Het onvoorziene bad   [ 06/04/2003 | Katinka, Rosanne, Susan, Tineke ]
Dit verhaal werd geschreven tijdens een chatsessie.

Stilletjes slopen Storm, Regendans, Bassek en Bliksem door het bos. Ze waren nog steeds in een bedrukte stemming na het verlies van de borg. Maar nu was de stilte gewenst. Op een paar meter afstand stond namelijk een klein groepje herten. Regendans sloop voorzichtig naar voren met haar speer in haar hand. Ze was de beste sluiper dus zij ging vooruit. **Als jullie naar links gaan dan loop ik om, zodat ik achter ze kom,** zond ze naar de anderen.
Aan de linkerkant van het groepje, en wat verder naar achteren dan de rest, stond Bliksem doodstil. Ze probeerde de herten niet te verstoren, terwijl Regendans naar voren sloop om een hert uit te kiezen. **Ik doe mijn best,** zond ze. Storm probeerde het knorren van zijn maag te onderdrukken. Dat zou namelijk misschien de herten wegjagen. Met een moeilijk gezicht volgde hij het zenden van Regendans op. Bassek en Storm slopen iets naar links en gaven Regendans de tijd om achter de herten te komen. **Ga je gang, ik heb honger,** zond Storm.

Regendans was aangekomen op een plek vanwaar ze haar speer goed kon richten. Ze keek naar het dichtstbijzijnde hert en richtte. Ze raakte het hert vol in de borst, maar het was nog niet helemaal dood en het rende op de anderen af. **Jullie mogen het afmaken,** zond ze.
Voorzichtig zette Bliksem de ene voet voor de andere, erop lettend om niet op takjes te gaan staan die onder haar voeten konden breken. Erg snel liep Bliksem niet, maar ze was erg geconcentreerd bezig zich langzaam maar zeker dichter bij de kudde te werken, zonder dat de dieren haar opmerkten. Plots schrok ze op uit haar concentratie. Regendans had haar speer geworpen, en de kudde sprong alle kanten op.
Blij dat ze bijna iets te eten hadden, sprintte Storm naar het gewonde beest. Hij had z'n mes al gepakt en kwam steeds dichter bij het hert. **Dank je, Regendans,** zond hij en met een sierlijke armbeweging zorgde hij dat het beest uit z'n pijn verlost werd.

Zonder op de anderen te letten, sprintte Bliksem zo snel als ze kon met haar boog in de aanslag achter een klein hert aan, dat dicht bij haar in de buurt gekomen was. Vanuit een ooghoek zag ze dat Storm en Regendans ook een hert te pakken hadden. Ze hadden ook herten nodig. Niet alleen voor het vlees, maar ook voor de huiden. Hun schoenen begonnen aardig te slijten van hun tocht over de rotsachtige bodem. Recht voor haar uit zag Bliksem dat het kleine hert een plotselinge zijsprong maakte om een boom te ontwijken. Snel legde ze aan en schoot. Ze raakte het beest in zijn nek. Het was niet in een klap dood, maar lang zou het niet meer duren. Het hert bloedde hevig uit de nekwond.
In een plotselinge opleving van zijn krachten, trok er een rilling door het lijf van het hert en begon het weg te rennen. Bliksem bedacht zich geen moment. Ze wilde het hert en haar goede pijl niet kwijtraken. Snel hing ze haar boog op haar rug en sprintte ze achter het hertje aan.
In volle vaart achter het hert aanrennend lette Bliksem er niet meer op waar ze haar voeten plaatste. Nu ging het om snelheid, niet om stilte. Ze sprong over een omgevallen boompje richting het hert, wat een eindje verder langs de steile oevers van een wilde rivier liep.

Bassek was ondertussen begonnen met het villen van het dode hert. Regendans zag Bliksem achter een ander hert aangaan en rende naar haar toe.
Storm keek achterom naar het gezicht van zijn zus, die waarschijnlijk ook wel blij was, bedacht Storm zich. Maar hij merkte dat Bliksem niet meer achter hem stond. Verbaasd keek Storm rond. Waar was Bliksem gebleven? Opeens zag Storm in zijn ooghoek iets bewegen. Het was Regendans, die Bliksem had gezien en achter haar aanrende. Storm, die graag ook een nog grotere vangst wilde, rende met Regendans mee.
**Ze heeft een flinke voorsprong, ik denk niet dat we haar kunnen inhalen voordat ze het hert heeft neergehaald,** zond Regendans naar Storm. **Dan zijn we gewoon wat later. Ik gun haar de vangst,** zond Storm terug. **Ja, maar dan hoeven we ook niet meer zo hard te rennen. Ik ben moe, we hebben al zo lang gelopen,** was de reactie van Regendans.

In haar haast om het hert in te halen, liep Bliksem vlak langs de rand van de oever. Rechts van haar liep de grond steil naar beneden. Een eeuwenlang door het water afgesleten oever met enkele overhangende delen was het enige wat haar van de razende rivier scheidde. Bliksem kreeg al een grijns op haar gezicht in het vooruitzicht van haar vangst. Ze zag dat het hert langzamer begon te lopen. Dat zou niet lang meer duren.
Plots brak er een stuk grond onder haar voeten vandaan, en schoof naar beneden, de rivier in. In een flits zag Bliksem de grond onder haar voeten verdwijnen en de verre rivier daaronder stromen. Ze liet zich snel opzij vallen en probeerde weer vaste grond onder haar voeten te krijgen, maar alles ging zo snel. Even kreeg ze nog wat wortels in haar handen en dacht ze dat ze zich op zou kunnen trekken, maar haar hoop verdween snel toen de wortels in haar handen begonnen te breken. In paniek begon Bliksem te zenden naar haar vrienden. **Help, help, Storm, waar ben je? Ik heb je nodig!**

Bassek was druk bezig met het villen van het dode hert, toen ze opeens merkte dat de rest van haar jachtgroepje ineens wel erg ver van haar vandaan gingen. Bang om haar groep kwijt te raken stopte ze snel het beest onder wat bladeren en sprintte achter de rest aan.
Storm, die iets langzamer was gaan lopen, op verzoek van Regendans, merkte ineens dat hij Bliksem niet meer zag. Net was ze nog wel in zicht. Ver van hen verwijderd, maar wel zichtbaar. **Waar is ze gebleven?** zond hij naar Regendans, **Zie jij haar?** Plotseling voelde Storm de paniek van zijn zus. Er was iets aan de hand! Hij begon weer harder te rennen en ving ineens het zenden van Bliksem op. **Ik kom eraan, waar ben je?**
Bliksem schoof haar linkerbeen wat omhoog in de hoop haar voet op een kleine richel te zetten, om zo haar val tegen te gaan. Op dat moment echter braken de laatste kleine wortels in haar hand, en begon ze naar beneden te schuiven. Er was nu niets meer wat haar tegen kon houden en Bliksem plonsde met een rotvaart te water.

"Oh jee," Regendans had net door de bomen kunnen zien wat er gebeurde, ze rende op de rand af en zag Bliksem door de stroom worden weggesleurd. Storm kwam dichter bij de rand van de rivier en zag zijn zus met de stroom mee drijven. "Neeeeeee!!" schreeuwde hij. **Ze is al te ver van de kant, we kunnen niets doen,** zond Regendans naar Storm. Ze pakte Storm vast en begon langs de oever te rennen om Bliksem bij te houden. **Probeer iets vast te grijpen, wij komen achter je aan!** zond Storm naar Bliksem. **Bassek, Bliksem is in de rivier gevallen!** zond Regendans tegelijkertijd.

Mopperend stond Nachtbloem in de rivier om het bloed van haar af te wassen dat ze over zich heen had gekregen toen ze een hupper schoot. ~Heh, wat vervelend is dat nou. Waarom moest dat stomme beest nu recht in mijn schoot springen toen ik wilde op staan? Mijn kleding is al niet zo best meer.~
Behalve haar winter mantel had Nachtbloem's andere kleding haar reis niet echt overleefd. ~Ik moet echt weer eens terug keren naar de stam, ik hoop dat Pijlleer nog wat leer voor mijn kleding over heeft. Hihi, anders moet ik maar wat van Slangenboog lenen.~
Terwijl ze zich stevig afschrobde en soms wat in kromp van de pijn die haar littekens haar bezorgden, keek Nachtbloem eens in het rond. Plotseling ving ze wat op. Heel vaag leek het wat op zenden. ~Hee, wat in de naam van de Allerhoogsten? Dat kan niet, er zijn geen andere elfen hier dan ik?~

Het koude water van de rivier benam Bliksem even de adem. Meteen herstelde ze zich en probeerde naar de kant te zwemmen, of in ieder geval om boven te blijven, maar de stroming van de rivier was te sterk en trok haar mee. Bliksem probeerde telkens als ze boven kwam snel een hap adem te nemen, maar de stroomversnellingen trokken haar onverbiddelijk weer terug. In paniek probeerde ze haar vrienden via zenden te bereiken. **Regendans! Ik kan niet... Help me, het lukt me niet. Storm!**
Diep in gedachten keek Nachtbloem zonder iets te zien het diepe water in. Ze haatte diep water, sinds haar ouders meegesleurd waren, kon ze er niet meer van genieten. Onbewust ving Nachtbloem zenden op. **Het lukt me niet meer.**
~Wat? Hoe kan dat?~

Het zien van zijn zus in dat sterk stromende water gaf Storm een beangstigend gevoel. Hij voelde de paniek en de angst die Bliksem nu ervoer. Zo hard als hij kon rende hij met de stroming mee. **Hou vol, Bliksem,** zond hij ondertussen. **Rustig, als je nu in paniek raakt, gaat het mis. Verderop kunnen we je vast wel eruit halen,** zond Regendans er achter aan. Bassek had het zenden opgevangen en sprintte nu richting de rest van het groepje.
Plots schoten er flitsen van pijn door Bliksem heen. Ze was in een gedeelte van de rivier terechtgekomen waar her en der rotsblokken in het water lagen. Het water van de rivier had haar met een klap tegen een van deze rotsblokken geslagen. Bliksem klapte nog een keer tegen een rots. Deze keer was ze voorbereid, maar door de kracht van het water klapte ze toch met haar hoofd tegen de steen. Even zag ze nog lichtflitsen, maar meteen daarna zakte ze weg in een vredig duister.

Regendans en Storm begonnen achterop te raken. De stroming was te snel. **Bliksem!** zond Storm, in de hoop dat zijn zus nog zou antwoorden. De stroming ging zo snel dat, Bliksem nu nog maar moeilijk te zien was. ~Nee, laat haar alsjeblieft nog leven,~ dacht Storm toen hij geen antwoord kreeg. Bassek was intussen bij Regendans en Storm aangekomen, ze kon Bliksem nog net zien.
Nachtbloem was wat verder de oever op geklommen, om te kijken wat of wie er nou aan het zenden waren, ze zag niets, alleen heel in de verte de rotsblokken waar ze over was gesprongen, om naar de overkant te komen.

**Bliksem, waar ben je?** probeerde Storm nogmaals. Bliksem hoorde of zag echter niets meer. De klap tegen haar hoofd had er voor gezorgd dat ze bewusteloos was geraakt. Haar slappe lijf was nu volledig overgeleverd aan de elementen. Nu voelde Storm ook geen angst meer, geen paniek. Alleen die van zichzelf, maar niet die van Bliksem.
"Neeee!" schreeuwde hij. *|Kia!|* Bliksem was zich nergens anders van bewust dan van een vredig zwart. Als een nacht die als een deken over haar heen was gelegd, en waar ze niet onderuit kon of wilde komen. De rivier had haar ondertussen een flink eind stroomafwaarts gebracht en flink wat afstand gecreëerd tussen haar en haar vrienden.
*|Kia,|* probeerde Storm nogmaals, in de hoop dat zijn zus nu wel zou antwoorden. Regendans raakte nu echt in paniek, ze was al zo veel geliefden verloren, ze wilde haar vriendin niet ook kwijt.

Plotseling hoorde Nachtbloem vaag geschreeuw alsof het ver weg was, maar de wind blies de woorden naar haar toe. Terwijl Nachtbloem in de verte keek, zag ze opeens iets in de rivier drijven, nieuwsgierig keek ze beter. Het zag er uit als een grote pop. Maar toen de pop in de stroming omdraaide, zag ze plotseling dat het geen pop was het was een élf. En die was hard op weg om te verdrinken.
Bij de Allerhoogsten, wat was hij bang. ~Laat haar alsjeblieft nog in leven zijn,~ dacht Storm, terwijl hij zo hard hij kon verder liep. Regendans was nu echt uitgeput en rennen ging niet meer, ze kwam half rennend, half lopend vooruit, maar Storm's gezichtsuitdrukking veroorzaakte een energie uitbarsting en ze begon weer te rennen.
Ongewild had de bewusteloze Bliksem toch wat water ingeademd. Ook al waren er maar enkele momenten verstreken sinds ze te water raakte, haar lijf begon onderkoeld te raken en zonder lucht zou ze het niet lang meer redden. Maar niets van dit alles kon haar wekken, haar levensloze lichaam werd meegenomen door de rivier. Als een lappenpop lag Bliksem in het water. Dan weer met haar gezicht omhoog, dan weer naar beneden. De wispelturigheid van de rivier was het enige wat het verschil maakte. De snelheid van de rivier was nu iets afgenomen, doordat de rivierbedding langzaam maar zeker wat breder begon te worden. Er zat echter nog steeds voldoende kracht achter het water om Bliksem mee te voeren.

Meteen rende Nachtbloem naar voren om het water in te springen, maar bij de waterrand stopte ze. Zo waren haar ouders gestorven, en ze kon toch niet in het diepe water gaan? Besluiteloos stond Nachtbloem te kijken hoe het lichaam snel verder dreef, en ze zag dat het langzaam begon te zinken. ~Nee! Het mag niet hetzelfde eindigen als voor moeder en vader, ik moet hem redden,~ dacht ze. En zonder er verder er bij na te denken sprong Nachtbloem het ijskoude water in.
Snel zwom Nachtbloem achter het lichaam aan, en al was het een paar jaar geleden dat ze voor het laatst gezwommen had, ze kon het nog steeds. Met de hulp van de stroming kon ze dichter bij het lichaam komen, maar net toen ze een arm wilde pakken, zonk het lichaam naar beneden en greep ze mis. ~Oh nee rivier, deze pak je niet van me af, ik hou déze elf.~ Woedend dook Nachtbloem achter het lichaam aan dat steeds verder zonk. Met een krachtige stoot van haar benen kreeg Nachtbloem genoeg vaart om bij het lichaam te komen en ze greep een arm. Vol inspanning zwom ze omhoog. Proestend kwam ze weer boven.

Nog steeds kreeg Storm geen antwoord van Bliksem. **Regendans, zie je haar?** zond Storm wanhopig. **Ik denk het, ik weet het niet zeker. Wacht even, ik zie iets bewegen,** zond Regendans terug, **Nee niet iets, iemand.** Regendans was nu echt helemaal op en viel hijgend op handen en knieën op de grond. **Wacht niet op mij,** zond ze snel naar de rest.
Storm keek om en zag dat Regendans niet meer verder kon. Hij was eigenlijk ook op, maar voor zijn tweelingzus begon hij nog harder te rennen. Regendans had iets gezien! Dat gaf hem weer wat hoop en hij sprintte verder. Een eindje verder werd de stroming wat minder zag Storm. Hij hoopte met heel zijn hart dat Bliksem daar aangespoeld zou zijn.
Bassek keek bezorgd naar Regendans. **Alles okee?** vroeg ze. **Ik ben zo moe, ga maar verder, Bliksem heeft ons nodig,** zond Regendans terug. Bassek keek nog één keer om naar Regendans, maar zette het toen weer op een lopen. **Probeer ons in te halen!** zond Bassek nog gauw naar Regendans. Storm sprintte verder en zag opeens wat in het water. Maar wat vreemd, het zag er niet uit als Bliksem, maar het werd wel meegevoerd door de stroming. Het was ook nog wel een eindje verder, hij kon niet goed zien wat het wel was.

Snel keek Nachtbloem om zich heen om te kijken waar ze aan land kon. Daar was een stuk strand, waar ze zich op kon trekken. *|Hou nog even vol, we zijn er bijna,|* zond ze naar de vreemde elf in haar armen. Met haar laatste krachten kreeg Nachtbloem het voor elkaar dat ze het lichaam zo op de oever kreeg, dat ze het los kon laten. Even liet ze zich meevoeren door de rivier om wat krachten te krijgen, maar toen klom ze op de oever en kroop naar het lichaam toe.
Regendans stond langzaam weer op. Wankelend liep ze de anderen achterna. **Bliksem!!** zond Storm, terwijl hij eigenlijk al wist dat hij toch geen antwoord zou krijgen. Storm keek nog eens of hij nu wel kon zien wat het was, wat daar dreef. Maar wacht... het was verdwenen. Het zocht de hele rivier af met zijn blik en zag een heel eind verder iets op het strand liggen. Bij de Allerhoogsten, dat was niet alleen Bliksem! **Zie jij wat ik zie?** zond Storm vol verwondering naar Bassek.

Met moeite draaide Nachtbloem het lichaam zo, dat ze kon kijken wie het was. Het was een elfen vrouw, met lang zwart haar en met een heleboel water in haar lijf. ~Okee, hoe vertelde moeder dat nou, van toen ik de rivier in was gegleden? Oh ja, ze draaiden me op mijn buik.~ Meteen draaide Nachtbloem de elf op haar buik en begon op haar rug te duwen. **Kom op joh, ik heb genoeg elfen verloren aan de rivier, jou weiger ik te verliezen. Al dat water is niet goed voor je, kom op, gooi het eruit,** zond Nachtbloem.
Bliksem voelde wat aan haar duwen en trekken door het duister heen. Plotseling kreeg ze het gevoel dat ze stikte. Ze begon zich te ontworstelen aan het duister dat haar omvatte. Plots kreeg ze nog een duw en kreeg ze de neiging om over te geven. In een golf hoestte Bliksem een paar liter water op. In een reflex draaide ze zich op haar zij en begon schrikbarend te hoesten.
**Goed zo, zó moet je het doen. Water is alleen goed om in kleine beetjes te drinken of om in te baden of te zwemmen,** zond Nachtbloem. Toen de vreemde elf zich omdraaide, hield Nachtbloem haar zo vast, dat ze niet in het zand zou vallen. **Kom op, zo lukt het al beter.**

Storm en Bassek kwamen dichterbij. **Is dat nog een elf?** vroeg Storm. ~Dat kan toch niet, zijn hier nog meer elfen dan,~ dacht hij. **Wat is er aan de hand, wat gebeurt er, ik zie niets,** zond Regendans. *|Bliksem?|* zond Storm, nog steeds bang dat ze te laat waren. **Volgens mij is er nog een elf bij Bliksem,** zond Storm naar Regendans. **Maar ik weet het niet zeker.**
**Is ze veilig?** zond Regendans en begon weer wat harder te lopen. **Ik weet het niet,** zond Storm, die nu dichterbij kwam. **Nu weet ik het zeker, het is een elf, wat moet ik doen?**
**Ga er naar toe, stomkop!** zond Regendans vinnig terug. **Oh ja, tuurlijk,** zond Storm en hij rende verder.

Na een flinke bulderbui werd Bliksem wat rustiger. Ze had niet meer het gevoel dat haar hele lijf in een kramp trok om al dat water kwijt te raken. Toen ze haar ogen echter probeerde te openen, voelde ze een steek van pijn achter haar voorhoofd, door het felle zonlicht. Even later zakte de pijn wat weg en probeerde ze het nog eens, nu wat voorzichtiger. Door haar wimpers heen, zag ze een vage gestalte over haar heen gebogen. Omdat praten nog niet ging zonder in hoesten uit te barsten, zond ze maar, **Storm, ben jij dat?**
"Hou je ogen maar even dicht, je bent net bewusteloos geweest. Ik kan me voorstellen dat je hoofdpijn hebt. Storm? Wie is dat? Zijn er nog meer elfen in de buurt? Familie?" zei Nachtbloem in een voor haar ongewone spraakwaterval tegen de verward zendende elf.
Verbaasd over het antwoord dat ze op haar zenden kreeg, sperde Bliksem haar ogen wijder open. Alleen om ze meteen maar weer te sluiten, door de steek van pijn die erop volgde. "W-wat? W-wie ben jij?" wist ze er nog net uit te brengen. Bliksem voelde nog steeds de resten van de zwarte deken aan haar bewustzijn trekken, maar iets anders begon ook aan haar te trekken.
Ze merkte in zichzelf op dat Storm ergens in de buurt was, ze kon hem voelen. Omdat ze zag dat de elf niet in staat was om haar ogen open te doen, begon Nachtbloem te zenden. **Rustig maar. Ik ben Nachtbloem, je hoeft je geen zorgen te maken. Je bent in de rivier gevallen en ik heb je eruit gevist. En wie ben jij?** Bliksem hoorde de vraag van de vreemde elf in haar hoofd, maar had even de kracht niet om te reageren. Het duister kwam weer dichterbij en even verloor ze weer het bewustzijn. Nachtbloem zag het gebeuren. ~Oh nee, ze is weer bewusteloos, ik moet haar warm zien te krijgen. Okee, eerst een vuur,~ dacht ze.

Storm kwam bij het stukje strand aan waar Bliksem en de andere elf waren. *|Bliksem, ben je in orde?|*
**Bliksem, ben je okee?** probeerde hij nogmaals. Hij zag de andere elf over Bliksem gebogen. ~Wat was die aan het doen?~ Regendans zag nu eindelijk dat er een andere elf bij Bliksem was. Ze zag niet of ze nog leefde, maar ze was in ieder geval uit het water. "Hee!" riep Storm naar de vreemde elf, terwijl hij steeds dichterbij kwam. "Wie ben jij? Wat ben je met mijn zus aan het doen?" vroeg Storm bezorgd, toen hij zag dat de elf over Bliksem heen gebogen was.
Net toen Nachtbloem de vrouwelijke elf neer wilde leggen, hoorde ze de vraag. Snel draaide ze zich om. Ze zag een mannelijke elf, die bezorgd naar de vrouw op de grond keek. Langzaam kwam ze omhoog en zei, "Ik ben Nachtbloem, en ik heb haar net uit de rivier gevist. En wie ben jij?" Storm was nu aangekomen bij Bliksem en de vreemde elf. Hij liep de vreemde elf voorbij en dook naar Bliksem. **Bliksem?** zond hij. Bassek was ook bij het groepje aangekomen en keek bezorgd naar Bliksem. "Ze heeft een genezer nodig," zei ze.

Bliksem voelde Storm. Hij zocht haar. Langzaam maar zeker kwam ze weer bij kennis. **Storm? Ben jij het echt?** zond Bliksem. Snel greep Nachtbloem de vreemde mannelijke elf bij zijn schouders en trok hem naar achteren. "Luister, ik snap dat je bezorgd om haar bent, maar voor nu is ze veilig. Maar ze is onderkoeld, en als er niet snel een vuur komt, gaat ze alsnog dood. Dus ik zou heel snel wat hout gaan zoeken," zei ze.
~De vreemde elf heeft geantwoord, nu moet ik iets terugzeggen,~ bedacht Storm, maar zijn gedachten waren eigenlijk alleen maar bij Bliksem. Bliksem antwoordde, merkte Storm, maar op het moment dat hij terug wilde zenden, trok de vreemde elf hem naar achter. Storm moest nu twee elfen tegelijk antwoorden. **Ja, ik ben het,** antwoordde hij eerst naar Bliksem, **Is alles okee?**
Bliksem opende nogmaals voorzichtig haar ogen, gerustgesteld zag ze Storm over zich heen staan. Ze was de vreemde elf eigenlijk al weer vergeten. **Storm? Ik heb het zo koud!**

Regendans keek van achter een boom naar het tafereel voor haar. Ze wist niet of ze er naar toe moest gaan. Aan de ene kant wilde ze naar Bliksem toe, maar aan de andere kant voelde ze er niet veel voor om naar die vreemde elf te gaan, en de anderen zouden ook wel voor Bliksem zorgen. Regendans slaakte een zucht van verlichting toen ze het zenden van Bliksem opving. Ze voelde angst in het zenden, maar geen doodsangst meer. **Bassek, misschien kunnen wij het hert ophalen?** zond Regendans. Bassek was al begonnen met hout te zoeken. **Als we genoeg hout hebben ga ik mee het hert halen,** zond ze naar Regendans. **Help ook even mee.**
Storm keek nu naar de andere elf, hij was de naam alweer vergeten. ~Of had ze die niet genoemd?~ Eigenlijk was alles wat ze gezegd had hem ontgaan... Bibberend lag Bliksem op de grond. Ze probeerde overeind te komen, maar een vlaag van misselijkheid weerhield haar daarvan. "Ze heeft het koud," zei Storm tegen de vreemde elf.
Toen ze zag dat de man niet echt opschoot, greep Nachtbloem hem weer bij zijn schouders en duwde hem weg. Ondertussen pakte ze haar mantel en gooide die over de elfin. Toen draaide ze zich weer om en omdat ze zag dat hij iets wou zeggen zond ze naar de elf. **Luister, als je wilt dat ze alsnog sterft, moet je hier blijven. Anders moet je nú hout gaan zoeken. Het is logisch dat ze het koud heeft, ga hout zoeken.** Dat laatste was een duidelijk bevel.
"Eh ja, ik ben al weg," zei Storm, die erg graag zijn zus wilde redden. De gedachte dat ze zou kunnen sterven als er geen vuur kwam, deed hem snel op staan. Storm zag dat Bassek al was begonnen en ging zelf ook snel hout zoeken. Toen knielde Nachtbloem bij de voor haar nog steeds vreemde elf en begon haar warm te wrijven. Zonder om te kijken, zond ze nog. **Hee, wacht even, hoe heet ze?**

De aanwezigheid van de vreemde elf drong plots tot Bliksem door en ze herinnerde zich het eerdere contact. De vreemde elf, ~Nachtbloem was het toch?~ gaf haar een mantel. Dankbaar nam ze hem aan. Bibberend probeerde ze nog een keer overeind te komen. Deze keer lukte het wel. Ze hoorde zelf ook het zenden van Nachtbloem tegen Storm en klappertandend antwoordde ze, "Ik ben Bliksem."
"Okee Bliksem," zei Nachtbloem. "Je bent in de rivier gevallen en ik wrijf je nu droog. Het duurt nog wel even totdat je warm bent, maar je redt het wel. Maak je nu maar geen zorgen, je redt het wel." En Nachtbloem bleef doorwrijven.
Regendans keek naar de grond en zag wat droge takken liggen. Ze pakte ze op en ging verder bij de anderen vandaan. Toen ze een aardige hoeveelheid bij elkaar had, sloop ze langzaam naar de anderen en probeerde haar lading zo onopvallend mogelijk neer te leggen. Bassek begon een vuur te maken met het bij elkaar gesprokkelde hout. Regendans begon zich te oriënteren, en probeerde of ze er achter kon komen waar hun hert lag.
Storm zag dat Regendans zich ook bij hen had gevoegd. *|Wat denk je?|* zond hij naar haar. *|Zou die vreemde elf te vertrouwen zijn?|* Regendans schrok van het zenden van Storm en liep een stap achteruit. *|Ze heeft haar leven gewaagd voor Bliksem...|* zond ze naar Storm. *|Ja,|* zond Storm, en toen was het even stil. *|Gelukkig wel.|*
Storm richtte zich naar de vreemde elf. "Ik weet niet meer hoe je heet, maar dank je wel. Je hebt mijn zus gered, ik ben je eeuwig dankbaar..." Vermoeid keek Nachtbloem naar de vreemde elf. "Ben jij Storm? Nou, ik heb haar alleen maar uit de rivier gehaald, maar nu moeten we haar bij het vuur zien te krijgen, en hoewel het nu beter zal gaan, moet ze nog wel even oppassen."
"Ja, ik ben Storm," antwoordde hij. Daarna richtte hij zich naar Bliksem. "Kun je zitten?" vroeg hij bezorgd.

Bliksem probeerde zich te herinneren wat er was gebeurd. Ze wist nog dat ze op jacht waren geweest en dat ze zo'n mooi hertje geschoten had. Toen herinnerde ze zich ook de spannende momenten boven het water en de woeste rit in de rivier. Ze kon zich echter niet herinneren wat er daarna was gebeurd.
Bliksem knapte nu echt zienderogen op. De mantel en het wrijven van de vreemde elf hielpen goed en gelukkig had haar onvrijwillige bad niet al te lang geduurd. Bliksem voelde zich een beetje opgelaten door al die aandacht. "Dat kan ik zelf wel," zei ze tegen de vreemde elf, toen die tegen Storm zei dat ze haar bij het vuur moesten krijgen. Moeizaam en een beetje wankelend stond ze op om naar het vuur te lopen. "Ja, dat weet ik ook wel, maar het lijkt me beter als ik je even help," zei Nachtbloem, terwijl ze Bliksem hielp om naar het vuur te komen. Storm liep naar Bliksem en ondersteunde haar aan de andere kant.
Bassek was nog steeds met het vuur bezig, maar het lukte aardig. Er rezen al flinke vlammen omhoog. "Als we zo direct het hert ophalen kunnen we gaan eten. Maar we moeten denk ik snel naar een veilige plaats, Bliksem kan een flinke kou hebben gevat," fluisterde Regendans toen ze ook bij het vuur ging zitten. Bassek knikte bevestigend naar Regendans. "Ik denk dat we allemaal wel honger hebben," zei zij.

Plots stopte Bliksem met lopen en trok een moeilijk gezicht. "Wat is er?" vroeg Nachtbloem bezorgd aan Bliksem. "Wat?" zei ook Storm. Bliksem begon erg onder de armen van de anderen te wiebelen. Plots liet ze zich zakken en trok haar rechterlaars uit. Ze hield de laars op zijn kop en een klein zilverkleurig visje kwam eruit geplonsd. Bliksem keek een ogenblik verbaasd en barstte toen in lachen uit. Vol verbazing keek Nachtbloem toe hoe Bliksem haar laars uit trok, om vervolgens in lachen uit te barsten toen er een vis uit kwam. "Hahaha, hier is het eten," lachte Nachtbloem luid.
Storm keek verbaasd naar Bliksem toen ze stopte met lopen. Maar toen bleek dat ze tijdens haar wilde tocht door het water ook nog eens eten had gevangen, begon hij mee te lachen. "Het is alleen denk ik niet genoeg voor ons allemaal," probeerde Storm tussen het schateren door te zeggen. "Nou, iedereen een klein stukje," viel Nachtbloem hem bij. Ook Bassek zat te grinniken bij het vuur.

"Het gaat echt wel weer," zei Bliksem tegen de anderen. "Als we nou gewoon hier kamp opslaan, en ik nog even kan rusten, dan gaat alles wel goed."
"Goed," zei Nachtbloem, "Dan kunnen jullie vertellen wie jullie zijn en kan ik ook even opwarmen."
-Prrfliepblubprttt- Storm keek verbaasd naar zijn buik. "Ik denk dat we het hert moeten gaan halen," zei hij tegen de anderen. "Mijn buik begint te protesteren." Verbaasd keek Nachtbloem op. "Een hert? Lekker, ik heb nog wel een hupper."
"Ja, we waren net midden in een jacht, toen Bliksem besloot te verzuipen," reageerde Storm.

Het onverwachte lachsalvo toen Bliksem de vis uit haar laars toverde, had duidelijk het ijs gebroken. Storm en Bassek haalden samen het hert, terwijl de rest van de elfen het kamp voor de nacht opzette. Die avond werd er veel gepraat en gezonden. Alle elfen hadden de laatste tijd veel meegemaakt, en waren blij dat met een ander te kunnen delen. Duidelijk werd ook dat ze allemaal het contact met andere elfen misten. Toen Nachtbloem dan ook voorstelde om ze de weg te wijzen naar de borg aan het Zonnemeer om daar eens goed uit te rusten, grepen de andere elfen deze kans met beide handen aan.
De volgende ochtend ging het groepje op weg naar de nieuwe borg. Nachtbloem wist ze in de goede richting te leiden en ze schoten goed op. Haar terugweg zou een stuk directer zijn dan dat ze op de heenweg had gelopen. De gevoelens van de elfen liepen nogal uiteen over deze nieuwe gebeurtenissen, maar allen waren blij met het vooruitzicht een tijd in een nieuwe borg te kunnen verblijven tussen anderen van hun soort.