- De Stronk: Deze is er één in de Borg en staat standaard ergens in de Grote Zaal. Het is een uitgeholde schijf boomstronk (dus een ring) met daarover huid gespannen. Ruim 1 elflengte hoog.
Geluid: Diepe zware bastoon.
Speelwijze: Met 1 of 2 stokken met zachte uiteinden.
- Klankbord: Soort Xylofoon van houten plankjes. Onder de plankjes hangen kalebassen als klankkast.
Geluid: Warme melodieuze tonen, niet al te luid.
Speelwijze: Met 1 tot 4 stokken met zachte uiteinden (vier stokjes is voor vérgevorderden).
- Oedoeh: Aardewerken kruik met een extra opening in de zijkant van de buik. er zijn Oedoehs in verschillende groottes.
Geluid: Afhankelijk van waar geklopt wordt, varieert de klank van lage bassen (klinkend als 'Oedoeh') tot scherpere tikken. Het open of gesloten houden van de (extra) opening veranderd de toonhoogte van de tikken.
Speelwijze: De Oedoeh word gedragen op de arm. Met de ondersteunende arm word met vlakke hand de (extra) opening bespeeld. Met de andere hand wordt ritmisch op de buik van de Oedoeh geklopt.
- Hummer: Houten zandloper-vormige trom met dierenhuid op beide uiteindes. De gedroogde, kale huiden zitten met touwtjes aan elkaar.
Geluid: Afhankelijk van hoe strak de touwen zijn gespannen, klinkt het geluid juist schel, of juist heel dof. Doordat de gespannenheid van de touwen steeds verschilt is er dus niet 1 duidelijk geluid. Deze trom wordt in onze wereld ook wel 'Talking Drum' genoemd, doordat de klanken verschillende intonaties hebben, net als bij praten.
Speelwijze: De trom wordt onder de arm genomen. Door de arm dichter of minder dicht tegen het lichaam aan te duwen, wordt het vel van de trom extra aangespannen en wordt het geluid feller of juist warmer van klank. Met de andere arm wordt een gebogen stokje van been tegen het vel getikt.
- Dubbeltrom: Deze trommel kan van hout of van aardewerk zijn. Er zit een dierenhuid op die met touw strakgespannen is. De twee trommels (de brede en de smalle) zijn aan elkaar gebonden.
Geluid: Het geluid verschilt per speelwijze. De grotere trommel heeft een lagere toon dat de smalle trommel. Deze is scheller. Als er met de hand op de rand wordt gespeeld kan ook de grote trom scheller klinken. De tonen zullen dan feller zijn dan wanneer er met een stokje gespeeld wordt.
Speelwijze: Deze trommels kunnen met de handen bespeeld worden, of met stokjes met zachte uiteindes. Er kan op het midden van het vel worden geslagen (wat een bastoon geeft), of op de rand (wat een feller geluid geeft).
- Spleettrom: Dit instrument is een uitgeholde stam of tak. Bovenin zit een spleet, met twee extra openingen voor sterker geluid.
Geluid: Heldere, warme en redelijke luide klank. Geluid klinkt niet lang door.
Speelwijze: Met een houten stokje wordt op de spleettrom getikt.
- Schuiftoeter: Dit instrument bestaat uit twee holle buizen van hout, die in elkaar geschoven kunnen worden. Hierdoor kan de lengte van de schuiftoeter veranderen. Het uiteinde waarop gespeeld wordt is afgewerkt met een rand was.
Geluid: Het basisgeluid van de schuiftoeter is een brommend gezoem. Door extra geluiden te maken in je mond kun je geluidseffecten krijgen. Toonhoogte verschilt door de lengte van de toeter.
Speelwijze: De mond wordt op het mondstuk geplaatst en er wordt lucht door de lippen geperst, waardoor de lippen gaan trillen. Met een speciale ademtechniek, waardoor tegelijk lucht ingeademd en uitgeblazen kan worden, kan met dit instrument een continu geluid gemaakt worden. Door de schuiftoeter korter of langer te maken verander je de toonhoogte.
- Regenstokjes: Deze stokjes hebben aan één uiteinde een bundeltje geitennagels hangen, bevestigd met een leren touwtje. Het stokje heeft soms een zacht leren lint eromheen gewonden, als zachtere handgreep.
Geluid: Door met het stokje te bewegen, tikken de geitennagels tegen elkaar. Daarbij ontstaat een geluid wat erg klinkt als druppels water. Hoe harder de nagels tegen elkaar aan bewogen worden, hoe meer 'water'. De klank varieert van enkele regendruppels tot een complete stortbui.
Speelwijze: Schudden en draaien van de stokjes.
- Tsjieka Tsjieka: Deze kleine gevlochten mandjes hebben een bodem van dik leer. Binnenin zitten pitjes.
Geluid: De naam van het instrument verraad de klank al. De toon kan feller of zachter van klank worden door de pitjes respectievelijk tegen het leer of tegen het vlechtwerk aan te laten komen. De klank van de twee schudjes verschilt onderling een klein beetje.
Speelwijze: De mandjes worden ieder in één hand genomen en met gebogen arm op ooghoogte voor zich gehouden, met de bodem van zich af. Door ritmisch heen en weer schudden van de mandjes ontstaat een ritme. In dit ritme kan meer variatie gebracht worden door tijdens het schudden de mandjes om te keren, zodat (gedurende één of meerdere schudbewegingen) de bodem juist naar het lichaam toegekeerd is. Dit verzacht de klank. Vergevorderde spelers kunnen met hun linker en rechterhand tegelijk verschillende ritmes spelen, beginners spelen met één mandje.
- Zandnoten: Twee kleine kalabasjes zijn gevuld met pitten. Door de kalabassen zitten twee gaten en een touw, waardoor ze aan elkaar vast zitten met een stuk touw ertussen.
Geluid: Zacht sambabal-geluid met een felle tik erdoor als de kalabassen tegen elkaar komen.
Speelwijze: Het touw wordt over de vingers gelegd, één kalabas wordt in de hand gehouden. Door te schudden krijg je geluid. Als extra ritme kan één kalabas over de hand geworpen worden waardoor deze tegen de andere kalabas tikt.
|
- Windfluit: Aan elkaar bevestigde rietjes of holle stokken. De onderzijde van de stokjes is dicht. De bovenzijde is lichtelijk schuin afgesneden.
Geluid: Hese fluitende tonen. Alsof de wind ergens doorheen waait... Elk stokje brengt een andere toon voort.
Speelwijze: De windfluit wordt rechtop (stokjes verticaal) voor de mond gehouden. met getuite mond wordt er dan over de openingen heen geblazen. Door de fluit naar links en rechts te schuiven kun je de tonen laten wisselen.
- Gewone fluit: Een hol stokje met gaatjes erin. Kan van verschillende soorten hout zijn, dit bepaald ook het geluid.
Geluid: Fluitend geluid, maar dat snapt denk ik iedereen wel.
Speelwijze: Met de vingers worden de gaatje bovenop de fluit open of dicht gehouden. Hierdoor verschilt de toonhoogte. Verder wordt er gewoon op het mondstuk geblazen.
- Plikabas: deze halve kalabas is dichtgemaakt met een houten plaatje. In dat plaatje zit een gat en boven het gat zitten metalen strookjes vastgeklemd.
Geluid: Een metaalachtig tokkelend geluid. De lengte van de matalen staafjes verschilt, waardoor ook de toonhoogte anders is.
Speelwijze: Met de vingers worden de staafjes naar beneden geduwd. Door de vinger er dan af te laten schieten krijg je geluid.
- Rinkelband: Een band van stof of leer, die om de enkels of polsen geknoopt kan worden. Op de band zijn verschillende geitennagels of notendoppen genaaid.
Geluid: Bij het schudden van de band brengt dit een droog rinkelend geluid voort. De klank verschilt, afhankelijk van het gebruikte materiaal (Noten klinken holler).
Speelwijze: Door ritmisch op de muziek meebewegen van arm of been, ontstaan vanzelf de bekende klanken. Kan ook tijdens dansen gedragen worden om op die manier toch nog bij te dragen aan de muziek.
- Ritmestokjes: Zo simpel mogelijk; Twee stokjes die je op elkaar tikt. De stokjes heb je in verschillende maten.
Geluid: Een heldere 'tik'. Natuuurlijk kan er hard of zacht mee getikt worden...
Speelwijze: De stokjes worden niet te strak in de hand gehouden. De hand wordt losjes rond de stokjes gekromd. Alleen met de vingers houden de stokjes ook echt vast. Hierdoor wordt met de eigen hand rond de stokjes een klankkast gevormd, om het geluid te versterken en voller te laten klinken.
- Kalabastrompet: Deze gedroogde vrucht is hol, met een gat aan de onderkant. Bij het smalle stuk is een gat gemaakt om door te blazen en op dat stuk zijn gaatjes gemaakt om vingers op te plaatsen.
Geluid: Een diepe volle klank, met een pwêh-geluid. Toonhoogte verschilt door de stand van de vingers op de gaatjes.
Speelwijze: Op dezelfde manier als een gewone fluit.
- Fluitslinger: Een fluitslinger is niets meer dan een touw waaraan een houtje met een gat erin is bevestigd (zonder gat kan ook).
Geluid: Een aanhoudende toon, die in hoogte kan variëren. Een combinatie van zoemen en fluiten.
Speelwijze: Het houtje wordt met het touw boven het hoofd of naast het lichaam rondgeslingerd. Door die draaiing beweegt lucht door het gat en dat veroorzaakt de bekende fluittoon. De snelheid waarmee het houtje rondgedraaid wordt, veranderd de toonhoogte van de geluid.
- Muziekboog: Een boog met één strak gespannen snaar. Aan de boog zit een kalabas bevestigd, die als klankkast dient.
Geluid: De toonhoogte kan verschillen, maar het geluid klinkt ongeveer als "Woing".
Speelwijze: De boog wordt voor het lichaam gehouden en met een dun stokje wordt tegen de snaar getikt. Met de andere hand kan een stukje hout of metaal tegen de snaar geduwd worden, op afwisselende afstand van de klankkast. Dit veranderd de lengte van de snaar die meebweegt door het tikken, en daardoor veranderd de toonhoogte van de klank.
- DoengDoeng: Deze hoge trom is van een uitgehold stuk hout gemaakt. Bovenop is met touw een dierenhuid gespannen. Op het voorbeeldplaatje zie je zelfs nog haren zitten aan de rand van het vel. Dit is niet nodig, het is puur sier en zal dan ook per trom verschillen.
Geluid: Als er in het midden op het vel geslagen wordt, klinkt er een bastoon. Wordt er met vlakke hand op de rand gespeeld, dan klinkt er een kortere doffe toon. Het geluid is fel en hard als er met de palm van de hand op de rand wordt gespeeld, waarbij alleen de vingertoppen het vel raken.
Speelwijze: Deze trom wordt over het algemeen zonder stokken gespeeld, alhoewel dat eventueel wel zou kunnen. Meestal wordt er gewoon met de handen getrommeld.
- Ritmeschaal:
Geluid: Als een trommel. Klinkt dof als het vel gedempt wordt, anders vol en diep. Heldere slagen met stokjes, met kwastjes als strijken of vegen.
Speelwijze: Wordt verticaal in 1 hand gehouden (hand aan achterzijde van vel) terwijl met de andere hand, ritmisch, vanuit de losse pols met stokje of kwast op het vel getikt wordt. De ondersteunende hand kan tegen het vel gedrukt worden om de slagen te dempen of juist los gelaten worden om specifieke slagen harder of helderder te laten klinken. Hierdoor ontstaat een zeer ritmisch geheel.
- De Schedel: Een oude Mammoetschedel die nu gebruikt wordt als instrument. Op de schedel zijn rode verflijnen zichtbaar.
Geluid: Warme en diepe melodieuze tonen. Klanken zijn wel helder van toon.
Speelwijze: Met (twee) stokken met zachte uiteinden wordt op de schedel geslagen. De rode lijnen en stippen geven aan waar geslagen moet worden om mooie tonen te krijgen. De natuurlijke holtes in de schedel werken als klankkast.
|