Zuid-Amerikaanse dwergcichliden

Apistogramma

Verspreiding: tropisch Zuid-Amerika

Biotoop: de meeste soorten leven in het strooisel zone langs de oever van kleine of grotere, stromende wateren in het oerwoud, of in savannekreken, of in drijftilgemeenschappen en kruidenmoerassen. Een weinig in aquaria gehouden soort (A. diplotaenia leeft boven kale zandbodems met maar weinig bladstrooisel of dood hout. Alle soorten mijden watergedeelten met sterke stroming.

Aquariuminrichting: Apistogramma-soorten houden van een structuurrijk aquarium met kienhoutwortels en planten, en met minstens voor elk dier een hol. Rondom dit hol vestigen ze een klein territorium. Het oppervlak moet met drijfplanten worden afgeschermd, want in een dekkingsloze omgeving blijven de dieren vaak schuw. De soorten uit de strooiselzone met ondiep water ( zoals A. agassizii, A. cacatuoides en A. nijsseni ) moet men op zijn minst een met eiken- of beukenbladen afgedekt hoekje gunnen. De vrouwtjes gebruiken de onderkant van deze bladen ook graag als broedholletje. De andere soorten ( bijv. A. hongsloi, A. trifasciata, A. borelli ) kunt u het beste een dichtbeplante bak met verspreide schuilplaatsen aanbieden.  Omdat de meeste Apistogramma-soorten de neiging hebben een harem te vormen, is het (ook voor de kleinere soorten) raadzaam een groot aquarium te kiezen, waarin u verscheidene vrouwtje samen met een enkel mannetje kunt houden. Zo voorkomt u agressief gedrag tussen de partners.

Water: de dieren zijn het beste te houden in zachte, iets zuur water. Enkele soorten zijn duurzaam in licht basisch, middelhard water te houden. Zwartwater-soorten zoals A. agassizii stellen beduidend hogere eisen aan hun verzorging en vragen extreem zacht en zuur water, anders worden ze snel ziek. Alle soorten reageren slecht op water dat met organische afvalstoffen is vervuild.

Voedsel: in de natuur eten Apistogramma-soorten in hoofdzaak insectenlarven en kleine kreeftjes, die ze tussen het bladstrooisel, in het bodemslik of in dichte begroeiing opzoeken. Daarom kan men de meeste soorten niet of maar moeilijk aan droogvoer gewennen. Een afwisselingrijke voeding bestaat uit zwarte of witte muggenlarven, cyclops, watervlooien, pekelkreeftjes en vooral ook naupliuslarven. De kleurtonen komen van de vissen goed naar voren bij een optimale waterkwaliteit en voedering met kleine kreeftjes.

Geslachtsonderscheid: bij bijna alle soorten worden de mannetjes duidelijker groter dan de vrouwtjes. Ook hebben ze bontere kleuren en langere vinnen.

Voortplanting en kweek: de meeste Apistogramma-soorten neigen tot polygamie. Als ze de kans krijgen, paren de mannetjes met verscheidene vrouwtjes achtereen. De neiging tot haremvorming is niet bij alle soorten even sterk. A. nijsseni en A. borellii sluiten meestal een monogaam huwelijk, maar de andere soorten grijpen elke gelegenheid voor veelwijverij aan. De mannetjes baltsen tegen de vrouwtjes die zich in hun territorium begeven. Is een vrouwtje kuitrijp, dan komt het weldra tot paarvorming. De toekomstige ouders zoeken samen of alleen een hol om de eieren af te zetten, en het vrouwtje maakt het plafond van het hol met de bek schoon. Na de eiafzetting bekommert het mannetje zich meestal alleen nog om de verdediging van het territorium, maar niet om het broed. Het vrouwtje heeft intussen een meestal zwart/ geel broedkleed ontwikkeld en verzorgt de eieren en de larven die daar na ca. 3 dagen uitkomen. Pas als de larven na een dag of tien vrijzwemmen en beginnen te eten, gaat het mannetje wel eens aan de broedzorg deelnemen.

Eigen ervaring : A. Borelli : Vooral de mannetjes van deze soort zijn prachtige visjes, maar de vrouwtjes vragen veel meer werk.
Hun schuwheid zorgt er namelijk voor dat ze meestal te laat komen voor het eten.
Verschillende exemplaren zijn bij mij dan ook verhongerd wat te zien is aan een ingevalen buik.
Uiteindelijk lukte het me om d'r eentje uit te laten groeien in een apart bakje met zelf gevangen cyclops.
Maar ze stierf helaas al naar 1 jaar aan een duidelijk zichtbare infectie, wat ik al vaker heb gezien.
Een duidelijk signaal van paaringsbereidheid voor deze en andere apisto's is een zwarte vertikale baan over het oog en aan de rand van
de voorste buikvin.

Vergelijkbare soorten: Taeniacara en Apistogrammoides

Laetacara ( aeaquidens )

Verspreiding: Laetacara-soorten vindt men in vrijwel alle tropische delen van Zuid-Amerika.

Biotoop: de kleine vormen uit dit geslacht leven uitsluitend in warme, stilstaande en sterk begroeide delen van grote of kleine, heldere dan wel troebele wateren, onder meer ook in drijftilgemeenschappen.

Aquariuminrichting: deze dieren kan men al in een kleine bak houden, mits voorzien van dichte beplanting (ook drijfplanten), kleine kienhoutwortels en stenen. Omdat ze erg schuw zijn, is een bak van 80 cm lang, waarin ze gezelschap hebben van kleine scholenvissen, aan te bevelen. Zet er geen wildebrassen bij, want dan leggen ze het loodje.

Water: niet van zeer groot belang, mits het maar warm genoeg is voor hun welbevinden. Ze doen het wel beter in zacht, iets zuur water.

Voedsel: over het voedsel in de vrije natuur is niets bekend. In het aquarium nemen ze alle gangbare voedersoorten aan.

Geslachtsonderscheid: ook de vol uitgegroeide mannetjes worden maar weinig groter dan de vrouwtjes. De laatste hebben meestal een donkere vlek in de rugvin.

Voortplanting en kweek: de dieren zijn monogame vrijbroeders. De paarbinding kan gedurende verscheidene broedperioden in stand blijven. Bij de kleine Laetacara-soorten vinden we het overigens zeldzame verschijnsel dat de mannetjes van meet af aan de broedzorg kunnen overnemen, terwijl de vrouwtjes het territorium gaan verdedigen. De eieren worden nabij de bodem op stenen afgezet, of ook wel tussen drijfplanten. Een legsel kan honderden jongen opleveren, die door beide ouders ongeveer drie weken worden verzorgd. Als eerste voer kan worden volstaan met fijngewreven droogvoer.

Eigen ervaring : Laetacara Dorsigera : Ik ben heel erg blij dat ik deze soort heb kunnen vinden want ze zijn geweldig.
Hun speelse, levendige, nieuwsgierige gedrag kun je vergelijken met een koppeltje platy's wat altijd actief is.
Helaas heeft mijn koppel tot nu toe nog geen steen schoon gemaakt om daar vervolgens op af te zetten.
Het paargedrag lijkt sterk op dat van kersenbuiken met het schudden en gebogen houden.
Op die momenten is mijn vrouwtje zo goed als geheel donker zwart gekleurd.
In de toekomst wil ik deze soort en de iets grotere curviceps in mijn tanga bak gaan houden.
Vanwege het toch wel grotere formaat raad ik aan om deze vissen minimaal te houden in een 1 meter bak.

Nannacara

Verspreiding: noordoostelijk Zuid-Amerika.

Biotoop: dichtbegroeide, structuurrijke zwart-water of helder-waterbeekjes en dito moerassen.

Aquariuminrichting: een grote, zeer structuurrijke, weelderig beplante bak, waarin de onderling soms zeer agressieve partners van een paartje elkaar uit de weg kunnen gaan. Elk dier moet over verscheidene schuilplaatsen kunnen beschikken.

Water: zacht en zuur water. Aquariumstammen van N. anomala stellen minder hoge eisen. 

Voedsel: allle gangbare soorten klein voer.

Geslachtsonderscheid: de mannetjes zijn beduidend groter dan de vrouwtjes, behalve bij N. taenia.

Voortplanting en kweek: meestal monogame holenbroeders, die echter soms op een steen op een open plek afzetten. De mannetjes zijn tijdens de balts erg opdringerig en agressief. In een te kleine bak kunnen de vrouwtjes tijdens de broedzorg het mannetje en andere medebewoners danig toetakelen.

 

Dicrossus

Verspreiding: noordelijk Zuid-Amerika

Biotoop: warme rivieren, oerwoudbeken en lagunen me zwart of helder water, ook dergelijke beken in de savanne. D. filamentosus bewoont de strooiselzone en ondiepe gedeelten van de beroemde Rio Negro en de Orinoco.

Aquariuminrichting: fijnkorrelige, witte kwartszandbodem met daarop een laag beuken- of eikenbladen, ook kienhout wortels. Gezelschap: kaperzalmen, bijv. een school Kardinaaltetra's (Paracheirodon axelrodi).

Water: extreem zacht, zuur, warm water is beslist nodig. D. maculatus verdraagt ook middelhard, maar wel iets zuurder water. 

Voedsel: rijkelijk aanbod van fijn levend en droog voer.

Geslachtsonderscheid: de mannetjes hebben bontere, beduidend langere vinnen.

Voortplanting en kweek: alleen in extreem zacht en zuur water. Na de ei-afzetting verzorgt het vrouwtje het legsel. De larven kunnen direct artemia-naupliën eten.

 

Telecichla

Verspreiding: noordoostelijk Zuid-Amerika.

Biotoop: vooral in snelstromende riviertjes met helder water. De kleine bewonen de rolstenen en rotszones en bewegen zich nabij de bodem voort, meer huppend dan zwemmend.

Aquariuminrichting: grindbodem, met kleine, liggende buizen als schuilplaatsen. De vissen reageren op stroming met een meer levendig gedrag.

Water: warm, zacht, iets zuur water.

Voedsel: alleen klein levend of diepvriesvoer (kleine muggenlarven, artemia-naupliën). Meermalen per dag voeren. 

Geslachtsonderscheid: vrouwtjes kleiner.

Voortplanting en kweek: holenbroeders. Het vrouwtje verzorgt het legsel, terwijl het mannetje het territorium verdedigt. Sommige soorten zijn ook wel polygaam. De larven eten dadelijk atremia-naupliën.

 
Zuid-Amerikaanse dwergcichliden

.
Naam (evt. Nederl. naam)
grootte
man/vrouw
optimale bakgrootte*
temperatuur
grenzen
watertype*
normaal
watertype
kweek

A. agassizii
Gele dwerg cichlide
10 cm / 5 cm
100 cm 
( 1 m, 2 v)
26 - 28 șC
 Type 1 - 3
Type 1

A. cacatuoides
Gekuifde dwergcichlide
9 cm / 5 cm
100 cm
(1 m, 2 v)
24 - 26 șC
Type 2 - 4
Type 2 - 3

A. nijsseni
8 cm / 5 cm
80 cm
(1 m, 1 v)
24 - 27 șC
Type 1 - 3 
Type 1

A. borellii
7 cm / 4 cm 
60 cm
(1 m, 1 v)
22- 24 șC
Type 2 - 4
Type 2 - 4

A. hongsloi
7 cm / 4,5 cm
100 cm
(1 m, 2 v)
25 - 27 șC
Type 1 - 2
Type 1

A. trifasciata
6 cm / 3,5 cm
80 cm
(1 m, 2 v)
24 - 27 șC
Type 2 -3
Type 2

A. ramirezi
Antennebaarsje
5 cm / 4,5 cm
60 cm
(1 m, 1 v)
24- 28 șC
Type 1 - 3
Type 1 - 2

L. curviceps
Blauwe acara
7 cm / 6 cm
60 cm
(1 m, 1 v)
26 - 30 șC
Type 2 - 4
Type 2 - 3

N. anomala
8 cm / 5 cm
80 cm
(1 m, 1 v)
25 - 28 șC
Type 1 - 4
Type 1 - 3

D. filamentosus
Dambordcichlide
9 cm / 6 cm
100 cm
(1 m, 2 v)
27 - 30 șC
Type 1 - 2
Type 1

T. gephyrogramma
6 cm / 5 cm
80 cm
(1 m, 1 v)
26 - 29 șC
Type 2 - 4
Type 2

.
* aantal mannetjes = m en vrouwtjes = v
* watertype zie onderaan de pagina

 

West- en Midden-Afrikaanse dwergcichliden

 

Pelvicachromis

Verspreiding: West en midden-Afrika.

Biotoop: meestal in heldere regenwoudbeken en riviertjes met zandige of stenige bodem, waarin de waterplanten diep geworteld zijn. Tussen de wortels graven de dieren graag hun broedholletjes uit. In de droge tijd veranderen deze wateren vaak in slik restwaterpoelen. Het water van de beken is extreem zacht en iets tot sterk zuur.

Aquariuminrichting: het belangrijkste is de aanwezigheid van enkele holen die op een bodem van zand of fijn grind rusten. Verder moet men structuur in de bak brengen met behulp van kienhoutwortels en veel planten. Vul de holen met zand, want de dieren graven hun schuilplaats zelf uit.

Water: alle soorten prefereren zacht, iets zuur water, maar de robuuste aquariumstammen van de Kersenbuikcichlide kan ook overweg met middelhard of zelfs hard, iets basisch water. De variëteiten van P. taeniatus stellen uiteenlopende eisen. Alle houden ze van zacht, iets zuur water. De variëteiten 'Muyaka', 'Moliwe' en 'Funge' kunnen slecht tegen erg zuur water, maar zijn wel weer bestand tegen licht basisch water. Bij slechte waterkwaliteit zijn alle Pelvicachromis-soorten vatbaar voor bacteriële infecties.

Voedsel: Pelvicachromis-soorten eten in de natuur vooral insectenlarven, maar versmaden ander voedsel niet. Ze staan graag in zwakke stroming boven het zand, om daar naar iets eetbaars te graven of langszwevend voer te pakken. In het aquarium eten ze alle gangbare voersoorten, bij voorkeur echter levend voer.

Geslachtsonderscheid: de vrouwtjes zijn kleiner, met een metalig glanzende rugvin, afgeronde vinnen, een roodachtige buik en in het algemeen bontere kleuren. 

Voortplanting en kweek: monogame holenbroeder. Haast altijd neemt het vrouwtje de zorg voor het legsel en de larven op zich. De vrouwtjes zijn ook het actiefst bij de balts: de dan knalrode of violette buik wordt met gekromd lichaam aan de mannetjes gepresenteerd. Na het vrijzwemmen van de jongen nemen beide ouders intensief deel aan de broedzorg en de verdediging van het territorium. De jongen eten dadelijk artemia-naupliën.

Eigen ervaring : Hoewel deze vis vaak als beginnersvis word beschreven moet ik dit toch sterk tegenspreken.
Op zich zijn ze wel makkelijk te houden maar hun sterke paringsdrang zorgt meestal voor veel overlast.
Het afzetten gebeurt al heel snel en het typische beschermgedrag van de ouders haalt de rust uit je bak.
Dit is duidelijk te zien op het filmpje elders op deze site.
Het sterven van beide mooie grote mannen die ik heb gehad is iets wat veel wordt beschreven.
De vissen die in de winkel worden aangeboden zijn vaak erg klein en het resultaat van slechte doorkweek.
Koop ze dus alleen als ze mooi op kleur zijn en je duidelijk het geslacht kunt herkennen.( ook aan gedrag )
Op zich is het dus wel een goede cichlide soort om mee te starten en van hun gedrag te genieten maar
doe dit alles in een bak van minimaal 80 cm en dan alleen met weinig andere vissen en zeker geen andere cichliden.
Verder heb je een enorm probleem als je deze vissen moet uitvangen in een mooie plantenbak !!

Vergelijkbaar geslacht: Parananochromis 

Nanochromis

Verspreiding: Congobekken.

Biotoop: de meeste soorten leven vaker in grote rivieren, N. parilus, of zwartwater-meren, N. transvestitus. De soorten uit de N. squamiceps-groep prefereren echter kleine of zeer kleine, vaak plantenloze regenwoudbeekjes, die zeer koel, ca 20 șC, kunnen zijn.

Aquariuminrichting: met als Pelvicachromis-soorten hebben ze vele verschillende holen nodig, die ze zelf kunnen uitgraven. Ook voor de kleinste soorten moet u een flinke bak kopen met veel structuur: kienhoutwortels, stenen en planten. Want de mannetjes zijn soms extreem agressief tegen de vrouwtjes, en als die hen niet uit de weg kunnen gaan komt het snel tot dodelijke ongelukken. Water: de diverse soorten leven in heel verschillende watertypen. N. parilus en andere soorten uit het beneden-Congogebied verdragen alleen zacht tot middelhard, iets basisch water, maar geen zuur, extreem zacht water. De soorten uit de binnenlanden van het Congo-regenwoud, N. transvestitus, N. squamiceps, vragen juist zacht en zuur water, vooral bij de kweek. Allleen bij optimale waterwaarden tonen de dieren hun mooiste kleuren.

Voedsel: Nanchromis-soorten leven in de vrije natuur in hoofdzaak van insectenlarven, die ze in de fijnzandige bodem of tussen bladstrooisel en dood hout vinden. U kunt ze in het aquarium dus ook het beste levende en diepvries-muggenlarven en kleine kreeftjes geven. Ze nemen ook gretig droogvoer aan, maar daar moet u matig mee zijn.

Geslachtsonderscheid: de vrouwtjes zijn kleiner, met afgeronde vinnen, een rode buik en in het algemeen bontere kleuren.

Voortplanting en kweek: monogame holenbroeder, die hun mooiste kleuren vooral tijdens de balts tonen. Meestal neemt het vrouwtje de broedzorg op zich. Voor en succesvolle kweek hebt u een flinke bak met veel schuilplaatsen nodig. Kuitrijpe Nanochromis-vrouwtjes zien eruit alsof ze een knikker hebben ingeslikt en baltsen zeer intensief, net als bij Pelvicachromis. Als de jongen vrijzwemmen nemen beide ouders deel aan de broedzorg en de verdediging van het territorium, maar komt het vaak tot gevechten tussen de partners, en dan worden de eieren vaak opgegeten (dit gebeurt meestal bij een ongunstige waterkwaliteit). In zo'n geval moet u oppassen dat het vrouwtje niet door het mannetje wordt doodgebeten. Voeder het goed, zodat het snel weer kuitrijp wordt. De jongen eten dadelijk artemia-naupliën. 

 

Anomalochromis

Verspreiding: West-Afrika

Biotoop: de soort bewoont de meest uiteenlopende wateren, als er maar beschaduwde plekken te vinden zijn.

Aquariuminrichting: aan het schuwe karakter van deze dieren komt u goed tegemoet door ze een donker gehouden bak met dichte beplanting, wat stenen en kienhoutwortels te geven.

Water: bij voorkeur zacht, iets zuur water.

Voedsel: alle gangbare soorten levend, diepvries- en droog voer, dat echter niet te groot voor de kleine bekjes mag zijn. Over het voedsel in de natuur is niets bekend.

Geslachtsonderscheid: lastig - uitgegroeide  vrouwtjes zijn iets kleiner en hebben vaak meer contrast in de zwart-witte kleurpartijen. 

Voortplanting en kweek: deze vissen zijn monogame vrije vrijbroeders. Ze zetten hun eieren vaak op een steen af. Beide ouders nemen van meet af aan deel aan de verzorging van legsel, larven en jonge visjes. De dieren reageren erg gevoelig op storingen, en dan loopt het met de broedzorg vaak mis. Is eenmaal het stadium van vrijzwemmende jongen bereikt, dan zijn het voorbeeldige, liefdevolle ouders. De jongen eten gelijk artemia-naupliën of fijngewreven droogvoer. 

Bijzonderheid: de dieren zijn verzot op kleine slakjes, zoals in vele aquaria voorkomen.

 

Steatocranus

Verspreiding: Congobekken.

Biotoop: rotsachtige stroomversnellingen in grote rivieren. Steatocranus sp. aff. ubanguiensis en Steatocranus sp. 'Rotauge' zijn blijkens hun gedrag waarschijnlijk algeneters,  die hun voedsel in de stroming van de rotsen schrapen.

Aquariuminrichting: een middelgrote bak met stenen, steenplaten, kienhoutwortels en andere schuilplaatsen. Stroming wordt op prijs gesteld, maar is niet absoluut vereist (mits het water zuurstofrijk is). Sterke belichting is nuttig om algengroei op de stenen te bevorderen. De kleinblijvende soorten weten zich best te weren en kunnen het beste worden samengehouden met flinke scholenvissen zoals Congozalmen.

Water: weinig van belang, maar erg zuur water wordt niet verdragen. 

Voedsel: als groenvoereters hebben ze Spirulinavlokvoer of dito voedertabletten nodig, verder diepvrieskreeftjes, ook met met een hoog aandeel van ballaststoffen. Geef in elk geval geen muggenlarven of ander al te voedzaam voer.

Geslachtsonderscheid: de mannetjes ontwikkelen een grotere kopbult, worden groter en hebben langer uitgetrokken vinnen.

Voortplanting en kweek: monogame holenbroeders, die vaak het verste hoekje van een rotsformatie uitzoeken, zodat men pas na 14 dagen onverwachts jongen ziet. De balts gaat vooral van het vrouwtje uit. S. aff. ubanguiensis is een van de weinige cichliden waarbij het mannetje regelmatig de zorg voor het legsel overneemt en de vrouwtjes het territorium gaan verdedigen. De jongen kan men grootbrengen met artemia-naupliën en fijngewreven droogvoer.  

 

Pseudocrenilabrus

Verspreiding: oostelijke en zuidelijke delen van Afrika.

Biotoop: moerassen, meren, kleine stromende wateren. Ze houden zich bij voorkeur op in de buurt van waterplanten, of onder overhangende oevervegetatie. 

Aquariuminrichting: een bak met plaatselijk dichte achtergrondbeplanting, verder losse beplanting met voldoende vrije zwemruimte. Fijnkorrelige bodem. In de plantenbossen kunnen vrouwtjes zich tijdens de broedzorg terugtrekken, zonder door de mannetjes te worden lastig gevallen. 

Water: weinig van belang, alleen extreem zacht en zuur water wordt niet verdragen.

Voedsel: alle gangbare soorten voer. Om de fraaie kleuren ook op lange duur te behouden moet men ze veel kleine kreeftjes en muggelarven geven.

Geslachtsonderscheid: mannetjes zijn groter en beduidend bonter gekleurd, met langer uitgetrokken vinnen. 

Voortplanting en kweek: muilbroeders in het vrouwelijk geslacht, zonder paarbinding. Het mannetje baltst tegen alle vrouwtjes in de bak en paart met wie zich aanbiedt, maar bemoeit zich later niet om het broed. Om een individueel vrouwtje te veel stress te besparen moet men altijd 3 of 4 vrouwtjes met een enkel mannetje samenhouden. De vrouwtjes van P. multicolor zijn 12 - 14 dagen met de broedzorg bezig, die van P. nicholsi 17 - 20 dagen. Daarna laten ze de jongen uit de bek, maar die keren daarin nog drie dagen bij gevaar terug. Voor een ingerichte kweek moet men het vrouwtje kort voor het eind van de 'draagtijd' in een aparte bak zetten. De jongen kan men artemia-naupliën en fijn droogvoer geven. 

 
West- en Midden-Afrikaanse dwergcichliden

.
Naam
(evt. Nederl. naam)
grootte
man/vrouw
optimale bakgrootte*
temperatuur
grenzen
watertype*
normaal
watertype
kweek

Pel. pulcher
Kersenbuikcichlide
10 cm / 7 cm
80 cm 
( 1 m, 1 v)
25 - 28 șC
 Type 2 - 4
Type 2 - 4

Pel. taeniatus
Smaragd-
prachtcichlide
8,5 cm / 6 cm
60 cm
(1 m, 1 v)
24 - 27 șC
Type 1 - 3
Type 1 - 3

Pel. subocellatus
9 cm / 6,5 cm
80 cm
(1 m, 1 v)
25 - 28 șC
Type 1 - 3 
Type 1 - 2

Pel. sp.
'Bandi II''
9 cm / 6 cm 
80 cm
(1 m, 1 v)
25- 27 șC
Type 2 - 3
Type 2

N. squamiceps
8 cm / 5,5 cm
60 cm
(1 m, 1 v)
23 - 26 șC
Type 1 - 3
Type 1 - 2

N. transvestitus
8 cm / 5,5 cm
60 cm
(1 m, 1 v)
25 - 27 șC
Type 1 -2
Type 1
(tot pH 5,8)

N. parilus
Blauwe congocichlide
7 cm / 5 cm
100 cm
(1 m, 1 v)
24- 27 șC
Type 2 - 4
Type 3

Steatocranus sp. aff. ubanguiensis
7 cm / 5 cm
60 cm
(1 m, 1 v)
25 - 28 șC
Type 2 - 4
Type 2 - 4

A. thomasi
8 cm / 7 cm
80 cm
(1 m, 1 v)
24 - 28 șC
Type 2 - 4
Type 2 - 4

Pseud. nicholsi
8 cm / 6,5 cm
80 cm
(1 m, 3 v)
24 - 27 șC
Type 2 - 4
Type 2 - 4

Pseud. multicolor
Kleine muilbroeder
8 cm / 6,5 cm
80 cm
(1 m, 3 v)
23 - 27 șC
Type 3 - 6
Type 3 - 6

* aantal mannetjes = m en vrouwtjes = v
* watertype zie onderaan de pagina

  • Type 1: pH 4,5 - 6,5; °dKH 0 - 3
  • Type 2: pH 5,5 - 6,8; °dKH 3 - 8
  • Type 3: pH 6,8 - 7,5; °dKH 3 - 8
  • Type 4: pH 6,8 - 7,5; °dKH 8 - 16
  • Type 5: pH 7,2 - 8,5; °dKH > 12
  • Type 6: pH > 8; °dKH > 12

Kenmerken van gezonde vissen
In dicht bevolkte bakken bij handelaren ziet men dwergcichliden meestal niet in hun mooiste kleuren. Toch kan men een beeld krijgen van hun gezondheidstoestand en conditie door op de volgende zaken te letten:

* De dieren moeten alert rondzwemmen, al naar gelang van hun temperament.

* Bij het voederen moeten ze gretig op het voer afgaan.

* Als u de vis van voren bekijkt, moet de rug een rond profiel hebben en niet met een spitse hoek op de rugvin toelopen.

* De buikpartij moet rond en niet ingevallen zijn.



Copyrighted http://www.patrickroersma.myweb.nl / Patriarium & Jo deguelle jdeguelle@hotmail.com
Nabewerking Tom adres