Apistogramma Verspreiding: tropisch Zuid-Amerika Biotoop: de meeste soorten leven in het strooisel zone langs de oever van kleine of grotere, stromende wateren in het oerwoud, of in savannekreken, of in drijftilgemeenschappen en kruidenmoerassen. Een weinig in aquaria gehouden soort (A. diplotaenia leeft boven kale zandbodems met maar weinig bladstrooisel of dood hout. Alle soorten mijden watergedeelten met sterke stroming. Aquariuminrichting: Apistogramma-soorten houden van een structuurrijk aquarium met kienhoutwortels en planten, en met minstens voor elk dier een hol. Rondom dit hol vestigen ze een klein territorium. Het oppervlak moet met drijfplanten worden afgeschermd, want in een dekkingsloze omgeving blijven de dieren vaak schuw. De soorten uit de strooiselzone met ondiep water ( zoals A. agassizii, A. cacatuoides en A. nijsseni ) moet men op zijn minst een met eiken- of beukenbladen afgedekt hoekje gunnen. De vrouwtjes gebruiken de onderkant van deze bladen ook graag als broedholletje. De andere soorten ( bijv. A. hongsloi, A. trifasciata, A. borelli ) kunt u het beste een dichtbeplante bak met verspreide schuilplaatsen aanbieden. Omdat de meeste Apistogramma-soorten de neiging hebben een harem te vormen, is het (ook voor de kleinere soorten) raadzaam een groot aquarium te kiezen, waarin u verscheidene vrouwtje samen met een enkel mannetje kunt houden. Zo voorkomt u agressief gedrag tussen de partners. Water: de dieren zijn het beste
te houden in zachte, iets zuur water. Enkele soorten zijn
duurzaam in licht basisch, middelhard water te houden.
Zwartwater-soorten zoals A. agassizii stellen
beduidend hogere eisen aan hun verzorging en vragen
extreem zacht en zuur water, anders worden ze snel ziek.
Alle soorten reageren slecht op water dat met organische
afvalstoffen is vervuild. Voedsel: in de natuur eten
Apistogramma-soorten in hoofdzaak insectenlarven en
kleine kreeftjes, die ze tussen het bladstrooisel, in het
bodemslik of in dichte begroeiing opzoeken. Daarom kan
men de meeste soorten niet of maar moeilijk aan droogvoer
gewennen. Een afwisselingrijke voeding bestaat uit zwarte
of witte muggenlarven, cyclops, watervlooien,
pekelkreeftjes en vooral ook naupliuslarven. De
kleurtonen komen van de vissen goed naar voren bij een
optimale waterkwaliteit en voedering met kleine kreeftjes.
Geslachtsonderscheid: bij bijna
alle soorten worden de mannetjes duidelijker groter dan
de vrouwtjes. Ook hebben ze bontere kleuren en langere
vinnen. Voortplanting en kweek: de
meeste Apistogramma-soorten neigen tot polygamie. Als ze
de kans krijgen, paren de mannetjes met verscheidene
vrouwtjes achtereen. De neiging tot haremvorming is niet
bij alle soorten even sterk. A. nijsseni en A. borellii
sluiten meestal een monogaam huwelijk, maar de andere
soorten grijpen elke gelegenheid voor veelwijverij aan. De
mannetjes baltsen tegen de vrouwtjes die zich in hun
territorium begeven. Is een vrouwtje kuitrijp, dan komt
het weldra tot paarvorming. De toekomstige ouders zoeken
samen of alleen een hol om de eieren af te zetten, en het
vrouwtje maakt het plafond van het hol met de bek schoon.
Na de eiafzetting bekommert het mannetje zich meestal
alleen nog om de verdediging van het territorium, maar
niet om het broed. Het vrouwtje heeft intussen een
meestal zwart/ geel broedkleed ontwikkeld en verzorgt de
eieren en de larven die daar na ca. 3 dagen uitkomen. Pas
als de larven na een dag of tien vrijzwemmen en beginnen
te eten, gaat het mannetje wel eens aan de broedzorg
deelnemen. Eigen ervaring : A. Borelli : Vooral de
mannetjes van deze soort zijn prachtige visjes, maar de
vrouwtjes vragen veel meer werk. Vergelijkbare soorten: Taeniacara en Apistogrammoides Laetacara ( aeaquidens ) Verspreiding: Laetacara-soorten
vindt men in vrijwel alle tropische delen van Zuid-Amerika.
Biotoop: de kleine vormen uit dit geslacht leven uitsluitend in warme, stilstaande en sterk begroeide delen van grote of kleine, heldere dan wel troebele wateren, onder meer ook in drijftilgemeenschappen. Aquariuminrichting: deze dieren kan men al in een kleine bak houden, mits voorzien van dichte beplanting (ook drijfplanten), kleine kienhoutwortels en stenen. Omdat ze erg schuw zijn, is een bak van 80 cm lang, waarin ze gezelschap hebben van kleine scholenvissen, aan te bevelen. Zet er geen wildebrassen bij, want dan leggen ze het loodje. Water: niet van zeer groot
belang, mits het maar warm genoeg is voor hun welbevinden.
Ze doen het wel beter in zacht, iets zuur water. Voedsel: over het voedsel in de vrije natuur is niets bekend. In het aquarium nemen ze alle gangbare voedersoorten aan. Geslachtsonderscheid: ook de vol uitgegroeide mannetjes worden maar weinig groter dan de vrouwtjes. De laatste hebben meestal een donkere vlek in de rugvin. Voortplanting en kweek: de dieren zijn monogame vrijbroeders. De paarbinding kan gedurende verscheidene broedperioden in stand blijven. Bij de kleine Laetacara-soorten vinden we het overigens zeldzame verschijnsel dat de mannetjes van meet af aan de broedzorg kunnen overnemen, terwijl de vrouwtjes het territorium gaan verdedigen. De eieren worden nabij de bodem op stenen afgezet, of ook wel tussen drijfplanten. Een legsel kan honderden jongen opleveren, die door beide ouders ongeveer drie weken worden verzorgd. Als eerste voer kan worden volstaan met fijngewreven droogvoer. Eigen ervaring : Laetacara Dorsigera : Ik ben
heel erg blij dat ik deze soort heb kunnen vinden want ze
zijn geweldig. Nannacara Verspreiding: noordoostelijk Zuid-Amerika. Biotoop: dichtbegroeide, structuurrijke zwart-water of helder-waterbeekjes en dito moerassen. Aquariuminrichting: een grote, zeer structuurrijke, weelderig beplante bak, waarin de onderling soms zeer agressieve partners van een paartje elkaar uit de weg kunnen gaan. Elk dier moet over verscheidene schuilplaatsen kunnen beschikken. Water: zacht en zuur water. Aquariumstammen van N. anomala stellen minder hoge eisen. Voedsel: allle gangbare soorten
klein voer. Geslachtsonderscheid: de
mannetjes zijn beduidend groter dan de vrouwtjes, behalve
bij N. taenia. Voortplanting en kweek: meestal
monogame holenbroeders, die echter soms op een steen op
een open plek afzetten. De mannetjes zijn tijdens de
balts erg opdringerig en agressief. In een te kleine bak
kunnen de vrouwtjes tijdens de broedzorg het mannetje en
andere medebewoners danig toetakelen. Dicrossus Verspreiding: noordelijk Zuid-Amerika
Biotoop: warme rivieren,
oerwoudbeken en lagunen me zwart of helder water, ook
dergelijke beken in de savanne. D. filamentosus bewoont de strooiselzone en ondiepe gedeelten
van de beroemde Rio Negro en de Orinoco. Aquariuminrichting:
fijnkorrelige, witte kwartszandbodem met daarop een laag
beuken- of eikenbladen, ook kienhout wortels. Gezelschap:
kaperzalmen, bijv. een school Kardinaaltetra's (Paracheirodon axelrodi). Water: extreem zacht, zuur, warm
water is beslist nodig. D. maculatus verdraagt ook
middelhard, maar wel iets zuurder water. Voedsel: rijkelijk aanbod van
fijn levend en droog voer. Geslachtsonderscheid: de
mannetjes hebben bontere, beduidend langere vinnen. Voortplanting en kweek: alleen
in extreem zacht en zuur water. Na de ei-afzetting
verzorgt het vrouwtje het legsel. De larven kunnen direct
artemia-naupliën eten. Telecichla Verspreiding: noordoostelijk
Zuid-Amerika. Biotoop: vooral in snelstromende
riviertjes met helder water. De kleine bewonen de
rolstenen en rotszones en bewegen zich nabij de bodem
voort, meer huppend dan zwemmend. Aquariuminrichting: grindbodem,
met kleine, liggende buizen als schuilplaatsen. De vissen
reageren op stroming met een meer levendig gedrag. Water: warm, zacht, iets zuur
water. Voedsel: alleen klein levend of
diepvriesvoer (kleine muggenlarven, artemia-naupliën).
Meermalen per dag voeren. Geslachtsonderscheid: vrouwtjes
kleiner. Voortplanting en kweek:
holenbroeders. Het vrouwtje verzorgt het legsel, terwijl
het mannetje het territorium verdedigt. Sommige soorten
zijn ook wel polygaam. De larven eten dadelijk atremia-naupliën.
. A. agassizii A. cacatuoides A. nijsseni A. borellii A. hongsloi A. trifasciata A. ramirezi L. curviceps N. anomala D. filamentosus T. gephyrogramma . West-
en Midden-Afrikaanse dwergcichliden Pelvicachromis
Verspreiding: West en midden-Afrika.
Biotoop: meestal in heldere
regenwoudbeken en riviertjes met zandige of stenige
bodem, waarin de waterplanten diep geworteld zijn. Tussen
de wortels graven de dieren graag hun broedholletjes uit.
In de droge tijd veranderen deze wateren vaak in slik
restwaterpoelen. Het water van de beken is extreem zacht
en iets tot sterk zuur. Aquariuminrichting: het
belangrijkste is de aanwezigheid van enkele holen die op
een bodem van zand of fijn grind rusten. Verder moet men
structuur in de bak brengen met behulp van
kienhoutwortels en veel planten. Vul de holen met zand,
want de dieren graven hun schuilplaats zelf uit. Water: alle soorten prefereren
zacht, iets zuur water, maar de robuuste aquariumstammen
van de Kersenbuikcichlide kan ook overweg met middelhard
of zelfs hard, iets basisch water. De variëteiten van P. taeniatus stellen uiteenlopende eisen. Alle houden ze van
zacht, iets zuur water. De variëteiten 'Muyaka', 'Moliwe' en
'Funge' kunnen slecht tegen erg zuur water, maar zijn
wel weer bestand tegen licht basisch water. Bij slechte
waterkwaliteit zijn alle Pelvicachromis-soorten vatbaar
voor bacteriële infecties. Voedsel: Pelvicachromis-soorten
eten in de natuur vooral insectenlarven, maar versmaden
ander voedsel niet. Ze staan graag in zwakke stroming
boven het zand, om daar naar iets eetbaars te graven of
langszwevend voer te pakken. In het aquarium eten ze alle
gangbare voersoorten, bij voorkeur echter levend voer.
Geslachtsonderscheid: de
vrouwtjes zijn kleiner, met een metalig glanzende rugvin,
afgeronde vinnen, een roodachtige buik en in het algemeen
bontere kleuren. Voortplanting en kweek: monogame holenbroeder. Haast altijd neemt het vrouwtje de zorg voor het legsel en de larven op zich. De vrouwtjes zijn ook het actiefst bij de balts: de dan knalrode of violette buik wordt met gekromd lichaam aan de mannetjes gepresenteerd. Na het vrijzwemmen van de jongen nemen beide ouders intensief deel aan de broedzorg en de verdediging van het territorium. De jongen eten dadelijk artemia-naupliën. Eigen ervaring : Hoewel deze vis vaak als
beginnersvis word beschreven moet ik dit toch sterk
tegenspreken. Vergelijkbaar geslacht: Parananochromis Nanochromis
Verspreiding: Congobekken.
Biotoop: de meeste soorten leven vaker in grote rivieren, N. parilus, of zwartwater-meren, N. transvestitus. De soorten uit de N. squamiceps-groep prefereren echter kleine of zeer kleine, vaak plantenloze regenwoudbeekjes, die zeer koel, ca 20 șC, kunnen zijn. Aquariuminrichting: met als Pelvicachromis-soorten hebben ze vele verschillende holen
nodig, die ze zelf kunnen uitgraven. Ook voor de kleinste
soorten moet u een flinke bak kopen met veel structuur:
kienhoutwortels, stenen en planten. Want de mannetjes
zijn soms extreem agressief tegen de vrouwtjes, en als
die hen niet uit de weg kunnen gaan komt het snel tot
dodelijke ongelukken. Water: de diverse
soorten leven in heel verschillende watertypen. N. parilus
en andere soorten uit het beneden-Congogebied verdragen
alleen zacht tot middelhard, iets basisch water, maar
geen zuur, extreem zacht water. De soorten uit de
binnenlanden van het Congo-regenwoud, N. transvestitus, N.
squamiceps, vragen juist zacht en
zuur water, vooral bij de kweek. Allleen bij optimale
waterwaarden tonen de dieren hun mooiste kleuren. Voedsel: Nanchromis-soorten
leven in de vrije natuur in hoofdzaak van insectenlarven,
die ze in de fijnzandige bodem of tussen bladstrooisel en
dood hout vinden. U kunt ze in het aquarium dus ook het
beste levende en diepvries-muggenlarven en kleine
kreeftjes geven. Ze nemen ook gretig droogvoer aan, maar
daar moet u matig mee zijn. Geslachtsonderscheid: de vrouwtjes zijn kleiner, met afgeronde vinnen, een rode buik en in het algemeen bontere kleuren. Voortplanting en kweek: monogame holenbroeder,
die hun mooiste kleuren vooral tijdens de balts tonen.
Meestal neemt het vrouwtje de broedzorg op zich. Voor en
succesvolle kweek hebt u een flinke bak met veel
schuilplaatsen nodig. Kuitrijpe Nanochromis-vrouwtjes
zien eruit alsof ze een knikker hebben ingeslikt en
baltsen zeer intensief, net als bij Pelvicachromis. Als de
jongen vrijzwemmen nemen beide ouders deel aan de
broedzorg en de verdediging van het territorium, maar
komt het vaak tot gevechten tussen de partners, en dan
worden de eieren vaak opgegeten (dit gebeurt meestal bij
een ongunstige waterkwaliteit). In zo'n geval moet u
oppassen dat het vrouwtje niet door het mannetje wordt
doodgebeten. Voeder het goed, zodat het snel weer
kuitrijp wordt. De jongen eten dadelijk artemia-naupliën.
Anomalochromis
Verspreiding: West-Afrika
Biotoop: de soort bewoont de
meest uiteenlopende wateren, als er maar beschaduwde
plekken te vinden zijn. Aquariuminrichting: aan het schuwe karakter van deze dieren komt u goed tegemoet door ze een donker gehouden bak met dichte beplanting, wat stenen en kienhoutwortels te geven. Water: bij voorkeur zacht, iets
zuur water. Voedsel: alle gangbare soorten
levend, diepvries- en droog voer, dat echter niet te
groot voor de kleine bekjes mag zijn. Over het voedsel in
de natuur is niets bekend. Geslachtsonderscheid: lastig -
uitgegroeide vrouwtjes zijn iets kleiner en hebben
vaak meer contrast in de zwart-witte kleurpartijen.
Voortplanting en kweek: deze
vissen zijn monogame vrije vrijbroeders. Ze zetten hun
eieren vaak op een steen af. Beide ouders nemen van meet
af aan deel aan de verzorging van legsel, larven en jonge
visjes. De dieren reageren erg gevoelig op storingen, en
dan loopt het met de broedzorg vaak mis. Is eenmaal het
stadium van vrijzwemmende jongen bereikt, dan zijn het
voorbeeldige, liefdevolle ouders. De jongen eten gelijk
artemia-naupliën of fijngewreven droogvoer.
Bijzonderheid: de dieren zijn
verzot op kleine slakjes, zoals in vele aquaria voorkomen.
Steatocranus
Verspreiding: Congobekken.
Biotoop: rotsachtige
stroomversnellingen in grote rivieren. Steatocranus sp. aff.
ubanguiensis en Steatocranus sp. 'Rotauge' zijn blijkens hun gedrag waarschijnlijk
algeneters, die hun voedsel in de stroming van de
rotsen schrapen. Aquariuminrichting: een
middelgrote bak met stenen, steenplaten, kienhoutwortels
en andere schuilplaatsen. Stroming wordt op prijs
gesteld, maar is niet absoluut vereist (mits het water
zuurstofrijk is). Sterke belichting is nuttig om
algengroei op de stenen te bevorderen. De kleinblijvende
soorten weten zich best te weren en kunnen het beste
worden samengehouden met flinke scholenvissen zoals
Congozalmen. Water: weinig van belang, maar erg zuur water wordt niet verdragen. Voedsel: als groenvoereters
hebben ze Spirulinavlokvoer of dito voedertabletten
nodig, verder diepvrieskreeftjes, ook met met een hoog
aandeel van ballaststoffen. Geef in elk geval geen
muggenlarven of ander al te voedzaam voer. Geslachtsonderscheid: de
mannetjes ontwikkelen een grotere kopbult, worden groter
en hebben langer uitgetrokken vinnen. Voortplanting en kweek: monogame
holenbroeders, die vaak het verste hoekje van een
rotsformatie uitzoeken, zodat men pas na 14 dagen
onverwachts jongen ziet. De balts gaat vooral van het
vrouwtje uit. S.
aff. ubanguiensis is een van de
weinige cichliden waarbij het mannetje regelmatig de zorg
voor het legsel overneemt en de vrouwtjes het territorium
gaan verdedigen. De jongen kan men grootbrengen met
artemia-naupliën en fijngewreven droogvoer.
Pseudocrenilabrus
Verspreiding: oostelijke en
zuidelijke delen van Afrika. Biotoop: moerassen, meren,
kleine stromende wateren. Ze houden zich bij voorkeur op
in de buurt van waterplanten, of onder overhangende
oevervegetatie. Aquariuminrichting: een bak met plaatselijk dichte achtergrondbeplanting, verder losse beplanting met voldoende vrije zwemruimte. Fijnkorrelige bodem. In de plantenbossen kunnen vrouwtjes zich tijdens de broedzorg terugtrekken, zonder door de mannetjes te worden lastig gevallen. Water: weinig van belang, alleen
extreem zacht en zuur water wordt niet verdragen. Voedsel: alle gangbare soorten
voer. Om de fraaie kleuren ook op lange duur te behouden
moet men ze veel kleine kreeftjes en muggelarven geven.
Geslachtsonderscheid: mannetjes
zijn groter en beduidend bonter gekleurd, met langer
uitgetrokken vinnen. Voortplanting en kweek:
muilbroeders in het vrouwelijk geslacht, zonder
paarbinding. Het mannetje baltst tegen alle vrouwtjes in
de bak en paart met wie zich aanbiedt, maar bemoeit zich
later niet om het broed. Om een individueel vrouwtje te
veel stress te besparen moet men altijd 3 of 4 vrouwtjes
met een enkel mannetje samenhouden. De vrouwtjes van P. multicolor zijn 12 - 14 dagen met de broedzorg bezig, die
van P. nicholsi 17 - 20 dagen. Daarna laten ze de jongen uit de
bek, maar die keren daarin nog drie dagen bij gevaar
terug. Voor een ingerichte kweek moet men het vrouwtje
kort voor het eind van de 'draagtijd' in een aparte bak
zetten. De jongen kan men artemia-naupliën en fijn
droogvoer geven. . Pel. pulcher Pel. taeniatus Pel. subocellatus Pel. sp. N. squamiceps N. transvestitus N. parilus Steatocranus sp. aff. ubanguiensis A. thomasi Pseud. nicholsi Pseud. multicolor * aantal mannetjes = m en vrouwtjes = v
Kenmerken van
gezonde vissen *
De dieren moeten alert rondzwemmen, al naar gelang van
hun temperament. *
Bij het voederen moeten ze gretig op het voer afgaan. *
Als u de vis van voren bekijkt, moet de rug een rond
profiel hebben en niet met een spitse hoek op de rugvin
toelopen. * De buikpartij moet rond en niet ingevallen zijn.
|