Jachtgroep keuze en Erkenning   [ 21/05/2003 - 05/06/2003 | Afke, Annelies, Astrid, Carla, Katinka, Rosanne, Samantha, Saskia, Susan, Tineke ]
Roodklauw duwde een tak aan de kant, zodat de grote jachtgroep er door kon. Ze waren hier een nieuw pad aan het maken, waardoor het nog niet altijd even goed begaanbaar was. Hij keek even om naar Regendans. Hij droeg een zwarthoef samen met haar. Hij vroeg zich af hoe het met haar enkel was. Ze had de hele reis geen kik gegeven, maar hij had heus wel gemerkt dat ze af en toe extra langzaam gingen.
**Denken jullie dat je zelf kunt bepalen in welke jachtgroep je het best past?** zond Roodklauw toen naar Bassek, Storm, Bliksem en het meisje welke hij hielp met dragen. **Je hebt nu een beetje kunnen zien hoe wij jagen, wij hebben kunnen zien hoe jullie werken in een jacht,** vervolgde hij. **Er kunnen er twee van jullie in iedere groep.**
Hij maakte zijn ogen even tot spleetjes. Tussen de bomen door kon hij het Zonnemeer al zien liggen glinsteren. Ze waren er bijna en hadden het nog helemaal niet over de plaatsing in de groepen gehad.

Schudspeer neuriede één of ander melodietje, dat wel een beetje bekend stond als een lied wat over de jacht in het algemeen ging. Elke keer als Aanraking even naar hem om keek, trok hij een gek gezicht. Hij was in een erg rare bui vandaag.
Regendans zag dat de hoofdman naar haar keek en draaide snel haar hoofd weg. Ze had tijdens het lopen gelukkig weinig pijn gehad aan haar enkel, ze moest alleen voorzichtig doen, zodat ze er niet weer doorheen ging. Na zijn vraag hield ze haar mond maar. Ze had geen idee en zelfs al had ze een idee gehad, had ze toch nog haar mond gehouden. ~Zou Maretak eigenlijk ook in een jachtgroep zitten?~ Toen ze merkte wat ze dacht schrok ze, waarom bleef hij steeds in haar gedachten opduiken.
Bassek dacht na over de vraag van de hoofdman. Ze wist niet zo goed in welke groep ze wilde, in de groep van de hoofdman of in de groep van de elf met wie ze een zwarthoef droeg. ~Zouden de anderen al weten in welke groep ze willen?~ dacht ze.

Bliksem had de vraag van het stamhoofd ook gehoord, maar wist nog niet wat ze moest antwoorden. Ze wilde best graag in de groep die geleid werd door Roodklauw, maar ze wilde ook bij Storm in de groep zitten. En ze had zo haar twijfels over Storm's keuze. Ze had zo het idee dat zijn keuze vooral bepaald zou worden door de glimlach van een ander...
Nog steeds een beetje geirriteerd over het feit dat haar broer eerder op de dag al voor Zonnestraal had gekozen in plaats van haar gezelschap, had Bliksem geen zin om het nu meteen te overleggen. Storm moest er zelf maar over beginnen. Als hij zo nodig achter Zonnestraal aan wou lopen...
Bliksem voelde zich een beetje licht in het hoofd worden. ~Ligt vast aan de inspanning en aan Storm,~ dacht ze, terwijl ze verder zwoegde met haar deel van de vracht. ~Het lijkt wel alsof dit stomme beest steeds zwaarder wordt!~
Onopgemerkt door Bliksem was de wond op haar schouderblad weer wat meer gaan bloeden en ze liet een klein spoor van bloeddruppels achter op het nieuwe pad. Af en toe zwiepte er een tak over het pad terug en geïrriteerd duwde ze dat dan opzij. Het was maar goed dat het tempo van de groep niet zo hoog lag, want Bliksems bewegingen waren wat trager geworden dan normaal. Met haar gedachten op nul zette Bliksem steeds weer de volgende stap. En de volgende. Het werd een soort cadans...Als een hartslag...Het geluid begon door te klinken in haar hoofd, maar Bliksem besteedde er geen aandacht aan en liep verder.

Storm ving het zenden van Roodklauw op. Zo makkelijk was dat eigenlijk nog niet, om te kiezen. Wie kende hij nu eigenlijk? Tja, hij had wel met wat elfen op het feest gekletst en hij had nu ook wel meegejaagt, maar ze waren nu nog maar net 1 dag in de borg. ~Misschien bij Zonnestraal?~ dacht hij terwijl hij even omkeek naar Zonnestraal die achter hem het uiteinde van de stok droeg waar hun vangst aanhing. Hij knipoogde een keer waarna hij weer naar voren keek en Bliksem zag lopen. Storm zuchtte, Bliksem was al niet erg blij geweest met zijn keus voor deze jacht, misschien moest hij eerst maar even met haar overleggen.
Hij besloot het daar voorlopig maar even bij te houden en zond dus naar Roodklauw: **Kunnen we misschien daar nog even over nadenken? Ik weet het namelijk nog niet... misschien dat we er later nog op terug kunnen komen?** Storm wilde niet dat het zou lijken alsof hij geen zin had om bij een jachtgroep te gaan. **In ieder geval heb ik erg genoten van de jacht!** zond hij vol enthousiasme. **Ik kijk al uit naar de volgende keer!**

"Kom op Lichtspoor nog een beetje verder, je bent er bijna." Nachtbloem was haar vriend een beetje aan het pesten omdat ze vond dat hij het wel een beetje verdiende, waarom wist ze niet.
Toen wendde ze zich naar Bloesem, ze had haar al een lange lange tijd ook niet gezien. "Hee Bloesem, zou ik als we teug zijn even met je baby mogen spelen? ik heb nog nooit zo'n lieve baby gezien."
Bloesem keerde zich naar nachtbloem en lachte. "Natuurlijk mag je dat. Als Fladder wakker is na de jacht mag je dat. Waarom vraag je dat eigenlijk, je weet toch dat het mag als ze niet slaapt?" Bloesem lachte nog een keer.
Nachtbloem grijnsde even om wat Bloesem zei. "Nee Bloesem, dat weet ik niet, ik ben toch maar net terug. Ha, ik heb je dochter zelfs nog niet eens helemaal gezien. Alleen maar glimpen van opgevangen. Haha, en dat was met het feest toen ik naast Slangenboog ging zitten, maar toen haalde Aanraking me zonder reden weg." Dat laatste zei Nachtbloem op een beetje zielige toon terwijl ze nauwlijks haar lachen in kon houden.

"Zonder reden? Je was net terug en je maakte hem alweer het leven zuur," zei Lichtspoor tegen Nachtbloem en gaf haar een por in d'r zij. "Aauu. Dat doet zeer. Jij bent niet lief." Nachtbloem hield haar hand op de plek waar Lichtspoor haar had geport. Even ging er een gemene grijns over het gezicht van Nachtbloem, en ze begon Lichtspoor te kietelen. "Nee niet doen Nachtbloem, je weet dat ik niet tegen kietelen ka...n."
Nachtbloem had had Lichtspoor zo erg gekieteld dat hij de stok met de zwarthoef niet meer kon vast houden. Snel ging Nachtbloem op zijn plaats staan zodat Boesem het hele dier niet alleen hoefde te dragen. "Tsk tsk, Lichtspoor. Laat je arme Bloesem nou helemaal alleen die zwarthoef dragen, niet echt aardig he?"
Lichtspoor kon het niet helpen en moest Nachtbloem daarvoor terugpakken. Hij ging vlak achter nachtbloem lopen en gaf haar kleine irritante prikjes in haar zij waardoor ze steeds een beetje in elkaar kromp. Hij pakte de stok weer vast en prikte Nachtbloem zodat ze los moest laten. "jij kan die stok anders ook niet erg goed vasthouden." zei Lichtspoor tegen Nachtbloem met een grijns.

"Ik krijg je daar wel voor Lichtspoor. Ik zou maar op passen als ik jou was," zei ze. "Jaja," antwoordde Lichtspoor sarcastisch."Ja, en ik zal het je bewijzen." Nachtbloem keek om zich heen om te kijken wat ze nou kon doen om Lichtspoor terug te pakken. Terwijl ze keek zag Nachtbloem dat Lichtspoor iets aan zijn heupgordel had hangen, het was de vogel die hij had geschoten voor Brenger.
~Ik zal je krijgen Lichtspoor.~ Heel stil liep Nachtbloem achter haar vriend aan, en net toen hij iets begon te merken, greep ze snel de vogel en rende een stukje naar voren om Lichtspoor te ontwijken. "Hahahah, ik zei het je toch ik kreeg je wel." En Nachtbloem stak haar toch tegen Lichtspoor uit omdat ze wist dat hij niets kon doen.
Lichtspoor deed een poging om naar de vogel te grijpen maar miste. "Hee, geef hier." roept Lichtspoor een beetje beteuterd. Hij loopt verder achter Bloesem aan terwijl hij Nachtbloem scherp in de gaten houd. Een paar keer als Nachtbloem in de buurt komt probeert hij de vogel terug te pakken. Wat niet wil lukken.
"Wacht maar tot ik dit dadelijk weg gelegt heb. Dan grijp ik je." zei hij tegen Nachtbloem terwijl hij haar vanuit z'n ooghoeken en met een klein glimlachje aankijkt.

Nadat ze de vraag van haar hoofdman had gehoord keek Zonnestraal even naar Storm. Zou hij bij haar in de jachtgroep willen? Ze wist in ieder geval vrij zeker dat hij bij zijn zuster in de jachtgroep zou willen, Zonnestraal had immers gemerkt dat de twee samen een speciale band hebben.
~Ik hoop dat Storm en Bliksem allebei bij mijn in de jachtgroep komen,~ dacht ze. Zonnestraal vroeg zich af of Bliksem net zo aardig zou zijn als Storm, maar het idee dat de twee een tweeling waren en dat Storm erg dol op zijn zuster leek deed haar daar verder niet aan twijfelen. ~Ik moet ook maar eens wat beter kennis gaan maken met Bliksem~ dacht Zonnestraal toen enthousiast, terwijl ze naar Storms zuster keek.
Aanraking stak haar tong naar Schudspeer uit, toen hij weer een gek gezicht trok. Vervolgens keek ze even naar Nachtbloem en Lichtspoor. ~Die twee zijn ook weer lekker bezig...~ dacht ze en zuchtte diep. Met een pijnlijk gezicht verplaatste ze de stok waaraan de zwarthoef hing naar haar andere schouder en ging wat sneller lopen.

Regendans begon zich hoe langer hoe vervelender te voelen. Tijdens het jagen had ze zich kunnen afzonderen van de rest, maar nu liep ze midden in de groep. Al die vreemde elfen maakten haar bang, en ze voelde zich ingesloten. Het liefst zou ze het weer op een lopen zetten, maar ze kon moeilijk de tak met de zwarthoef uit haar handen laten vallen. Bovendien zou ze waarschijnlijk toch weer gelijk door haar enkel gaan. Zolang ze maar ergens over nadacht raakte ze niet in paniek. Maar waar moest ze over nadenken?
Ze dacht terug aan gisteravond en herrinerde zich opeens dat ze Maretak had beloofd om vandaag weer te praten. Hij was eigenlijk best aardig, maar ze wilde niet! Hij moest uit haar buurt blijven, anders zou ze alleen maar zenuwachtig van hem worden. Straks zou ze het hem vertellen, het was het beste voor hen allebei, ze kon onmogelijk nu aan de erkenning toegeven, niet nu Klimhoog dood was, en hoewel hij erg aardig deed, hij was toch een vreemde en Regendans en vreemden waren gewoon twee dingen die niet samen gingen.
Op haar voorhoofd verscheen een vastberaden frons en Regendans bleef tegen zichzelf herhalen wat ze tegen Maretak moest zeggen, zodat ze straks niet stond te stotteren en nu de elfen om haar heen enigzins kon vergeten.

Nachtbloem was nog en beetje bezig Lichtspoor te klieren, toen ze een hele grote hupper zag weg springen. ~Haa die kan ik mooi gebruiken voor mijn nieuwe laarzen.~ **Roodklauw, ik ga even een hupper achter na, ik beloof dat ik niet teverga, ik kom zo achter jullie aan.** En ze begon een pijl op haar boog te leggen.
Roodklauw keek even om en zag Nachtbloem inderdaad het pad af gaan. **We zijn er nu toch bijna,** antwoordde hij nog. Nog enkele meters voordat ze er waren.
Voordat hij zich weer omdraaide, ving hij nog even een blik van Regendans op. Deze elf voelde zich vast totaal niet op haar gemak. Misschien was ze nu ook wel met tegenzin mee gegaan, Roodklauw wist het niet. Zou ze weer spoorloos verdwijnen, zodra haar plicht gedaan was? Hij keek weer voor zich en knarsetandde een beetje.

Bliksem was blij dat het einde van de tocht in zicht was. Ze had geen puf meer over. En ze had het zo warm gekregen van het dragen van de zwarthoef. Plots merkte ze dat de warmte vooral vanuit haar schouder kwam. Snel keek ze over haar schouder naar de wond op haar schouderblad en zag dat het behoorlijk bloedde. ~Bah, nu heb ik toch echt een genezer nodig!~ dacht ze geirriteerd en een beetje geschrokken dat de wond zoveel erger was dan ze gedacht had. ~Nou moet ik alsnog aan die Kristal vragen of ze me wil helpen. Ik ben benieuwd. Vanochtend leek het niet alsof ze me erg aardig vond...~
Voorzichtig keek Bliksem achter zich in de rij of ze Kristal zag lopen en ontdekte haar een eindje verder naar achteren terwijl ze ook een geschoten dier droeg. ~Nou ja, het moet dan maar... Op hoop van zegen!~ dacht Bliksem nog, en zond meteen daarna naar Kristal.
** Kristal? Ik geloof dat jij genezer bent, toch? Ik kan wel wat hulp gebruiken geloof ik. De wond op mijn schouder is erger dan ik dacht.** Ongemerkt was Bliksem vergeten gesloten te zenden. Ze was er helemaal met haar gedachten niet meer zo bij. Ze slofte met haar voeten van vermoeidheid en kon niet wachten tot ze het prooidier neer kon leggen. ~Nog even... ik ben er bijna vanaf...~ dacht ze nog net. Toen begon alles in haar blikveld plots te draaien en voordat ze nog iets kon zeggen werd alles zwart...

Al enkele uren liep Maretak te ijsberen door het bos, vlak bij de borg. Meteen nadat hij Regendans naar zijn den had gebracht was hij van pijn en schrik weggerend. Dit had hij nooit verwacht, tenminste....Om ooit nog erkenning mee te maken had hij altijd wel gewild, al was het maar om te weten hoe het was om zo dicht bij een ander te zijn...
Maar dit? Hij had nooit verwacht om erkenning te krijgen met een voor hem wildvreemde elf. En hoewel Maretak dacht dat hij daar wel mee om kon gaan, had hij het veel moeilijker met de totale afwijzing van Regendans. Ze wou hem gewoon niet!
Een tijd lang was hij blijven rennen, tot hij - na al een paar keer in het donker over wortels en afgevallen takken te zijn gestruikeld - tegen een grote brede eik tot stilstand kwam. Hijgend hing hij met zijn armen tegen de boom en besloot toen maar om zich met zijn rug tegen de boom op de grond te laten zakken. In een poging om op deze manier toch nog wat te slapen maakte Maretak het zichzelf zo gemakkelijk mogelijk.

Van slapen was echter geen sprake. Steeds weer kwamen zijn gedachten terug op het gesprek tussen hem en Regendans. En onvermijdelijk ook op de uiteindelijk weigering van Regendans om gehoor te geven aan de roep van de erkenning. Hij begreep haar verdriet over haar verloren gezel. En ook hoe erg ze het moest vinden om dan op zo'n moment en zo'n manier iemand anders tegen te komen. Waarom was dit toch allemaal zo moeilijk?!
Maretak schreeuwde het uit van frustratie, woede en verdriet om de hele situatie, waarna hij - een beetje beschaamd dat hij zich had laten gaan - zich met een zucht weer tot de orde riep. Met zijn hoofd een beetje schuin luisterde hij of hij met zijn geschreeuw niet de aandacht had getrokken, maar toen er na een tijdje nog steeds niets anders te horen was dan de normale nacht- en vroege-ochtend-geluiden, kwam als vanzelf de maalstroom van gedachten weer naar boven. En onbedoeld ook die ene klank: "Lhiha".
"O, Allerhoogsten!" riep Maretak vertwijfeld uit. "Ik weet dat ik haar beloofd heb om niks te laten merken en niets over de erkenning te vertellen tegen de stam, maar wat zou ik nu graag met iemand hier over praten!"
Hij merkte dat er tranen over zijn wangen liepen en geërgerd veegde hij ze weg. ~Ik zal mijn belofte niet zomaar verbreken!~ dacht Maretak, terwijl hij zichzelf weer herinnerde aan het bijzondere gevoel dat door hem heen ging toen hij Regendans in de ogen gekeken had. ~Ik zal hier met niemand over praten tot Regendans aangeeft dat het wél mag. Alleen als iemand me er rechtstreeks naar vraagt zal ik niet liegen... Dat doe ik voor niemand!
Ik denk alleen niet dat ik dit lang volhoud. Als zij écht de erkenning kan wijgeren is ze sterker dan ik! Zelfs nu ik een eind van haar vandaan ben voel ik diie bijzondere band die ontstaan is aan me trekken! Misschien kan ik haar overhalen? Ik begrijp haar verdriet, maar geen gevolg geven aan erkenning kan ook niet goed zijn. Tenslotte is het de natuurlijke manier! Als we nou...~ Maretak zat ondertussen echt met zijn handen in zijn haar en zocht verwoed naar een oplossing voor dit probleem.
~Misschien kunnen we maar beter gewoon de erkenning volgen en dan weer zo snel mogelijk uit elkaar gaan? Dan zijn we er van af. Nou ja... Zo goed als dat kan dan. En dan hoeft ze me nooit meer te zien als ze dat niet wil!~

Een beetje gerustgesteld dat er in ieder geval nog een andere optie was dan proberen om de erkenning helemaal te negeren, haalde Maretak het houtsnijwerkje wat hij de vorige dag had gemaakt uit zijn buidel tevoorschijn. Hoewel het een mooi stukje houtsnijwerk was, in de ogen van wie er ook naar zou kijken, zag hij er nog meer in. Hij haalde zijn mes weer tevoorschijn om nog een paar verfijningen aan te brengen. Misschien komn hij dit aan Regendans geven? Dat zou zijn voorstel misschien iets verzachten... Want ongeacht hoe hij dit ging aanpakken, het was duidelijk dat Regendans het hier nog veel moeilijker mee had dan hij.
In de vroege uurtjes van de ochtend had Maretak het zenden van Roodklauw nog opgevangen, over het starten van de jacht. Hij had hem echter genegeerd. In deze stemming hadden ze niets aan hem. Hij zou het wild alleen maar verjagen. Stilletjes werkte Maretak nog een tijdje door terwijl hij probeerde te verzinnen met welke woorden hij zijn voorstel het beste kon inkleden en overbrengen, zonder Regendans te veel af te schrikken. Na een tijdje merkte hij dat de zon al wat hoger aan de hemel kroop en besloot hij om te gaan kijken of de jachtgroep en Regendans al terug waren. Hij stak zijn houtsnijwerk weg en liep stilletjes de kant van de borg weer op.

Regendans vroeg zich af wat ze wilde gaan doen. Als ze hier bleef om te helpen zou ze nog een hele poos te midden van al die vreemde elfen zijn, maar als ze weg ging zou ze waarschijnlijk Maretak tegenkomen en ze was niet zeker of ze daar nu al aan toe was. Toen gebeurde opeens alles tegelijk. Bliksem zond naar Kristal en viel daarna op de grond en hoewel Regendans niets liever wilde dan naar haar toe rennen, begreep ze dat ze toch niets kon doen. Bovendien trok er iets aan haar.
Zonder er over na te denken liet ze haar kant van de stok vallen en rende naar de plek waar het gevoel vandaan kwam. Ze schrok toen ze oog in oog met Maretak kwam te staan. Ze had het moeten weten, ze had tegen het gevoel moeten vechten, maar het was zo moeilijk en was zo benauwd geweest tussen al die vreemden. Maar toch vroeg ze zich weer af of dat niet prettiger was dan alleen zijn met Maretak. Voor de andere vreemde elfen voelde ze tenminste niets. Ze stond hem even met grote ogen aan te kijken en deed toen een stap achteruit. De hele weg terug en zelfs dat kleine stukje dat ze had gerend was ze niet verkeerd gestapt, maar nu, uitgerekend nu besloot haar enkel om weer door te zakken. Kreunend belandde ze op de grond.

Maretak keek verschrikt naar Regendans, toen die wel erg plotseling tussen de bomen door kwam aanrennen. Hij was dan wel op weg geweest naar de borg en het jachtgroepje, maar dit was nogal onverwacht. Terwijl hij zich herstelde zag hij dat Regendans zelf ook geschrokken was en een pas achteruit deed. Helaas stapte ze blijkbaar net verkeerd en Maretak zag haar gezicht even van pijn vertrekken. Meteen vergat hij zijn eigen verwarring en stapte snel en zeker op het meisje af om haar te helpen.
Toen Maretak op haar afkwam sloeg Regendans hem een beetje halfslachtig weg. Ze was geen kind en kon voor zichzelf zorgen! Het was tenslotte maar een verstuikte enkel. Terwijl hij zijn hand naar haar uitstak om haar te helpen op te staan, begon hij de woorden die hij die ochtend had bedacht weer te zoeken. Alleen merkte hij tot zijn schrik dat hij zich helemaal niets meer kon herinneren van wat hij had bedacht!
Snel haalde hij zijn hand weg toen hij merkte dat Regendans er niet van gediend was dat hij haar hielp. "Gaat het?" vroeg Maretak aan haar. "Ik wilde je niet laten schrikken!" Met en beetje een sullige uitdrukking op zijn gezicht stond Maretak zich af te vragen wat hij nu moest doen.

Om hem te laten zien dat ze niet zwak was, en omdat ze zich nog steeds een beetje beschaamd voelde over haar huilbui van gisteravond, stond Regendans voorzichtig op en balanceerde op één voet. Snel pakte ze een tak vast, die gelukkig stevig genoeg was. "Ja, waarom zou het niet gaan?" vroeg ze hem zwakjes.
"Volgens mij verzwikte je anders lelijk je voet," reageerde Maretak. "Moet ik er even naar kijken? Ik ben handig met kruiden. Ik kan wel een kompres voor je maken als je wilt? Of zal ik Kristal voor je roepen?" Regendans wist niet meer wat ze had willen zeggen en om tijd te winnen knikte ze hem instemmend toe. "Kristal heeft het te druk."
Maretak begon al in zijn buideltje te rommelen op zoek naar de meest geschikte kruiden. Misschien had hij nog wat kneuskruid? Regendans ging weer zitten en strekte haar voet naar Maretak uit.
Wat rustiger en meer beheerst als eerder, liep Maretak naar Regendans toe en knielde bij haar voeten. Hij pakte wat van de kruiden die hij op het oog had gehad uit zijn buidel en maakte er een mooi propje van. Ineens een beetje verlegen over de nabijheid van Regendans keek hij met half geloken oogleden naar haar op. "Ik moet je enkel even beetpakken. Dat gaat misschien wel wat pijn doen!" zei hij in de hoop dat het allemaal wel mee zou vallen. Regendans keek hem vuil aan. "Ik heb er de hele weg mee gelopen, ik ben niet kleinzerig!!" Wat dacht hij wel, zag ze er zo zwak en hulpeloos uit?
Terwijl hij de voet van Regendans beetpakte om te controleren of er een zwelling te zien was, ontweek Maretak expres de ogen van Regendans en lette extra op wat hij met zijn handen deed. Het leek wel of alles wat hij zei verkeerd was.

Zich alleen op zijn werk concentrerend wist hij er nog uit te brengen, "Ik bedoelde ook niet te zeggen dat je nergens tegen kon of zo. Ik wilde je alleen niet nog extra pijn doen als dat niet nodig is." Terwijl hij zijn handen snel het werk liet doen om te controleren of de enkel inderdaad alleen gekneusd en niet gebroken was, hoopte Maretak dat hij weer wat beter uit zijn woorden kon komen. Als het nu al zo slecht ging, dan zou het nog wat worden als hij zijn voorstel zou opperen.
Maretak klonk zo zielig dat Regendans meteen niet meer kwaad was. Haar woede was het enige geweest waardoor ze zich goed had kunnen houden en ze barstte dan ook gelijk in huilen uit. "Ik, wil, niet, meer huilen." stootte ze snikkend uit.
"Regendans?" stamelde Maretak geschrokken. "Wil je het er met me over hebben?" Ongemerkt streelde Maretak teder de voet en enkel van Regendans. "Ik wil dat het voorbij is, ik wil weer gewoon mezelf kunnen zijn, ik wil niet meer!" verzuchtte Regendans. Ze wreef een beetje in haar ogen en probeerde zich in te houden. Ze wist niet meer wat ze wilde, ze wist alleen dat ze wilde dat het gevoel ophield, zodat ze weer gewoon kon doen waar ze zin in had.

"Uhm, ik heb over dit alles na zitten denken vannacht" zei Maretak voorzichtig. Hij wist eigenlijk niet eens zeker meer of hij dit wel echt tegen Regendans ging zeggen. Misschien zou ze dan wel helemáál niets meer van hem willen weten. "Ik denk dat ik begrijp hoe je je voelt," begon hij. "En ik dacht....Nou ja, misschien kunnen we ..." Regendans merkte dat Maretak moeite had met doorpraten en ze probeerde hem bemoedigend toe te lachen.
Plots herinnerde Maretak zich het kleine houtsnijwerkje wat hij aan Regendans had willen geven. Hij draaide zich wat opzij zodat hij beter bij zijn buidel kon en haalde het voorzichtig te voorschijn. "Dit...is voor jou!" zei hij, tegelijkertijd verlegen en toch trots op zijn werk. "Ik heb het gemaakt nadat ik je voor het eerst zag."
Maretak stopte abrupt met praten toen hij hoorde hoe knullig het klonk wat hij zei. Natúúrlijk maakte je zoiets pas als je iemand gezien had. Van tevoren wist je tenslotte niet hoe iemand eruit zag. Snel stak hij zijn hand met daarin het houtsnijwerkje uit en gaf het aan Regendans, die het voorzichtig aanpakte. Verbaasd zag ze dat zij het was. De tranen liepen weer over haar wangen, maar nu was ze rustig. Ze keek Maretak aan. *|Dank je, Pahr, het is prachtig|* Regendans boog naar hem toe. *|Laat het ophouden, alsjeblieft.|*

Nog een beetje onzeker over wat ze bedoelde, pakte Maretak voorzichtig de hand van Regendans vast. "Ik weet maar één manier om dit te stoppen..." opperde hij voorzichtig, in de hoop dat hij haar goed had aangevoeld. De zere enkel was vergeten en de kruiden voor het kompres lagen ondertussen verspreid in het gras.
Regendans merkte dat Maretak verlegen was, maar zij was nu niet meer verlegen, en ze sloeg haar armen om zijn nek. *|Ja.|* zond ze bevestigend naar Maretak. Plots erg opgelucht en blij keek Maretak Regendans diep in haar ogen. "Ik zal je meenemen naar een van mijn favoriete plekjes in het bos," begon hij. "Het is daar erg stil en er komt zelden iemand anders dan ik. Daar kunnen we ongestoord...." De zin hoefde niet meer afgemaakt te worden. Beide elfen wisten nu precies wat ze wilden... Regendans glimlachte naar hem, morgen zou het over zijn.
Voorzichtig pakte Maretak Regendans vast en tilde haar op. Met stille liefde in zijn ogen begon hij met haar in zijn armen dieper het bos in te lopen. Voor nu zou hij alle zorgen vergeten. Dat kwam later wel. Nú was het alleen Regendans en Maretak.
Maretak en Regendans.

Pahr en Lhiha, Lhiha en Pahr.
Eén.