Zoeken naar houvast

door logisch redeneren

  Julia-fractal

Op deze pagina probeer ik de grenzen van het menselijk weten te verkennen.
De rode draad die door deze pagina loopt, is de vraag

Hoe kun je vaststellen of iets wel of niet waar is ?
 


Wat is waar ?

Empirische waarheid

Neem de bewering "een voorwerp valt altijd naar beneden".

Een luchtballon valt niet naar beneden.
Een pluisje boven een warme kachel valt niet naar beneden.
De maan valt niet naar beneden.

Kortom : de bewering "een voorwerp valt altijd naar beneden" is niet waar.

En toch weten we :
"Normaliter, een aantal uitzonderingen daargelaten, vallen voorwerpen die je uit je handen laat glippen, naar beneden".

Waarom denken we dat we dat weten ?

We hebben nog nooit anders meegemaakt.
Dat is wat je noemt "empirische wetenschap" :
Je hebt nog nooit anders meegemaakt.
Je hebt het zo vaak meegemaakt, dat je je niet kunt voorstellen, dat het de volgende keer anders zal zijn.
Je laat een schaar los, en de veronderstelling, dat die schaar dit keer zou blijven zweven, zou je absurd vinden.

Wiskundige waarheid

En nu de bewering :
"Als een driehoek rechthoekig is, dan is de som van de kwadraten van de rechthoekszijden gelijk aan het kwadraat van de schuine zijde".
De klassieke stelling van Pythagoras.
Ook wel kortweg geformuleerd als a2 + b2 = c2.

Hoe weet je dat die bewering waar is ?

Er bestaat een wiskundig bewijs voor.
Uitgaande van een aantal aanname's (axioma's), die heel natuurlijk en vanzelfsprekend lijken, kunnen we beredeneren dat het waar moet zijn.
Die aanname's op zich kun je in twijfel trekken, en als intellectueel hoogstandje is dat misschien ook wel leuk, maar in de praktijk 'weet' iedereen dat de stelling van Pythagoras klopt.

Historische waarheid

Wat te denken van "Hannibal trok met olifanten over de Alpen" ?

Waarom denken we dat dat waar is ?

De meeste van ons hebben het verhaal op school gehoord, waar het als waarheid werd gepresenteerd. Daarom denken we dat het waar is.
Een enkeling heeft misschien de moeite genomen om Latijn te leren, de musea en archieven in te duiken, en na te gaan welke historische bronnen er nu nog voorhanden zijn, hoe oud die zijn, en wat het vermoedelijke waarheidsgehalte van die bronnen is.

Theorievorming

Waarom denkt men dat de evolutietheorie op waarheid berust ?

De ontwikkeling van de levensvormen in de prehistorie kan niet exact gereconstrueerd worden, maar de overblijfselen uit het verre verleden - de fossielen - wijzen op een geleidelijke verandering van alle levensvormen. Bovendien hebben biologen bij dieren en planten mutaties waargenomen in de huidige tijd.

Een theorie, waarin zo veel mogelijke verschijnselen kunnen worden ondergebracht, geeft de mensen vaak het gevoel dat zij 'weten dat de theorie waar is'.

Statistische analyse

Soms menen wij dat iets waar is enkel op grond van statistieken. Op grond van verkiezingsprognoses denken wij bijvoorbeeld te weten dat een bepaalde partij zal gaan winnen bij de volgende verkiezingen. De statistische methode gaat in veel gevallen vooraf aan het 'empirische weten' en aan theorievorming.

Zelfkennis

Iemand maakt een opmerking en daardoor schiet je in de lach. Je weet dan dat je door die opmerking in de lach schoot. Dat weten is geen empirische, geen wiskundige, historische of theoretische kennis. Je weet het gewoon, omdat je waarnemer bent van je eigen gedachten en gevoelens.

Ik noem dit zelfkennis.

Het tegenovergestelde, onwetendheid over je eigen emotionele reacties, komt ook vaak voor. Je staat bijvoorbeeld met het verkeerde been uit bed, en je hebt er geen idee van waarom je in een slecht humeur verkeert.

Helderziendheid

Nu overkomt je het volgende (in de tijd dat militaire dienst nog verplicht was) :
"Je bent voor militaire dienst gekeurd, en je hebt bericht gehad dat je niet bent afgekeurd. Te zijner tijd zul je een oproep ontvangen. Plotseling dringt het tot je door : 'Ik zal niet in militaire dienst hoeven'. Deze gedachte gaat gepaard met een ongekend gevoel van zekerheid. Je voelt 'Dit is waar. Hier hoef ik niet aan te twijfelen. Dit is zeker. Ik hoef niet in militaire dienst'. Je controleert deze gedachte, en begrijpt dat dit eigenlijk niet kan. Logischerwijs moet je ervan uitgaan dat je in militaire dienst moet, hoewel je zeker 'weet' dat je niet zal hoeven. Een paar maanden later krijg je bericht dat de lichting te groot was, en je, omdat je een herkeuring had, niet in dienst hoeft."

Bestaat zo iets ?

Er zijn boeken vol geschreven met verhalen waarin mensen vertelden dat ze iets zagen of wisten dat later in de toekomst werkelijk plaats zou vinden. En die mensen waren vaak psychisch evenwichtige mensen, zeker niet uit op sensatie, of op aandacht of op publiciteit.

Prof. H. van Praag schrijft in zijn boek 'Denken als spel' :
Uit duizenden experimenten in parapsychologische laboratoria is komen vast te staan, dat er paranormale waarnemingen zijn, die het "normale" in ruimte en tijd transcenderen.

Empirisch zou je dus moeten zeggen :
De bewering "Mensen kunnen soms in de toekomst schouwen" is juist.

Waarom geloven veel mensen zo'n bewering toch niet ?

De reden is : "Het past niet in hun wereldbeeld."

Algemene waarheid en persoonlijk weten

We komen hier op het verschil tussen 'algemene waarheid' en 'persoonlijke waarheid'.

Een algemene waarheid zou door iedereen vast te stellen moeten zijn.
Bij een persoonlijke waarheid, heb je iets ervaren, waardoor jij weet dat het zo is. Maar je hebt er geen voor anderen controleerbare, onomstotelijke bewijzen voor.

Je wist zelf dat je niet in militaire dienst zou hoeven, je ervoer dit als een 'van te voren weten', maar de buitenwacht zou het een fantasie of een gok kunnen noemen, en je zou geen middelen hebben om aan te tonen dat je dit keer iets van te voren weet.

Een kenmerk van psychische gezondheid is dat je voortdurend afweegt of je persoonlijke overtuigingen wel met de realiteit in overeenstemming zijn.

Kun je er zeker van zijn dat iets waar is ?

We zijn nu acht redenen tegengekomen, waardoor we denken iets te weten :
Het verrassende is, dat geen van deze kennisbronnen werkelijk houvast bieden.

Een empirische bewijs is slechts gebaseerd op een eindig aantal waarnemingen. Het is en blijft mogelijk dat uitzonderingen over het hoofd gezien zijn.
Er zijn situaties denkbaar waarin een voorwerp niet valt, maar blijft zweven, bijvoorbeeld tengevolge van een magneet.

Er is in de wiskunde geëxperimenteerd met andere axioma-stelsels. Dat heeft heel verrassende resultaten opgeleverd. Er zijn beweringen waarvan je niet kunt zeggen of ze waar of onwaar zijn, maar waarvan de waarheid afhangt van de gekozen axioma's.

En hoe staat het met de juistheid van historische bronnen ?
Ook deze geven in het algemeen maar beperkte informatie. Daar komt bij dat ze meestal subjectief zijn, geschreven vanuit het gezichtspunt van een machthebber, of vanuit een nationaal gevoel, of vanuit een ideologie. Bij hoeveel bronnen bestaat niet het vermoeden dat ermee geknoeid is ?

Hoe elegant bepaalde theoriën ook zijn, bij nauwkeurige observaties blijken ze vaak niet alle verschijnselen te kunnen verklaren. Vandaar dat in het verleden verscheidene theoriën bijgesteld moesten worden, of moesten worden vervangen door een nieuwe. Een bekend voorbeeld is de theorie over de beweging van (hemel)lichamen van Isaac Newton, die in de eerste helft van de 20-ste eeuw vervangen werd door de algemene relativiteitstheorie.

Gezien de vele voorspellingen die niet zijn uitgekomen, en andere twijfelachtige theoriën die gebaseerd zouden zijn op een paranormale ingeving, is het de juiste houding om kritisch te zijn tegenover iemand die ergens van overtuigd is op grond van een paranormale waarneming.

Hoewel men daar over het algemeen niet bij stil staat, is het toch zo dat wij heel veel dingen die wij menen te weten, in feite niet weten, maar alleen geloven omdat een autoriteit het ooit heeft gezegd. Die autoriteit kan een schoolmeester zijn, of je vader of moeder, of de krant, of wie of wat dan ook.


Inzien dat je iets niet weet

Niet speculeren

In zijn korte verhaal "Is de maan bewoond ? Is zij bereikbaar ?" schrijft Godfried Bomans :

Is de maan bewoond ? Vanaf de vroegste tijden heeft die vraag de mensheid beziggehouden. Natuurlijk was het weer Aristoteles, die het eerst een antwoord gaf, met zijn beroemd : ’Noèmi oú,’ dit is : ’wij weten het niet’. Nu, zo kan ik het ook. Na Aristoteles is er eerst een hele tijd niets. Dan komt, omstreeks 175 na Chr., de wijsgeer Palullus naar voren. Palullus heeft zich, op zijn landgoed te Syracuse, niet minder dan vijf jaar met die vraag beziggehouden. Volgens sommige van zijn leerlingen moet hij ’ja’ gezegd hebben, volgens andere (onder wie de heremiet Benno) moet hij ’nee’ gezegd hebben. Er ontstond een vreselijke strijd onder de leerlingen, tot de beslissing werd overgelaten aan de wijsgeer Roldanus († 243), die na lang nadenken toegaf, dat er voor beide standpunten iets te zeggen viel. Dan gebeurt er weer een hele tijd niets, tot opeens Porcus komt opzetten.
Porcus (volgens anderen ook Lorcus genoemd) was monnik op de berg Athos en heeft zich jarenlang met het maanvraagstuk beziggehouden, met geen andere hulpmiddelen toegerust dan een horlogeglas en voorts een naald, die hij door wrijven tegen de mouw van zijn habijt wist magnetisch te maken. Met deze betrekkelijk eenvoudige instrumenten verrichte hij op het dak van het klooster tal van waarnemingen, die alle op niets uitliepen. Na zeven jaar verbood de abt, die reeds lang zijn werkzaamheden met wantrouwen had gadegeslagen, de voortzetting der proefnemingen en gelastte Porcus (of Lorcus) zich verder als tuinman met het wieden van de kloosterhof te occuperen in welke functie hij in het jaar 703 verbitterd stierf onder de uitroep  ’En toch is het zo!’ Wat Porcus (of Lorcus) hiermee bedoeld kan hebben, dat weten wij niet. ....
( Uit : Godfried Bomans, Capriolen )

Toch was in de tijd van voor de ruimtevaart "Wij weten het niet" het enige zinnige dat over de vraag "Is de maan bewoond ?" gezegd kon worden.
En hoe vaak fantaseert de mens erop los, suggererend dat wat hij fantaseert waar is. In de reclame komt dat veel voor. Wat een onzin wordt over de mensheid uitgestort.


Wat is weten ?

In het boek ”De wijsheidparadox” van hersenspecialist Elkhonon Goldberg kwam ik de volgende passages tegen :

Als klinische neuropsycholoog en cognitieve neurowetenschapper heb ik vijfendertig jaar lang de effecten van diverse vormen van hersenbeschadiging op de menselijke geest bestudeerd, en ik heb honderden CT-scans en MRI-scans gezien en geanalyseerd.
...
Tot voor kort beschouwden de meeste mensen de geest niet als een deel van het biologische wezen dat in aanmerking komt voor medisch en paramedisch onderzoek. Dat is natuurlijk een misvatting, een hardnekkige erfenis van het cartesiaans dualisme van geest en lichaam. Tegenwoordig raakt het goed opgeleide publiek steeds meer vertrouwd met het inzicht dat de geest op de hersenen berust en dus deel uitmaakt van het lichaam.
...
Onze geest is een functie van het natuurlijke organisme ’hersenen’. En hoewel de hersenen kunnen verouderen en veranderen, biedt elke fase van deze ontwikkeling nieuwe en andere genoegens en voordelen, naast verliezen en veranderingen, in een natuurlijke opvolging als van de seizoenen.
...
De meeste mensen beschouwen wijsheid, of zelfs bekwaamheid of deskundigheid, niet als biologische categorieën, maar dat zijn ze wel. De meeste mensen begrijpen in algemene en vage zin dat onze geest het product is van onze hersenen. We beseffen echter niet altijd even gemakkelijk hoe intiem die relatie is. Ook al aanvaarden de meeste mensen de verbinding tussen geest en hersenen als een abstract gegeven, op een alledaags niveau dringt het niet helemaal tot hen door. Dit is een hardnekkig overblijfsel van het ’dualisme van lichaam en geest’, een filosofische leerstelling die het nauwst (al zeggen sommige filosofiestudenten dat dit onterecht is) is verbonden met de naam van René Descartes; deze stelling houdt in dat lichaam en geest afzonderlijke entiteiten zijn en dat de geest een bestaan kent dat onafhankelijk is van het lichaam. ... Het eeuwenlange onvermogen de gedachte te vatten dat de geest werkelijk het product van het lichaam is, heeft geïnspireerd tot de harnekkige beelden over de homunculus, een wezentje dat in onze hersenen zit en het moeizame denkwerk verricht, en over de ’Ghost in the Machine’. In mijn eerdere boek, The Executive Brain, klaagde ik dat ’we de overblijfselen van de oude misvatting in fasen van ons afschudden, ook al gelooft een geletterde samenleving tegenwoordig niet meer in het cartesiaanse dualisme tussen lichaam en geest’ en dat we het problematisch blijven vinden de gedachte van de eenheid van hersenen en geest te aanvaarden als het om de hoogste toppen van ons mentale leven gaat.
Ik was verbaasd, zelfs geschokt, toen ik ontdekte hoe fragiel en oppervlakkig dit inzicht vaak is. Dit werd een paar jaar geleden volkomen duidelijk toen enkele collega’s en ik een educatieve workshop over de hersenen gaven, getiteld ’The Mind-Brain Institute’. De workshop had ten doel het algemene publiek te informeren over de fundamenten van de hersenwetenschap, over wat er met de hersenen mis kan gaan en hoe dit de geest kan beïnvloeden, en over de huidige behandelingen van diversen hersenaandoeningen. Tot onze grote verbazing reageerde het publiek vaak met onbegrip. ’Wat heeft de geest met de hersenen te maken ?’ luidde de retorische vraag die, al kon ik mijn oren niet geloven, meer dan eens werd gesteld. Wanneer ik op een openbare lezing over het geheugen de hersenen noemde, kwam er eveneens een vraag vanuit het publiek die eerder verbijsterd, dan onderzoekend klonk : ’Wat heeft het geheugen met de hersenen te maken ?’
Nog ongelooflijker was dat ik op een soortgelijk onbegrip stuitte bij een veel exclusiever publiek toen me werd gevraagd deel te nemen aan een hooggekwalificeerd symposium over de geheimen van buitengewone prestaties. Het forum van het symposium was een internationale keur van personen die uitzonderlijke prestaties hadden geleverd : wereldberoemde wetenschappers, president-directeuren van transnationale bedrijven, olympisch kampioenen, beroemde kunstenaars en op de voorgrond tredende politici. Deze onbetwiste ’kampioenen’ op hun eigen vakgebied stonden op het podium en deelden stuk voor stuk hun inzichten in hun eigen prestaties met ons. In hoog tempo werd de consensus opgebouwd dat de sleutel tot presteren wordt gevormd door het samenvallen van twee bestanddelen : talent op een specifiek vakgebied werd unaniem geïdentificeerd als één daarvan. De aanwezigheid van bepaalde persoonlijkheidstrekken, zoals gedrevenheid en het vermogen zich op een ver verwijderd doel te concentreren, werd al even unaniem geïdentificeerd als het andere bestanddeel. De deelnemers aan het symposium waren het erover eens dat niemand een prestatie van betekenis kan leveren als hij geen speciaal talent bezit, dat je met dit speciale talent wordt geboren, en dat dit het biologische lot is van slechts enkele mensen. Tenslotte accepteert iedereen dat je alleen door hard te werken geen Mozart, Shakespeare of Einstein wordt. Maar de andere bestanddelen van uitzonderlijk succes, gedrevenheid en ambitie, waren ’afhankelijk van het individu’, zo hield de ene na de andere spreker vol, alsof de persoon in kwestie een platonische, buitenlichamelijke entiteit was.
Toen het mijn beurt was om te spreken, probeerde ik de gedachte over te dragen dat ’gedrevenheid’ en ’het vermogen zich op een hoogstaand doel te concentreren’ ook op de biologie gebaseerde eigenschappen zijn, in ieder geval gedeeltelijk, en dat het feit dat hun hersenen van elkaar verschillen een van de redenen is waarom mensen in uiteenlopende mate over deze eigenschappen beschikken. De persoonlijkheid is geen eigenschap die buiten de schedel te vinden is, zo hield ik staande, zoals ik dat al eerder voor een divers publiek had gedaan. Ze is een product van je hersenen.
Mijn vermaning stuitte op een muur van stilzwijgen, en vervolgens op ergernis, en na een paar minuten maakte een medeforumlid, een grote, internationaal bekende diplomaat, een opmerking : ’Professor Goldberg, wat u zegt is bijzonder interessant, maar dit symposium gaat over de geest, niet over de hersenen’.
Mijn mond viel open van verbazing dat zo’n fundamenteel onnozele opmerking in dit intellectuele gezelschap kon worden gemaakt, en ik bezon me op een krachtige weerlegging, teneinde het verband tussen geest en hersenen te verdedigen, maar besloot toen het erbij te laten, eerder om sociale dan om intellectuele redenen.
De eenvoudige boodschap die ik probeer over te brengen, is deze : zoals de kleinste beweging van je lichaam afhangt van het werk van een specifieke spiergroep, zo doet zelfs de geringste, ogenschijnlijk vluchtige mentale activiteit een beroep op de hulpbronnen van je hersenen. En ook de eenvoudigste mentale activiteiten kunnen worden verstoord door een hersenziekte. Dus wanneer we in alle bescheidenheid, maar tevens vastberaden, aan ons onderzoek naar de seizoenen van de geest tijdens de verschillende levensfasen en naar de aard van wijsheid beginnen, moeten we dit opvatten als een zaak van de hersenen.
(Elkhonon Goldberg, De wijsheidparadox)

Deze citaten bevatten een aantal stellingen die niet aansluiten bij wat ik altijd gedacht heb :

De geest berust op de hersenen en maakt dus deel uit van het lichaam.     Onze geest is een functie van het natuurlijke organisme ’hersenen’.     Onze geest is het product van onze hersenen.

Deze zinnen suggereren dat ons bewustzijn (ons weten, ons voelen, ons denken, wat we willen) een effect zou zijn van een ingewikkeld patroon van zenuwen die gezamenlijk de hersenen vormen.
Ik heb in de loop der jaren mijzelf een volgend beeld gevormd :

Onder de geest versta ik hier ’wat ons bewustzijn vormt’. Geest en lichaam bestaan onafhankelijk van elkaar. Het lichaam is te vergelijken met een ontvangstapparaat (zoals een televisie of radio) dat de signalen van de geest ontvangt, zodat het lichaam kan reageren op wat door de geest gedacht, gevoeld en gewild wordt. Het lichaam is ook een zender, dat signalen uitzendt die door de geest worden gedetecteerd. Lichamelijke signalen worden door de geest waargenomen en omgezet in bewustzijn van pijn, vermoeidheid en andere gewaarwordingen. Zowel de geest als het lichaam zijn dus zender en ontvanger tegelijk. Zolang het aardse leven duurt, zijn lichaam en geest op elkaar afgestemd.
Tijdens het stervensproces eindigt de afstemming tussen geest en lichaam. De geest, het bewustzijn, blijft bestaan en vindt zijn afstemming op een niet-materiële werkelijkheid. Het lichaam verliest de aansturing door de geest en volgt de natuurwetten die voor niet-bezielde materie gelden.

Wetenschappelijk is er te weinig bekend over hoe bewustzijn kan bestaan, en hoe het gekoppeld is aan het lichaam. Hoe kan het, dat wanneer ik een kopje wil pakken, ik in staat ben mijn handen zo te bewegen, dat ik het kopje ook daadwerkelijk pak ? Welke kracht is er in werking die mijn wil omzet in een lichamelijke beweging ? Het is geen zwaartekracht. Een electromagnetische kracht is er (via de zenuwen) bij betrokken, maar over de wisselwerking tussen wilskracht en electromagnetische kracht is niets bekend.
”Wij weten het niet” is de meest juiste conclusie die we kunnen trekken over de wisselwerking tussen lichaam en geest.
Maar bij constateren dat we iets niet weten, houdt de wetenschap niet op. Wetenschap is een zoektocht waarin gebruik wordt gemaakt van hypothesen en theorievorming. Hierboven zijn twee hypothesen gegeven, die van Elkhonon Goldberg en die van mij. Maar wat is er waar ? En hoe kunnen we de waarheid vaststellen ?
(Verderop op deze pagina wordt de hypothese geopperd dat vriendschap, liefde, bewondering , welwillendheid, medelijden of andere vormen van sociale bewogenheid niet-lichamelijke eigenschappen zijn, die enkel behoren tot het rijk van de geest. Een mens zou die geestesgesteldheid alleen kunnen bereiken vanuit de vrije wil.
)

Wat is dan weten ? Als je niet eens iets over bewustzijn kunt zeggen, als je niet in staat bent ook maar iets te begrijpen van hoe het in vredesnaam mogelijk is dat we iets waarnemen, iets zien, onszelf zien, iets voelen, iets denken, iets willen, wat is dan ’weten’ ?

Het grote gevaar is, dat je je eigen hypothesen als waarheid gaat zien. Want een hypothese is niet meer dan een veronderstelling, een verzinsel. Als je je eigen hypothese voor waarheid gaat aanzien, spreken we van geloof. Waarom is het gevaarlijk iets te geloven? De geschiedenis vertelt over de meest vreselijke misdaden die enkel werden gepleegd omdat mensen iets geloofden.

Zoeken naar waarheid, maar onderkennen dat je de waarheid niet weet, leidt ertoe dat je hypothesen opwerpt, veronderstellingen maakt. Het leven van alledag lijkt je ertoe te dwingen over van alles en nog wat een opvatting te hebben, een oordeel te vormen. De beste veronderstelling die je kunt bedenken, kies je dus maar als jouw waarheid van dat moment. Je handelt ernaar, en het loopt aangenaam of minder aangenaam af. Als er iets misloopt, is het maar de vraag of je in staat bent oorzaken en gevolgen te onderkennen, en de juiste logica te zien waarom iets minder prettig verliep dan je je had voorgesteld. Ook over oorzaken en gevolgen maak je veronderstellingen, en het is maar de vraag of die juist zijn. In je onwetendheid zoek je naar houvast en klamp je je misschien vast aan een geloof, dat bij nader inzien toch ook weer niet juist is. Hoe kom je uit de vicieuze cirkel van ’niet weten en toch houvast zoeken’?

Zoeken naar waarheid lijkt te beginnen met nauwkeurig observeren. Je probeert al je vooronderstellingen los te laten, en objectief waar te nemen. Dat kun je wetenschapsbeoefening noemen. Je noemt het wetenschapsbeoefening als je de resultaten van je waarnemingen zo wilt presenteren dat andere ze kunnen controleren. Als het het waarnemen van je eigen geest betreft, je eigen innerlijk, wordt het introspectie of meditatie genoemd. Wat in je eigen innerlijk omgaat, is voor anderen niet te controleren op een wetenschappelijke manier.
Maar hoe je het ook noemt, het zoeken naar waarheid, begint bij alles wat je geloofd en geleerd hebt terzijde te schuiven en nauwkeurig waar te nemen.


Morele waarden

Wat kan een mens dat een computer niet kan ?

In het boek "Buitenaardse beschaving" van Stefan Denaerde worden de begrippen materiële creativiteit en immateriële creativiteit geïntroduceerd. :

Het is fundamenteel mogelijk om computers logisch te laten denken. Ze kunnen met de beschikbare geheugenmutaties manipuleren en juist als de mens door middel van deductie nieuwe combinaties selectief toevoegen aan de reeds bestaande. Ze kunnen zelfs vragen beantwoorden met 'juist' of 'onjuist', afhankelijk van het programma. Computers kunnen ontwikkeld worden tot ze in staat zijn denkformules te contrueren die bruikbaar zijn in de technische en wetenschappelijke ontwikkeling. Dit is de uiterste ontwikkelingsgrens voor een computer ongeacht of het een electronische, dan wel een electro-chemische betreft en hoeveel miljoenen jaren van technologische ontwikkeling ook mogen verstrijken.

Normbesef is te vergelijken met een programma dat vragen met 'juist' of 'onjuist' beantwoordt . Intelligentie, geheugen en normbesef zijn daarom zaken die ook in een computer kunnen worden ingevoerd. Wij rekenen ze tot de 'materiële creativiteit'.

Maar hoe staat het met eigenschappen als behulpzaamheid, medeleven, medelijden, belangstelling, verdraagzaamheid, vriendelijkheid, waardering en bewondering ?
Op dit punt onderscheidt de mens zich van de computer. Een mens is in staat een geestesgesteldheid te bereiken wat zich uit in vriendschap, liefde, bewondering , welwillendheid, medelijden of andere vormen van sociale bewogenheid, maar hij kan deze geestesgesteldheid alleen bereiken vanuit de vrije wil. We rekenen deze eigenschappen tot de ’immateriële creativiteit’.


Ma-at
Egyptische godin
Personificatie van Waarheid en Gerechtigheid

Bestaat er een natuurlijk normbesef ?

De volgende stelling trof ik aan in het boek "Buitenaardse beschaving" van Stefan Denaerde.

Een mens heeft geen natuurlijk normbesef. Je kunt mensen zover krijgen dat ze in naam van het opperwezen, of om in de hemel te komen, mensen vermoorden. Een aggressief opvoedingsmilieu is in staat om elk willekeurig normbesef te planten.

Helaas, de geschiedenis wijst uit, dat de stelling waar is.

Consequenties van gedrag

In het boek van Stefan Denaerde leveren buitenaardsen commentaar op de westerse samenleving :

Spelen jullie voorlopig maar met raketten en laat de andere helft van de wereldbevolking maar rustig voortleven in armoede en ondervoeding.

Als je je alleen afvraagt 'Is deze bewering waar', ben je gauw klaar.
De bewering is duidelijk waar.

Maar deze bewering appelleert aan het morele gevoel.
Er volgt onmiddellijk een tweede vraag, die luidt :

”Doet de westerse samenleving er goed aan veel inspanning te leveren voor technologische vooruitgang en de levensomstandigheden van miljoenen mensen te negeren ?"

Het beantwoorden van een vraag als "Doet men er goed aan om ...." begint met inventariseren van de consequenties :

”Wat zijn de gevolgen ervan dat de westerse samenleving enorm veel investeert in technologische vooruitgang en de levensomstandigheden van miljoenen mensen negeert ?"

Een methode op de consequenties in kaart te brengen, is extrapolatie :

Extrapolatie

Bij extrapolatie gaat men er vanuit dat in een bepaalde trend geen verandering komt.

Zolang de rijke landen al maar rijker worden en de arme al maar armer, is op lange termijn het volgende denkbaar :

De westerse wereld is rijk, ontwikkeld en machtig vergeleken met andere delen van de aarde. Dat zijn stuk voor stuk discriminaties die de weg naar mondiale ordening blokkeren.
De gevolgen zijn zonder helderziendheid te voorspellen.
De westerse bevolking plant zich door zijn grotere welvaart en hoger opleidingsniveau langzamer voort dan de mensen in ontwikkelingslanden, zodat het numerieke overwicht van deze laatsten steeds groter wordt. Hoe langer deze situatie voortduurt hoe zekerder het wordt dat de naties die hun rijkdom voor zichzelf houden een steeds kleiner deel van de wereldbevolking gaan vertegenwoordigen. Op den duur zal kan die situatie niet volgehouden worden.
Maar vermoedelijk zal de westerse beschaving niet zo geweldloos aan zijn einde komen. De steeds stijgende kwaliteit van wapens zal het numerieke overwicht eens gaan omzetten in militair overwicht. Dan zullen de rijke landen geconfronteerd worden met dezelfde discriminaties, maar dan andersom.
De vernietiging van hun technologische voorsprong en cultuur kan niet uitblijven.

Dit is natuurlijk een koele benadering, waarin de rijke landen verstard blijven in zelfzuchtigheid.

De extrapolatie-methode gaat ervan uit dat een bepaalde trend zich niet zal wijzigen. Meestal bevinden zich in een maatschappelijk systeem krachten waarvan een sturende werking uitgaat, die de trend ombuigen in een andere richting.
Een benadering waarin men op zoek gaat naar de mechanismen die het uit de hand lopen van de situatie een halt kunnen roepen, is bijvoorbeeld de psychologische benadering.

Psychologische benadering

In de psychologische benadering wordt nagegaan, welke gevoelens en emoties een bepaalde situatie oproept.

Men kan zich bijvoorbeeld de volgende vragen stellen :
t.a.v. medeleven
   Is het een reëel verschijnsel dat een mens zich beroerd voelt als hij ziet dat zijn medemens tekort komt ?
t.a.v. liefde
   Bestaat er zoiets als liefde ? Is het reëel dat mensen zich belangeloos willen inzetten voor hun medemens ? En bevordert deze creativiteit het zelfrespect en daarmee het geluksgevoel ?
t.a.v. angst
   Is het reëel dat iemand bang wordt, als hij beseft dat wat een ander meemaakt, hem net zo goed kan overkomen ?
En hoe reageert de mens op angst ? Ofwel door nog meer zijn privileges voor zichzelf proberen te houden, ofwel door te beseffen dat zijn angst zal verdwijnen als zijn medemens van dezelfde voorechten kan genieten ?

Al deze reacties komen voor.
Voor medeleven en liefde kunnen we denken aan enkelingen als Mahatma Gandhi of Martin Luther King, of aan al die anonieme strijders voor mensenrechten en democratische vrijheden. Maar misschien vormen de miljoenen vaders en moeders die dag in dag uit zich inspannen voor hun kinderen, het meest overtugende bewijs dat medeleven en liefde inderdaad reële menselijke gevoelens zijn, ook al wordt het zicht daarop zo vaak verduisterd door het onrecht dat op de wereld bestaat.

Ik heb als toerist door de ultra-arme gebieden van India en Nepal gereisd. De eerste reis naar India had op mij het effect dat ik mij na afloop opgelucht voelde. Het was een opluchting in de trant van : "Waar ik mij in Nederland druk over maak, dat zijn geen echte problemen".
Maar ondanks de opluchting, is er toch altijd weer de vraag "Hoe kan dit ? Waarom moeten mensen zo leven ? Hoe kan armoede worden omgebogen in welvaart ?"
De televisiebeelden van arme en ondervoede mensen zijn pijnlijk, met name voor mensen in de rijke delen van de wereld.

Technologie en ethiek

Is de stelling

Technologie dwingt tot ethiek

waar ?

Korter heb ik de stelling nergens geformuleerd gezien.

Inmiddels is er een leerstoel "medische ethiek" aan de universiteiten ingesteld. Door de enorme vooruitgang in medische technieken hebben de vragen rond leven en dood, en de kwaliteit van het leven zich aangediend.

Ook de bespreking van de vorige stelling geeft argumenten voor de juistheid van de stelling.

En wat te denken van het volgende scenario :
Nu zijn er slechts de grootmachten die over nucleaire en chemische wapens beschikken maar kleine nationalistische groepen komen binnenkort aan de beurt. Deze situatie wordt met de jaren steeds gevaarlijker. Nog slechts een korte tijd, en de mensheid zal de mogelijkheden van nu nog onbekende natuurkrachten gaan ontdekken. Dan zal een handje vol mensen in staat zijn een wapen te vervaardigen dat de hele mensheid kan vernietigen. Waar moet dit heen ? Hoe lang kan een beschaving voortduren waar de wetenschap zijn verantwoordelijkheid niet kent ?

En dan zijn alle waarschuwingen van de club van Rome over de verschrikkelijke milieu-effecten van een ongebreidelde technologische ontwikkeling nog niet genoemd.

De stelling "technologie dwing tot ethiek" is dus waar.


Waarneming van psychische processen

Mooi of lelijk

Voor mij als amateur-pianist speelt de vraag 'Wanneer speel ik dit muziekstuk het mooist ?' bij elk muziekstuk op. Het is mijn ervaring dat, als ik zelf tevreden ben over mijn spel, ik vaak complimenten krijg. Het is dan alsof er iets bestaat als een objectief 'mooi'. Maar wat dat precies is, waar de grens ligt tussen mooi en minder mooi, dat is toch niet aan te geven.

Zo lijkt er ook iets te bestaan als 'lelijk'. Er zijn klanken die het overgrote deel van de mensheid als lelijk ervaren. Daarover filosoferend stelde ik mij de volgende vraag :

Waar of niet waar :

Het muziekstukje dat je hoort als je op klikt, is lelijk.

Ik heb mijn best gedaan een lelijk muziekstukje te componeren.
Onaangename accoorden, saaie herhalingen.

Maar kun je die lelijkheid objectief vaststellen ?

Het eerste waar ik aan denk is aan het houden van een steekproef. Aan een groot aantal personen laat je het muziekje horen, waarna je een vraag stelt als : "Vindt u dit muziekstukje erg mooi, mooi, wel aardig, weinig emotie teweeg brengen, toch wat lelijk, lelijk of foeilelijk ?"

De waarde van zo'n steekproef is afhankelijk van de mate waarin de proefpersonen in staat zijn hun eigen gevoelens te peilen.
Het peilen van je eigen gevoelens is zeker niet gemakkelijk.
Iedereen kent wel de miskoop : in een winkel denk je van iets "Oh, wat staat dit leuk"; je koopt het, maar bij nader inzien vind je het toch niet zo leuk.
En ik denk dat iedereen wel momenten kent waarop men zich voor het eerst realiseerde, dat iets waar men nooit bij stil heeft gestaan, achteraf bezien heel onaangenaam was.

Het resultaat van zo'n steekproef is ook afhankelijk van het tijdstip waarop hij gehouden wordt. Het is een bekend verschijnsel, dat het oordelen in de loop van de geschiedenis aanzienlijk kunnen wijzigen. De schilderijen van Van Gogh werden pas na zijn dood gewaardeerd door een groter publiek. De Mattheüs Passion werd pas jaren na zijn ontstaan herontdekt en gewaardeerd.
Gevoelens die een bepaald gebeuren opwekt, zijn niet altijd en overal hetzelfde en zullen bij eenzelfde persoon ook wisselen. Ik heb zelf de ervaring, dat ik soms niet in de stemming ben voor een cd, die ik doorgaans heel mooi vind.

Om objectief vast te stellen of bovenstaand muziekje lelijk is, zou je dus niet mogen volstaan met een steekproef op enig moment, maar men zou een aantal steekproeven moeten houden op verschillende tijdstippen.

Dan speelt er nog de definitie-kwestie : Wanneer noem je iets lelijk?
Bijvoorbeeld : Indien 50 % van de ondervraagden het muziekstuk mooi vondt en 50 % het muziekstuk lelijk, is het dan te classificeren als lelijk ?

Wat mij opviel is dat ik moest glimlachen, toen ik het muziekstukje samenstelde en het voor het eerst hoorde.
Het is een bekend verschijnsel dat onaangename zaken ook plezier kunnen opwekken. Denk bijvoorbeeld aan bungie-jumpen, aan achtbanen en andere kermisattracties, of aan griezelfilms.
Een vraag als : "Welke emoties worden in u opgewekt door dit muziekstukje ?" zou wellicht een breder scala van gevoelens naar voren brengen dat enkel een het spectrum tussen lelijk en niet lelijk.

Kun je eigenlijk wel zeggen dat iets wel of niet lelijk is ? Waarom zou je het etiket 'lelijk' op iets willen plakken ? Smaken verschillen nu eenmaal. Misschien is het beter om je te beperken tot wat je werkelijk weet, en te volstaan met een uitspraak als "Uit een steekproef op die en die datum in dat en dat gebied bleek dat 80 % van de ondervraagden het muziekstukje erg lelijk vond."

Onlogica van emoties

Toen ik een jaar of 12 was, wilde ik graag lang haar hebben. Mijn moeder vond lang haar bij jongens afschuwelijk en stuurde mij steeds naar de kapper. Dat was het begin van een langdurig conflict.

Een van de uitvloeisels van dat conflict was dat ik mij afvroeg, hoe je toch in vredesnaam kon bepalen wat wel en niet leuk staat, wat wel of niet mooi is.

Volgens mij is er geen "logica" die de mogelijkheid biedt om te beredeneren wat wel en niet mooi of aangenaam is. De één vindt dit mooi, de ander dat. Het spreekwoord zegt niet voor niets : Over smaak valt niet te twisten.

Logica van emoties

Stel dat iemand bij zichzelf een bepaalde mate van perfectionisme en een zeker minderwaardigheidscomplex bij zichzelf onderkent. (Dat zijn de 6-de en de 8-ste stap in de vicieuze cirkel van het Padwerk.) Aan de ene kant perfect willen zijn en aan de andere kant het gevoel hebben te falen.

Die twee extremen hebben een zichzelf opblazend effect. D.w.z. Als je gefaald hebt (in je eigen ogen), geeft dat zo'n vervelend gevoel, dat je concludeert dat je eigenlijk perfect zou moeten zijn. Dat zul je misschien niet bewust concluderen, maar je emoties komen er toch op neer. Als je voor jezelf perfect moet zijn, val je af en toe door de mand, want je bent nou eenmaal niet perfect, en de wereld om je heen is dat ook al niet. Dus voldoe je niet aan het keurslijf van perfectie waarin je jezelf perst, en dat geeft weer een extra gevoel van minderwaardig te zijn, dus ga je dubbel zo hard proberen perfect te zijn. Die superperfectie is niet vol te houden, en dus voel je je falen als nog vreselijker dan eerst.

Dit suggereert dat tussen de emoties perfectionisme en minderwaardigheidsgevoelens door "logisch" redeneren een verband te onderkennen is.
Maar klopt die logica wel ?

Want het is ook goed voorstelbaar, dat de persoon in kwestie het zichzelf opblazend effect herkent, onderkent dat zijn dwangmatig perfectionisme en zijn minderwaardigheidsgevoelens al maar toenemen, en inziet dat hij een heilloze weg is ingeslagen.. Deze herkenning brengt de persoon ertoe om er nauwkeuriger op te letten waar perfectionisme dwangmatig is en op welke momenten minderwaardigheidsgevoelens overdreven zijn. Door deze inspanning, door erop te letten hoe de redelijk de eigen emoties zijn, gaat hij zichzelf anders waarnemen en verdwijnt de spiraal waarin perfectionisme en minderwaardigheidsgevoelens elkaar versterken.

Dit is waar religieuze, spirituele en therapeutische stromingen al eeuwen op hebben gewezen, dat het overpeinzen van wat er in het eigen innerlijk omgaat (mediteren) bevorderlijk is voor het psychisch welzijn.

Conclusies die ten grondslag liggen aan emoties

Voortbordurend op het voorgaande voorbeeld waarin perfectionisme en minderwaardigheidsgevoelens naast elkaar bestaan, kan een gemeenschappelijke noemer in de emoties 'dwangmatig perfectionisme' en 'minderwaardigheidsgevoelens' worden onderkend. Zo'n gemeenschappelijke noemer zou bijvoorbeeld kunnen zijn, dat je eigenwaarde afhangt van wat anderen van je vinden. De emoties komen erop neer dat de persoon denkt dat hij minder waard is omdat anderen het beter kunnen, of dat hij alleen gewaardeerd wordt als er niets op hem is aan te merken.

Deze overweging suggereert : Aan emoties kunnen (twijfelachtige) conclusies ten grondslag liggen.

(Het padwerk noemt dit soort conclusies beelden.)

Waarnemen van wat er in jezelf omgaat

Freud komt de eer toe het onbewuste een plaats te geven in het wetenschappelijk denken. Het onbewuste geeft aan dat er houdingen, gevoelens, verlangens en denkbeelden in ons zijn, die we van onszelf niet opmerken, niet waarnemen.

Je zou drie lagen kunnen onderscheiden :

Al vele eeuwen geleden bestond er in de religies het inzicht, dat mensen zich wel degelijk laten leiden door emoties die ze zich niet bewust zijn.
Deze gedachte vinden we bijvoorbeeld in het evangelie volgens Filippus, dat in 1945 bij Nag Hammadi werd teruggevonden. Hierin wordt over het onbewuste gezegd :

Als we het niet kennen,
schiet het wortel in ons
en brengt het vruchten voort
in ons hart.
Dan beheerst het ons,
en zijn wij zijn knechten.
Het neemt ons gevangen
en laat ons dingen doen die we niet willen,
en wat we willen, doen we niet.
Het blijft machtig
omdat we het niet hebben herkend.
Zolang het er is,
is het werkzaam.

( Nag Hammadi - Evangelie volgens Filippus 96 [83] )

Met andere woorden : In patronen waarvan je je niet bewust bent, kun je niet gaan sturen.
Pas als je je ergens bewust van wordt, krijgt de vraag 'Wil ik dit gedrag voortzetten of niet ?' betekenis.

Een voorbeeld is een stopwoordje. Pas als je in de gaten hebt dat je een bepaalde uitspraak herhaaldelijk bezigt, kun je er op letten wat minder stereotiep taalgebruik te hanteren.

Is dit nu waar, dat het onbewuste en onderbewuste onze gedragingen veel meer sturen dan wij in de gaten hebben ?

De menselijke geest is te complex en de wetenschap der psychologie is nog niet ver genoeg ontwikkeld om dit onomstotelijk vast te stellen.

Deze vraag roept een aantal andere vragen op :

Op de eerste vraag zijn twee antwoorden mogelijk : Als anderen je op een bepaald gedrag wijzen, waarvan je je niet bewust bent, is het duidelijk dat 'iets waarvan je je niet bewust bent, tot uiting komt in je gedrag'. Het antwoord op de gestelde vraag wordt dan 'Ja, het onbewuste stuurt het gedrag'.
Bij de tweede mogelijkheid, dat je door puur je eigen gedachten en gevoelens te volgen op een gegeven moment daar patronen in herkent waarvan je je niet eerder bewust was, is het misschien moeilijker de invloed van die onbewuste gedachtepatronen op het gedrag te peilen.

Hoe zou een wetenschappelijk onderzoek eruit kunnen zien om de algemene geldigheid van de stelling te kunnen peilen ?

Zo'n onderzoek zou moeten aansluiten bij bovengenoemde overwegingen.
Je zou een voldoend aantal mensen moeten vinden die hun eigen innerlijk onderzoeken, daarover met anderen communiceren en zich openstellen voor een psychologisch onderzoek. Wanneer geleidelijk aan onbewuste karaktereigenschappen worden herkend, moet van elke karaktrek worden nagetrokken in hoeverre die karaktertrekken van invloed waren op de gedragingen van de persoon.

Ik weet niet of zo'n onderzoek onder wetenschappelijke supervisie ooit is uitgevoerd.
Maar dat betekent niet dat er over deze stelling niets te zeggen zou zijn.

Door de eeuwen heen zijn er mensen geweest die een pad volgden van introspectie, gericht op het vergaren van zelfkennis,
hetzij vanuit religieuze motieven ,
hetzij vanuit psychologische motieven, omdat men zich realiseerde hoe irreëel men soms was, hoe onnadenkend en hoe innerlijk verward, en men op zoek ging naar de wortels daarvan in zichzelf.
De individu kan via zo'n persoonlijke weg van zelfanalyse misschien niet vaststellen of de stelling in zijn algemeenheid waar is, maar men kan wel peilen in hoeverre de stelling op het eigen ik van toepassing is.

(De voor mij meest heldere beschrijving van zo'n weg is te vinden in het Padwerk. Ik heb nergens anders zo duidelijk beschreven zien hoe je zelfonderzoek in de praktijk kunt aanpakken, en waarom het zo belangrijk is. )

Ik zelf denk dat de stelling waar is.
Als ik zie hoeveel mensen maniertjes hebben waarin zij zijn blijven hangen, en die ze van zichzelf niet (meer) in de gaten hebben, en hoe ze in eigen gedachtenspinsels verstrikt raken zonder de realiteit meer te kunnen zien, en daardoor zelf in de problemen geraken, dan denk ik dat het voor iedereen heel zinvol om het eigen innerlijk te analyseren en de hiaten in het eigen bewustzijn op te sporen.

Deze laatste zinnen geven aan waarom ik het volgen van een pad waarop men naar zelfkennis streeft, belangrijk vind.


Moeilijk te verifiëren verschijnselen

Zeldzame verschijnselen

Verschijnselen die zich slechts zelden en onder heel specifieke omstandigheden voordoen, zijn moeilijk te bestuderen.

De empirische methode faalt, aangezien deze methode voorschrijft dat een experiment herhaald moet kunnen worden en iedere keer hetzelfde controleerbare resultaat moet hebben.

Historische bronnen die gewag maken van een zeldzame gebeurtenis kunnen bedrog of fantasie zijn.

Voor het vormen van een betrouwbare theorie zijn meestal meerdere waarnemingen nodig.

Bovendien kunnen wetenschappers, die getuige zijn van een zeldzaam verschijnsel, aan hun eigen waarnemingsvermogen gaan twijfelen.

Historische gebeurtenissen

Hoe verder gebeurtenissen in het verleden liggen, hoe moeilijker het wordt om vast te stellen wat werkelijk gebeurd is. Ooggetuigen zijn er na verloop van tijd niet meer, historische bronnen vergaan of worden vervalst, enz.

Psychische processen

Processen die zich in de geest van een mens afspelen zijn moeilijk te verifiëren. Het is al moeilijk te volgen wat zich in de eigen psyche afspeelt, laat staan wat de ontstaansgrond voor gedachten en emoties bij anderen is. Veelal moet men zich op "intuïtie" beroepen.

Paranormale waarnemingen

Veel auteurs en kunstenaars hebben er gewag van gemaakt dat hun werken niet louter het resultaat waren van henzelf, maar werden ingegeven door geesten, intelligenties of engelen. Zo'n bewering zelf is al moeilijk te controleren. Maar in veel "geïnspreerde" boeken is de doorgegeven theorie zelf ook nauwelijks te verifëren. Theorieën over het onstaan van het heelal, over de evolutie, over reïncarnatie, over de toekomst, enz. kunnen heel boeiend beschreven zijn, maar het waarheidsgehalte is met wetenschappelijke middelen vaak niet vast te stellen.
Daarbij komt in de mededelingen die zijn "onder inspiratie" zouden zijn doorgegeven, tegenstrijdigheden voorkomen, wat het beoordelen van het waarheidsgehalte bemoeilijkt.


Waarneming en interpretatie

Waarheid en wereldbeeld

Hoe ga je om met de bewering "De aarde is een platte schijf" ?

Hoogstwaarschijnlijk vind je het een onzinnige stelling.
Toch was het een ommekeer in het denken toen men ging beseffen dat de aarde bolvormig is.
Wat ik ermee aan wil geven is dat wat je voor waar houdt, enorm van je wereldbeeld afhankelijk is.
Stel, dat men drie eeuwen geleden tegen iemand had gezegd, dat men over drie eeuwen zich zou verplaatsen in voertuigen die niet door paarden worden getrokken, maar vanuit zichzelf rijden met veel hogere snelheden dan een postkoets, dat er machines zouden worden uitgevonden die kunnen vliegen en waarin de mens zich in één dag naar de andere kant van de aarde kan verplaatsen, en dat het mogelijk zou worden te praten met iemand die zich aan de andere kant van de wereld bevindt. Zo'n verhaal zou nauwelijks geloofd worden.

Juist de snelle technologische ontwikkelingen van de laatste tweehonderd jaar maakt de mens open voor nieuwe, onvermoede mogelijkheden, en plaatst de mens voor de vraag in hoeverre opvattingen die eeuwen lang als onomstotelijke waarheid golden, niet vervangen moeten worden op grond van nieuwe zienswijzen.

Observatie en wereldbeeld

Als je je enkel richt op de verschijningsvorm, en elke interpretatie wilt vermijden, kom je misschien tot een volgende uitspraak :

"De maan is een van vorm veranderende lichtgevende schijf en sterren zijn kleine lichtpuntjes aan de hemel."

Je merkt dat zo'n uitspraak niet echt bevredigend is. Je kunt de maan bijna niet zien als enkel een lichtgevende schijf, omdat je weet dat het een bol is, die door de zon wordt belicht.


Paranormale verschijnselen

Scepsis versus geloof

De opvattingen ten aanzien van verschijnselen die paranormaal worden genoemd variëren van cynische scepsis tot blind geloof.

Iemand die de verschijnselen of beweringen die niet alledaags zijn of niet onmiddellijk begrepen kunnen worden niet zonder meer wil verwerpen, en ervoor open wil staan dat er meer tussen hemel en aarde is, maar ook niet voetstoots en klakkeloos elke boude bewering wil aanvaarden, zal extreme en polemische standpunten willen vermijden, maar een onafhanklijk oordeel willen kunnen vellen dat recht doet aan de feiten.

Dit geldt waarschijnlijk vooral voor mensen die spontaan , en wellicht geheel onverwacht, paranormale ervaringen hebben. Spontane paranormale gebeurtenissen hebben dikwijls betrekking op zaken die bijzonder emotioneel zijn voor de betrokkenen. Door zo'n indringende ervaring kan de persoon in kwestie niet meer twijfelen aan het bestaan van paranormale verschijnselen.

Welke verschijnselen worden paranormaal genoemd ?

In het algemeen noemt men een verschijnsel paranormaal wanneer het vrij zelden voorkomt en in tegenspraak lijkt de gewone logica.

Wij kunnen allereerst een aantal categorieën onderscheiden :

Het zou te ver voeren om op deze pagina een uitputtende verhandeling te geven over de stand van zaken in de paranormale wetenschap. Daarover zijn een groot aantal boeken verschenen die in de boekhandel verkrijgbaar zijn. In het volgende wil ik beknopt ingaan op een aantal verschijnselen die in de parapsychologische literatuur genoemd worden.

Theorievorming rond paranormale verschijnselen

Van alle mogelijke hypothesen die zijn geopperd rond paranormale verschijnselen, wil ik ingaan op slechts een beperkt aantal :
Verificatie van paranormale hypothesen

Van bovenstaande hypothesen omtrent paranormale verschijnselen, is slechts bij de eerste werkelijk wetenschappelijk vastgesteld, dat bepaalde personen in staat zijn herderziende waarnemingen te doen.
Dat betekent overigens niet, dat uitspraken van een helderziende zonder meer geloofd mogen worden. Bij verreweg de meeste helderzienden, zijn ook vergissingen geconstateerd bij hun helderziende waarnemingen.

Ten aanzien van de andere hypothesen is de wetenschap nog zeer voorzichtig in haar conclusies. Er zijn veel verschijnselen geconstateerd, die erop wijzen dat de hypothesen mogelijk juist zijn, maar van een werkelijk vaststellen, dat bovengenoemde hypothesen juist zijn, is nog geen sprake.


Ongefundeerde uitspraken

Niet verifieerbare hypothesen

De volgende stelling trof ik aan in hoofdstuk 13 van het boek "Een ongewoon gesprek met God" van Neale Donald Walsch :

Het (menselijk) lichaam was ontworpen om voor altijd mee te gaan.

Ik zou in de verste verte geen idee hebben hoe een dergelijke bewering met de huidige wetenschappelijke middelen te verifiëren of te weerleggen. Het blijft een uitspraak die mogelijk waar is, maar misschien ook wel niet.

New-Age-literatuur kent talloze voorbeelden van niet-verfieerbare uitspraken. Vaak zijn ze onschuldig. Soms brengen ze mensen op een dwaalspoor. Het is daarom van groot belang dat men zich realiseert dat men iets gewoonweg niet weet.

Onjuiste onderbouwing

In het blad Intermediair van 11 maart 1999 werd ingegaan op een uitspraak die in het boek "Je kunt je leven helen" van Louise Hay wordt gedaan :

Multiple sclerose is het gevolg van het hardvochtige karakter van de patiënt.

Karin Spaink, bij wie de ziekte multiple sclerose was vastgesteld, schreef mede naar aanleiding van deze bewering het boek 'Het strafbare lichaam'. Het is een scherpe kritiek op de idee dat de oorzaak van kanker, reuma, aids en MS op de eerste plaats tussen de oren zit.

Je zou deze bewering vanuit de volgende invalshoeken kunnen benaderen :

Hoe herkent men een valse profeet ?

Er zijn vele valse profeten Ze brengen niets dan ellende, zowel aan anderen als aan zichzelf.
Het is voor de aardse mens niet eenvoudig de valse profeten van de werkelijke liefdebrengers te onderscheiden.
Zij die zoeken, vinden zoals ze zoeken.
Dit betekent : is men ten einde raad, dan zoekt men nieuwe raad, nieuwe hoop.
Iedere valse profeet geeft raad met veel nieuwe hoop.
Is de aardemens zoekende naar genezing of oplossingen van problemen, dan vindt hij de profeet die hem van zijn problemen kan ’verlossen’.
Maar is de aardemens op zoek naar inzicht, dan alleen kan hij onderscheid vinden tussen de echte en de valse profeet.

Er zijn vele algemene aanwijzingen te geven, zoals : echte waarheidbrengers ontroeren ondanks zichzelf.
Maar elke aanwijzing kan tegelijkertijd een valstrik zijn, een valkuil worden, want richt men zich op de aanwijzing van de ontroering, dan kan men de indruk hebben dat bij iedere rake opmerking die de zoekende ziel treft en hem ontroert, er sprake is van een werkelijke profeet, terwijl het alleen maar om een rake opmerking gaat die op een teer punt bij de mens naar binnenkomt, zodat deze volschiet.
Daarom zijn algemene aanwijzingen tevens valkuilen.
Men kan zeggen dat werkelijke profeten geen dwang gebruiken
Men behoudt bij hen te allen tijde de persoonlijke wilskracht en vrije keuze.
Maar tegelijkertijd zal iemand kunnen zeggen dat hij tijdens een behandeling niet meer wist wat er gebeurde en dat er dus dingen gebeurden buiten zijn wil om.
Terwijl hij dus met een werkelijke genezer van doen heeft, lijkt de aanwijzing te passen bij een valse profeet.
Zie hier de moeilijkheid om het echte van het valse te onderscheiden.
De mens ontmoet die kracht die hem het meeste inzicht kan verschaffen.
Wanneer hij in deze ontwikkeling alleen de valse profeet opzoekt en de echte liefde-brenger ontwijkt of zelfs veracht, dan zoekt hij dat wat hij in zichzelf herkent.
Hij zoekt niet de werkelijkheid maar de zekerheid.

Vals profeten zijn er vele.
Zij zijn om u heen en omringen u van alle kanten.
Werkelijke liefde-mensen zijn zeldzaam.
Het is dan ook beter voor de meeste mensen om van de valsheid van de profeet uit te gaan, want de werkelijke profeet wordt op den duur altijd erkend en herkend, terwijl de valse zijn eigen ondergang bewerkstelligt.

Geloof uw profeet niet totdat u weet wat u van uzelf wilt geloven.
Gelooft u in het goede van de mens ?
Zoek het goede in de profeet.
Gelooft u in de macht van de mens ?
De macht over de natuur, over ziekten, over mensen, over situaties, over elk denkbaar probleem, zoek dan de profeet die op elke vraag een antwoord heeft.
Wat u vindt is afhankelijk van uw instelling.
Het is aan u welke profeet u in stand houdt, maar wees u bewust van het feit dat elke valse profeet vele slachtoffers maakt en dat elk slachtoffer tegelijk de dader is van een nieuw slachtoffer.

Houd u ver van wat uw voelen te buiten gaat.
Verlustig u niet aan de sensatie.
Het is door de wanhopige mens die het antwoord niet in zichzelf wil vinden, dat er zoveel valse profeten zijn.
Ze bouwen hun illusies op de droom van de zoekende mens.

Wees u ervan bewust dat u zich besmeurt wanneer u met hen in zee gaat.
Ontwijk deze ’genezers’, ’zieners’ en andere ’waarheid-brengers’.
Blijf in uw eigen wereld.
Daal af in uzelf en zoek het antwoord in de diepte van uw weten.
Ontken uzelf niet door de valse profeet te bevestigen.

( Uit : Theije Twijnstra, De belofte van uw leven. )


Paradoxen

Innerlijke tegenspraak

De zin

"Ik lieg altijd"

bevat een innerlijke tegenstrijdigheid. Als iemand beweert "Ik lieg altijd", dan zou hij, wanneer hij die zin uitspreekt, ook moeten liegen. Dus is "Ik lieg altijd" gelogen, en daarom niet waar.

Dit effect ontstaat, doordat de uitspraak "Ik lieg altijd" betrekking heeft op zichzelf. Iets soortgelijks doet zich voor bij de uitspraak :

"Deze stelling is onwaar".

Ga je ervan uit dat de stelling waar is, dan volgt daaruit dat de stelling onwaar is. Meen je dat de stelling onwaar is - d.w.z. "Deze stelling is onwaar" is niet waar - dan moet de stelling juist waar zijn. De stelling is dus niet "waar", maar ook niet "niet waar".

Het is alsof naast de categorieën "waar" en "niet waar" nog een categorie bestaat, zoiets als "onbestemd" of "onbekend".

Schijnbare tegenstelling

Een schijnbare tegenstelling doet zich voor, wanneer uitgegaan wordt van strijdige veronderstellingen, en dat niet onderkend wordt.

Paradoxen bij psychische processen

Paradoxen steken vaak de kop op bij psychische processen.
Padwerklezing 174 verwoordt een dergelijke paradox :

...
In dit geval is het dilemma enerzijds :
     hoe kun je jezelf accepteren en van jezelf houden maar daarbij niet in de valkuil raken dat je jezelf in alles toegeeft en de destructieve trekken rechtvaardigt die - hoe verborgen ook - in ieder mens aanwezig zijn ?
En anderzijds :
     hoe kun je die negatieve kanten (die zwakheden waardoor je het gevoel hebt tekort te schieten, die egoïstische en wrede trekjes, die kleine ijdelheden die je vaak rancuneus en liefdeloos maken) onder ogen zien en accepteren zonder je zelfrespect te verliezen ? Hoe kun je hierbij de valkuil vermijden van destructieve schuldgevoelens, ontkenning en minachting voor jezelf ?
...

Misschien herken je het wel, dat iemand zich een houding moet geven over iets wat negatief is of lijkt, en dat gaat goedpraten en rechtvaardigen.
Misschien is de tweede houding je ook bekend : Iemand dramatiseert zijn onvolkomenheid en vlucht in zelfverwijt en zelfbeklag.

Op deze plaats gaat het mij erom aan te geven, dat dergelijke paradoxen bestaan. Omdat de redenen waardoor deze paradox ontstaat, heel persoonlijk zijn en van individu tot individu verschillen, wil ik er hier niet dieper op ingaan.

Paradoxen in de theologie

Theologie is bij uitstek het terrein van paradoxen. Ik noem er één :

     

Hoe zijn alle natuurrampen en al het onrecht op deze wereld in overeenstemming te brengen met het bestaan van een liefdevolle God ?

     

Het zou een interessante exercitie zijn om alle antwoorden op deze vraag, op een rijtje te zetten. Het is een lange lijst variërend van atheïsme tot de meest uiteenlopende theorieën over hellen en hemelen.

Ik wil een paar mogelijke antwoorden belichten :

Deze discussie kan als volgt worden samengevat :
Het bestaan van God wordt gerelateerd aan datgene waarvoor Hij verantwoordelijk zou zijn. Als je uitgaat van een verbinding tussen God en mens, verschuift de vraag over de verantwoordelijkheid van God naar de verantwoordelijkheid van de mens.
Waar de verantwoordelijkheid van de mens voor een gebeurtenis naar aardse maatstaven niet aantoonbaar is, zal het atheïsme ertoe het bestaan van een liefdevolle God te ontkennen. Het "geloof" zal ervan uitgaan dat een dergelijke verantwoordelijkheid wel bestaat, ook al is hij niet zichtbaar.

Een interessant aspect aan deze discussie is dat de vraag naar de eigen verantwoordelijkheid altijd bestaat, onafhankelijk van de vraag of er wel of geen God is.
Marianne Williamson formuleert dit als volgt :
Er sterven dagelijks vijfendertigduizend mensen van de honger, terwijl er geen gebrek aan voedsel is op aarde. De vraag is niet : wat voor God laat kinderen van honger sterven, maar eerder : wat voor mensen laten kinderen van honger sterven.
Het werp ons terug op de vraag naar de grenzen van de eigen verantwoordelijkheid, naar de verantwoordelijk heid van het individu :
Deze vraag luidt :
Ongeacht hoe het universum is geordend, ongeacht de mate waarin ik die begrijp, ongeacht de voorstellingen die ik heb over de natuur en het heelal, of die nu met de waarheid overeenstemmen of niet, wie verkies ik te zijn ?
Ongeacht wie ik in het verleden ooit geweest ben, hoe ga ik mij vanaf nu opstellen ?
In hoeverre ga ik handelen vanuit de doelstelling waarin ik een betere situatie voor mijzelf nastreef, en in hoeverre ga ik te handelen vanuit een hoger gevoel waarin ik betrokkenheid voor mijn medemens voel en geluk voor alle mensen nastreef, en kunnen deze twee doelstellingen (het goede voor mijzelf en het goede voor de medemens) samenvloeien in één doel ?

Je persoonlijke antwoord op een paradox

Liefde, oprechtheid en het besef dat het slechts een visie is die je hebt, d.w.z. 'dat je er niet op uit bent de tegenovergestelde visie te veroordelen of te beschimpen', maken een visie respectabel.

Als voorbeeld borduur ik hier voort op de bovengenoemde paradox van atheïsme versus geloof.

Ik heb wel eens een televisieprogramma gezien over een man, die een opleiding op een katholiek seminarie had gehad, nooit priester was geworden, maar zich wel jarenlang had ingezet voor een tehuis voor geestelijk gehandicapten in Indonesië. Op de vraag of hij gemotiveerd werd vanuit enige religie, antwoordde hij : "Na alles wat ik heb meegemaakt, kan ik niet meer geloven." Ik vond het een antwoord dat respect afdwong, omdat het doorleefd was. Het was werkelijk zijn visie.

De situatie waarin iemand die zich altijd als atheïst geprofileerd heeft, en in een benarde situatie verzeild is geraakt, zijn toevlucht neemt tot een gebed, is zeer voorstelbaar.
Evenzeer is de situatie, waarin iemand die altijd gelovig is geweest en in een benarde situatie terecht is gekomen, zijn geloof opgeeft, voorstelbaar.
Een opdeling van de mensheid in atheïstisch en gelovig lijkt mij niet met de waarheid in overeenstemming, Ik vermoed dat in ieder mens een stuk geloof en een stuk ongeloof leeft.


De grenzen van het logisch denken

Verschillende axioma-stelsels

Wat is 11 + 2 ?

Als je 11 appels hebt, en je koopt er 2 bij, heb je dertien appels, dus 11 + 2 = 13.

Maar met evenveel recht kun je zeggen :

Als het 11 uur is, is het 2 uur later 1 uur. Dus is 11 + 2 = 1.

De eerste manier van tellen is gewoon rekenen, de tweede manier noemen we klokrekenen. De ene manier van rekenen is niet meer waar dan de andere. Beide manieren van rekenen hebben hun toepassing.
Je kunt dus uitgaan van een axioma-stelsel dat leidt tot het gewone rekenen, en uitgaan van een axioma-stelsel dat leidt tot klokrekenen. Beide axioma-stelsels hebben hun geldigheid.

Existentie-bewijzen

Dit leidt tot de conclusie, dat bewijzen dat iets in werkelijkheid bestaat niet via enkel logisch redeneren gegeven kunnen worden.
Dat iets bestaat, kan enkel worden aangetoond, doordat het wordt waargenomen.

Een roze koe bestaat niet (bij mijn weten). En toch blijft er theoretisch de mogelijkheid dat in een ver afgelegen oerwoud plotseling een roze beest opduikt dat sprekend op een koe lijkt. Of een roze koe wel of niet bestaat, kan niet beredeneerd worden.

Godsbewijzen

In de theologie of filosofie spreekt men soms over 'Godsbewijzen'. Men probeert te bewijzen dat God wel of niet bestaat. Maar bij zulke pogingen laat het redeneervermogen ons in de steek.

De hierboven besproken paradox in hoeverre een liefdevolle God zou kunnen bestaan betrof dan ook niet een bewijs dat hij wel of niet bestaat. Het betrof enkel de constructie van een paar modellen. In het atheïstische model werd er uitgegaan van 'geen God'. In het gelovige model werd uitgegaan ven 'wel een God'. Beide modellen werden vergeleken met wat waarneembaar is. Dat de ellende in de wereld soms zo schrijnend is, pleit voor het atheïstische model. De wonderbare genialiteit en schoonheid in de natuur pleiten tegen het model. Tegen het gelovige model is in te brengen, dat het niet aantoonbaar is dat mensen altijd verantwoordelijk zijn voor hun eigen situatie, zelfs het kleine baby'tje in een gebied waar oorlog en honger heerst.

Waarheid en logica

Wat waar is, kan alleen door waarneming vastgesteld worden, en niet door enkel logisch redeneren.

Als je de waarheid van iets hebt vastgesteld, kun je nagaan aan welke logische wetten het gehoorzaamt. Als je de thermodynamica bestudeert, stuit je op heel ander soort wetmatigheden dan wanneer je de electrodynamica bestudeert. En als je de allerkleinste materiedeeltjes bestudeert ondek je weer heel andere natuurwetten.
Pas je logica toe op menselijke emoties of op het menselijk denken ontdek je misschien weer heel andere regelmatigheden.

En je kunt logica aanbrengen in je eigen verbeelding. Auteurs van science fiction hebben dat veelvuldig gedaan.


Het geheel is meer dan de som der delen

De virtuele wereld

Je speelt een computerspel. Op het beeldscherm zie je vissen zwemmen, en octopussen bewegen. Je laat een zeepaardje een bepaalde kant uitzwemmen. En op een gegeven moment denk je : ”Waar zitten die beesten ?”
Je pakt je schroevendraaier, schroeft je computer open en inspecteert wat er inwendig in je computer zit. Je ziet er geen vissen, geen octopus en geen zeepaardje. Je ziet electronische componenten. En in geen van die onderdelen zit een dier, dat beweegt of aan te sturen is. Wat je op het beeldscherm zag, bestaat niet echt. Het is een illusie, een schijnwereld, of zoals het tegenwoordig heet, een virtuele wereld.

Ik verdien al jaren mijn brood met het maken van computerprogramma’s. Maar al die teksten en cijfers die door toedoen van mijn programmeer-activiteiten op het beeldscherm verschijnen, bestaan niet echt. Ook de woorden die je nu op het beeldscherm leest, zijn niet terug te vinden als reële voorwerpen, opgebouwd als moleculen. Waar je nu naar kijkt, is een suggestie, maar het is er niet. Toch leveren deze niet bestaande beelden je informatie.
Dit verschijnsel staat bekend als ”Het geheel is meer dan de som der delen”. We kennen dit principe ook in de kunst :
Beroemde en niet beroemde schilders gebruikten dezelfde soorten verf en dezelfde kleuren, maar de beroemde schilders wisten die zo te combineren, dat mensen bereid zijn miljoenen voor hun schilderijen neer te tellen.
Beroemde componisten maken gebruik van dezelfde instrumenten als minder bekende collega’s. Toch wisten de beroemde componisten de combinaties en opeenvolgingen van klanken te vinden, die mensen de reactie ontlokken van ”Wat is dit mooi !”.


Geloof en twijfel

Een pagina over zoeken naar houvast door logisch redeneren gaat in wezen over de verhouding tussen wat je kan geloven en waar je aan twijfelt. Padwerklezing 221 is toegespitst op geloof en twijfels die je tegenkomt bij zelfonderzoek. Uit deze lezing volgen citaten over geloof en twijfel in het algemeen :

In deze fase van de menselijke ontwikkeling denkt men over het algemeen dat geloven iets is wat je blindelings doet. Je gelooft in iets wat je niet kunt en nooit zult kennen. Het betekent dat je gewoon blindelings en zo te zeggen goedgelovig en onintelligent vertrouwt, volkomen ongerijmd en gewoonlijk uit wensdenken, luiheid en onwetendheid. In deze op het verstand gerichte tijd staat geloof in een slecht daglicht. Als het werkelijk dat zou zijn wat men ervan denkt, dan zou je er inderdaad goed aan doen alle geloof af te zweren. Als geloof een onnozel gebrek aan onderscheid zou zijn, dan zou een verstandig mens terecht op zijn hoede zijn voor alles wat er maar op lijkt. Verstandige mensen willen immers niet onnozel of dom zijn, die willen niet in iets geloven dat niet op de werkelijkheid gebaseerd is en nooit als waarheid ervaren kan worden. Maar helaas blijven ze daarom op een verstandelijk niveau waar alles wat zogenaamd ”echt bestaat” gezien, aangeraakt en bewezen kan worden, zonder ooit een sprong in het onbekende te wagen. Maar er is geen ontplooiing of verandering mogelijk zonder die sprong in het onbekende. Want jullie weten maar al te goed dat groei en verandering altijd met angst gepaard gaan. Die angst is van voorbijgaande aard, maar hoe kun je hem aanvaarden als je gelooft dat hij het uiteindelijke resultaat is en dat je na de sprong in het onbekende geen vaste grond onder je voeten zult vinden ? Die vaste grond vind je, zij is werkelijkheid, maar een nieuw soort werkelijkheid die je niet eerder kende. Maar wil je de sprong maken, dan zul je die nieuwe werkelijkheid eerst moeten overwegen vanuit een stevige, rustige positie waar je kunt functioneren.

Volgens de goegemeente houdt geloof in dat je maar blind blijft rondtasten zonder iets echt te weten of te begrijpen, in een zweverige, irreële (zogezegd realiteitsloze) toestand. Daarom is het uiterst belangrijk onderscheid te maken tussen de juiste en onjuiste opvatting van geloof. Wat is die juiste opvatting ? In feite is er een aantal opeenvolgende stappen nodig om te kunnen geloven. Elk van deze stappen getuigt van intelligentie en heeft een stevige basis in de werkelijkheid. De eerste stap is : een nieuwe manier van functioneren overwegen in plaats van door te gaan met de keten van negatieve reacties die je ontdekt hebt.
... De eerste stap is dus de nieuwe manier in overweging nemen. Je weet nog niet hoe of wat, maar je neemt in overweging dat er mogelijkheden bestaan waarvan je tot dusverre nog niets weet. Als je niet je gedachten die richting laat gaan, kun je nooit nieuwe kennis verwerven, laat staan bewust de diepere processen achter je reacties en gedrag veranderen. Geen enkel nieuw idee zou in de menslijke geest kunnen opkomen als hij er geen ruimte maakte voor die mogelijkheid. als je je afsluit voor nieuwe ideeën, komen ze ook niet in je op. Wil je echt gaan geloven dan zul je dus als eerste, essentiële stap ruimte moeten maken voor een tot nog toe vaag omlijnde mogelijkheid. In feite is het de eerste stap in geloof. Het geloof dat er iets kan bestaan buiten je huidige blikveld. Dat heeft niets met lichtgelovigheid te maken en is geenszins onintelligent. Integendeel we zijn het er allemaal over eens dat het van een pijnlijk gebrek aan intelligentie, wijsheid en verbeeldingskracht getuigt om alleen aan te nemen wat je ziet. Dat is echt bekrompen.
...
Wat ik beschreven heb, is de springplank, de eerste fundamentele stap op de ladder. ... Het is een eerlijke en open benadering die eenvoudig ruimte maakt voor nog niet ervaren alternatieven.

Ik heb al dikwijls in een andere samenhang vermeld dat deze houding onontbeerlijk is voor iedere serieuze wetenschapper. Toch zijn het juist wetenschappelijk denkende mensen bij wie geloof in een kwaad daglicht staat, omdat zij de onjuiste versie van geloof voor ogen hebben. Maar de reële stappen die bij geloof horen en die het op zich tot een dynamische weg maken, zijn geheel en al in overeenstemming met wetenschappelijk denken. Alternatieven in overweging nemen die je nog niet kent, is een eerlijke houding; het is objectief en nederig. De eerste sprong in het onbekende - en in het nieuwe - maak je met deze instelling. Dat wil niet zeggen dat je niet bang zult zijn; elke nieuwe ervaring gaat immers gepaard met angst, maar deze angst is snel en makkelijk te overwinnen.

...

Laten we nu de keerzijde van de munt eens bekijken, namelijk twijfel. Natuurlijk bestaat er reële twijfel, want als je nooit zou twijfelen zou je inderdaad lichtgelovig zijn, en dat valt weer onder de verkeerde en misvormde versie van geloof. Bovendien liggen er in deze lichtgelovigheid, dit gebrek aan terechte twijfel, heel wat negatieve aspecten besloten. Bijvoorbeeld wensdenken, de tegenzin om onprettige kanten van jezelf, van anderen of van het leven in het algemeen te accepteren en aan te pakken. Dat komt voort uit luiheid. Wanneer je niet op de juiste manier twijfelt, wil je om de verantwoordelijkheid heen om besluiten te nemen, keuzes te maken en onafhankelijk te zijn.
Maar wanneer je op de juiste manier twijfelt, ben je op weg naar geloof en geloof je. Twijfel je echter op de verkeerde manier, dan creëer je een enorme splitsing. Hier rijst niet alleen de vraag waaraan je twijfelt, maar ook hoe je twijfelt en waarom je twijfelt. Wat zijn je echte motieven om te twijfelen ?

Laten we bij wijze van voorbeeld aannemen dat je twijfelt aan het bestaan van een hogere intelligentie, van een universele scheppende geest. Met die instelling beweer je dat je twijfelt, maar eigenlijk bedoel je dat je ’weet’ dat die niet bestaat. Dat is ten eerste niet mogelijk want je kunt dat niet weten. En ten tweede is het oneerlijk, omdat je je huidige, zeer beperkte waarnemingen voor de uiteindelijke werkelijkheid houdt. In een dergelijke bewering schuilt bovendien nog een oneerlijkheid, namelijk dat je er heimelijk belang bij hebt, zoiets te geloven. Deze overtuiging is net zozeer persoonlijk gekleurd door wensdenken als de verkeerde vorm van geloof. Er is een groot aantal redenen waarom je er persoonlijk belang bij hebt, bijvoorbeeld de angst dat je op een dag onder ogen zult moeten zien wat je nu naarstig vermijdt. Het is een vorm van wensdenken om te geloven dat het leven ophoudt, dat er geen diepere zin in besloten ligt, want dan maakt het allemaal toch niets uit. Dus geloof je in een niet-God omdat je van consequenties verschoond hoopt te blijven.
...
Als je aan iets twijfelt dat je niet wenst te kennen, om welke reden dan ook, dan is je twijfel oneerlijk. Deze vorm van twijfel heeft veel gemeen met de verkeerde vorm van geloof. Beide worden geleid door wensdenken. Het komt heel vaak voor dat diegenen die trots zijn op hun twijfel omdat zij niet lichtgelovig willen lijken in andermans ogen, nooit hun twijfels in twijfel trekken. Dus onderzoek je twijfels. Heb je belang bij een bepaalde twijfel ? Wat zijn de eerlijke redenen voor je twijfel ? Op welke reële overwegingen baseer je deze twijfel ? Als je je twijfel in twijfel trekt en onderzoekt, ontdek je waardoor je je werkelijk laat leiden in dit opzicht, en zo kom je nader tot geloof.

...

Schijnbaar is er sprake van twee tegengestelden, namelijk geloof en twijfel. De religie zal simpelweg zeggen dat geloof ’goed’ is en twijfel ’fout’. Intellectueel ingestelde mensen zullen zeggen dat geloof ’fout’ is en twijfel ’goed’. Die twee partijen twisten om hun gelijk, Zij geloven allebei de waarheid in pacht te hebben. Maar zowel het gelijk als het ongelijk ligt aan beide kanten. In werkelijkheid zijn geloof en twijfel geen tegengestelden die elkaar uitsluiten. Ze vullen elkaar aan. Reële twijfel selecteert, weegt af, maakt onderscheid, probeert de waarheid te vinden en schuwt geen denkwerk om met de werkelijkheid om te gaan. Dit leidt tot verschillende stappen in geloof. Bij elk van deze stappen is de juiste soort twijfel noodzakelijk. Wanneer je bijvoorbeeld aarzelt een sprong in het onbekende te maken, moet je je angst en je veronderstelling dat die angst de uiteindelijke werkelijkheid is, in twijfel trekken. Wanneer je tot het luie soort geloof neigt, dan moet twijfel je tot nadenken zetten. Wanneer je de neiging hebt om op een destructieve manier te twijfelen, moet geloof verhinderen dat je er totaal in opgaat, en zo de momenten van waarheid uitvlakt die je al ervaren hebt.

Je kunt altijd de eenheid, het juiste geloof en de juiste twijfel, vinden en zo uit je misplaatste geloof en misplaatste twijfel komen. Daarvoor heb ik jullie een sleutel gegeven : Wees waarheid en liefde toegedaan. Zelfs voordat je een goddelijke geest die alles bestiert en in alles leeft, ervaart (en er dus in gelooft), kun je de waarheid en liefde ’veilig’ als je wegwijzer gebruiken, als maatstaf voor je leven. Geef je eraan over en laat iets onwaarachtigs en liefdeloos’ varen voor iets waarachtigs en liefdevols.

( Padwerklezing 221 )


Levensvragen

In hoeverre zijn levensvragen als "Waartoe zijn wij op aarde ?" te verbinden met stricte logica ? Wat zijn levensvragen eigenlijk ?

De vraag is de poort naar kennis.
Zonder vraag geen verbinding met het weten.
Wanneer de mens een vraag stelt, dan wil hij iets weten ; hij wil weten waar hij aan toe is met de vraag. Wanneer men zulk een vraag stelt, dan zoekt men niet de toegang naar kennis, maar de bevrediging van de eigen onzekerheid.
Ook kan de mens een vraag stellen omdat hij zich zorgen maakt.
Ook dan zoekt hij geen kennis, maar oplossing of opheffing van de zorgen.
Een werkelijke vraag wordt in vrijheid gesteld, dit is : vrij van persoonlijke belangen en angsten.
Maar wie stelt een vraag wanneer er geen vragen zijn ?

Het leven zelf is één grote, diepe vraag.
De aandachtige mens voelt deze vraag van het leven elke dag.
Elke dag vraagt het leven aan de mens die kennis zoekt : wat weet u van mij ?
Naar welke kant kijkt u vandaag ?
Ziet u mijn glimlach wanneer de tijd als een bliksem aan u voorbijgaat ?
Ziet u mijn verwondering wanneer u voor de zoveelste keer opnieuw dezelfde vergissing wilt maken ?
Vele vragen stelt het leven aan de aandachtige mens.
Alleen aan hem, want aan de op zichzelf gerichte mens is elke vraag vergeefs gesteld en vergeefs is een woord dat het leven niet kent.

Alleen de aandachtige mens, de mens die op zoek is naar de kern van het leven, alleen aan deze mens stelt het leven zijn vragen.
Het leven verlangt van deze mens echter geen antwoorden, want antwoorden zijn bedoelde eindingen, bedachte grenzen waarachter men ophoudt met kennis vergaren.
Het antwoord op een vraag is vaak nog schadelijker dan het niet stellen van een vraag.
Want geen vraag is geen bewustzijn, maar een slecht antwoord is iemand de verkeerde weg wijzen, waardoor deze een vertraging oploopt of helemaal in het geestelijke landschap verdwaalt en in het eigen onbewuste oplost.

Het antwoord is dus niet het doel van een vraag.
Een vraag is als een brug. Ze leidt naar een volgende vraag die aan de overkant van de rivier is gelegen.
Een vraag is ook een ladder, bij iedere vraag kunt u hoger komen op de trap van het weten.
Een vraag leidt dus tot beweging en niet, zoals bij een antwoord, naar een conclusie, wat stilstand betekent.

Ieder mens ontmoet in zijn leven verschillende vragen.
Sommige mensen ontmoeten veel vragen, zij willen snel vooruit, zij willen uit het leven halen wat er in zit. Zij zijn verlangend als het kind naar het waarom.
Andere mensen hebben maar enkele vragen, zij willen niet zo snel, zij willen rustig, zij willen zowel het ene, de aarde, als het andere, de hemel.
Sommige mensen willen geen vragen. Zij ontkennen de enkele vraag die in hun leven aanwezig is. Ze verpletteren deze vraag met de ontkenning, met alle aardse middelen. Ze merken deze niet eens.
Ze vragen zich af, zeggen ze, maar wat ze doen is meepraten met iemand die zich iets afvraagt. Ze denken mee, zeggen ze, maar praten alleen na.
Hun leven is een kopie van het leven zoals ze dat bij anderen waarnemen.

Elke vraag vertelt over de mens die haar stelt.
Elke beweging die de vraag oproept, vertelt iets over de geestelijk reis die de aandachtige mens onderneemt.
Elke beweging die naar een nieuwe vraag leidt, gaat in de richting van het leven.

( Uit : Theije Twijnstra, De belofte van uw leven )


Verder naar de pagina over ethiek

Terug naar navigatie-pagina

Terug naar begin-pagina