aretak had de hele middag alleen doorgebracht, net buiten de borg. Hij had een rustig plekje opgezocht om zijn gedachten op een rijtje te proberen te krijgen. Met zijn rug tegen een boom geleund had hij zijn mes en een mooi stuk hout tevoorschijn gehaald uit zijn buidel en was gaan houtsnijden. Niet met iets speciaals in gedachten, maar meer om zijn handen bezig te houden terwijl hij probeerde om duidelijk voor ogen te krijgen wat er eerder die dag precies gebeurd was.
Hij herinnerde het zich nog heel duidelijk. Alsof het in zijn hoofd gegutst was. Bij de aankomst van de nieuwe elfen had hij een zacht geluid gehoord en was er achter gekomen dat er een elf in een boom zat te huilen. Tot zover kon hij alles volgen. De enige vraag was waarom ze zat te huilen, maar daar had hij toch geen antwoord op.
Toen de tak waarop de vrouw gesteund had, was afgebroken, had hij niets anders gedaan dan haar val breken. En niet omdat hij daar nou zo erg zijn best voor had gedaan. Het was meer per ongeluk. Maar wat er daarna gebeurd was, daar kon hij met zijn hoofd niet bij.
Normaal gesproken had Maretak helemaal niet zo'n problemen met begrijpen hoe hij zich voelde en waarom. Waarom was het deze keer dan anders? Terwijl zijn gedachten maar door gingen over de gebeurtenis van eerder die dag liet hij zijn handen werken. Steeds opnieuw gleed zijn mes over het stuk hout. Hier een stukje eraf en daar een gutsje makend. Het leek erop alsof er al iets uit het hout probeerde te komen. Alsof het hout al wist wat het ging worden, zonder dat Maretak zelf van plan was om iets specifieks te maken.
Maar hij kon zijn gedachten niet bij zijn werk houden. Steeds opnieuw dacht hij aan de verdrietige, maar mooie ogen van de elf uit de boom. Wie was ze? En waarom had hij zich zo vreemd gevoeld? En zo stom gereageerd? Maretak's handen werkten door zonder dat hij er nog erg in had. Al gauw lag de grond rond hem bezaaid met kleine houtsnippers.
~Die ogen!~ dacht Maretak. ~Zo verdrietig, maar ook erg warm. En zo diep! Net alsof... alsof... ik weet niet. Alsof er nog een andere elf diep achter die ogen lag. Niet alleen de elf die ik van buiten zag, maar iets meer... iets...~
Maretak werd er moe van. Hoe kon hij nou ooit duidelijkheid krijgen in zijn hoofd als zijn gedachten van die rare kanten opgingen? Hij kon ook helemaal niet helder denken vandaag. Er klonk ook de hele tijd zo'n rare klank door zijn hoofd. Net als fluitende oren, maar dan anders. Heel zachtjes, maar zich steeds herhalend hoorde hij, "Lhiha... Lhiha..." Hij schudde zijn hoofd een keer in een poging om de klank uit zijn hoofd te krijgen.
Ongemerkt was de middag voorbijgegaan. De zon had haar baan langs de hemel al voor het grootste gedeelte afgelegd, en hoewel het nog steeds lekker was om buiten te zijn, kon je voelen dat het snel koeler zou worden. Plots ving Maretak het zenden op van Roodklauw, met de oproep om zich bij de rest te voegen op het feest. Snel zond hij terug dat hij eraan kwam.
Terwijl hij op stond, stopte hij zijn mes terug in zijn buidel. Hij keek nog eens naar zijn houtsnijwerk. ~Maar... maar... Dat is...~ Stomverbaasd keek Maretak naar het werkje in zijn hand. Een gezicht keek terug vanuit het hout. Het was het gezicht van de vrouw uit de boom. En toch ook weer niet helemaal. Er lag iets meer achter. Net alsof hij door het uiterlijk van het werkje heen keek en daarachter de ware elf zag...
Met een schok drong het tot Maretak door. Dit was Erkenning! Snel stopte hij het beeldje weg in zijn buidel en rende naar de vuurplaten. Wat moest hij nou doen? Erkenning... En met één van de onbekende elfen nog wel! Dit was iets wat hij niet verwacht had.
Maretak kwam al snel bij de vuurplaten aan. Hij nam stilletjes plaats aan de rand van de groep waar hij niet al te veel opviel. Vlug liet hij zijn ogen over de groep gaan. Zat zij er ook tussen?
Snelletong keek teleurgesteld naar Schudspeer toen hij zei dat Fladder weg zou moeten. "Nu al? Zij moet er toch ook bij zijn?" Smekend keek ze hem aan. "Feest vindt ze vast ook leuk!" Ze keek naar Fladder en zag dat die nieuwsgierig om zich heen keek. "Het is goed voor haar, dan kan ze later ook goed met nieuwe dingen omgaan." Met een grote grijns keek ze van Fladder naar Schudspeer.
"Laat haar blijven, dan zal ik haar straks wel weg brengen." Ze probeerde haar schattigste blik om te zetten om hem over te halen. "Alsjeblieft? Ze kan morgen de hele dag slapen, want ze gaat vast niet mee jagen." Dat vond ze best goed gevonden van zichzelf. Haar schattige blik veranderde dan ook snel in een triomfantelijke. "En zo kan Slangenboog zich ook nog heel even vader voelen," voegde ze er plagend aan toe.
Nachtbloem lag nog steeds in een stuip van het lachen, toen ze door Aanraking in haar nekvel werd gegrepen. "Heee, aaah, Aanraking, da's niet aardig van je, snik. Ik was Slangenboog alleen maar wat aan het pesten, snif. Dat hij vader was geworden zonder het mij te vertellen." Zodra Nachtbloem naast Aanraking zat, begon ze haar vriendin te kietelen om haar terug te pakken. "Ik krijg je wel, Aanraking."
Maar omdat ze nog steeds moest lachen ging het niet echt goed. ~Heh, het gaat voor geen meter, misschien moet ik maar wat gaan eten, hou ik dan misschien op.~ En Nachtbloem keek naar de vuurplaten om te kijken wie de vissen aan het klaar aan maken was.
~Oh, het is Pinvis, zou ze nog steeds even aardig tegen me zijn? Nou ja, niet geschoten is altijd mis.~
"Eehh Pinvis, zou ik een stuk vis mogen? Ik zie dat er al een paar bijna klaar zijn.
Ik loop hier vreselijk te lachen en ik hoop er met een stuk vis van af te komen."
Goedoor kwam weer aan gelopen bij de platen. Ze had even alle kommen opgehaald. Het was tamelijk druk en aangezien ze niet tegen iemand wilde opbotsen, liep ze een beetje langs de rand van de groep. De nieuwe elfen waren ook van de partij. ~Hmm, ik tel er nog steeds drie.~ Ze dacht terug aan gisteravond en vroeg zich af of de nieuwe elfen ook muziek konden maken, dan konden ze samen spelen. Ze schrok op uit deze vrolijke gedachten toen ze iets hoorde. Ze keek opzij en zag twee donkerblauwe ogen haar aanstaren. "Ha, ik wist wel dat ik vier elfen had geteld."
Regendans schrok. Ze had net moed staan te verzamelen om naar de groep elfen te lopen, en nu kwam er één naar haar. De elf keek haar recht aan. Regendans zag duidelijk de lichtjes in haar ogen verschijnen. Toen dacht ze terug aan toen ze die andere elf in zijn ogen had gekeken en keek strak naar de grond.
"En wie ben jij? Je zou hier niet in je eentje moeten staan, het is feest, kom op, pak eens aan." En met die woorden duwde Goedoor een paar kommen in Regendans' handen en pakte haar arm vast, om haar vervolgens mee te sleuren naar de verzameling van elfen.
Regendans wist niet wat ze moest doen, ze probeerde uit alle macht de kommen niet te laten vallen en tegelijkertijd zo onopvallend mogelijk te zijn. Maar aangezien ze ook nog eens werd voortgesleept door een wel erg enthousiaste Goedoor, slaagde ze daar niet echt in. Toen zag ze Bassek staan. Ze rukte zich los van die vervelende rot elf en stoof op haar af, waarbij ze alle kommen op de grond liet vallen.
Goedoor was kwaad, heel erg kwaad. Hoe kon ze! Ze had zó lang gewerkt op die kommen en nu lagen ze gewoon op de grond. Ze liep er snel naar toe en begon ze grondig te inspecteren. Gelukkig was de grond hier zacht en was er maar één kom waar een klein scherfje uit was. Ze wilde schreeuwen naar dat onhandig, stom rot grietje, maar met moeite hield ze zich in. Het was tenslotte een feest voor de nieuwe elfen en zij wilde niet degene zijn die alles verpeste.
Ze pakte alle kommen en stond op. IJzig zei ze, "Oh, ik ben Goedoor trouwens, en ik ben de pottenbakker hier." Woest keerde zich om en zocht naar een plekje om haar kommen neer te zetten.
Regendans had zich in Bassek's armen geworpen en keek over haar schouder. Daar aan de overkant stond hij: Pahr. Ze deed haar ogen stijf dicht. ~Hij is niemand, hij is niemand, er is niets aan de hand, hij is niemand.~
Storm had een tijdje rond staan kijken. Toen ze net aankwamen had hij al veel elfen gezien, maar hij had nog niet echt aandacht aan ze besteed. Daarom wist hij nu eigenlijk niet veel namen meer. Ja, Roodklauw, dat wist hij nog en Zonnestraal zou hij waarschijnlijk nu ook wel onthouden.
Het was raar, hij had eigenlijk helemaal niet gemerkt dat ze zo lang zijn hand vast had gehouden, pas toen zij zich verontschuldigde werd hij zich er bewust van. Hij was nu op het stenen bankje gaan zitten en hij keek wat rond. ~Hmm, best wel wat leuke vrouwen hier!~
Bliksem was op een andere elf afgesprint en Storm moest ook lachen om de reacties van de andere elfen toen het misverstand duidelijk werd.
Storm keek naar de baby-elf en voelde zich helemaal verdrietig worden. Was zijn zoontje maar bij hem, dan maakte niks hem meer uit, maar nu... ~Nachtzang, ik mis je, bij de Allerhoogsten, was je maar bij me!~ Storm keek nu al een tijdje starend naar Fladder, zonder haar eigenlijk nog te zien.
Plots schrok hij weer op uit zijn gedachten, hij schudde een keer met zijn hoofd en probeerde weer vrolijk te doen. Het was tenslotte feest. Het lukte nog niet echt, een echt vrolijk gezicht had hij nog niet, maar hij was tenminste niet meer zo afwezig.
Hij keek nog eens rond, misschien moest hij dan maar de gezelligheid opzoeken.
Hij zag dat Zonnestraal bij hem in de buurt zat en hij schoof een beetje haar kant op. "Leuke hanger!" zei hij, "Groen is mijn lievelingskleur."
Brenger keek nieuwschierig naar de nieuwe elfen. ~Tjonge, het is lang gelden dat ik nieuwe gezichten heb gezien, hoe heten ze eigenlijk?~ dacht hij. "Roodklauw, kun je hun niet even voorstellen?" riep Brenger. "Ik ben benieuwd wat ze te vertellen hebben, vindt je ook niet Lichtspoor?" Hij stompte hem in zijn zijde. Ondertussen stak hij zijn kom uit naar Pinvis, om een vis er op te laten leggen. "Doe die grote maar, ik heb honger," zei hij tegen Pinvis.
Zonnestraal was net een beetje bijgekomen toen ze zag dat Storm, waarmee ze net kennis gemaakt had, dichterbij geschoven was en een vriendelijke opmerking maakte over haar hanger. "Oh, dank je wel," lachte Zonnestraal naar hem. "Het is een bloem. Gladsteen heeft hem voor me gemaakt toen ik nog een jong was. Waarschijnlijk was het zijn cadeau voor mijn baby-lachfeest, maar daar weet ik natuurlijk niet veel meer vanaf."
Zonnestraal keek even naar het gezicht van de elf, die wel geïnteresseerd leek in een praatje en dus vervolgde ze haar verhaal. "Hij is altijd gewoon steenkleurig geweest. Pas een aantal manen geleden heb ik hem geverft. Bloesem heeft me daarbij geholpen." Ze wees naar Bloesem die zich in de buurt van Schudspeer bevond. "Bloesem weet alles van planten en wist precies welke ik kon gebruiken om mijn hanger een blijvende kleur te geven." Zonnestraal had het aardig te pakken en ratelde door. Ze gaf Storm niet eens de kans om iets te zeggen, moch hij dat willen. "Bloesem is de moeder van Fladder en ik ben de oppas van Fladder," ze wees naar het kleine kind in Slangeboog's armen. "En vroeger heb ik ook op Pinvis gepast, toen ze nog kleiner en nog niet zo eigenwijs was." Ze wees nu weer naar Pinvis en keek daarna terug naar Storm. Ze besefte dat ze wat veel aan het praten was. "Als ik teveel kwebbel moet je het zeggen hoor!" lachte ze vriendelijk naar de elf.
Aanraking plofte weer naast Snelletong neer. "Bij de Allerhoogsten, Nachtbloem is nog drukker geworden sinds ze wegging!" Opeens voelde ze haar maag knorren, stond weer op en liep naar Pinvis toe. De vissen zagen er lekker uit. Na wat zoeken zag ze dat ook haar zelf gevangen vis erbij zat. "Pinvis, mag ik mijn eigen vis opeten?"
Pinvis werd nu van alle kanten belaagd door stamgenoten die honger hadden. "Pak maar, pak maar hoor," mompelde ze een beetje, gebarend naar de vissen die volgens haar al wel klaar waren. Ze was echt niet van plan ze te gaan serveren ofzo. Iedereen moest zelf maar pakken.
"Nog niet iedereen is er, Brenger," zei het stamhoofd. "Dan kan ik hun namen wel acht keer zeggen, elke keer als er weer iemand aan komt." Hij knipoogde en wachtte af tot de andere nog missende elfen zich bij hen voegden.
Schroef kwam net terug bij zijn grot en vroeg zich af wat dat geroezemoes uit de richting van de elfenborg toch te betekenen had. Het klonk wel alsof er een feest aan de gang was.
Watvoor feest was het dan? Schroef besloot eerst zijn verzamelde spulletjes in zijn grot te leggen en om dan richting borg te sloffen.
Schudspeer was ondertussen naar Schroef's grot gegaan en gluurde even naar binnen om te zien of de trol aanwezig was. Hij zag dat hij druk bezig was. "Ha Schroef, je bent er toch," zei Schudspeer vrolijk. "Kom op jong, het is feest. Ruik je de heerlijk gebraden vis al?"
Snelletong moest lachen om Aanraking. "Misschien is ze nu verlegen en wordt ze nog erger als er niet zoveel andere elfen bij zijn," zei ze plagend. Doordat er veel elfen over de vis begonnen, begon ook Snelletong's maag te knorren. "Als je toch gaat pakken, kun je dan ook voor mij halen?" vroeg ze aan Aanraking. Lui strekte ze zich uit en ging achterover zitten.
Ze keek eens goed rond hoe iedereen op de nieuwe elfen reageerde. ~De meesten lijken erg nieuwsgierig. Waarom duurt het zolang totdat iedereen er is? Zo komen we nooit te weten wie de nieuwe elfen precies zijn.~ Toen ze nog eens keek vielen haar ook wat elfen op die er voorzichtig bij gekomen waren. ~Het zal wel net zo zijn als met Schroef. Iedereen went er langzamerhand wel aan.~
Snelletong moest stiekem wel lachen om het boze gezicht van haar moeder. **Het is beter dan dat je ze zelf laat vallen,** probeerde ze haar te troosten. **Ja, één keer per dag is wel genoeg.** Goedoor ging naast Snelletong zitten en begon weer een beetje te lachen.
Snelletong was blij haar moeder weer vrolijk te zien. Ze lachte met haar mee. "Ach, bekijk het zo, dan heb je in ieder geval iets te doen als je je verveeld." Terwijl ze dat zei, stootte ze Goedoor plagend aan. "En je hebt iets om over te praten. De arme elf moet zich helemaal rot geschrokken zijn."
Snel pakte Nachtbloem een vis weg voor dat iemand anders dat had gedaan. "Mmmm, lekker, Pinvis." Even zat Nachtbloem te genieten van haar vis. Het was al een hele poos geleden dat ze met haar hele stam had gegeten en ze wilde er zo veel mogelijk van genieten. ~Mmmm geweldig, ik wil dit lang niet meer missen.~
Even keek Nachtbloem om hoog van haar vis en keek ze recht in het gezicht van Brenger.
Van schrik liet ze haar vis bijna vallen. **Aaaaaaah Brenger! Leef je nog??** Brenger kneep zich in zijn arm. "Auw. Ja hoor, ik leef nog," zei Brenger tegen Nachtbloem. "Ik ben ook blij jou te zien."
Aanraking liet de vis voor Snelletong's neus bungelen. "Hier is je vis," zei ze en zwaaide de vis nog wat heen en weer tot Snelletong hem aanpakte. "Ha, Goedoor," zei ze vrolijk, toen ze zag dat haar 'lerares' er ook bij was komen zitten.
"Dank je," zei Snelletong, terwijl ze de vis aanpakte. Ze grinnikte. "Dit ziet er toch een stuk beter uit dan vanmiddag," zei ze en zette snel de gedachte aan de open gesneden vissen van zich af. Hongerig stortte ze zich op de vis. Maar doordat ze zo snel at zag ze een aantal graten over het hoofd. Ze verslikte zich in de dingen en probeerde ze hoestend weg te krijgen.
Nadat ze half gestikt was, kon ze weer normaal eten en adem halen. Met een rood hoofd keek ze rond. **Gevaarlijke beesten, die vissen,** probeerde ze zich eruit te redden. Ze begon weer aan haar vis, maar eerst keek ze zorgvuldig of er niet meer bot in zat.
Storm was blij dat Zonnestraal het duidelijk niet vervelend vond dat hij haar aangesproken had. Storm deed een aantal pogingen om zichzelf ook nog te laten horen, maar hij kwam niet veel verder dan, "Mà... Oh... Goh..." Tussen de woordenwaterval van Zonnestraal was niet één moment waar Storm iets terug zou kunnen zeggen.
Eigenlijk was het wel lachwekkend, en Storm volgde nu met een grijns op zijn gezicht de gebaren van Zonnestraal. Goh, dat ze dit allemaal vertelde omdat hij zei dat hij d'r hanger mooi vond! Storm grinnikte toen hij Zonnestraal laatste zin hoorde.
"Ik vind het wel leuk!" antwoorde hij. "Volgens mij moet ik gewoon nog meer met je praten, dan leer ik meteen heel de stam, met alle familiebanden, kennen!" zei hij met een lach.
Zonnestraal's ogen glinterden bij Storm's reactie. Veel elfen werden vaak moe van haar drukke gedrag, maar deze elf leek het wel leuk en gezellig te vinden.
"Oh, ik vertel je maar wat graag van alles over de familiebanden. Maar eh... zoveel weet ik er ook weer niet van. Ik behoor tot de jongeren van de stam." Heel even was het stil. "Maar ik kan het wel proberen. Ik luister altijd graag naar de verhalen van Schudspeer, onze verhalenbewaarder. Hij weet echt ALLES over de stam."
Zonnestraal lachte naar Storm. Ze vond het echt leuk zo aandachtig als deze naar haar leek te luisteren. "En jij? Kan jij iets over jullie vieren vertellen?" vroeg ze enthousiast. Zonnestraal was erg nieuwsgierig en wilde echt alles weten.
"Ik hoor graag meer over deze stam!" Storm was blij dat hij nu met Zonnestraal aan het praten was. Het was eigenlijk het eerste fatsoenlijke gesprek dat hij met een van de elfen van deze stam had. Blij dat het dan ook meteen een prettig gesprek was vervolgde hij,
"Ik weet er nog helemaal niks van, dus alles is welkom. Maar ik kan me ook goed voorstellen dat jij en alle andere elfen hier erg nieuwsgierig zijn."
Storm wilde net wat over zichzelf vertellen toen hij zag dat Roodklauw was gaan staan.
Hij keek terug naar Zonnestraal. "Sorry," zei hij zacht, "Mijn... nee, ons verhaal komt dadelijk wel." Hij wilde graag verder kletsen, maar het was duidelijk dat Roodklauw nu het feest 'officieel' opende.
Schroef schrok een beetje op bij de stem van zijn vriend. "Ah, is er een feest dan?" vroeg de jonge trol. "Wel zeker," antwoordde Schudspeer. "Ik heb je trouwens de hele dag nog niet gezien, je hebt wat gemist. Nachtbloem is terug gekeerd en ze heeft enkele onbekende elfen mee genomen."
Schudspeer grijnsde, hoewel hij zich wel meteen af vroeg hoe de nieuwelingen op een trol zouden reageren. Hij besloot maar even in de buurt van Schroef te blijven, zodat hij hem eventueel kon verdedigen.
Schroef liep met Schudspeer mee. Ook hij was erg nieuwsgierig naar die nieuwe elfen.
Hij slofte over het pad dat na twee jaar uitgesleten was tussen zijn grot woning en de borg.
|
|