Boeddhisme

De eerste toespraak van de Boeddha geeft een samenvatting van de boeddhistische leer. Hier volgt het begin van deze toespraak :

Het in beweging zetten van het wiel der waarheid

Aldus heb ik gehoord. Eens leefde de Boeddha in het Hertenpark bij Isipatana (de verblijfplaats der zieners), vlak bij Varanasi. Daar wendde hij zich tot de groep van vijf bedelmonnikken :
Monnikken, twee extremen moeten door iemand die het gezinsleven achter zich gelaten heeft, niet beoefend worden. Welke zijn dat ?
De overgave aan het zwelgen in zintuigelijke genoegens,
de lage, gebruikelijke weg van de gewone mensen, die onwaardig is en niets oplevert, en
de overgave aan zelf-kastijding,
die pijnlijk en onwaardig is en niets oplevert.
Door deze twee te vermijden heeft de Tathagata de middenweg verwezenlijkt; deze geeft inzicht, geeft kennis, en leidt naar kalmte, naar begrip, naar verlichting, naar nirwana. En wat is die middenweg ...?

Eenvoudigweg het edele achtvoudige pad, namelijk:
juist inzicht,
juist denken,
juist spreken,
juist handelen,
juiste vorm van levensonderhoud,
juiste inspanning,
juiste oplettendheid,
juiste meditatieve concentratie.
Dit is de middenweg die door de Tathagata verwezenlijkt is en die inzicht geeft, kennis en die leidt naar kalmte, naar begrip, naar verlichting, naar nirwana.

De edele waarheid van het lijden (dukkha) is deze :
Geboorte is lijden, ouderdom is lijden, dood is lijden, zorgen en geweeklaag, pijn, smart en wanhoop zijn lijden; de verbinding met wat onaangenaam is, is lijden; scheiding van wat aangenaam is, is lijden; niet krijgen wat je begeert is lijden. - in het kort : de vijf skandha's zijn lijden.
De edele waarheid van de oorsprong van het lijden is deze :
Het is deze dorst (begeerte) die opnieuw-bestaan en opnieuw-worden voortbrengt, verbonden met hartstochtelijke begeerte. Het vindt steeds nieuwe verrukkingen, nu eens hier, dan daar, namelijk : dorst naar zintuigelijke genoegens, dorst naar bestaan en worden, dorst naar niet-bestaan (zelf-vernietiging).
De edele waarheid van de beëindiging van het lijden is deze :
het is de volledige beëindiging van diezelfde dorst (begeerte), het opgeven ervan, het afstand doen ervan, zich ervan bevrijden, zich onthechten.
De edele waarheid van het pad dat leidt naar de beëindiging van het lijden is deze:
Het is heel simpel het achtvoudige pad, namelijk juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juiste vorm van levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste meditatieve concentratie.

"Dit is de edele waarheid van het lijden", dat was het inzicht, de kennis, de wijsheid, de wetenschap, het licht dat in mij ontstond met betrekking tot de dingen die nooit eerder gehoord waren.

Ter verduidelijking volgt een verklaring van de vreemde termen uit dit citaat :

Tathagata
betekent 'zo gekomen', 'hij die tot de waarheid is gekomen'. De term wordt gewoonlijk door de Boeddha gebruikt om naar zichzelf te verwijzen. Ook wordt de term gebruikt om naar de Boeddha's in het algemeen te verwijzen.
Nirwana
Om het lijden volledig op te heffen, moet men de belangrijkste wortel ervan, de 'dorst' of begeerte, uitroeien. Daarom staat nirwana wel bekend als 'het uitdoven van begeerte'. In de oudste teksten vindt men de volgende beschrijvingen :
Het is, o monnikken, de uitroeiing van begeerte, de uitroeiing van haat, de uitdoving van illusie.
en
O monnikken, wat er ook voor dingen zijn, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, het hoogste onder hen is onthechting. Dat wil zeggen, vrij zijn van eigenwaan, vernietiging van dorst, het ontwortelen van gehechtheid, het doorsnijden van de continuïteit, de uitdoving van begeerte, onthechting, beëindiging, nirwana.
Dukkha
betekent gewoonlijk lijden, pijn, zorgen of ellende, maar heeft ook de diepere betekenis van onvolmaaktheid, vergankelijkheid, leegte en onechtheid.
Skandha's
In de boeddhistische filosofie wordt een 'wezen', 'individu' of 'ik' gezien als de combinatie van altijd veranderende fysieke of mentale krachten, die in 5 categorieën worden verdeeld, de vijf skandha's :

Het edele achtvoudige pad

Bijna de hele leer van de Boeddha heeft op één of andere manier met het edele achtvoudige pad te maken. Drie onderdelen van dit pad betreffen ethisch gedrag dat gebaseerd is op liefde en mededogen. Dat zijn :

Drie onderdelen van het edele achtvoudige pad betreffen geestelijke discipline :

Twee onderdelen van het edele achtvoudige pad, betreffen wijsheid. Het zijn

Meditatie

De belangrijkste toespraak die de Boeddha over meditatie gaf, is de Sattipatthana-soetra, 'Hoe tot oplettendheid komen'.
Hier volgen een aantal fragmenten :

...
Hoe neemt een monnik de werking van zijn lichaam waar ?
Hierbij gaat een monnik, nadat hij naar het bos is gegaan, bij de voet van een boom zitten of op een andere open plek, met zijn benen gekruist, terwijl hij zijn rug recht houdt en zijn geest alert. Altijd oplettend ademt hij in en altijd oplettend ademt hij uit. Terwijl hij diep inademt weet hij "ik adem diep in", terwijl hij diep uitademt weet hij "ik adem diep uit". Terwijl hij kort inademt weet hij "ik adem kort in", terwijl hij kort uitademt weet hij "ik adem kort uit".
...
En verder weet een monnik wanneer hij gaat, "ik ga". Hij weet wanneer hij staat "ik sta". Hij weet wanneer hij ligt "ik lig". Of hij weet precies de positie van zijn lichaam. Zo leeft hij, de activiteiten van het lichaam, innerlijk of uiterlijk, waarnemend
...
En monnikken, hoe leeft een monnik terwijl hij zijn gevoelens waarneemt ?
Een monnik weet wanneer hij een aangenaam gevoel ervaart : "Ik ervaar een aangenaam gevoel". Wanneer hij een pijnlijk gevoel ervaart, weet hij : "Ik ervaar een pijnlijk gevoel". Wanneer hij een noch aangenaam noch pijnlijk gevoel ervaart, weet hij "Ik ervaar een noch aangenaam noch pijnlijk gevoel".
...
Hij leeft terwijl hij de factoren van ontstaan van zijn gevoelens waarneemt, of de factoren van voorbijgaan van zijn gevoelens. Of zijn oplettendheid strekt zich precies zover uit dat hij weet en gewaar is, dat gevoel bestaat. En hij leeft onthecht en grijpt zich nergens in de wereld aan vast.
...
En monnikken, hoe leeft een monnik terwijl hij zijn geest waarneemt ?
Hierbij kent de monnik de geest met begeerte als een geest met begeerte; de geest zonder begeerte als geest zonder begeerte; de geest vervuld van haat, als vervuld van haat; de geest zonder haat, als zonder haat; de geest vol onwetendheid, als vol onwetendheid; de geest zonder onwetendheid, als zonder onwetendheid; de bekrompen geest, als bekrompen geest; de afgeleide geest, als afgeleide geest; de ontwikkelde geest, als ontwikkelde geest; de onontwikkelde geest, als onontwikkelde geest;
...

De tekst vertelt dat meditatie het oefenen van oplettendheid inhoudt, oplettendheid op je houding en wat er in je omgaat. Meditatie is proberen door oplettendheid de waarheid omtrent jezelf te onderkennen. Het is het zoeken naar zelfkennis door jezelf onbevangen te observeren. Meditatie probeert de geest te zuiveren van verstoringen of onzuiverheden, zoals begeerten, haat, kwaadwillendheid, matheid, zorgen rusteloosheid en twijfel. Bovendien probeert het eigenschappen te ontwikkelen als concentratie, gewaarzijn, vreugde en gelijkmoedigheid.

(De) techniek (van meditatie, d.i. oplettendheid en scherp waarnemen) moet op onze emoties toegepast worden. Dit is vooral waardevol als het slechte emoties zijn, zoals boosheid, vrees of haat. We moeten niet denken aan het voorwerp buiten ons dat ons boos maakt, maar eenvoudig letten op het boze gevoel in ons, precies zoals het is, zonder het te veroordelen of goed te keuren. Wanneer we dit doen, worden we niet alleen zelfbewust en daardoor een beetje rijpere wezens. Er gebeurt iets heel dramatisch : we voelen ons opeens niet boos meer. Probeer het zelf, raadt de boedhist aan. Een volgende keer als iemand iets beledigends tegen je zegt neem dan alleen notitie van je reacties. Zonder te proberen je boos gevoel stop te zetten, onderzoek het alleen in een wetenschappelijke geest, zorgvuldig, opdat je het de volgende keer zult kennen. Als je in dit onderzoek slaagt, zul je niets meer vinden om te onderzoeken :! Je boosheid is verdwenen, omdat je er werkelijk in keek. Alles welbeschouwd was het een zinsbegoocheling, iets wat door diepgaand kritisch onderzoek wordt verdreven.
(D.E. Harding, De wereld en haar godsdiensten)

Als je boosheid is verdwenen, ben je gekalmeerd. Door in meditatie aandacht te schenken aan wat er werkelijk in je omgaat, zonder een moraliserende houding, zonder te willen sturen in wat zich in je geest afspeelt, word je je bewust van mechanismen in je geest, die je van te voren niet had opgemerkt. Maar terwijl je dat doet, verandert er iets in je. Je gaat dingen in een ander daglicht zien. Zonder te willen sturen, stuur je toch. Een vergissing verdwijnt op het moment dat je beseft dat je je vergist hebt. Illusies verdwijnen door bewustwording. Door scherp waar te nemen weet je beter wat er aan de hand is. Je wordt zekerder van je zaak. Het geeft een gevoel van zekerheid. Daardoor word je rustiger. En dat is het beoogde effect van meditatie : Je wordt helder en kalm.

Het boeddhisme wordt in het Westen meestal opgevat als een heilsleer, die verlossing van het lijden schenkt. Daaraan is stellig debet, dat Boeddha zelf de kern van zijn leer met het lijden in verband gebracht heeft. De vier edele waarheden leren immers hoe het lijden moet overwonnen worden. Toch zou men zich ernstig vergissen als men de opheffing van het lijden als het hoofddoel van het Boeddhisme zou zien. ... In het grote fragment ’Wat is Nirvana ?’ ... distantieert de Boeddha zich duidelijk van diegenen, die alleen de overwinning van het lijden beogen. Dat wil geenszins zeggen, dat het Boeddha onverschillig laat. Integendeel. Zijn prediking is doortrokken van de lijdensproblematiek. Overwinning op het lijden blijkt echter slechts mogelijk te zijn via de overwinning van de waan.
Het is evenwel zeer nuttig het vraagstuk van het lijden voorop te stellen. Dat heeft Boeddha dan ook altijd gedaan. Maar uiteindelijk gaat het hem steeds om de overwinning van de Waarheid (dharma).
(H. van Praag, Wijsheid en schoonheid van India)

Niet-zelf

Waar het boeddhisme zich indringend bezig houdt met wat er in de mens zelf omgaat, komt het tot de conclusie dat het zelf niet te grijpen is. Het is onmogelijk je met iets vaststaands te identificeren. Het boeddhisme onderkent dat de drang tot zelf-behoud en zelf-bescherming diepgeworteld zijn in de menselijke geest, en de oorzaak zijn van veel lijden. Om dat lijden te doorgronden, moedigt het boeddhisme aan het zelfbeeld te analyseren, en te beseffen dat het zelfbeeld de waarneming vertekent en verkleurt en dat het zelf eigenlijk niet bestaat.
In de Alagaddupama-sutta zegt de Boeddha :

"O monnikken, accepteer de theorie van een ziel wanneer daardoor geen smart, droefheid, lijden, pijn en ellende zou ontstaan.
Kennen jullie echter, o monnikken, zo'n theorie van een ziel waarbij het accepteren ervan geen smart, droefheid, lijden, pijn en ellende doet ontstaan?"
"Zeker niet, Heer."
"Inderdaad, monnikken. Ook ik ken geen theorie van een ziel die door het accepteren ervan geen smart, droefheid, lijden, pijn en ellende zou doen ontstaan."

Theoriën waarin het bestaan van het zelf of van de ziel werkelijk ontkend wordt, vind ik erg moeilijk te begrijpen. Ieder moet voor zich maar bepalen in hoeverre hij de leer van het niet-zelf kan volgen en er in mee kan gaan.

Boeddha ... reageerde bijvoorbeeld heel radicaal op de corruptie van vedische priesters. Het begrip atman, het zelf, dat de kern van het vedische geloofssysteem vormde, was de oorzaak van veel sociaal onrecht uit die tijd : het kastesysteem, de afschuwelijke onderdrukking van de onaanraakbaren en de toe-eigening van het spirituele onderricht door een bevoorrechte klasse die intussen nauwelijks spiritueel te noemen was. Als een reactie daarop sprak de Boeddha voortdurend over niet-atman (niet-zelf). Hij zei : ’Niets heeft een afzonderlijk, onafhankelijk zelf. Als je in een bloem naar het zelf van die bloem zoekt, zul je zien dat hij leeg is.’ Maar toen de boeddhisten het idee van leegte begonnen te verheerlijken, zei hij :’Verstrikt raken in het idee dat een bloem leeg is, is erger dan geloven in het zelf van de bloem’.
De Boeddha onderwees geen absolute leer. Hij leerde over het niet-zelf in de context van zijn tijd. Het was bedoeld als een hulpmiddel voor meditatie. Maar veel boeddhisten zijn sindsdien geobsedeerd geraakt door het idee van niet-zelf. Ze verwarren het doel en de middelen, de boot en de kust, de vinger die naar de maan wijst en de maan zelf. Er is iets dat belangrijker is dan het idee van niet-zelf en dat is vrij zijn van ideeën van zelf en van niet-zelf.
(Thich Nhat Hanh, Boeddha leeft, Christus leeft)


Wedergeboorte

Aanvankelijk denken we bij reïncarnatie misschien aan een ziel die een lichaam binnengaat. Het lichaam wordt gezien als vergankelijk en de ziel als onvergankelijk en wanneer we het ene lichaam achter ons laten, gaan we verder in een ander. Het zal jullie misschien verbazen om te horen dat boeddhisten in Azié niet veel op hebben met reïncarnatie. Ze willen dat het rad van geboorte en dood ophoudt, omdat ze weten dat het eindeloos lijden betekent. Als volksgeloof wordt reïncarnatie zonder nadenken letterlijk genomen, maar naarmate we de leer beter begrijpen en onze beoefening zich verdiept, maakt het idee voor een onsterfelijke ziel plaats voor een andere opvatting ... Als we de leer van Boeddha bestuderen en onze geest observeren, zullen we gaan zien dat er niets blijvends is in wat we ons ’zelf’ noemen. De Boeddha leerde dat een zogenaamde ’persoon’ in feite niet meer is dan vijf elementen (skandha’s) die zich voor een bepaalde tijd met elkaatr verbinden : lichaam, gevoelens, waarnemingen, gemoedstoestanden en bewustzijn. Deze vijf elementen veranderen voortdurend. Geen element blijft langer dan een seconde hetzelfde.
Niet alleen het lichaam is vergankelijk, maar ook onze zogenaamde ziel. Die bestaat ook slechts uit elementen gevoelens, waarnemingen, gemoedstoestanden en bewustzijn. ... Het idee van reïncarnatie is er ergens nog wel, maar ons inzicht is veranderd. We zien dar er alleen maar snel veranderende elementen zijn.
In het boeddhisme spreken we eigenlijk niet over ’reïncarnatie’ maar over ’wedergeboorte’. Maar ook dat woord is problematisch. Volgens de leer van Boeddha bestaat er ook niet zoiets als ’geboorte’. Geboorte betekent gewoonlijk dat je van niets iets wordt en dood betekent gewoonlijk dat je van iets niets wordt. Maar als we de dingen om ons heen observeren, ontdekken we dat niets uit niets ontstaat. Voordat een bloem zogenaamd geboren wordt, bestaat zij al in andere vormen - wolken, zonneschijn, zaden, aarde en nog veel meer. In plaats van geboorte en wedergeboorte , zijn ’manifesteren’ (vijnapti) en ’opnieuw manifesteren’ preciezere benamingen. De zogenaamde geboortedag van de bloem is eigenlijk de dag dat zij opnieuw verschijnt. Zij is hier al in andere verschijningsvormen geweest en nu heeft ze haar krachten verzameld om opnieuw zichtbaar te worden. Manifestatie wil zeggen dat de samenstellende elementen er altijd in de een of andere vorm geweest zijn en dat de bloem nu in staat is zich als zodanig te manifesteren, omdat alle noodzakelijke voorwaarden daartoe vervuld zijn. Als iets zich gemanifesteerd heeft, zeggen we gewoonlijk dat het geboren is, maar dat is eigenlijk niet correct. Als de nodige voorwaarden niet meer vervuld zijn en de bloem zich niet meer manifesteert, zeggen we dat ze gestorven is, maar ook dat is niet juist. Haar samenstellende delen hebben zich alleen maar omgevormd tot andere elementen, zoals compost en aarde. We moeten begrippen als geboorte en dood, bestaan en niet-bestaan overstijgen. De werkelijkheid is vrij van alle begrippen.
(Thich Nhat Hanh, Boeddha leeft, Christus leeft)

Zelf oordelen

Juist het zelfstandig en in alle vrijheid onderzoeken en ervaren is een kenmerk voor het Boeddhisme. De Kalama Sutta verhaalt het bezoek van Boeddha aan de stam van de Kalama's, die in de buurt van Kesaputta leefde. De Kalama's vertellen hem :

Bepaalde heilige brahmaanse mannen komen naar Kesaputta om te onderwijzen. Ze spotten met wat anderen ons leerden. Die anderen komen op hun beurt weer hetzelfde doen. Als gevolg zijn we vol twijfel wanneer we naar heilige mannen en priesters luisteren. We twijfelen eraan wie nu eigenlijk de waarheid spreekt en wie ons wat probeert wijs te maken.

De Boeddha antwoordt :

Ja, Kalama's, het is goed te begrijpen dat jullie twijfelen en het niet meer weten. Maar laat je niet misleiden door verslagen en geruchten, of wat beweerd wordt op gezag van jullie traditionele leerstellingen. Geloof degenen niet die vaardig zijn in het aanhalen van gedeelten uit de heilige schrifturen en evenmin de gevolgtrekkingen die ze daaruit maken. Laat je niet beetnemen door hun beschouwingen van de theorie of het blinde vertrouwen en respect dat je hebt voor een heilige man of priester. Pas als je voor jezelf weet dat het waar is, moet je iets geloven. Als je weet dat het goede leerstellingen zijn, die geen kwaad veroorzaken en die door wijze mensen onderschreven zijn en die positieve resultaten en geluk opleveren, dan pas, Kalama's, kun je ze aanvaarden en je er aan houden.

Godsbegrip in het boeddhisme

Het boeddhisme kent geen God.

Joseph M. Kitagawa schrijft :
Boeddha maakte geen aanspraak op goddelijkheid. Evenmin stelde hij vertrouwen in de hulp van enige god; hierom is het boeddhisme atheïstisch genoemd. Het verwerpt echter niet zozeer het theïsme, maar het staat onverschillig ten opzichte van de traditionele goden, als middelen om verlossing te bewerkstelligen. Een boeddhist kan tot de goden van zijn land bidden ...
(uit : Grote godsdiensten, National Geographic Society/De Haan)

De Tibetaanse lama Tarthang Tulku schrijft :
"In de boeddhistische visie worden ... positieve krachten gekarakteriseerd als goden : elke godheid belichaamt een leer, een kwaliteit van ervaren die onverbrekelijk verbonden is met verlichting. De goden ... zijn niet een of andere persoonlijkheid, maar manifestaties van een natuurlijk geluk en van een transformatieve kracht die in lichaam , adem en geest aanwezig is."
(uit : Verborgen Vrijheid - hoofdstuk 'Genezen door mantra', Karnak)

Nirvana

De uiteindelijke staat van zijn, waar de mens naartoe groeit, is nauwelijks onder woorden te brengen; elke beschrijving schiet als het ware tekort. Over deze toestand - in het boeddhisme het nirvana genoemd - bestaat veel verwarring :

Het inzicht-aspect speelt een grote rol in de Indische mystiek. Inzicht komt daar voor onder verschillende benamingen : samadhi, bodhi, moksa, nirvana. Ook spreekt men van geestelijke verlichting, verheldering van het brein, doorbraak van het derde oog en illuminatie.
De diepzinnigste analyse van het nirvana vinden we in een lezing van Boeddha :

Wat is Nirvana ?

Hierop zei Mahamati tot de Verlichte : ”Wilt u ons spreken over Nirvana ?”
Daarop antwoordde de Verlichte : ”Deze term, Nirvana, wordt door verschillende mensen in verschillende betekenissen gebruikt. Deze mensen kunnen in vier groepen verdeeld worden :
mensen die lijden of die het lijden vrezen, en die denken over het Nirvana;
filosofen, die trachten het Nirvana nauwkeurig te onderscheiden en omschrijven;
leerlingen van wijzen, die het Nirvana alleen nog maar met zichzelf en hun eigen verlossing in verband kunnen brengen;
en, tenslotte, is er het Nirvana van de Boeddha’s.
Zij die lijden en het lijden vrezen, denken aan het Nirvana als een verlossing en als een beloning. Zij verbeelden zich dat Nirvana bestaat uit de toekomstige vernietiging van de zintuigen en de zintuigelijke ervaring. Maar zij beseffen niet, dat de Universele Geest en Nirvana één zijn en dat deze wereld van geboorte en sterven verbonden is met Nirvana. De onwetenden praten over verschillende soorten verlossing in plaats van te mediteren over de onvoorstelbaarheid van het Nirvana. Zij kennen of begrijpen de leringen van de Nieuwe Mens niet. Zij klampen zich vast aan een opvatting van Nirvana als niet-zintuiglijk, en houden zodoende het wiel van leven en dood in beweging.
Wat betreft de Nirvana's der filosofen : deze bestaan alleen in hun verbeelding.
Sommige filosofen beschouwen Nirvana de opheffing van het bewuste leven, een toestand die zou ontstaan als de mens en zijn wereld ophouden te bestaan, zoals b.v. na de dood.
Anderen zien in het Nirvana een innerlijke toestand, die zich manifesteert als de uiterste onverschilligheid ten aanzien van de objectieve wereld en haar vergankelijkheid.
Er zijn er, die het Nirvana als een toestand beschouwen, waar alle herinneringen of besef van verleden en heden is opgehouden : net als een lamp die uitgedoofd is, een zaad dat begraven is, of een vuur dat geblust is. Zij menen dat dan de grond van alle bestaan is verdwenen, alles is tot niets herleid, zodat alle onderscheidingen ook verdwenen zijn.
Maar dit is helemaal geen Nirvana, want Nirvana is niet alleen vernietiging en leegte.
Dan zijn er de filosofen, die de bevrijding verklaren als ware het niets dan het ophouden van alle onderscheidingen, zoals wanneer de wind ophoudt met blazen; of zoals wanneer iemand door zelfinspanning bevrijd raakt van het dualistisch gezichtspunt van de kenner en het gekende; of zoals wanneer iemand bevrijd raakt van de begrippen vergankelijkheid en onvergankelijkheid; of zoals wanneer iemand bevrijd raakt van de begrippen goed en kwaad; of zoals wanneer iemand de hartstocht overwint door middel van kennis; voor hen allen is Nirvana bevrijding.
Sommigen zien in de verschijnselen (”levensvormen”) de oorzaak van het lijden, en zoeken hun geluk in een wereld zonder verschijnselen (”zonder levensvormen”).
Sommigen zien de eeuwigheid in de onvergankelijke wisselwerking tussen het bijzondere en het algemene, of wel het innerlijk en het uiterlijk der dingen, en beschouwen deze eeuwige wisselwerking als Nirvana.
Anderen zien de eeuwigheid der dingen in de opvatting van het Nirvana als het opgaan van de individuele ziel in de Wereldziel, of zij zien alle dingen als manifestaties van de werking van de Levensbron, waarin alles weer terugkeert.
En sommigen beweren - hoe dwaas het ook moge zijn - dat er twee oerdingen zijn : Stof en Geest, die verschillend op elkaar reageren, zodat alle dingen ontstaan uit de transformatie der eigenschappen.
Sommigen denken dat de wereld is ontstaan uit de werking en wisselwerking van oerkrachten, zodat behalve deze krachten geen andere oorzakelijke verklaring voor de wereld meer nodig is.
Anderen denken dat Içvara (God) de vrije schepper is van alle dingen.
Doordat zij hechten aan deze dwaze opvattingen, komen zij niet tot ontwaken, en beschouwen Nirvana juist als het inzicht dat geen ontwaken is.
Sommigen verbeelden zich dat Nirvana er is, als de eigen aard der dingen zich ongehinderd manifesteren kan, zoals bij de kleurige vederbos van de pauw, de vele facetten van kostbare kristallen of de subtiele scherpte van een doorn.
Sommigen beschouwen het Zijn als Nirvana, anderen het Niet-Zijn, terwijl weer anderen menen, dat Nirvana identiek is met de totaliteit van alle dingen. Sommigen denken dat de tijd de schepper is en dat het ontstaan van de wereld afhankelijk is van de tijd, zij menen dat Nirvana bestaat in de herkenning van de tijd als Nirvana.
Sommigen geloven dat er een Nirvana zal zijn als ”de vijf en twintig waarheden” algemeen aanvaard worden, of als de koning ”de zes deugden” in acht neemt, en sommige gelovigen denken, dat het Nirvana het bereiken van het paradijs is.
Deze opvattingen die om beurten door de filosofen met hun verschillende redeneringen worden naar voren gebracht, zijn niet in overeenstemming met de logica, noch zijn ze aanvaardbaar voor de wijze. Ze beschouwen allen het Nirvana vanuit een dualistisch oogpunt en in causaliteitsverband.
Door deze onderscheidingen trachten de filosofen zich het Nirvana in te denken, maar als er geen ontstaan en vergaan meer is, hoe kan er dan wel nog onderscheiding zijn ?
Elke filosoof gaat uit van zijn eigen handleiding en bouwt zo zijn inzicht op. Maar zo zondigt hij tegen de waarheid, want de waarheid is niet wat hij denkt dat ze is. Het enig gevolg is, dat hij zijn eigen brein verwart en steeds meer in de war raakt. Want Nirvana kan niet gevonden worden door denken alleen. En hoe meer hij zelf verward raakt, des te meer brengt hij anderen in de war.
Wat nu het begrip Nirvana betreft, zoals leerlingen en leraren het huldigen, die nog hechten aan hun ik-ziel, en die het trachten te vinden door zelf in de afzondering te gaan : hun begrip van Nirvana is een eeuwigheid van zaligheid, zoals de zaligheid van hen die Samadhi hebben - voor hen zelf.
Zij zien in dat de wereld uit de Geest voortkomt, en dat alle onderscheidingen uit de Geest voortkomen.
Daarom breken zij hun maatschappelijk betrekkingen af en verrichten verschillende geestelijke oefeningen en zoeken in de afzondering zelf-verweerkelijking van de Edele Wijsheid door middel van zelfverdieping en inspanning. Zij doorlopen alle de zes stadia en bereiken de zaligheid van Samadhi, maar daar ze nog met hun eigen heil bezig zijn, bereiken ze niet de ”bekering” in de diepste lagen van hun bewustzijn, zij raken niet bevrijd van het rationele denken en verzamelen energieën, die tot gewoontevorming leiden. Doordat zij zich hechten aan de zaligheid van Samadhi, bereiken zij hun eigen Nirvana, maar dat is niet het Nirvana van de Nieuwe Mens. Doordat zij hechten aan het Nirvana, staan zij nog in de stroom der vergankelijkheid, zij moeten terugkeren naar deze wereld van leven en dood.”
Hierop zei Mahamati tot de Verlichte : ”Als de Bodhisattva’s hun loon opgeven ter wille van de bevrijding van alle mensen, worden zij geestelijk één met alle bezielde levens.
Nu mogen zij wel gelouterd zijn, maar in anderen blijft dan toch het onopgeloste kwaad en het onverwerkte karma. Ik bid U, Verlichte, ons te vertellen hoe de Bodhisattva’s de zekerheid verkrijgen dat het Nirvana er is. En wat is het Nirvana van de Bodhisattva’s ?”
Hierop antwoordde de Verlichte : ”Mahamati, deze zekerheid is niet de zekerheid van wiskunde of logica; het is niet het hoofd dat zeker is, maar het hart.
De zekerheid van de Bodhisattva is het gevolg van een nieuw inzicht, dat zich ontvouwt als het hart bevrijd is van hartstocht, als het hoofd is bevrijd van vooroordeel, als alle ervaringen hun ik-karakter verloren hebben. Als het sterfelijk brein niet langer onderscheidingen maakt, is er geen dorst meer naar het leven, geen sexuele begeerte, geen dorst naar kennis, zelfs geen verlangen meer naar een eeuwig leven.
Door het verdwijnen van deze viervoudige begeerte, wordt er ook geen gewoonte-energie meer opgestapeld, wordt het gelaat van de Universele Geest in alle zuiverheid zichtbaar en de Bodhisattva bereikt zelfverwerkelijking van de Edele Wijsheid, dat is de zekerheid in het hart van het Nirvana.
Er zijn Bodhisattva’s hier en elders, die oprecht gewijd zijn aan de zending van de Bodhisattva en die toch niet volkomen de zaligheid van Samadhi en de vrede van Nirvana voor henzelf kunnen vergeten.
Terwille van deze leerlingen wordt de leer onthuld van het Nirvana, waarvan geen substraat meer is overgebleven. Zij krijgen een inzicht in de zending van de Bodhisattva voor alle wezens, opdat zij het Nirvana niet langer met zichzelf in verband brengen. De Boeddha’s der Hervorming verkondigen een leer van het Nirvana, waarbij alles wordt aanvaard zoals het is, en dat zowel de schuchteren als de zelfzuchtigen bemoedigt.
Ten einde deze leerlingen te helpen niet meer aan zichzelf te denken en hen aan te moedigen tot een dieper begrip en grotere ernst en toewijding voor anderen, krijgen zij de zekerheid van de toekomst door de ondersteunende kracht van de Boeddha’s der Hervorming, die zelf worden geïnspireerd door de Boeddha, die tot Waarheid geworden is. De Waarheid die de Edele Wijsheid omvat, is het gebied van de Boeddha, die tot Waarheid geworden is. Deze Waarheids-Boeddha openbaart het Andere Weten aan de Bodhisattva’s van het zevende en achtste stadium, en hij wijst hun het Pad, dat zij volgen moeten.
In de volmaakte zelfverwerkelijking van de Edele Wijsheid, die volgt op de oplossing van de laatste sporen van individualiteit in de wil van de Bodhisattva, leeft hij niet langer zichzelf, maar het universeel geworden leven van de Nieuwe Mens in al zijn vormen. In deze toestand van volmaakte zelfverwerkelijking van de Edele Wijsheid, realiseert de Bodhisattva, dat er voor Boeddha’s geen eigen Nirvana bestaat.
De dood van een Boeddha, het grote Paranirvana, is noch vernietiging noch dood, anders zou het ook geboorte en voortbestaan zijn. Evenmin is het een verdwijnen of verzaken, noch een bereiken of niet-bereiken; noch is het zinvol of zinloos, want er bestaat geen eigen Nirvana voor de Boeddha’s.
Het Nirvana van de Nieuwe Mens is daar, waar er niets anders meer is, dan door wat van de geest van zichzelf ervaren wordt. Doordat het ik-besef doorzien is, worden niet langer de dualismen van de onderscheiding gekoesterd. Er is geen dorst noch herinneren meer, er is geen gehechtheid meer voor uiterlijke dingen.
Nirvana is daar waar het denken met al zijn onderscheidingen, gehechtheden, afkeur en egoïsme voorgoed verdwenen is. Nirvana is daar waar men niet langer gebruik maakt van de regels der logica, omdat ze statisch gebleken zijn en dus de dynamiek van het leven niet vatten kunnen. Nirvana is daar waar zelfs het begrip waarheid met onverschilligheid beschouwd wordt, omdat het verwarring veroorzaakt.
Nirvana is daar waar door de bekering tot in de diepste lagen van het bewustzijn, men volledig in gaat in de zelf-verwerkelijking van de Edele Wijsheid - dat is het Nirvana van de Nieuwe Mens.
Nirvana is daar waar de stadia van de Bodhisattva de één na de ander overschreden zijn, waar de steunende kracht van de Boeddha’s de Bodhisattva’s in de zaligheid van Samadhi versterkt; waar deernis voor anderen alle zelfzuchtige gedachten te buiten gaat; waar het stadium van de Nieuwe Mens tenslotte verwerkelijkt wordt.
Nirvana is het rijk van de Waarheids-Boeddha; is daar waar de Edele Wijsheid van de Verlichting zich uit in Volmaakte Liefde voor allen; Nirvana is daar waar de manifestatie van Volmaakte Liefde zich uit in de Edele Wijsheid voor de Verlichting van allen, - daar, inderdaad, is Nirvana ! Er zijn twee klassen van diegenen, die het Nirvana van de Nieuwe Mens niet ingaan : er zijn er die afstand gedaan hebben van de idealen van de Bodhisattva’s, omdat deze - naar zij bewerern - niet in overeenstemming zijn met de soetra’s, de zedelijke voorschriften of de vooruitgang. Dan zijn er de echte Bodhisattva’s die op grond van hun oorspronkelijk gedane beloften, afgelged ten bate van alle wezens, zeggen : ”Zolang zij het Nirvana niet bereiken, zal ik het zelf ook niet bereiken”, en die vrijwillig buiten het Nirvana blijven.
Maar door de wil van de Nieuwe Mens zal geen enkel wezen tenslotte buiten het Nirvana blijven. Op zekere dag zal elk wezen en iedereen beïnvoed worden door de wijsheid en liefde van de Nieuwe Mens der Hervorming en de nodige verdiensten verzamelen en alle stadia doorlopen.
Maar als ze dit slechts zouden inzien, zouden ze reeds in het Nirvana van de Nieuwe Mens zijn, want in de Edele Wijsheid, zijn alle dingen in het Nirvana vanaf den beginne.”

We zien dus dat er drie dwalingen t.a.v. het nirvana bestaan. Men kan het negatief, dualistisch en egocentrisch beschouwen. Een negatieve visie ziet het nirvana alleen als opheffing van het lijden, maar nirvana is in wezen positief. De geleerden en filosofen blijven gevangen in hun dualisme, dat komt omdat ze met hun hoofd i.p.v. met hun hart denken. Dan zijn er zoekers die het nirvana wel beleven, mar het toch te veel met eigen verlossing in verband brengen. Ook zij blijven daardoor gebonden aan dit bestaan. Tenslotte beschrijft hij nirvana als een toestand, die geheel buiten de tegenstellingen staat, van liefde vol is en alle wezens ten goede komt. Dan blijkt uiteindelijk, dat van begin af aan, alles in het nirvana besloten lag.

(Prof. H. van Praag, De acht wegen der mystiek)

De stoepa in Kathmandu, Nepal

Tipitaka

Drie maanden na het parinirwana (de dood) van de Boeddha werd er door zijn meest trouwe volgelingen een bijeenkomst gehouden. Daar werden alle leringen, toespraken en regels, zoals zij herinnerd werden, gereciteerd, als authentiek gekenmerkt en in vijf verzamelingen ondergebracht. Dit werden de Nikaya’s genoemd en samen vormden zij de Tipitaka, de ’drie manden’. Deze verzamelingen werden toevertrouwd aan de Ouderen of Thera’s en de leerlingen die hen opvolgden, om de mondelinge overdracht voor toekomstige generaties zeker te kunnen stellen.
Om een ononderbroken en authentieke mondelinge overdracht te kunnen garanderen is regelmatig en systematisch reciteren noodzakelijk. Dit was niet de daad van een enkeling, maar van een groep monniken. Het doel van deze manier van collectief reciteren was om de teksten intact te houden, zonder veranderingen, aanpassingen of interpretaties. Als één persoon van de groep een woord vergeten was, dan kon een ander het zich wel herinneren; of wanneer iemand een woord of zin veranderde, toevoegde of wegliet, kon de ander hem corrigeren. Op die manier werd gehoopt dat niets veranderd, aangepast, toegevoegd of weggelaten zou worden. De teksten die door een ononderbroken mondelinge traditie werden overgeleverd, werden als betrouwbaarder en authentieker beschouwd dan een verslag van de leringen die door één enkele persoon, vele jaren na de dood van diegene die ze uitsprak, werden opgeschreven. De leer van de Boeddha werd pas vier eeuwen na zijn dood, tijdens de bijeenkomst die in de eerste eeuw voor Chr. in Ceylon werd gehouden, opgeschreven. Tot die tijd was de hele Tipitaka in een ononderbroken mondelinge traditie, van generatie op generatie overgedragen.
De oorspronkelijke teksten zijn in het Pali, een zachte, melodieuze en vloeiende taal. De voortdurende herhalingen en het gebruik van onderverdelingen helen niet alleen bij het herinneren, wat noodzakelijk is voor een mondelinge traditie, maar geven de teksten ook hun poëtische schoonheid en charme. Zij maken gebruik van dichterlijke ritmen en hebben de sierlijkheid van poëzie.
(Walpola Rahula, Wat de Boeddha onderwees)

In de huidige tijd, waarin het schrift zo’n belangrijke plaats heeft ingenomen, is het nauwelijks meer voor te stellen dat mondelinge overlevering betrouwbaarder wordt geacht dan schriftelijke.

Literatuurverwijzing

Wat de Boeddha onderwees
door Walpola Rahula
Uitgeverij Karnak
Elementen van Boeddhisme
door John Snelling
Strengholt
Mediteren - waarom en hoe
Klassieke Boeddhistische teksten
door dr. Tonny Kurpershoek-Scherft
Uitgeverij Ankh-Hermes
De lege spiegel
door Janwillem van de Wetering
De Driehoek
Leven in evenwicht
door Tarthang Tulku
Uitgeverij Dharma
Iedere stap is vrede
door Thich Nhat Hanh
Uitgeverij Ankh-Hermes
Zen en de kunst van het studeren
door Rients R. Ritskes
De Driehoek
Meditatie
door Sogyal Rinpoche
Servire
Grote godsdiensten
door Merle Severy e.a.
National Geographic Society/
De Haan
Grondleggers van het geloof
door H.L. Bech e.a.
Prometheus

Verder naar ’Valkuilen van het boeddhisme’

Terug naar de navigatie-pagina

Terug naar welkom-pagina