Ruzie!   [ 03/02/2003 - 14/02/2004 | Afke, Carla, Harry, Linda, Samantha ]
Kristal's werkbrauwen trokken samen. Haar ene hand stond stevig in haar zij, terwijl haar andere arm tegelijk met haar woorden flink op en neer ging en haar vinger regelmatig verwijtend richting Zwaardslag wees. **Wat! Jij... jij ondankbare worm!** Kristal kon van woerde bijna niet meer uit haar woorden komen. **Ik sta me hier in te spannen om jou te genezen, om JOU van de dood te redden en dit... dit is mijn dank? Volgende keer kun je verrekken, onthou dat wel. Als jij zo stom bent om niet op tijd naar mij toe te komen, kom ik ook niet meer naar jou toe.**
Kristal probeerde even naar Zwaardslag's gezicht te kijken voor een reactie, maar het was te zwart voor haar ogen. "Vies ondankbaar jong!" zei ze nogmaals meer tegen haarzelf dan tegen Zwaardslag, waar ze zich omdraaide om weg te gaan. ~Bah, het is ook altijd hetzelfde hier!~
Zwaardslag hapte naar adem bij deze grove verontschuldiging en vroeg zich verbijsterd af waar ze het in hemelsnaam over had. Ongelovig staarde hij naar haar rug: Wat had hij haar aangedaan? Een flits van een herinnering trok door zijn gedachten, en hij keek naar zijn hand. De wond, die rood was geworden na een paar manen, was weg. Hij was trots geweest en door zijn trots was hij niet naar Kristal toe gegaan. Was het dat soms?
Dat moest haast wel, want hij had geen idee welke dag het was en waarom Pijlleer en Brenger hier waren. Hij keek Brenger even knorrig aan door zijn eerdere woorden, voordat hij de frontale aanval opende.

**Ohja, natuurlijk, mevrouw perfect,** zond hij haar met een bijtend sarcasme toe. **Weet je wat het met jou is? Je bent egoistisch. Je bent zo ontzettend egoistisch dat je om niets en niemand wat geeft behalve om jezelf. Als je iemand moet helpen doe je dat met een kop waar zelfs een borstelhaar bang van zou worden.**
Hij duwde zich half overeind en merkte dat hij nog wat verzwakt was. Het moest wel heel erg zijn geweest als hij niet eens fatsoenlijk op zijn elleboog kon leunen! Deze trilde licht van de spanning die hij erop zette. Ze had misschien gelijk dat hij te koppig was geweest om naar haar toe te komen, maar dit was nou ook weer niet nodig!
Hij zuchtte diep, hij wilde helemaal geen ruzie met haar, hoewel ze deze overduidelijk wel zocht. Dus voegde hij er vriendelijker aan toe: **Alsof jij nooit iets doet waarvan je later denkt dat je ze beter niet had kunnen doen. Alsof jij geen dingen doet waar je jezelf voor op je kop kunt slaan, of dingen waarvan je later spijt hebt. We maken allemaal wel eens fouten, Kristal, jij net zo goed..**

Kristal had zich omgedraaid om weg te lopen, maar na het horen van Zwaardslags woorden draaide ze zich met een ruk weer om "Ik egoïstisch?" riep ze boos. ~Wat denk dat jong wel niet, mij een beetje de les lezen?~ Op hoge poten kwam ze terug gelopen. ~Was dit zoals gewoonlijk haar dank voor haar werk?~
De rustige, vriendelijke toon waarmee Zwaardslag verder ging bracht ook Kristal wat meer tot rust. Zwaardslag's woorden maakte veel indruk op haar. Kristal herinnerde zich meteen weer haar avontuurtje van enkele manen gelden. Haar uitstapje, haar uitvlucht dat eindigde in een aaneenkoppeling van stommiteiten en onvoorzichtigheden. Kristal slikte.
**Jij weet ook niet hoe het is** zond ze naar hem. **Het enigste wat ik heb is mijn gaven, iets waar ik nooit om gevraagd heb. Ik heb geen gezel, en ook nooit een gehad. Geen kind, geen familie, geen liefde, niet van dat alles. Ik heb helemaal niets! En dan durf jij mij nog egoistisch te noemen. Mag ik zelf nog wel iets om mezelf geven of is dat soms ook al verboden?** Kristal begon rustig, maar werd weer steeds feller. Waarom zou ze überhaupt de moeite nemen uit te leggen waarom ze is wie ze is. Wat kan iemand dat toch ook schelen.

Ook haar woorden maakten indruk op hem en hij moest zich inspannen om zich juist niet te druk te maken. Zat dat haar echt zo dwars? Dat ze nooit een gezel had gehad, dat ze geen echte familiebanden meer had? Hijzelf had Pijlleer en even flitsen zijn ogen naar zijn dochter, het enige wat hij nog had van Scherpnaald.
Hij had altijd gedacht dat de stam eigenlijk een familie was, maar door het verdriet en de frustratie die uit Kristal's zenden doorklonken besefte hij dat misschien niet iedereen daarover dacht. Hijzelf ook niet, moest hij met opeengeklemde kaken toegeven, denkend aan zijn eenzame opsluiting in zijn werkplaats.
Een vreemde kriebel schoot door zijn buik. Ze had zich nu - misschien onwillekeurig - wel heel erg kwetsbaar opgesteld... hij kon niet peilen of dat door zijn woorden alleen was gekomen of dat er nog meer speelde. Maar de pijn was hem bekend - het alleen zijn.
Hij probeerde zich nog iets meer op te duwen en merkte dat zijn schouder een beetje stijf was. Geen idee waarom, en hij draaide zijn schouder een paar keer om hem wat soepeler te krijgen. Hij aarzelde nog steeds, maar als hij nu niet snel iets zei, was ze weg en had hij waarschijnlijk de kans niet meer!

Met nog een snelle blik op Brenger en Pijlleer, ging hij over op gesloten zenden. Heel erg voorzichtig zond hij, *|Misschien als je je opener op stelt, je juist heel veel liefde ontvangt.|* Hij ademde diep in en liet zijn adem zacht sissend ontsnappen. Zacht voegde hij daar aan toe, *|I-ik weet dat ik niet perfect ben... m-maar ik kan allicht proberen te verbeteren.|*
Een aarzelende jongensachtige grijns verscheen op zijn gezicht. Hij wist dat hij er niet florisant bij zat, nu hij op de een of andere manier in de modder beland was, zijn haren vies, vet en vol klitten, maar zijn ogen keken haar hoopvol aan.
Bij nader inzien was het wassen van zijn haren niet eens zo'n verkeerd idee geweest: hij herinnerde zich daar nog elk detail van. Maar het was aan haar om te beslissen wat ze wilde. En nu het hoge woord eruit was, beloofde hij zichzelf dat hij wanneer ze negatief antwoordde, hij het niet meer zou vragen. Hij wist dat hij zich op deze manier uiterst kwetsbaar opstelde, en stilletjes, onwillekeurig wapende hij zichzelf al tegen haar antwoord.

Kristal had in haar woede al weer meer gespuid dan haar bedoeling was. Toen ze Zwaardslag's ogen volgde zag ze daar Brengen en Pijlleer staan. ~Verdorie hebben die jongen ook weer alles gehoord. Bah, het is ook altijd wat.~ Kristal wilde snel weer terug naar haar den. Weg van dit alles, en op afstand van die stam die haar alleen maar in haar midden hield vanwege die stomme gaven.
Toen ze de reactie van Zwaardslag hoorde was de maat echt vol voor haar. *| Wat denk je nu eigenlijk wel? Mij een beetje de les te kunnen lezen, mij vertellen hoe ik me op moet stellen, hoe ik me moet gedragen? Leer eerst jezelf eens verzorgen viespeuk! Sinds de dood van Scherpnaald loop je erbij als een bizon en zelf een stinkdier zal voor jou op de vlucht slaan.|*
Kristal keek nog even met een boze blik naar Zwaadslag, waarna ze haar hoofd schudde. Zwaardslag bedoelde het goed, maar juist dat was wat haar afstootte. Hoe dichter iemand bij haar probeerde te komen des te harder iemand werd afgewezen. Het kon haar niet eens meer schelen hoe Zwaardslag zou reageren. Of hij nu boos zou worden of verontwaardigt zou zijn, het zou haar koud laten. Hij moest gewoon niet denken dat hij zich met haar kon bemoeien. Dat kon en mocht niemand. De enigste die dat ooit mocht was haar moeder en die is er nu eenmaal niet meer. Ze was volwassen genoeg om voor zichzelf te zorgen en had daar niemand bij nodig.

Ondanks zijn eerdere belofte aan zichzelf verloor hij zijn geduld bij de kwetsende woorden die ze naar hem spuide. **Goed,** sneerde hij daarna, **Blijf jij dan maar voor altijd alleen. Ik was bereid het te proberen maar omdat je altijd chagrijnig bent tegen alles en iedereen zul je niet veel 'aanbiedingen' krijgen. Ik ben dan misschien een 'viespeuk',** hij spuugde het woord bijna uit, **Maar ik ben in ieder geval niet een arrogant figuur dat denkt dat ze niemand nodig heeft behalve zichzelf. Je had gelijk. Je geeft alleen om je zelf. Wat kan het jou schelen wat iemand anders van je denkt. Ga maar gauw naar het feest, of naar je den. Ik was stom om te geloven dat je misschien toch nog wel wat gevoel in je had, maar jouw hele leven draait om jezelf en ja, dan noem ik je egoistisch. Je wil wel graag een gezel, liefde, maar je bent NIET bereid om jezelf met anderen te delen. Over iedereen heb je wel iets te zeuren, niemand is goed genoeg voor onze Kristal.**
Hij had nooit geweten dat hij zo'n sarcasme in zich kon hebben. **De hele wereld is niet perfect. Wat verwacht je eigenlijk, bij de Allerhoogsten!? Dat ineens de man van je dromen opduikt uit het water en je zegt dat hij zijn hele leven met je wilt delen? Kom op!**

Het interesseerde hem niet wie hem kon horen met zijn open zenden, hij walgde van haar gedrag net zoals zij van zijn uiterlijk walgde. **Toe maar,** daagde hij haar toen uit. **Ga er maar op in. Dat doe je altijd. Waarom zou je het nu laten?**
Het was niet zijn bedoeling geweest om zo hard te zijn, maar hij voelde zich zo gefrustreerd! En misschien schudde het haar wel wakker uit haar droomwereldje waar ze in leek te leven. Ze moest de harde waarheid maar eens leren te accepteren.

Van verbaasdheid had Roodklauw er de hele tijd maar als een standbeeld bij gestaan, elk woord in zich opnemend, maar niet wetend hoe hij deze stroom van woorden kon tegenhouden. Wat op het eerste gezicht bedoeld leek als een manier om elkaar de ogen te openen, was nu geëindigd in alleen nog maar elkaar zo veel mogelijk kwetsen.
Met z'n ogen van de één naar de ander schietend, draaiden Roodklauw's hersenen op volle toeren. Hoe kon hij dit stoppen? Een halt toe roepen? Zwaardslag moest zeker hier blijven, hij was nog te zwak, hij moest rusten, voordat hij zich weer met dagelijkse bezigheden, laat staan de voorbereiding van een feest moest bezig houden.
Dan moest dus Kristal weg. Hij slikte even toen hij Zwaardslag's laatste woorden hoorde. Hij had iets gemist, Kristal moest gesloten gezonden hebben. Maar wat hij nog wel van haar gehoord had, had hem toch diep geraakt. Ze had inderdaad niemand meer. En omdat ze zich van de rest afsloot, had ze ook niet erg veel vrienden gemaakt. Hij probeerde zich te herinneren of Kristal ooit met hem had willen praten, maar dat hij haar weggewuifd had, omdat hij druk met iets bezig was. Of hij haar ooit op een andere manier geweigerd had. Hij wilde het niet hebben, dat iemand van zijn stam zich zo ongelukkig voelde, zoals Kristal nu duidelijk liet blijken.
Langzaam liep hij naar haar toe, en greep voorzichtig met beide handen van achteren haar schouders voorzichtig beet. Hij draaide Kristal om, naar hem toe, gaf haar een meelevende blik, en probeerde haar naar buiten te krijgen. Hij bleef haar aankijken, en als ze wat tegenstribbelde, duwde hij haar iets dwingender, zolang het nu maar weg van Zwaardslag was.

In een flits zag Zwaardslag dat Roodklauw naar Kristal toe liep, en haar ertoe probeerde te bewegen om de ruimte te verlaten. Hij sloot zijn ogen, ineens uitgeput. Hij voelde zich leeg, misschien een beetje verraden en wist dat hij uiterst defensief gereageerd had. Nou, hij had zich wel kranig geweerd, en wat moest hij trots op zichzelf zijn, bedacht hij zich sarcastisch. Boos op zichzelf liet hij zich achterover vallen, en op Brengers woorden maakte hij een gebaar dat 't hem allemaal niet meer uit maakte.
Wat ze gezegd had, had hem dieper geraakt dan dat hij had kunnen voorspellen en misschien had hij juist daarom wel de moed gehad om te vragen wat hij zojuist had gedaan. Verdorie, hij was bereid geweest om haar zoveel te geven, en ze had het zonder het ook maar een moment te overwegen terug in zijn gezicht geslagen. Hoewel hij geweten had dat de kans maar klein zou zijn dat ze zou instemmen, had hij ook niet verwacht dat haar afschuw zo enorm groot zou zijn.
Emotioneel was hij een wrak nu. Zijn vermoeide lijf voelde zwaar aan, zijn arm trillerig omdat hij daar gewicht op gezet had, maar niets was zo zwaar als de zware druk op zijn borst, rond zijn hartstreek.
Een paar keer ademde hij diep in, voordat hij zich naar de muur draaide. Hij wilde alleen zijn, net zoals hij dat altijd al geweest was, voor en na Scherpnaald. Het was een stomme zet van hem geweest om te proberen zijn werkplaats te verlaten. Deze was heilig voor hem, en het was, leek het af en toe wel, de enige bescherming die hij had tegen grove beledigingen als deze.

*|Uhmm, Pijlleer, het is denk ik tijd om te gaan|* zond Brenger. En hij liep naar de uitgang. "Ik ga even wat eten, kom je Pijlleer" zei Brenger wat strenger.
Pijlleer had daar al die tijd nog gestaan. Ze had tegen Brenger gezonden dat ze even hier wilde blijven. Heel erg zachtjes en voorzichtig zei Pijlleer de naam van haar vader. "Z-zwaardslag?" ze hoopte dat hij het niet erg vond dat ze hier nog was, ze wilde niet langer dat hij zich alleen voelde. Pijlleer had heel erg kwaad gekeken naar Kristal, en als Roodklauw haar niet naar buiten had geduwd dan was ze ook de woordelijke strijd aangegaan om haar vader te verdedigen.

Slangenboog had verstijfd zitten toekijken hoe Kristal en Zwaardslag op elkaar reageerden. Ze hadden blijkbaar ook even gesloten gezonden, want ineens volgde hij het nog minder dan hij al deed! Toen Roodklauw Kristal voorzichtig naar buiten duwde haalde hij opgelucht adem. Bij de Allerhoogsten! Hier kreeg hij hoofdpijn van!
Hij keek bezorgd naar Zwaardslag die er nu compleet uitgeput uit zag. ~O nee..~ Hij aarzelde, hij was slecht in dit soort dingen. Hulp zoekend keek hij naar Pijlleer, die wist wel wat te doen.
Een steek van medelijden schoot door hem heen toen hij aan Kristal dacht. Zo..Zo.. Eenzaam.. Hij vroeg zich af of hij zoiets zelf zou kunnen verdragen. Hij had een tijdje Nachtbloem moeten missen, maar dan was hij nog niet alleen geweest. En Kristal was wel alleen. Hij vroeg zich af of dat ook zijn schuld was... Hij had wel eens geprobeerd een gesprek aan te knopen... Toch? Of niet?
Hij kuchte zachtjes, ze mochten best nog wel even weten dat hij hier ook nog zat! "Eeh.." Hij werd rood, "Eh.. Zwaardslag.. Heb je iets nodig?" Hij kroop naar Zwaardslag toe. "Eh.. Wat drinken? Eten?... Iets... Iets anders?.. Of zo?"

Kristal hoorde alles aan. Zonder ook maar een woord te zeggen en met een strakke blik keek ze Zwaardslag recht in de ogen. Zelfbeheersing, daar beschikte ze wel over wanneer ze dat wilde, onlangs dat ze zich af en toe behoorlijk kon laten gaan. Kristal's ogen bleven strak op die van Zwaardslag gericht, geen seconde wegkijkend. Haar wenkbrauwen waren samengetrokken en haar strakke blik was koud.
Pas toen Zwaardslag zijn ogen sloot voelde Kristal twee handen op haar schouders die haar stevig naar achteren trokken. Met een ruk draaide ze zich om. "Blijf van me af" schreeuwde Kristal onbedoeld recht in Roodklauws gezicht. ~Waar bemoeit iedereen zich opeens allemaal mee? ~ Met haar arm maakte ze nog een zwaai waarmee ze aangaf dat eiedereen uit haar buurt moesten blijven.
Met grote stappen liep ze toen de werkplaats uit. **Ik ben alweer weg hoor! Stel ondankbare elfen!**

Brenger wachte niet meer op Pijlleer want hij had ondertussen erge honger gekregen en liep naar de vuurplaaten. "Hé, Goedoor wat ga je doen? vissen toevallig?" riep Brenger toen hij Goedoor richting het meer zag lopen. Wacht dan even dan pak ik wat te eten en mijn speer en ga ik met je mee. ~Ik heb wat afleiding nodig,~ dacht Brenger, ~Vooral na de ruzie tussen Zwaardslag en Kristal.~
De stem van zijn dochter vulde de ruimte die even daarvoor in een verbijsterde stilte gehuld was. Zwaardslag zuchtte lichtjes terwijl hij besefte dat het merendeel wat ze allebei gezegd hadden, open zenden was geweest. Iedereen had het hier kunnen horen.
Met een grimas naar de muur toe bedacht hij zich dat hij nu bijna de zwangere was. Hadden ze dat niet ook aan Regendans gevraagd? Zijn ogen vlogen open. Het Moederfeest! Hij herinnerde zich dat hij daar geweest was en zich had zitten ergeren, maar daarna was alles weg. Hij wilde dolgraag vragen wat er was gebeurd, maar niet met Kristal in de buurt. Dat probleem loste zich snel vanzelf op.

Blijf van me af? Tegen Roodklauw? Dat was degene geweest die haar zachtjes weg geleid had. Hij hoorde hoe ze de werkplaats verliet en zuchtte nog eens zacht. "Nee... nee, ik hoef niets," mompelde hij zacht. "Ga maar terug.. naar het feest, Slangenboog. Regendans' feest is bezig.."
*|Pijlleer, wacht nog even,|* zond hij vrijwel direct er achteraan. Hij wilde weten wat er gebeurd was. Pijlleer knikte en ging achter haar vader zitten, en legde haar hoofd op zijn rug. ** Wat is er vader?** vroeg ze.

De halve omhelzing van zijn dochter gaf Zwaardslag troost en kracht. Hij hield van zijn dochter en hoewel hij nooit zo goed met Brenger en zijn malle experimenten overweg kon, gaf dat niet omdat zij gelukkig was. En wie zou hij zijn om haar geluk in de weg te liggen?
Hij hief een hand en haalde voorzichtig een paar vingers door haar gevlochten haren heen. Kristal was nu weg en Slangenboog zou snel gaan want hij had hem verteld dat ie moest vertrekken. "Ik geloof dat iedereen verwacht dat ik weet wat er gebeurd is," mompelde hij zacht, bijna fluisterend, "maar ik heb geen flauw idee. Waarom ben ik hier en moest Kristal me genezen?"
Slangenboog wist even niet wat hij moest doen, werd hij nou weggestuurd door Zwaardslag of was het een voorstel van Zwaardslag? Hij bedacht zich toen dat Zwaardslag meestal niet voorstelde maar wegstuurde. Hij grinnikte even in zichzelf en stond toen snel op en liep de den uit. Hij hoorde Zwaardslag nog iets zeggen tegen zijn dochter, maar snel ging hij heel hard tegen zichzelf denken zodat hij het niet horen zou. Zwaardslag zou hem heus niet voor niets hebben weggestuurd.

Pijlleer schude haar hoofd. "Ik was bezig voor Regendans, ik heb niets gezien. Ze... zei zeiden dat je opeens overal slangen zag, en heel gek deed, en zelfs de andere elfen aanviel. Ze hebben je moeten neerknuppelen. Je had schuimkoorts... Kristal heeft dat verholpen. Ik was bang om jou ook te verliezen vader," zei ze. Ze omhelsde har vader flink. Ze had niet alles gezien, maar als ze erbij was geweest, had ze doen voorkomen dat hij werd neergeslagen. Hoe konden ze, en hoe kon Kristal zo gemeen zijn, zo kil. Pijlleer schudde weer haar hoofd.