloten. De bergen die iets verder ten zuiden van de Borg liggen zijn hoofdzakelijk begroeid met naaldbossen. Op de hoogste hellingen groeien alleen maar lage plantjes als grassen en mossen. De direct noordelijk van de borg gelegen berg heeft voornamelijk lage begroeing met af en toe wat loofbomen. Struiken en kruiden staan er in overvloed. Hoe ver het gebergte doorloopt is niet bekend. De elfen weten alleen dat het zich zowel in noordelijke en zuidelijke richting nog erg ver uitstrekt. Als het hard geregend heeft ontstaan er diverse kleine stroompjes met regenwater dat van de berg afloopt, die later weer compleet verdwijnen.
Net zoals er in de stam tradities zijn rondom de geboorte, zijn er ook traditie rondom sterven. Overleden elfen worden door de stam naar een hoog gelegen open plek gebracht, op de wand van de berg. Hier staat een reusachtige treurbeuk, ooit hier gebracht door een van de eerste elfen in Zomerbron, en door middel van plantvormen geholpen om te groeien. De boom is oud en groot en de takken hangen terug tot op de grond, zodat een gordijn van dunne takken ontstaat. Verscholen onder de takken van de boom ligt een open cirkel rond de boomstam, groot genoeg om aan iedereen plaats te bieden. Er hangt een serene sfeer en het lijkt alsof de zielen van alle overledenen aanwezig zijn. Het zonlicht wordt gefilterd door de takken en bladeren van de boom en geeft een aparte kleur aan de open plek, die bijdraagt aan de gehele sfeer. Ter nagedachtenis kerft de verhalenbewaarder het naamteken van de overledene in de bast van de treurbeuk. Sommige van de tekens in de bast zijn zo oud dat ze bijna niet meer zichtbaar zijn. Het lichaam van de overledene wordt op de open plek rondom de boom achtergelaten om zijn plaats in de cirkel van het leven in te nemen.