De religieuze omwenteling

(Dubbel Delft - in : Delft op Zondag, 11 november 2007)

Twee foto’s uit een plaatselijk huis-aan-huisblad. Beide foto’s zijn genomen in de Hugo de Grootstraat in Delft op nagenoeg dezelfde plaats. De linker foto is vele jaren geleden genomen. De rechter is van recenter datum. Op de linker foto is nog de Westerkerk te zien, de kerk waarin ik gedoopt ben. De kerk is er niet meer : afgebroken om plaats te maken voor woningen en een kleine kapel. Ik herinner mij dat de kerk op zondagochtend bomvol zat. De gaanderijen, waren grotendeels bezet. Later, toen er gaandeweg minder bezoekers kwamen naar de ochtenddiensten, werden die afgesloten. En tenslotte werd de kerk afgebroken. Ook de kerk ”Het Open Hof”, waar mijn ouders later elke zondag naar de kerk gingen, bestaat niet meer. Ook die is afgebroken.
De foto’s illustreren de grote religieuze verandering die zich in Nederland heeft voorgedaan in de tweede helft van de 20-ste eeuw.

Deze pagina kent de volgende onderwerpen

Traditioneel christendom

De Tweede Wereldoorlog had veel religieuze vragen opgeworpen, waarop de traditionele kerken niet echt een antwoord hadden. ”Geloven na Auschwitz” was een tijdlang een onderwerp van discussie en bezinning binnen de kerken. Omdat het gemiddelde opleidingsniveau omhoog ging, gingen velen de de leerstellingen van de kerken veel kritischer benaderen. De toenemende welvaart maakte dat men een heel andere houding tegenover het leven van alledag kreeg.
De meeste mensen die de kerk verlieten, sloten zich niet aan bij een andere religieuze stroming, maar verlieten in de meeste gevallen de georganiseerde religie. Kerken probeerden door te vernieuwen de gelovigen te behouden. Sommige kerken lieten allerlei oude dogma’s los. Andere kerkgenootschappen hielden juist vast aan hun orthodoxe leer. In de meeste gevallen was er een mix van het introduceren van nieuwe vormen en vasthouden aan het oude, in een poging om zowel de oudere als de jongere generatie voor het geloof te behouden. Veelal had dat het effect dat zowel de oudere garde als de jongere garde zich niet meer thuis voelde in de kerk.

Een nieuw religieus palet

Wat er voor in de plaats kwam, was een op religieus gebied een veel meer geschakeerde samenleving. De verzuiling, de scherpe tegenstellingen tussen verschillende religieuze stromingen, die elk hun eigen kerken, scholen, sportverenigingen, politieke partijen etc. hadden, verloor geleidelijk haar scherpe kanten. Allengs deden nieuwe religieuze stromingen hun intrede. Leden van de Baghwan-beweging en de Hare-Krishna-beweging baarden opzien door hun opzichtige kleding. De meeste van die stromingen verliepen na verloop van tijd en verdwenen uit de publieke belangstelling. Er kwam steeds meer informatie over niet-westerse godsdiensten beschikbaar. Uit Tibet gevluchte monniken die in de Verenigde Staten terecht waren gekomen, legden in Westerse termen uit waar het in het boeddhisme om ging. Met name door de komst van grote groepen moslims uit gebieden rond de Middellandse zee vestigde de islam zich in de Lage Landen. Opvallend is de opkomst van het New-Age-gedachtengoed. New Age vertegenwoordigt een samenraapsel van allerlei ideeën die al dan niet in oude religies zijn terug te vinden, waaruit iedereen naar believen zijn keuze kan maken. Soms komen mij die ideeën zo onwaarschijnlijk voor, dat ik niet begrijp hoe iemand erin kan geloven. Aan de andere kant tref je in de New-Age-wereld uiterst waardevolle inzichten aan. Ook kwam er meer informatie over het vroege christendom beschikbaar. De geschriften die in 1945 bij het Egyptische plaatsje Nag Hammadi waren gevonden, waaronder het evangelie van Thomas, kwamen bijvoorbeeld in 1994 in een Nederlandse vertaling beschikbaar. Op religieus gebied leven we in een ontzettend interessante tijd.

Wat godsdienst met mij deed

Mijn gereformeerde opvoeding heeft mij een gevoel gegeven van wat religie met je doet. De relgieuze traditie waarin ik opgroeide, vormt een soort kapstok waaraan ik allerlei zaken in de maatschappij aan afmeet. Een collega, die mij had verteld over zijn echtelijke problemen, zei later - doelend op mijn reactie op zijn verhaal - tegen mij : ”Jij denkt toch nog heel erg christelijk”.
Ik ben ontzettend blij dat ik in mijn opvoeding een degelijke bijbelkennis heb meegekregen. Al is het alleen maar omdat de bijbelse verhalen overal zijn terug te vinden in onze cultuur. Ooit klaagde een studente kunstgeschiedenis, die geen religieuze achtergrond had, dat zij de verhalen die werden uitgebeeld schilderijen uit de Middeleeuwen en de Renaissance niet kende, terwijl iedereen om haar heen die verhalen leek te kennen.
Dat neemt niet weg dat ik erg veel moeite heb gehad om op religieus gebied mijn weg te vinden. Toen ik ongeveer 25 jaar oud was, heb ik eens voor mijzelf proberen op te schrijven wat ik nu eigenlijk geloofde. Het werd een verward verhaal. Ik kon eigenlijk maar één conclusie trekken : op religieus gebied was ik verward. Toen ik jaren later als onderdeel van deze website de pagina’s over het christendom had geschreven, was dat in zekere zin een opluchting. Ik had inmiddels een meer uitgekristalliseerd beeld gekregen waar voor mijn gevoel het
christendom voor staat, of voor zou moeten staan.

(Dubbel Delft - in : Delft op Zondag, 18 november 2007)

Bovenstaande foto’s zijn beide genomen vanaf hetzelfde punt, op een brug over een Delftse gracht, het Vrouw Juttenland. Op de linker foto is nog de Sint Hyppolytuskerk te zien.

Lourdes

Op twaalfjarige leeftijd ben ik op de fiets op weg naar school een hersenschudding gevallen. Ik kwam bij in het huis van mensen die langs de weg woonden waar ik gevallen was. Een ambulance bracht mij naar het katholieke Sint Hyppolytus-ziekenhuis. Aan het einde van mijn verblijf in het ziekenhuis lag ik in een ’grote zaal’, waar ook andere kinderen lagen. Op een middag werden alle bedden naar een soort filmzaal gereden, waar een meneer een enthousiaste dia-presentatie gaf over de reis dat jaar vanuit Delft was georganiseerd naar de bedevaartsplaats Lourdes. Uit het verhaal bleek dat ook in andere jaren zo’n reis was georganiseerd. Voor mij was deze presentatie bijzonder, omdat ik voor het eerst iets meemaakte van het enthousiasme van een katholieke gelovige voor zijn godsdienst, terwijl in de gereformeerde kerk waarin ik werd opgevoed het maken van een pelgrimstocht gewoonweg niet bestond.

Vragen

Theoloog Hans Jansen stelt in zijn hoorcollege over de islamitische godsdienst en cultuur dat toetreding tot een godsdienst meestal via nauwe, voor de toetreder belangrijke sociale banden, die in principe religieus neutraal zijn, bijvoorbeeld ouder-kind, man-vrouw of oude vrienden :

Tot een godsdienst treed je meestal niet toe uit innerlijke behoefte of uit metafysische jeuk of iets dergelijks. Meestal treden mensen toe omdat ze nauwe banden hebben met mensen die die toetreding hoog op prijs stellen. Er zijn misschien wel individuele uitzonderingen op, maar in het algemeen is dat toch de regel. Eén van de bekendste voorbeelden is natuurlijk ouder-kind. Dat is een volstrekt niet-religieuze band, ouder en kind. Kinderen voelen dat hun ouders het mooi zullen vinden en ... ze worden lid van dezelfde godsdienst als hun ouders als ze acht, negen, tien zijn. In de puberteit - als er een puberteit is, wat natuurlijk ook een beetje cultureel bepaald is - dan lopen de dingen natuurlijk soms heel anders, maar in principe neem je het over door de niet-religieuze banden die je met je ouders hebt. En ook man-vrouw is zo’n band. Wanneer je wilt trouwen met iemand die eist dat je tot zijn of haar godsdienst overgaat, dan zeggen de meeste mensen tegen elkaar, tegen zichzelf vooral : ”Ach weet je, het is niet toetsbaar, halleluja, ik ga door de knieën.”. Een intensieve band, bijvoorbeeld van een huwelijk of een relatie of wat dan ook, kan mensen ertoe brengen om toe te treden. Hoe nauwer die banden zijn, hoe beter mensen bij de les blijven. Het omgekeerde is ook waar. Als die banden verslappen hebben mensen de neiging eruit te gaan. Een heel bekend voorbeeld is een club die het einde van de wereld verwachtte en op een bergtop zat te kijken naar het einde van de wereld. Toevallig had de sociologe die die club onderzocht, gemerkt dat ze allemaal familie van elkaar waren, en ze had het goed in kaart gebracht. De hele club kon gelijkelijk waarnemen dat om kwart over zes die avond de wereld niet ten onder was gegaan. Toch, de mensen die het verst verwant waren van de stichter van de club gingen het eerste weg. De verwanten in de eerste graad bleven het langste zitten om te kijken of er misschien toch nog iets zou gebeuren. Ik zeg niet dat godsdienst niets met metafysica, filosofie, geloof of noem maar op te maken heeft, ik zeg alleen dat de toetreding en de uittreding dat daar sociale factoren een hele grote rol in spelen.
(Prof. dr. Hans Jansen, Islam, een hoorcollege over de islamitische godsdienst en cultuur)

Deze krachten heb ik ook ondervonden. Enerzijds stelden mijn ouders het op prijs dat ik in in grote lijnen hun geloof zou overnemen. Anderzijds merkte ik dat er in gezinnen van vrienden en klasgenoten soms heel anders werd gedacht. Ik kon voor mijzelf de krachten ’geloven als ergens van overtuigd zijn’ en ’ergens niet van overtuigd zijn, omdat het niet proefondervindelijk is vast te stellen’ niet met elkaar in overeenstemming brengen. Ik wilde wel geloven omdat mijn ouders dat op prijs stelden, maar als ik heel diep in mijzelf keek, kon ik het geloof zoals dat dat werd ’voorgeschreven’, niet in alle opzichten volgen. ’Hoe kun je ergens zeker van zijn, en als je ergens niet zeker van bent, hoe kun je dat dan toch als overtuiging uitdragen ?’ was en is nog steeds één van mijn vragen.

Religie als voorbijgaand verschijnsel

In de tweede helft van de twintigste eeuw werd in bepaalde kringen in de Nederlandse samenleving gedacht dat religie een aflopende zaak was. De tekenen die daar op duidden waren legio : kerken stroomden gestaag leeg; de christelijke politieke partijen verloren veel leden ten gunste van meer pragmatische politieke partijen zonder religieus-levensbeschouwelijke grondslag; de normen veranderden geleidelijk : de weerstand tegen echtscheiding, abortus, ’winkels op zondag open’, seks op tv, grove taal in de media verminderde aanzienlijk.
Het was alsof krachten die tot geloof aanzetten over het hoofd werden gezien. Krachten als ’een beter of gelukkiger mens willen worden, en daarvoor een basis zoeken’ of ’Hoe vind ik een houvast om mij staande te houden in emotioneel zware tijden’ of ’Hoe is alle ellende op deze aarde te verklaren ?’ werden niet onderkend als een motivatie voor een religieuze zoektocht.
Maar ook het feit dat heel veel mensen een spontane paranormale ervaring hebben, waardoor ze toch in de richting van ’Er moet meer zijn’ worden gestuurd, werd genegeerd.
Bovendien werd het belang van geheel nieuwe vormen van religie niet onderkend. Nu moet ik toegeven dat binnen de nieuwe religieuze richtingen die zich aandienden voor mensen die met beide benen op de grond willen blijven staan nogal vreemdsoortige theoriën worden aangehangen. Toekomstvoorspellen (bijvoorbeeld door middel van Tarot-kaarten), astrologie, wichelroedelopen, pendelen, bijzondere krachten die aan edelstenen worden toegekend etc. wekken de nodige scepsis.
Toch bleek de aanzienlijke invloed van deze stromingen bij peilingen naar de religiositeit in Nederland. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw gaf een groot deel van de ondervraagden aan te geloven in reïncarnatie. En velen zeggen te geloven dat er meer is, zonder dat zij precies kunnen of willen aangeven wat dat is. Deze richting kreeg de naam ’ietsisme’.

Spiritisme

Mijn religieuze zoektocht heeft een zekere wending gekregen, door een aantal ervaringen, die ik paranormaal zou willen noemen. Ik zal ongeveer 19 jaar oud geweest zijn, toen ik voor het eerst het gevoel kreeg dat iets zou gaan gebeuren, terwijl ik dat volgens normale natuurwetenschappelijke maatstaven nooit kon weten. De aard van die ervaringen passen wat mij betreft niet in het bestek van deze homepage. Zij zijn te persoonlijk. Vrienden, die ik deze ervaringen heb toevertrouwd, hebben mij gevraagd : ”Herinner je je dit wel goed ? Maak je dit jezelf niet wijs, door een verdraaide herinnering ?”. Maar ik herinner mij deze gebeurtenissen glashelder, voor mijn gevoel.
Deze paranormale ervaringen deel ik op in grofweg twee categorieën. (1) Enerzijds waren er ingevingen die mij zeiden ’dit of dat gaat gebeuren’ of ’houd er rekening mee dat dit of dat wel eens zou kunnen gaan gebeuren’. (2) Anderzijds waren er ingevingen die meer het karakter hadden van ’ga dit of dat doen’. De ingevingen van het tweede type heb ik niet altijd opgevolgd. Maar later bleek eigenlijk altijd dat ik het beter wel had kunnen doen, dat een en ander toch prettiger zou zijn verlopen als ik aan die ingeving gehoor had gegeven.
Uit deze ervaringen heb ik geconcludeerd dat er waarheid moet schuilen in spiritistische opvattingen.
Ik kon niet anders dan de conclusie trekken dat er onzichtbare intelligente wezens bestaan, die waarnemen wat op aarde plaatsvindt, en die in staat zijn inzichten en gedachten in de geest van mensen te plaatsen. Door mijn opvoeding was ik niet vertrouwd met deze directe beïnvloeding van de ’geestenwereld’ op het dagelijkse gebeuren van alledag.

De paranormale ervaringen voel ik als een geschenk. Het geschenk is dat het niet meer nodig is te twijfelen aan een voortbestaan na dit aardse leven. Het geschenk is dat je weet dat er - wat de omstandigheden ook zijn - toch een onzichtbare begeleiding is, die je helpt; en dat geldt voor iedereen.
Anderzijds loop ik met deze ervaringen niet te koop. Eén reden heb ik al gezegd : ze zijn te persoonlijk. In een aantal gevallen houden ze verband met zaken waar ik moeilijk mee overweg weet te gaan. Een andere reden is dat ik enigszins beducht ben voor negatieve reacties, zoiets als : ’Het klopt toch echt niet wat jij denkt’, een reactie waartegen ik mij niet kan verweren. En ik wil helemaal niet ’bijzonder’ zijn, uit zijn op een zeker effect. Daarom houd ik deze belevenissen meestal voor me.

Literatuur over paranormale verschijnselen

Uiteindelijk ben ik erg veel gaan lezen over paranormale verschijnselen. Enerzijds waren er boeken die het spiritisme benaderen vanuit wetenschappelijke hoek, waaronder de werken van de professoren Tenhaeff en Van Praag. Anderzijds was er een veelheid aan literatuur van auteurs die zelf dagelijks paranormale verschijnselen aan den lijve ondervonden. Beide soorten lectuur hebben hun waarde. De wetenschappelijk benadering maakt een scheidslijn tussen wat wel proefondervindelijk is vast te stellen en wat niet.
Boeken die claimen gebaseerd te zijn op mededelingen van ’gene zijde’ brengen je in contact met al dan niet gefantaseerde werkelijkheden, die je in ieder geval aan het denken zetten. Ik denk niet dat het goed is om aan al die oncontroleerbare beweringen over hoe het universum in elkaar zou steken, en wat het doel van het leven is, klakkeloos geloof te hechten. Een verslag van dit literatuuronderzoek is te vinden op de pagina’s over
New Age op deze website.

Eén van de eerste boeken over paranormale verschijnselen was ’Van mens tot mens’ geschreven door een auteur die enkel haar voornaam Laetitia vermeldde. Ik had het boek uit de schappen van ’De Slegte’ geplukt. In het voorwoord verklaarde prof. H. van Praag dat Laetitia voor het parapsychologisch onderzoek een belangrijk medium was, en haar vriendinnen die na haar heengaan haar woorden publiceerden, volledig te goeder trouw waren. Zij verwees in haar boek naar de boeken van Jozef Rulof, die ik toen ben gaan lezen.
Het taalgebruik van Jozef Rulof is ietwat archaïsch, en daar moet je aan wennen. De boeken van Jozef Rulof roepen op om het goede te doen, en zijn in die zin waardevol. Een paar van zijn boeken vind ik ontroerend. Zoals ik het zie, zijn de opvattingen van Jozef Rulof niet helemaal consistent. Zo schrijft hij ergens - ik meen in ’Het ontstaan van het Heelal’ - dat de mens nooit de maan zal bereiken. Ik ga er toch vanuit dat in 1968 de bemande ruimtecapsule van de Amerikanen wel echt op de maan is geland. In ’De Volkeren der Aarde’ schrijft hij dat de Tweede Wereldoorlog de laatste oorlog zal zijn. Dit verklaart en corrigeert hij wel in het boek ’Vraag en Antwoord’, maar echt overtuigend vind ik zijn correctie niet. Bij zijn laatste boeken over kosmologie ben ik afgehaakt. Ik kan ze niet volgen. Ook bij zijn theorieën over ’naschepping’ twijfel ik of dit wel waar is. Maar ondanks dat vind ik zijn boeken toch wel het lezen waard. Zijn boek ’Geestelijke Gaven’ geeft een vrij volledig overzicht van wat op occult gebied mogelijk is.
Iets soortgelijks heb ik bij andere auteurs meegemaakt : wat ze schrijven heeft mogelijk een kern van waarheid, maar of het is zoals zij het stellen, dat betwijfel ik. Het varieert van een beetje twijfel via sterke twijfel tot een echt niet geloven. De ’Openbaring van Ramala’ is boeiende lectuur, maar wat er van waar is, ik weet het niet. De stellingen van Mellie Uyldert ? Ze zijn soms zo uit de lucht gegrepen, niet te controleren, dat ik het eerlijk gezegd niet geloof. Een beetje scepsis kan geen kwaad. Vaak missen stellingen van occulte schrijvers de nuance en zijn hun uitspraken voor mijn gevoel te zwart-wit geformuleerd. Maar goed, een ieder oordele voor zichzelf.
Ik heb nog talloze andere boeken gelezen. Om er wat te noemen :
De boeken ’Wonderen of wetten’ en ’Helderziendheid in ruimte en tijd’ van Gijsbert van der Zeeuw. geven een basis-inleiding over wat op paranormaal gebied mogelijk is.
De boekenserie van Neale Donald Walsch, die begint met het drieluik van ’Een ongewoon gesprek met God’, legt uit waarom God begonnen is met de schepping, en waar mensen verkeerde conclusies hebben getrokken over God.
De boekenserie ’Over de Goddelijkheid van de mens’ gevolgd door de ’Mara Magdalena Code’ van Gabriela en Reint Gaastra-Levin bieden meditaties om met jezelf in het reine te komen.
De boeken ’Padwerk : Werken aan jezelf of juist niet ?’, ’Voortgaan op je pad, van overleven naar leven’ en ’Liefde nader bekeken’ met (delen van) lezingen van het Oostenrijks-Amerikaanse medium Eva Pierrakos hebben mij duidelijk gemaakt dat religie met psychologie verbonden is in die zin dat de vraag ’Hoe kan ik een beter, gelukkiger mens worden ?’ in beide disciplines centraal staat. Padwerk wijst erop dat het nodig is ook je minder fraaie kanten onder ogen te zien op een spiritueel pad.

Monserrat

Op een vakantie in Barcelona vroeg een meisje of ik zin had om mee te gaan naar de Zwarte Madonna van Monserrat. Met een paar vakantiegangers gingen we met een trein vanuit Barcelona naar ergens in Catalonië. Vervolgens gingen we met een kabelbaan hoog de bergen in, waar een klooster was. We moesten een tijdje wachten voor we de ronde door de kathedraal konden maken. Er was een vrij lange rij mensen die langzaam een bepaalde route door de kathedraal volgde. Het hoogtepunt was het verblijf in een vrij kleine ruimte met daarin een zwart beeldje van Maria met het kind Jezus. Hoewel er eigenlijk niets opzienbarends was in die ruimte, heerste er een bijzondere sfeer. Het was dat er een lange rij mensen achter mij stond, en ik uit fatsoen door moest lopen, maar als het aan mij gelegen had, had ik veel langer in die ruimte willen blijven. Het was toch een moment waar een bepaalde rust over mij kwam.

Guatemala

In Guatemala bestaat naast de katholieke kerk en de talloze kerkjes van protestantse signatuur nog een derde religieuze stroming waarin de heilige Maximón wordt vereerd. Veel katholieken hangen ook de Maximón-religie aan, hoewel de katholieke kerk deze stroming een beetje buiten de deur probeert te houden (naar ik begreep). De chauffeur van de bus had verteld dat ergens in de buurt een cofradería was waar deze heilige werd vereerd, en vroeg of het reisgezelschap daar wilde stoppen om het te bezichtigen. Het bleek een gebouw te zijn ter grootte van een sportzaal, een soort grote kale schuur. Aan één zijde stond een groot beeld opgesteld, waarboven de naam ’San Pedro’ stond vermeld. Zo te zien werd Maximón vereenzelvigd met de katholieke heilige Sint Petrus. Er stonden mensen in de rij om langs het beeld te kunnen lopen, en misschien hun hart uit te kunnen storten in de nabijheid van het beeld. Soms zit het geld heel los in mijn zak, en geef ik iedere bedelaar wat, maar op dat moment was dat niet het geval. Er kwam een gehandicapte vrouw naar mij toe, die om wat geld vroeg. Ik beduidde dat ik niets wilde geven. Ze keek mij niet-begrijpend aan : Hoe kan het dat je een cofradería binnen gaat - wat je alleen doet uit hogere overwegingen, als je je hart wilt zuiveren of iets dergelijks - en dan aan een bedelaar niets geeft ? Het werd mij duidelijk dat deze religie een echte religie was, die beleefd werd door de aanhangers ervan.

Het werd mij duidelijk dat elke religie een innerlijke component heeft. Als buitenstaander zie je vaak alleen de uiterlijke verschijningsvorm. Ik vind het jammer aan de innerlijke component van religie voorbij wordt gegaan. Ik heb het nooit prettig gevonden als toeristen processies of andere religieuze uitingen fotograferen alsof ze in een dierentuin een of ander exotisch dier aan het fotograferen zijn.

Gevestigde religies

Boeddhisme

In New-Age-literatuur wordt nog al eens gesproken over meditatie, yoga, chakra’s en reïncarnatie, zaken die al eeuwen hun plaats hebben in het hindoeïsme en het boeddhisme. Dat was voor mij aanleiding mij te verdiepen in wat die eeuwenoude godsdiensten te vertellen hebben. Ik maakte in eerste instantie kennis met het boeddhisme via de boeken van Tarthang Tulku, een Tibetaanse monnik die naar het Westen was gevlucht. Wat mij opviel was dat het boeddhisme zoals Tarthang Tulku deze beschreef voor mijn gevoel op geen enkele manier botste met het christendom, zoals ik dat begrepen heb. Je zou als het ware christen en boeddhist tegelijk kunnen zijn. De verhalen en rituelen waren anders, de culturele achtergrond was anders, maar in essentie kwamen de religies overeen. Wat mij ook aansprak was dat Tarthang Tulku zich niet afzette tegen andere godsdiensten. Hij presenteerde eenvoudigweg wat hij geleerd had in zijn jeugd en in de jaren dat hij monnik was, zonder te beweren dat zijn traditie de waarheid in pacht zou hebben, en zonder andere tradities als minderwaardig te bestempelen. Uiteindelijk heb ik de pagina op deze website over het boeddhisme gemaakt aan de hand van het boek ’Wat de Boeddha onderwees’ van de Sri Lankaanse schrijver Walpola Rahula.

In 1995 was ik in Thailand. Vanuit Chang Mai maakte het reisgezelschap waartoe ik behoorde een excursie naar het noorden, naar de grens met Birma. We bezochten op onze tocht een boeddhistisch tempelcomplex. Het gezelschap verspreide zich wat over het terrein. Ik zag dat andere toeristen, die daar ook rondliepen, een trap opgingen. Ik had zin om mij even af te zonderen van mijn groep, en liep eveneens de trap op, nieuwsgierig naar wat daar te zien zou zijn. Ik kwam terecht in een idyllische kloof. Aan het einde daarvan was een grot. In die grot stond een boeddhabeeld. Een jongen stond kaarsen te verkopen, die je voor het beeld kon aansteken. De groep toeristen die voor mij uit had gelopen, had blijkbaar massaal kaarsen gekocht en aangestoken, want het geheel schitterde in het kaarslicht. Normaliter moet je je schoenen uittrekken als je een boeddhabeeld nadert, maar in de grot was het zo nat en lagen er zoveel plassen, dat niemand dat deed. Ik dacht : ”Als ik ooit een kaarsje bij een boeddhabeeld wil aansteken dan moet ik het nu doen”. Dat gedoe van mijn bergschoenen uittrekken, zag ik nooit zo zitten in boeddhistische tempels. Ik kocht wat kaarsen, zette ze naast de andere kaarsen voor de Boeddha, en stak ze aan. Wat er toen gebeurde was toch heel bijzonder. Het was alsof in één klap alle vermoeidheid van die dag van mij afgleed. Ik werd weer helemaal helder. Ik dacht  : ”Als dit verlichting is, dan wil ik het vaker meemaken ”. Laaiend enthousiast kwam ik weer beneden, en vertelde mijn reisgenoten, dat het de moeite waard was naar boven te gaan. Ook zij kwamen heel enthousiast terug.

Valkuilen van het boeddhisme

Hoewel het Boeddhisme mededogen en vrede voor iedereen beoogt, hebben de landen met een overwegend boeddhistische bevolking vaak geen vreedzame geschiedenis. Japan was tot aan de Tweede Wereldoorlog een militaire grootmacht. China heeft eveneens zijn aggressieve perioden gekend. Tibet is onder de voet gelopen door de Chinezen, die er vreselijk hebben huis gehouden. De oorspronkelijke Tibetanen leven er nu als tweederangs burgers. In Cambodja heeft het regime van Pol Pot vreselijke wreedheden begaan. - In Phnom Penh heb ik een school bezocht, waar de Rode Khmer gevangenen liet martelen. Tegenwoordig is die school ingericht als museum. Buiten Phnom Penh was ik op een plek waar mensen werden doodgeknuppeld : de ’killing fields’ - Toen ik in Thailand was, kwam ik er achter dat er in de afgelopen eeuwen er negen oorlogen tegen de Birmezen waren gevoerd. Birma is anno 2007 nog steeds een dictatuur. Het beleid van Thailand ten opzichte van Birma is keihard : Thailand houdt zijn grens potdicht voor Birmese vluchtelingen die de grens proberen over te komen. Sri Lanka kent zijn burgeroorlog in het noorden met de Tamil Tijgers.
”Hoe kan dat”, vroeg ik mij af, ”dat in een gebied met zo’n vredelievende religie oorlog en ellende heeft geheerst en nog steeds heerst ? ”

Ik meen dat het in een restaurant in Bangkok was, in Thailand. De uitbater had wat stoelen op de weg gezet, om de grote hoeveelheid gasten een plaats te kunnen geven. Blijkbaar was het niet volgens de regels, en een politiebusje stopte. De agenten begonnen de tafeltjes en stoeltjes in te laden. De restauranthouder en het personeel gingen gewoon door met hun werk alsof er niets bijzonders aan de hand was. Ze protesteerden niet. Onze gids vertelde dat het in Thailand niet gepast is, je boosheid in het openbaar te laten blijken.
In Cambodja maakte ik iets soortgelijks mee. Ik reisde met de speedboot van Phnom Penh over de Tonle Saprivier naar Siem Reap. Het was een schitterende tocht, waar iets heel vervelends mee was. De speedboot, waar zo’n 100 mensen op zaten, voer ik weet niet hoeveel visnetten kapot. Talloze drijvende colablikjes markeerden de netten van de honderden families die over de rivier verspreid in hun kleine bootjes aan het vissen waren. De speedboot ging er dwars overheen. Er was geen enkele reactie te bespeuren op de gezichten van de vissers. Gelaten keken ze naar de boot die voorbij raasde.

Ik vroeg mij af of het beteugelen of kalmeren van emoties zoals dat in het boeddhisme geleerd wordt, niet te gemakkelijk leidt tot onderdrukte emoties, die onderhuids voortwoekeren, zonder dat men daar zich van bewust is. Van tijd tot tijd komen die emoties dan in een uitbarsting van geweld aan het licht. Het is niet zoals Boeddha het bedoeld heeft, maar het is wel waar het in de praktijk toe kan leiden.
Ik vroeg mij af, of er een verband bestaat tussen de gewelddadige geschiedenis van Zuidoost Azië en de norm dat je geen blijk mag geven van je boosheid waardoor, bij het ontbreken van protest, leiders met psychopatische trekken te lang ongestraft hun gang kunnen gaan, omdat hen geen krachtig halt wordt toegeroepen.
Ik kan mij deze vragen wel stellen, maar wie ben ik om een oordeel te vellen over de beschavingen in Zuidoost Azië ? Als toerist zie je maar een heel klein flardje van de cultuur van een vreemd land.

Hindoeïsme

Over het hindoe´sme heb ik wel een aantal boeken gelezen, maar waar het in het hindoe´sme in de kern om gaat, heb ik niet begrepen. (Ik heb me uiteindelijk niet verdiept in het hindoeïsme. Wat losse aantekeningen, te summier om het hindoeïsme recht te doen, kun je vinden op een aparte pagina .)

In de boeken van Jozef Rulof wordt op verschillende plaatsen verwezen naar de hindoe-priester Ramakrishna (1836-1886), de ’heilige van Bengalen’, zoals hij in India genoemd wordt. Op basis van die verwijzingen heb ik het boek ’Sri Ramakrishna, Mens en boodschap’ gelezen.

Ik ben twee maal in India geweest, één keer in Noord-India en één keer in Zuid-India. Als toerist kon ik weinig merken van alle diepverheven beschouwingen, zoals ik die in het boek over Ramakrishna aantrof. Vooral de buitenkant van de religie was zichtbaar, in de vorm van tempels en onbegrijpelijke rituelen. Ik werd vooral geconfronteerd met de onvoorstelbare armoede. Ik begreep dat het merendeel van de Indiërs zich noodgedwongen maar met één ding kan bezighouden : hoe houd ik het hoofd boven water, hoe kom ik morgen aan eten. Ik werd dus geconfronteerd met een veel materialistischer mentaliteit dan ik verwacht had.
Ik las ergens dat toeristen die naar India gaan, in twee categorieën kunnen worden ingedeeld : zij die depressief worden van alle ellende die ze zien, en zij die helemaal opgelucht van hun vakantie terugkeren. Ik behoor duidelijk tot de laatste categorie. ”De problemen waar ik in Nederland mee te maken heb, zijn geen problemen”, realiseerde ik mij na afloop van mijn verblijf in het Noord-India. Wat India mij gaf, was het inzicht dat je, hoe arm je ook bent, je waardigheid behoudt.

In India en in Nepal heb ik mensen in het openbaar zien bidden. ’Is dat zo bijzonder ?’, vraag je je misschien af. Nee, want het is overal ter wereld te zien. Maar een enkele keer dat ik het in India waarnam, leek het dat of degene die bad zichzelf bleef in de volle zichtbaarheid van de hem of haar omringende menigte. Het zag eruit als een bidden dat het uit hart kwam, geen voorgeschreven gebed.

Valkuilen van het hindoeïsme

Omdat ik het hindoeïsme niet goed ken, is het voor mij moeilijk te zeggen wat de specifieke valkuilen van het hindoeïsme zijn.

Als ik afga op wat in de media te vinden is, behoort discriminatie vanwege het kastenstelsel daartoe, en misschien ook discriminatie van vrouwen, bijvoorbeeld mishandeling van vrouwen omdat er te weinig bruidsschat betaald zou zijn.

Te koop lopen met religie

Al vrij vroeg ben ik tot de conclusie gekomen dat het in religie niet gaat om uiterlijkheden. Bij religie gaat het erom hoe je je tegenover je medemens en tegenover alles wat leeft opstelt en gedraagt. Alle uiterlijk vertoon, zoals opvallende gebouwen, bijzondere gewaden, speciale symbolen, vaste rituelen, hoe indrukwekkend ze ook zijn, hebben in mijn beleving niets te maken met ware religie. In de leer van Jezus zoals die in de bijbel is opgetekend, komt die opvatting in verschillende verhalen tot uiting. ’Maak van godsdienst geen show’, is wat die verhalen in wezen zeggen.

Islam

Ik heb mij nooit aangetrokken gevoeld tot godsdiensten waarin bepaalde vormen van uiterlijk gedrag de klemtoon krijgen, als een plicht worden gezien, of als een maatstaf worden gebruikt om je zogenaamde oprechtheid aan af te meten.
Daarom heb ik geaarzeld mij in de islam te gaan verdiepen, een godsdienst waarin grote groepen gelovigen de klemtoon leggen op allerlei uiterlijkheden, zoals bepaalde kledingvoorschriften (baarden, hoofddoeken), bepaalde omgangsvormen (verschillende seksen zouden elkaar geen hand mogen geven, mannelijke artsen zouden geen vrouwen mogen behandelen) en allerlei uiterlijke rituelen (op een voorgeschreven manier bidden, vasten, pelgrimstocht maken). Bovendien zorgen allerlei uitwassen (zoals vrouwenbesnijdenis, eerwraak, bedreiging van mensen die uit de islam willen treden, terrorisme) van tijd tot tijd voor ophef.

Uiteindelijk, omdat de islam een wereldreligie is, en omdat er inmiddels een grote groep moslims in Nederland woont, ben ik me toch in de islam gaan verdiepen. Op één of andere manier krijg ik geen vat op de essentie van de islam. Bij het boeddhisme en christendom kan ik de essentie in één woord of één zin samenvatten. Bij het boeddhisme staat zelfonderzoek of zelfreflectie centraal, bij het christendom is liefde het centrale thema, maar bij de islam kan ik een dergelijk essentiëel uitgangspunt niet vinden. Het is hierbij alsof ik mij in een draaikolk bevindt. In een voortdurende poging voeling met de islam te krijgen, belicht ik de islam vanuit allerlei invalshoeken. Maar tot werkelijk begrip kom ik niet. Het verslag van dit onderzoek naar de islam is vrij uitgebreid geworden en bevat onder andere pagina’s die ingaan op de inhoud van de koran en de hadieth, het leven van de profeet Mohammed, historische betrouwbaarheid, specifieke koranteksten, islamitische theologie en hoe het islamitische geloof in het dagelijks leven gestalte krijgt.

Valkuilen van de islam

In de begintijd van de islam verspreidde deze godsdienst zich in het kielzog van Arabische veroveraars. De toestemming om ’je te mogen verdedigen’ leek geïnterpreteerd te worden als een toestemming om aan te vallen, plundertochten te organiseren en de macht te grijpen. Ik kan mij deze eerste horde veroveraars niet goed voorstellen als vredelievende mensen, die het beste met iedereen voor hadden, zeker niet als ik lees over de oorlogen die in de eerste jaren van het ontstaan van de islam in en rond Arabië zijn gevoerd. Later heeft de islam zich op een vreedzamer manier verspreid via handelscontacten. Maar ook in later tijd stuit ik steeds weer op sporen van geweld. De eerste keer dat ik in een gebied kwam waar een groot deel van de bevolking moslim is, was in India. Ik trof er hindoe-tempels aan die de agressie van de Islamitische overheersers hadden moeten weerstaan, ofwel door de tempels om te bouwen als forten, oftewel door de hindoe-heiligdommen te verbergen.
In Rajasthan, in de buurt van de grens met Pakistan, is de spanning tussen de islam en het hindoeïsme nog steeds voelbaar. Een paar jaar later ben ik naar Egypte geweest, waar de bevolking in meerderheid moslim is, maar waar toch nog een substantiële christelijke minderheid bestaat. In Caïro kocht ik het boek ’Christanity in the land of the Pharaohs’ van Jill Kamill. In het hoofdstuk ’Change and continuity under Islam’ wordt verteld over een aaneenrijging van perioden van onderdrukking en discriminatie afgewisseld door perioden van relatieve ontspanning. Berichten uit Irak van de na de val van Saddam Hoessein vertellen over spanningen tussen verschillende islamitische bevolkingsgroepen. Niet-moslims (waaronder christenen) schijnen helemaal in de verdrukking te zijn gekomen. Aan het einde van de twintigste eeuw bestaan op diverse plaatsen in de wereld zogenaamde ’islamitische brandhaarden’. Dat zijn gebieden waar de spanning tussen islamitische en niet-islamitische bevolkingsgroepen zich uit in geweld : Tjetjenië, Armenië en Azerbeidjan, Afghanistan, Palestina, de Balkan, Irak, het zuiden van de Philippijnen, Zuid-Thailand, de Molukken, Noord-Birma, Nigeria, Darfur. Het geweld heeft zich inmiddels ook verplaatst naar de Westerse wereld in de vorm van aanslagen in New York, Madrid en Londen, waardoor in Europa sommigen de islam als een probleem zijn gaan zien.
Wat is hier aan de hand ?

Ik meen dat de meeste moslims het verschrikkelijk vinden dat sommigen van hen extremistische ideeën aanhangen. Een kleine minderheid verprutst het dan voor een grote groep welwillenden, die een gewoon, normaal leven willen leiden.
Ik waardeer uitspraken van vooraanstaande en gewone moslims tegen gedwongen uithuwelijking, achterstelling van vrouwen, eerwraak, bedreiging van ex-moslims en discriminatie van homo’s.
Ik heb de indruk dat een grote groep moslims de kritiek, dat zij te veel hun ogen sluiten voor de misstanden binnen hun eigen gelederen, ter harte genomen hebben, en zich ervoor inzetten dat de jeugd niet ontspoort.

De koran bevat prachtige teksten dat er in godsdienst geen dwang mag bestaan, en dat iedereen het geloof naar eigen inzicht vorm mag geven omdat iedereen uiteindelijk individueel verantwoordelijk is voor God. In die verantwoordelijkheid kan niemand zich beroepen op anderen, zelfs niet zijn eigen familie of zijn eigen clan. De islam kent verhalen die aangeven dat iedereen op zijn eigen niveau een begrip van God mag hebben. Toch maakt de literatuur melding van een grote groepsdruk in othodox-islamitische kringen om het geloof middels een bepaalde voorgeschreven vorm te beleven. Ik zie het als een valkuil, wanneer mensen vergeten dat ze hun medemens vrij moeten laten in hun geloofsbeleving.

Valkuilen van het christendom

De geschiedenis van de landen met een overwegend christelijke bevolking is doordrenkt met bloed : kruistochten, geweld tegen andersdenkenden (ketters), inquisitierechtbanken, godsdienstoorlogen, koloniale oorlogen, slavenhandel, de Eerste en Tweede Wereldoorlogen. De geschiedenis lijkt te bestaan uit een aaneenrijging van oorlogen en geweld.
Hoe kan dit ?

Hoe kan het zijn dat de volken die zich beroepen op een spiritueel leider die heeft opgeroepen tot het afzien van geweld, tot verzoening, tot liefde voor de medemens ongeacht wie het is, tot hulp aan de zwakkeren en onderdrukten in zoveel situaties niet naar de aanwijzingen van die leermeester hebben gehandeld ?

Ik meen dat sinds de Tweede Wereldoorlog de christelijke kerken zich voor een groot deel hebben gezuiverd van allerlei misstanden. De kerk waarin ik ben grootgebracht, heeft de discriminatie van vrouwen al weer vele jaren geleden ongedaan gemaakt door het toe te staan dat ook vrouwen predikant kunnen worden.
Helaas bestaan er nog steeds misstanden binnen de christelijke kerken.
Ik betreur het dat binnen de rooms-katholieke kerk het aan geestelijken niet is toegestaan om te trouwen.
Ik vind het vreselijk dat door de rooms-katholieke kerk niet altijd adequaat werd ingegrepen wanneer geconstateerd werd dat een priester kinderen of jong-volwassenen die onder zijn hoede werden geplaatst, sexueel misbruikte, waardoor deze praktijken geen halt werden toegeroepen.
Ik zag ooit een reportage over een missionaris, die een hele inheemse samenleving totaal had ontwricht door zijn missiewerk. Ik zou willen dat er objectief sociologisch onderzoek wordt gedaan naar de effecten van propaganda voor een of andere godsdienst in een bepaald gebied, om te voorkomen dat mensen die deze propaganda steunen, een rad voor de ogen wordt gedraaid, doordat deze activiteiten als louter positief worden voorgesteld.

Valkuilen van religie

In mijn boekenkast staat een exemplaar van het boek ’When religion becomes evil’ van Charles Kimball. Een vrije vertaling van de titel is ’Wanneer religie een kwaadaardig fenomeen wordt’. Hij behandelt de valkuilen
-   menen dat je de absolute waarheid in pacht hebt,
-   blinde gehoorzaamheid,
-   van mening zijn dat jouw religieuze groepering een ideale samenleving mag of moet afdwingen
-   denken dat het doel de middelen heiligt,
-   oproepen tot een heilige oorlog.
Deze valkuilen tref je in alle religies aan. Bij het derde punt, het vestigen van een ideale samenleving, geeft Charles Kimball als voorbeelden de repressie door het Talibaan-regime in Afghanisthan, de vernedering van de Palestijnen in de staat Israël en de politieke praktijken van conservatief-christelijke groeperingen in de VS.

Scepsis

Als je de valkuilen van religie overziet, ontstaat een zekere scepsis ten aanzien van religie. Er is onder het mom van religie te veel gebeurd dat niet door de beugel kon. Daarom is het noodzakelijk om sceptisch zijn. De mensheid moet aanvaarden dat men niet klakkeloos mag overnemen wat maar beweerd wordt, ook al zijn de beweringen afkomstig van mensen met een hoge status of met een betrouwbaar imago. De mensheid is te vaak om de tuin geleid.

Maar ook sceptici kunnen doorslaan in hun rationalisme. De resultaten die wetenschappers verkregen, waren soms zo onvoorstelbaar, en sloten zo slecht aan bij de gangbare opvattingen, dat de enige reden, dat de resultaten verworpen werden, was, dat men het niet kon of wilde geloven.

Bij wetenschappelijke onderzoek op het grensgebied van bewustzijn en materie kom je regelmatig discussies tegen over wat wetenschappelijk vaststaat en wat niet. In veel gevallen verwijten mensen elkaar dat ze datgene wat ze geloven, voor wetenschap aanzien. Een voorbeeld :

Negentig procent van de neurowetenschappers gelooft dat het bewustzijn in de hersenen wordt geproduceerd ... ”Maar op basis van mijn onderzoek stelde ik die hypothese ter discussie, want in dat geval zouden bijna-doodervaringen helemaal niet mogelijk zijn. Mensen melden een ongelooflijk helder bewustzijn, terwijl de hersenfuncties juist zichtbaar en meetbaar zijn uitgevallen. Daarom geloof ik dat het bewustzijn niet aan plaats of tijd gebonden is. Je kunt de hersenen het beste vergelijken met een radio die een deel van het totale bewustzijn opvangt. Het brein produceert geen bewustzijn, het faciliteert alleen.”

Toen de bevindingen van het onderzoeksteam zeven jaar geleden in The Lancet verschenen, barstte er een wereldwijde publiciteitsgolf los. De meeste reacties waren positief, maar er zaten ook heel negatief erbij. ”Want als je als wetenschapper gelooft dat het bewustzijn een product is van de hersenen - een hypothese die overigens nooit bewezen is - dan riekt alles wat anders is, naar pseudowetenschap. ... De meerderheid van de artsen heeft een materialistische visie. Alles wat niet binnen die visie past, wordt verketterd. De materialistische wetenschap heeft dezelfde rol als de kerk in de tijd van Bruno en Galilei. ... Mensen hebben genoeg van die starre wetenschap. Het is toch triest dat patiënten hun bijna-doodervaring niet met artsen kunnen delen ? Dat ze te horen krijgen dat ze maar wat verzinnen.”

(Danielle Pinedo, Cardioloog deed onderzoek naar bijna-doodervaringen, interview met cardioloog Pim van Lommel, in : NRC, 9 februari 2008.)

Het probleem is, dat mensen van mening verschillen over wat wetenschappelijk is vastgesteld. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken, dat heel veel zaken worden gepresenteerd als ”wetenschappelijk bewezen”, terwijl ze dat in wezen niet zijn. Er worden ook zaken in twijfel getrokken, die al lang wetenschappelijk vaststaan. Maar ook al staat iets wetenschappelijk vast, dat betekent niet dat het door iedereen goed wordt begrepen.

Er wordt wel eens gesuggereerd, dat er een tegenstelling zou bestaan tussen religie en wetenschap. Wetenschappers zouden in conflict komen met hun religieuze opvattingen. Ik heb dat nooit begrepen. Wanneer werkelijk iets wetenschappelijk is vastgesteld, dat in tegenspraak is met je opvattingen, moet je je opvattingen aanpassen.

In de boeken van professoren Tenhaeff en Van Praag is te lezen dat de wetenschap heeft vastgesteld dat paranormale ervaringen bestaan. Mensen zijn onder sommige omstandigheden in staat juiste mededelingen te doen over het verleden of over de toekomst, zonder dat dat verklaarbaar is op basis van de bekende natuurwetten en daarop gebaseerde statistische analyses.
Toch waren de spontane paranormale ervaringen die ik aan den lijve ondervond, wonderlijke en onbegrijpelijke gebeurtenissen. Ik kan ze niet in overeenstemming brengen met de inzichten uit de doorsnee-natuurkunde zoals die op middelbare scholen wordt gedoceerd.
Ik moet dan denken aan een uitspraak van een collega ooit, die zei ”Als ik mijn eigen ogen niet meer mag geloven, wie mag ik dan nog wel geloven ?”. Dat leidt tot de conclusie : eigen waarneming gaat boven wat door de wetenschap wordt gesuggereerd. Toch bestaat hier ook een valkuil : een waarneming kan vertroebeld zijn. Daar gaat de Padwerk-lezing over ”beelden” over.
Onbevooroordeeld observeren is iets wat de meesten van ons nooit geoefend hebben.

Verifieerbaarheid, controleerbaarheid, veranderende opvattingen

Logica : Geloof en wetenschap met elkaar in overeenstemming brengen

Het is een kenmerk van geestelijke gezondheid dat je voortdurend bezig bent om wat je denkt, voelt en wilt in overeenstemming te laten zijn met de realiteit. Als je er ideeën op gaat nahouden die geen verband meer houden met de werkelijkheid, is het slecht met je gesteld. Ook je religieuze overtuigingen moet je toetsen aan de werkelijkheid. Dat klinkt logisch, maar is verre van eenvoudig, want wat weten we echt van de werkelijkheid ? We weten maar heel weinig. We ontkomen er niet aan om ons een beeld te vormen van de werkelijkheid, maar dat beeld is voor iedereen anders, omdat we in feite heel weinig weten. Iedereen beleeft zijn eigen werkelijkheid .
Een voorbeeld : de één is voor het socialisme, de ander ziet meer in het kapitalisme, en weer een ander stemt voor het communisme, maar geen van allen hebben ze gelijk, want elk van de ideologieën heeft zijn positieve en negatieve kanten. Bij gebrek aan een goed alternatief, kiest men maar een positie. Maar de juiste manier om de samenleving in te richten heeft nog niemand beredeneerd.
Maar hoe zouden we dan de werkelijkheid kunnen vaststellen ?
Het antwoord van de wetenschap luidt : heel nauwkeurig waarnemen en zuiver redeneren; de hypothese die de waarnemingen het meest verklaart, beschouwen we als ’de waarheid’.
Dat is een grote stap vooruit, want de meeste mensen laten het nauwkeurige waarnemen en het scherp redeneren maar liever achterwege. Maar het proces van hypothesevorming levert een probleem. Een hypothese is een veronderstelling, een aanname, een vorm van gissen. In de loop van de geschiedenis van de wetenschap zijn allerlei hypothesen op een zeker moment als waarheid beschouwd, maar later toch weer vervangen door andere hypothesen. En dan blijkt wetenschap slechts het meest realistische beeld dat we ons van de werkelijkheid kunnen maken, op te leveren. Maar geeft dat beeld de werkelijkheid ook echt weer ?

Ik trek de conclusie dat religieuze stelsels zich niet mogen onttrekken aan de conclusies van nauwkeurige waarnemingen en zuivere redenaties.

Goed en kwaad : Veranderende moraal

In de oudheid werden in het Colosseum in Rome gladiatorengevechten gehouden, waarbij het publiek kon ”genieten” van mensen die zich dood moesten vechten. Ook waren er openbare terechtstellingen waarbij veroordeelden op een afschuwelijke manier gemarteld werden. Slavernij was in het Romeinse rijk een geaccepteerd verschijnsel. Er was een constante toevoer van slaven doordat Romeinse legers op slavenjacht gingen in door hen veroverde gebieden. Na een slavenopstand werden er honderden slaven gekruisigd langs de Via Appia, de toegangsweg naar Rome. Tegenwoordig gruwelen we ervan. Maar hoe kortgeleden werd de slavernij afgeschaft in de voormalige koloniën van de Europese landen ?
Mij gaat het hier erom, dat er ooit in Europa een cultuur bestond met totaal andere waarden en normen dan tegenwoordig. Wat ooit geaccepteerd werd, zou tegenwoordig op grote weerstand stuiten.
Maar ook in een recenter verleden kan men getuige zijn van een veranderende kijk op goed of kwaad.
Mijn overgrootvader heeft een dagboek nagelaten, waarin hij vertelt dat hij in een zekere periode verslaafd was aan alcohol. Daarvoor werd hij door de kerk berispt, wat in die tijd (rond 1880) betekende dat niemand meer bij je kocht. Hij was daardoor genoodzaakt op Duitsland gaan te handelen. Het gevolg was dat de zaken veel beter gingen, wat leidde tot de nodige jaloezie. Zo’n verhaal kun je je in de huidige tijd nauwelijks meer voorstellen. De macht van de kerk heeft enorm ingeboet.
Een ander voorbeeld van een veranderende ethiek :
Mijn moeder vertelde dat ooit iemand had gezegd ”Toen mijn vader overleden was, werd mijn moeder zowaar een gezellig iemand.” Mijn moeder voegde daaraan toe : ”In deze tijd zouden deze mensen waarschijnlijk zijn gaan scheiden, maar in die tijd was een echtscheiding een schande.”
Nog zo’n voorbeeld :
In de film Alleman van Bert Haanstra van zo rond 1960 zie je dat mensen op het strand hun uiterste best doen om niet naakt gezien te worden. De mensen zijn tegenwoordig een stuk minder preuts.
Al deze verhalen illustreren de volgende stelling :

Goed en kwaad zijn relatieve begrippen : Wat in een bepaalde periode in een bepaalde cultuur geaccepteerd wordt, wordt in een andere cultuur in een andere tijd veroordeeld.

In New-Age-literatuur kom je deze opvatting veel tegen : of een omstandigheid goed of kwaad is, is niet objectief is vast te stellen. Jij kan iets goed of kwaad vinden, en dat zegt dan iets over jou opstelling tegenover je omgeving. Een ander kan daar heel anders over denken.

Ethiek : Een krantenbericht en een film

Een bericht in de krant en een film hebben mij lange tijd beziggehouden. Beide waren shockerend. Links staat het krantenbericht, rechts een episode uit de film :

Kinderen speelden langs de spoorbaan. De kinderen gingen elkaar uitdagen en één meisje durfde naast de rails te gaan liggen terwijl de trein passeerde. Toen de trein voorbij raasde, werd zij door de turbulentie onder de trein gezogen en haar speelkameraadjes zagen hoe zij vermorzeld werd tussen de wielen van de trein.     Een bergbeklimmer had de top van de Mount Everest bereikt, maar kwam op de terugweg in moeilijkheden. Het weer sloeg om en hij begreep dat hij niet verder meer kon afdalen, en in de loop van de nacht dood zou vriezen. Hij belde zijn vrouw op. Ze spraken af hoe hun nog ongeboren kindje zou gaan heten en namen afscheid.
Bergbeklimmers die de top van de Mount Everest willen bereiken, komen op hun pad omhoog en op de terugtocht de bevroren lichamen tegen van bergbeklimmers die het niet gehaald hebben. Het is er te hoog om met helicopters de lichamen te kunnen bergen.

Op één of andere reden is voor mij het rechter bericht minder shockerend dan het linker bericht. In het linker bericht kwam het meisje om, doordat ze nog niet het volwassen redeneervermogen bereikt had. In het rechter bericht heeft de bergbeklimmer weloverwogen besloten de Mount Everest te beklimmen, in het volle bewustzijn welke risico’s daaraan kleven. Het is alsof afschuwelijke gebeurtenissen minder erg zijn, wanneer ervoor gekozen is in vol bewustzijn.

Ik denk dat iedereen het over eens zal zijn, dat het gepast is kinderen te beschermen voor gevaren, bijvoorbeeld door een hek langs de spoorbaan te plaatsen. In het geval van risico’s die volwassenen nemen ligt dat anders. Extreem gesteld zou je je kunnen afvragen : Moet je het beklimmen van bepaalde bergen maar niet verbieden, om mensen die plezier in bergbeklimmen hebben tegen zichzelf in bescherming te nemen ? Dit lijkt een te rigoureuze stap. Waar ligt de grens ? Als je naar buiten gaat, kun je uitglijden over een bananenschil; maar is dat een reden om mensen te verbieden naar buiten te gaan ?
Waar het mij hier om gaat, is dat verschrikkelijke ongelukken beter te accepteren zijn, als de betrokkenen op een volwassen manier bewust het risico hebben genomen. Het blijft een verschrikkelijk ongeluk, maar men maakte de keuze en wist dat het verkeerd kon aflopen.

Verwarring die voortkomt aan vasthouden aan bestaande religies

Het waarom van verschrikkingen

Bovenstaande vormt een brug naar de problematiek die speelt in alle religies waarin wordt uitgegaan van het bestaan van een God : ”Hoe kan God alle ellende in de wereld toelaten ? Waarom grijpt God niet in ?”
Dit zou verklaard kunnen worden doordat (1) de mensen ooit in vol bewustzijn ervoor gekozen hebben op aarde geboren te worden, met alle risico’s van dien en (2) God de keuzen van ieder mens respecteert, hoe destructief ze ook zijn.

Deze visie vinden we terug in verschillende filosofieën die een New-Age-inslag hebben : Ooit heeft de mens, als volledig bewust wezen, in vol bewustzijn, ervoor gekozen, om in de materie af te dalen en de weg van de mens te gaan. Door vanuit een onbewuste staat door experimenteren en proberen zich staande te houden, ondervindt men de werkelijkheid aan den lijve. Wat men als bewust wezen eerst alleen wist, verkrijgt men dan ook als ervaring. De reis door de materie, waarvan de vele levens op aarde een onderdeel vormen, heeft dan ’ervaring’ als doel. Men heeft daarbij de mogelijkheid om onaangename ervaringen op te doen. Als iemand daarvoor kiest, wordt die mogelijkheid geboden.
De gedachte dat de mens ooit in vol bewustzijn gekozen heeft voor een aards bestaan met alle risico’s die daar bij horen, vinden we ook in de islam.
De gedachte is niet expliciet in het christendom terug te vinden, dat weinig aandacht schenkt aan een bestaan voorafgaand aan het aardse leven. Maar in het christendom bestaat wel het kernbeeld dat God Liefde is, met andere woorden dat het niet Gods bedoeling is, dat op aarde ellende bestaat.

Als je uitgaat van het bestaan van een God, kom je op de vraag waarom deze God alle ellende op de wereld toelaat en niet ingrijpt. Ik heb daar nooit een totaal bevredigend antwoord op gevonden. Wat ik jammer vind is, dat al die ellende gebeurt. Wat is het triest dat het bestaan zo in elkaar steekt. Er bestaat in mij een weerzin tegen de realiteit, die mij verhindert elk mogelijk antwoord als acceptabel te beschouwen.
Maar van alle antwoorden, vind ik het idee dat elk mens voor zijn geboorte ooit bewust gekozen heeft voor het leven zoals hij dat lijdt, de meest begrijpelijke reden waarom God niet zou willen ingrijpen. God wil volgens deze redenering de keuze van elk mens respecteren, en biedt de mens de gelegenheid te ervaren wat hij of zij wil, ook de onaangename kanten van het leven.

Reïncarnatie

Eén van de eerste boeken die ik las over reïncarnatie was het boek van prof. H. van Praag met als titel ”reïncarnatie”. Wat mij in eerste instantie verbaasde was dat H. van Praag reïncarnatie als serieus onderwerp behandelde. Voor mij was het tot die tijd een opvatting die ver van mijn bed stond, een hypothese die volkomen uit de lucht was gegrepen, waar niemand in mijn omgeving het ooit over had. Tijdens het lezen van het boek kon ik mij er wel iets bij voorstellen dat H. van Praag de gedachte aan reïncarnatie serieus nam. Als je er bij voorbaat van uit gaat dat datgene wat je studieobjecten geloven volstrekt onzinnig is, ben je dan nog wel wetenschappelijk bezig ? Als je je vooringenomen opstelt, kun je dan nog wel spreken van een onbevooroordeeld wetenschappelijk onderzoek. Er zijn miljoenen mensen die in reïncarnatie geloven, en als je als wetenschapper religies onderzoekt, moet je alles wat geloofd wordt als een serieuze mogelijkheid beschouwen, al is het maar uit beleefdheid naar de gelovigen die je bestudeert, en ook om door hen serieus genomen te worden.

Naarmate ik meer over religie las, kwam ik het geloof in reïncarnatie vaker tegen. In het hindoeïsme, het boeddhisme, het vroege christendom en in de new age stroming is het een gangbare opvatting. In de loop der tijd ben ik er wel wat voor gaan voelen. Maar ik heb geen bewuste herinnering aan een vorig leven. Ik beschouw het nu als iets dat zou kunnen. Maar het echt als een overtuiging uitspreken ? Nee, dat kan ik niet. Daarvoor ben ik toch een te voorzichtig en kritisch denker. In tegenstelling tot het gevoel dat er onzichtbare intelligenties zijn die de mensheid begeleiden (de spiritistische hypothese, welke voor mij als ’weten’ aanvoelt) blijft er ten aanzien van reïincarnatie altijd het gevoel ”Ik heb niet kunnen verifiëren, dus weet ik het niet”.

Dat neemt niet weg, dat, naarmate ik er meer over las, mij wel eens een voorstelling ging maken over een mogelijk vorig leven. Ik kom dan op het volgende :

Ik ben schatrijk. Ik heb ongelofelijk veel bezittingen, en ik ben in mijn koets onderweg. Op zeker moment wordt de koets staande gehouden en brengt een boodschapper het bericht over dat de schulden zich zo hebben opgestapeld dat ik failliet ben. Ik ben alles kwijt. Op dat moment weet ik dat ik niet naar mijn adviseurs had moeten luisteren. Ik weet ook dat ik zelf het heft in handen had moeten nemen en mij niet had moeten laten bepraten. Ik weet ook dat die enorme materiële rijkdom mij niets meer zegt. Ik wil mij distantiëren van alle poeha die om rijkdom hangt, een gewoon mens zijn en op zoek gaan naar hoe alles werkelijk in elkaar steekt, in plaats af te gaan op wat anderen zeggen.

Het verhaal dient zich aan als een moment uit een vorig leven, maar het lijkt veeleer een fantasie die betrekking heeft op mijn huidige leven. Het gaat over het zich ontworstelen aan wat anderen je wijs maken, en het inzicht dat je de verantwoordelijkheid van wat er met jou gebeurt niet aan anderen kunt toevertrouwen. Hoe goed bedoeld de aanwijzigngen ook zijn, je moet meester blijven op je eigen schip. Deze website kun je zien als een poging mij te ontworstelen aan alle mogelijke religieuze adviseurs, die allemaal hun eigen heilsboodschap hebben, en allemaal pretenderen de waarheid in acht te hebben. Maar in geen enkele boodschap kan ik mij vinden. Hun klatergoud laat ik achter, en ik ga op zoek naar wat ik zelf als waarheid kan zien en wat niet.

Het bestaan van God

Als je ervoor kiest uit te gaan van het bestaan van (een) God, stuit je op de problematiek waarom God niet ingrijpt in alle ellende die er bestaat, zoals hierboven is geschetst. Maar je hoeft niet uit te gaan van het bestaan van een God. Die gedachte is al heel oud :

De Griekse filosoof Epicurus (342-270 v. Chr.) geloofde niet in een weloverwogen schepping, hij dacht dat alles bestond uit atomen die door toevallige botsingen met elkaar verkleefd waren geraakt en dat zo, uit het toeval, onze werkelijkheid was ontstaan. Daar kwam geen God aan te pas.Geen Voorzienigheid die alles stuurde en de boel bijeen hield. En dood was dood, dat wil zeggen het weer uiteenvallen van de atomen waaruit we bestonden. Daarna was er geen hemel of hel. In plaats van zondebesef en nederigheid pleitte Epicurus voor een leven vrij van lasten en open voor lusten.
(Epicurus als geheime inspiratiebron, boekbespreking van het boek ”Epicureanism at the Origins of Modernity” van Catherine Wilson - in : Trouw, 30 augustus 2008)

En toch, als je de natuur beschouwt, en de enorme intelligentie die aan de bouw van levende wezens ten grondslag ligt en aan het biologisch systeem dat dit leven mogelijk maakt, en het feit dat dit evenwicht zich miljoenen jaren heeft gehandhaafd, kun je gefundeerd twijfelen of dit alles op toeval berust. Een intelligente, sturende kracht lijkt ten grondslag te liggen aan het leven op aarde.

Ik heb de stap niet durven maken, om aan te nemen dat zo’n intelligente, sturende kracht niet zou bestaan. Die kracht zou je God kunnen noemen. Ik ga er dus van uit dat er (een) God bestaat.
Als je het daarbij zou kunnen laten, en je dus verder geen beeld vormt van die intelligente sturende Kracht, zou dat misschien een hoop verwarring voorkomen. Maar in de loop van de geschiedenis hebben de mensen zich allerlei voorstellingen gemaakt van allerhande mogelijke eigenschappen die die Kracht zou bezitten. Hierboven opper ik bijvoorbeeld dat God de mensen vrijlaat in hun keuzen. Dat is een beeld, waarmee ik de intelligente, sturende kracht kleur. Meer over eigenschappen die aan God toegeschreven worden vind je op de pagina
Je beeld van God.

Theologie

In veel religies bestaan allerlei theorieën, die ooit in de geschiedenis zijn bedacht, en die vervolgens door grote groepen mensen zijn geaccepteerd als ’de waarheid’. Op deze pagina gebruik ik voor zo’n theorie het woord theologie. Een theologie is dan een geheel van denkbeelden die geaccepteerd worden als religieuze waarheid door een zekere groep mensen.
Een theologie bestaat dus uit een aantal denkbeelden die een religieuze lading hebben gekregen. Hierboven werden al een tweetal religieuze denkbeelden onder de loep genomen :
-   God bestaat , en
- God respecteert de vrije wil van de mens .
Andere voorbeelden van dergelijke religieuze denkbeelden zijn :
- Mohammed is een profeet,
- de term ”Zoon van God” is (als je aan deze term de juiste betekenis toekent) van toepassing op Jezus, en
- Boeddha was een verlicht iemand.
Het zijn denkbeelden die al dan niet door jou geaccepteerd worden en al dan niet onderdeel vormen van de theologie die jij aanhangt.
Waarom zou je in vredesnaam een theologie gaan aanhangen ? Wat wil je ermee bereiken ? Denk je daar beter van te worden ? Denk je dat je daarmee onheil voorkomt ? Waarom accepteer je het ene denkbeeld wel en het andere niet ?

Ik zal hieronder een tweetal ”theologieën” oftewel ”beelden van het universum” presenteren, zodat je kunt vergelijken :

De aarde is een planeet waarop puur toevallig leven is ontstaan. Er is geen sturende kracht die het universum reguleert en die je God zou kunnen noemen. Het bewustzijn dat wij ervaren is een toevallig effect van de combinatie waarin de atomen van de hersenen geconfigureerd zijn. Na de dood is er geen bewustzijn meer. Je houdt op te bestaan, als in een diepe slaap, waarin je van niets meer weet.

Of :

God had de bedoeling dat de mensen op de aarde het prettig zouden hebben. Maar wat gebeurde er ? De mensen gingen zich onaanvaardbaar misdragen. Ze verknalden het. God werd vreselijk boos. Voor de ergste gevallen richtte hij een eeuwigdurende hel in. De overige mensen zouden eigenlijk ook in die hel moeten belanden, maar voor hen bestaat een ontsnappingsclausule : als zij zich op een heel specifieke manier gedragen, volgens regels die niet altijd logisch zijn, dan bestaat er de mogelijkheid dat ze wellicht toch de hel niet in hoeven. Zo komen dan na hun aardse bestaan in een hemel, waar het goed toeven is. Helemaal zeker of je wel in de hemel terecht zult komen, ben je nooit.

Voor mij is het ’beeld van het universum’ waarin alles toeval is, te leeg, te nihilistisch. Het doet geen recht aan de complexiteit en de schoonheid van de natuur. Het doet ook geen recht aan paranormale ervaringen waarvan in alle culturen door de eeuwen heen gewag is gemaakt. Elke basis voor ethiek valt weg.

Het ’beeld van het universum’ waarin de mens bang moet zijn voor Gods Toorn is mij te archaïsch, alsof God louter misbaksels heeft geschapen. Wanneer een mens aan de lopende band misbaksels produceert, wordt hij als een klungel gezien. Maar mensen die de theologie aanhangen dat God miljoenen van zijn creaties als ’mislukt’ beschouwt, en naar de hel verwijst, zien Hem eerder als het Volmaakte Opperwezen. Deze combinatie van opvattingen is onlogisch. Toen in de vierde eeuw een dergelijke theologie in het christendom werd geïntroduceerd, merkte een bisschop al op dat een God die mislukten schept en hen vervolgens eindeloos kwelt, meer lijkt op een duivel dan op een waarachtige God.

Beide theologieën kan ik niet als waarheid accepteren.

Rituelen en voorschriften : Welke regels wil je toelaten tot je godsdienst ?

In de godsdienst die mijn vader en moeder aan hun kinderen presenteerden, bestonden geen religieuze regels ten aanzien van voedsel. Geleidelijk aan kwam ik erachter dat het jodendom en de islam wel regels hebben op het gebied van wat je mag eten. Later stuitte ik op verschijnsel besnijdenis, gangbaar in het jodendom en de islam, maar niet in het christendom. Zo bestaan er talloze verschillen tussen godsdiensten.
Dit bracht mij tot de vraag ’Waarom zou je bepaalde regels tot je godsdienst willen laten behoren’?
Ik kan geen zinnige reden bedenken waarom (een) God zou voorschrijven dat je het vlees van bepaalde dieren wel en van andere dieren niet mag eten. Ik zou mij kunnen voorstellen dat God zou voorschrijven vegetarisch te zijn met het oog op het dierenleed dat gepaard gaat met het eten van vlees. Maar om een of andere reden kent geen van de grote godsdiensten een dergelijk gebod.
Ik kan ook geen zinnige reden waarom verminking onderdeel van je godsdienst zou zijn. In religieuze literatuur vind je soms verklaringen, maar die heb ik altijd vrij onbegrijpelijk gevonden.
Hetzelfde geldt voor ik weet niet hoeveel dogma’s : Vanaf een zeker moment in de geschiedenis is een dogma als religieuze regel gaan gelden, maar als je er met een frisse, onbevooroordeelde blik naar kijkt, snap je niet waarom dat uitgangspunt tot je godsdienst zou moeten behoren. Ik vind de oplossing van het christendom dat ieder mens zijn eigen rituelen mag bepalen, het best. In de begintijd van het christendom bestond er discussie over of niet-joodse christenen zich moesten laten besnijden, of niet-joodse christenen zich aan de joodse spijswetten moesten houden. De conclusie luidde, dat iedereen elkaars keuze moest respecteren.

Welke regels je opneemt in jouw religie, houdt ten nauwste verband met het beeld van het universum, dat je je in de loop der tijd hebt gevormd. Een onderdeel van dat beeld van het universum is de aard van de basis die aan dat universum ten grondslag ligt. Ligt toeval aan de basis van dat universum, of is er een sturende kracht, en is die kracht potentiëel bedreigend of is die sturende kracht onvoorwaardelijk te vertrouwen. Met andere woorden : Geloof je in geen God, of in een boosaardige God, of in een God die enkel Liefde is, of in een God die soms boosaardig is en soms liefdevol ?
En als die God potentiëel boosaardig is, welke maatregelen kun je dan nemen om te voorkomen dat die boosheid jou treft ?
Maar als er vanuit die God nu eens helemaal geen dreiging uit zou gaan, en Hij/Zij elke keuze van ieder mens respecteert, hoe zou je dan je godsdienst willen inrichten ? Met andere woorden, als je zelf verantwoordelijk mag zijn, wie zou je dan graag zijn ?

Op zoek naar een alternatieve theologie, die voor mij meer acceptabel is, verschuift de aandacht op deze pagina. Ging het bovenstaande voor een groot deel over het verleden, over wat de gevestigde godsdiensten te bieden hebben, het vervolg gaat meer over de toekomst, over hoe een nieuwe theologie eruit zou kunnen zien.

Je eigen religie

Relishoppen : Je eigen religie samenstellen

Iemand zei "Alles draagt bij". Zo heb ik het ook ervaren : Alles waarin ik me heb verdiept, alles wat ik ben tegengekomen, heeft bijgedragen aan wat ik ben gaan geloven. Tegenwoordig wordt de term reli-shoppen gebruikt voor het verschijnsel dat mensen uit allerlei religies datgene overnemen waarin zij zich kunnen vinden, waardoor een heel persoonlijk geloof ontstaat, en waardoor hun persoonlijke religie niet meer goed in te delen is bij de gevestigde religies. Ik ben niet bewust gaan reli-shoppen, maar het was iets dat als het ware automatisch gebeurde : In elke religie trof ik opvattingen aan waarin ik me goed kan vinden, en ook opvattingen die ik afwijs. Ik heb niet het gevoel dat ik in de loop der jaren van religie veranderd ben. Niettemin is mijn opvatting over waar het in religie om draait, enorm veranderd. Die verandering voelt aan als een verdiepingsslag, niet als een breken met of zich afzetten tegen.

In het boek ”Inspirerende uitspraken van Jezus” van Marvin Meyer trof ik een citaat aan uit Evangelie van Filippus :

De Heer zei tegen zijn volgelingen : ’Neem iets uit elk huis en breng het naar het huis van de vader, maar neem niets weg uit het huis van de vader’.
(Evangelie van Filippus 55:37-56:3)

Dergelijke uitspraken die aan Jezus worden toegeschreven, zijn cryptische puzzels, waarbij iedereen naar eigen inzicht een oplossing kan bedenken.
In mijn interpretatie stellen de huizen de filosofieën, ideologieën en religies voor die je in de loop der tijd tegenkomt. Het huis van de vader staat voor een waarachtige levensfilosofie. Iets uit een huis brengen naar het huis van de vader staat voor het overnemen van bepaalde ideeën. Het huis van de vader staat voor je diepste zelf, je innerlijke tempel. Iets wegnemen uit het huis van de vader staat voor niet trouw blijven aan jezelf, aan je hoogste idealen. Je mag gerust ideeën die je aanspreken uit alle mogelijke gedachtenstelsels incorporeren in je eigen levensfilosofie, maar je moet daarbij er voor waken dat je trouw blijft aan jezelf.
De cryptische puzzels uit de begintijd van het christendom, vaak uitspraken die aan Jezus worden toegeschreven, zijn doorgaans voor meerdere uitleg vatbaar. Naast mijn interpretatie kunnen er nog vele andere interpretaties mogelijk zijn.

Hoe beïnvloedt het ’zich verdiepen in religie’ wat je gelooft?

Waar kom je terecht als je je jarenlang verdiept in allerlei soorten religie ? Omdat religie iets persoonlijks is, kan ik die vraag niet in zijn algemeenheid beantwoorden. Ik kan alleen maar vertellen waar ikzelf terecht ben komen, wat ik in de loop der tijd ben gaan geloven. Daarbij moet ik opmerken dat wat ik geloof niet vast staat. Het is voortdurend in beweging.

”Wat geloof ik nu eigenlijk ?” is voor mij een moeilijke vraag. Ik denk dat het voor iedereen een moeilijke vraag is. Je kunt je er gemakkelijk van afmaken, met een algemeen antwoord, dat verwijst naar een religie of een levensfilosofie. Maar als je er dieper op ingaat, kom je al gauw allerlei twijfels tegen, en moet je bekennen ”Ik weet het niet”. Daar gaat religie ook over, over zaken die je niet zeker weet, en niet wetenschappelijk kunt vaststellen.

Je losmaken van wat anderen geloven

Hierboven wordt genoemd dat mensen de neiging hebben het geloof aan te nemen van hun ouders of hun partner, of van iemand die zij om wat voor reden ook tegemoet willen komen in diens wensen of verlangens. Het eigenaardige is dat dit nooit lukt. Het kan gewoonweg niet. Je ouders, je partner of wie dan ook hebben altijd een ander karakter en andere levenservaringen en daardoor een ander begrip van de wereld om hen heen. En dus kun je niet exact hetzelfde geloven als een ander, eenvoudigweg omdat het leven voor jou andere lessen in petto heeft. Vroeg of laat komt het moment dat je moet zeggen : mijn omgeving zegt me wel dat ik dit of dat zou moeten geloven, maar ik kan het gewoonweg niet. Als je een religie aanneemt om je omgeving een plezier te doen, loop je altijd vast. Als je jezelf een levensovertuiging aanmeet, omdat anderen daar op aandringen of op aan lijken te dringen, ben je in wezen een naprater. Waarom zou je dat doen ? Jou wordt misschien verteld dat de religie die men jou voorschrijft, de enige ware weg is, de enige weg die je een zonnige toekomst garandeert, terwijl alle andere wegen tot onheil leiden. Maar waarom zou je dat geloven ? Als je even de moeite neemt, kun je vaststellen dat binnen bijna alle grote religies door bepaalde groepen geloofd wordt dat men de waarheid in pacht heeft. Waarom zou je je laten meesleuren in zo’n denkpatroon ? Waarom zou je niet kiezen een levensovertuiging, die jou toestaat en je aanmoedigt je eigen conclusies te trekken ?

Een nieuwe theologie in kaart brengen

God en je diepste innerlijk

In een gezelschap bestaande uit mensen die zich nooit diepgravend met hen onbekende godsdiensten hadden beziggehouden, vertelde ik mijn eigen variant van een eeuwenoud verhaal :

Er was eens een koning, die blind was geworden. Omdat hij zijn werk niet meer kon doen, nam zijn broer het feitelijke werk van regeren over. Nu hadden zowel de blinde koning als zijn broer kinderen. De blinde koning, zijn broer - die dus feitelijk het koningschap uitoefende - en hun echtegnotes besloten om hun kinderen gezamenlijk op te voeden, zodat ze elkaar goed zouden leren kennen, in de hoop dat ze vrienden zouden worden. Ze lieten ze bijvoorbeeld naar dezelfde school gaan.
Op een gegeven moment kwam er toch onenigheid. De zonen van de blinde koning meenden : ’Wij zijn de erfgenamen, want onze vader was de echte koning’. De zonen van de broer van de koning zeiden : ’Wij zijn de erfgenamen, want onze vader was feitelijk de koning’. Er werd gediscussieerd en onderhandeld, maar zij kwamen er niet echt uit. Daarbij kwam, dat de zonen van de blinde koning twijfelden aan de manier waarop de zonen van de broer van hun vader hun macht uitoefenden. De zonen van de blinde koning trokken zich lange tijd terug, om bij zichzelf te rade te gaan. Maar toen die periode over was, eisten zij de macht op. Zij vonden dat het tijd geworden was om he land anders en beter te gaan besturen. De zonen van de broer van de blinde koning, waren het hiermee vanzelfsprekend niet eens.
Het resultaat was dat er twee gigantische legers op het slagveld tegenover elkaar kwamen te staan : aan de ene kant het leger van de zonen van de blinde koning, aan de andere kant het leger van de zonen van de broer van de blinde koning.
Voordat de slag begon, zei de zoon van de blinde koning die het bevel voerde, tegen zijn wagenmenner : ’Rijd eens een stukje naar voren, zodat ik de gelederen van het andere leger goed kan zien, maar zo dat zij mij met hun pijlen net niet kunnen raken’. Terwijl hij het slagveld overzag en naar het leger aan de overzijde keek, zei hij : ’O, daar zie ik Pietje, waarmee je altijd zo ongelofelijk kon lachen. O, en daar staat Jaap, die zo goed kon schaken. En daar is Klaas, die altijd zo goed in talen was. ... Onze ouders hebben ons gezamenlijk opgevoed, in de hoop dat we vrienden zouden worden. En kijk eens wat ervan terechtgekomen is. We staan als vijanden tegenover elkaar. Dit was niet zoals onze ouders het bedoeld hadden. Wat er nu gebeurt is niet goed. Ik zal niet het teken geven om aan te vallen.’.
Daarop antwoordde de wagenmenner : ’Tegen het kwaad moet je strijden. Vooral als je dat aantreft binnen je eigen familie’.
Dat overtuigde de zoon van de blinde koning ervan om toch het sein tot de aanval te geven. In een bloedige veldslag sneuvelden bijna alle strijders, waarbij de zonen van de blinde koning overwonnen.
Diepbedroefd over het gigantische bloedvergieten, wilden de zonen van de blinde koning niet meer regeren. Ze droegen het koningschap over op één van hun kinderen, en trokken de bergen in, ver van het regeringscentrum. Daar stierven ze.
In het hiernamaals kwamen ze iedereen weer tegen : hun strijdmakkers en hun tegenstanders. Door de strijd waren allen gelouterd en konden ze elkaar als vrienden begroeten.

Aan het gezelschap vertelde ik dat bij dit verhaal een vraag hoorde, en wel de vraag

Hoe heette de wagenmenner ?

Als hint, om het gezelschap naar het antwoord op dit raadsel toe te leiden, vertelde ik een ander verhaal :

Er was een echtpaar dat een kindje gekregen had. Het echtpaar hoopte dat het kind zich zou ontwikkelen tot een gezond en verstandig individu.
Maar in de loop van zijn ontwikkeling kwamen er ook mindere karaktertrekken aan het licht. Deze woekerden een tijd lang voort.
Na verloop van tijd, toen het kind volwassen was geworden, en doorkreeg dat de minder sympathieke trekken hem vooral narigheid opleverden, kwam het moment dat hij besloot dat hij zo niet meer wilde zijn.
In een moment van bezinning wendde hij zich tot zijn diepste zelf, zijn innerlijke wagenmenner, die als antwoord gaf : ’Tegen het kwaad moet je strijden, vooral als je dat in jezelf aantreft’.
Toen barstte de innerlijke strijd los. De persoon ging serieus aan de slag om al zijn mindere karaktertrekken te identificeren en te bevechten, wat hem na een lange en confronterende strijd ook lukte.

En opnieuw stelde ik de vraag

Hoe heette de wagenmenner ?

Ik vertelde vervolgens dat dit verhaal een eigen verkorte versie was van het Mahábhárata, het oude Indische epos van het hindoeïsme. Het hoofdstuk waarin de bevelhebber twijfelt of hij wel het sein tot de aanval moet geven, heet "Bhagavad Gita".
Na enig doorvragen door de aanwezigen kwam één van hen op het idee dat het antwoord wel eens ’Krishna’ zou kunnen zijn.
En dat is ook het goede antwoord, als het om het Mahábhárata gaat.

Maar als het gaat over de persoon die strijdt tegen zijn eigen kwalijke karaktertrekken, zijn eigenlijk twee antwoorden mogelijk. Het ene antwoord is ’God’ en het andere antwoord is ’hijzelf’. Het antwoord ’God’ komt overeen met ’Krishna’, want Krishna is een van de belangrijkste goden uit het hindoe-pantheon.

Het feit dat er twee antwoorden mogelijk zijn, ’God’ en ’hijzelf’ - of misschien wel beter ’jijzelf’ - brengt ons bij de vraag in hoeverre deze twee samenvallen.
De vraag is in hoeverre jij goddelijk bent. Als je je tot je diepste innerlijk wendt, ben je dan zelf aan het woord, of vind je dan een ’zelf’ dat dit alles overstijgt, en ’God’ genoemd zou kunnen worden?

Ik wilde ook het volgende verhaal voorleggen :

Als jongetje in Duitsland - hij werd geboren in Essen - werd hij op straat nagejoeld met ’Jude’ en ’Schwein’. Zijn joodse ouders ontvluchtten Duitsland toen Hitler aan de macht kwam en belandden in het katholieke Limburg. In 1942 werd het gezin alsnog opgepakt en gedeporteerd. Zijn moeder, zusje en broertje gingen direct na aankomst in Auschwitz naar de gaskamer. Zijn vader kreeg tweeënhalf jaar later een spuitje dat tot de dood leidde. De jonge Max bleef leven, al overwoog hij soms een snel einde te maken aan de ellende door zich op de verboden kiezelstrook rond het kamp te begeven, zodat de bewakers hun machinegeweren op hem zouden richten. Hij zag dat anderen doen, maar deed het uiteindelijk niet.
...
’Echt slechte mensen bestaan niet’, vervolgde hij, ’alleen zieke mensen’. Weet u waarom? Omdat een gezond mens, die slechte dingen doet, voelt dat die dingen tegen zijn natuur ingaan. Als ik in Auschwitz naar een ophanging of een marteling moest kijken, moest ik overgeven of viel ik flauw, net als iedereen om me heen. Mensen die deze weerstand niet voelen, zijn ziek.
(Uit : ’Het vermogen te twijfelen’, een interview met Meester Max Moszkowicz senior over nuancering en het recht op verdediging, in’Wijze mannen’, Susan Smit)

Wat mij in deze passage trof, was de zinsnede ’net als iedereen om me heen’. Al die mensen die moesten toekijken naar de gruwelijkheden, uit welk land ze ook vandaan kwamen, uit de meest uiteenlopende regionen, en welke taal ze ook spraken, hadden dezelfde reactie. Blijkbaar is er een kracht in de mens, die letterlijk doet walgen van onrecht. Het is een kracht die richting geeft aan het bestaan en aan de geschiedenis, en weliswaar iedereen de vrije keuze laat, maar toch stuurt in een bepaalde richting. En de vraag die ik nu stel, is, of die kracht in jou werkzaam is, of dat jij die kracht bent. Met andere woorden : staat die kracht buiten jou, en beïnvloedt die jou, of is het een onderdeel van je identiteit, van wie jij bent. Ben jij die kracht ?

Dezelfde vraag kwam bij mij op bij het lezen van een krantenartikel in Trouw over een maffiabaas die zich met kanker in een ziekenhuis in Milaan had laten opnemen. Hij kreeg bezoek van een neef. De maffiabaas zei het volgende : (Ik vertel het na, omdat ik het artikel kwijt ben.)

’Zie je die roos in de vensterbank? Mooie bloem hè. Maar als je hem beetpakt voel je dat hij stekels heeft en pijn doet. Als je terug bent op Sicilië, zullen ze je een voorstel doen. Ga er niet op in. Ze zullen het als iets heel moois voorstellen, maar het zal je pijn doen.’

Helaas sloot de neef zich toch bij de maffia aan en werd later spijtoptant.

Wat zegt dit verhaal ? Dat de maffiabaas wist dat hij een verkeerde keuze had gemaakt, dat hij wist dat zijn gedrag niet overeenstemde met wie hij was of wie hij had willen zijn.

En opnieuw is mijn vraag dan "Is dit ’spijt hebben’ een kracht buiten de maffiabaas om, die hem beïnvloedt, of is het de maffiabaas zelf die spijt heeft.

Het gaat hier over de kracht die je tegenkomt als je te rade gaat bij je diepste innerlijk (zoals de ’zoon van de blinde koning’) en die je letterlijk doet walgen van gruweldaden (zoals de gevangenen in het concentratiekamp) of die je spijt doet hebben (zoals bij de maffiabaas het geval was). Het is dezelfde kracht die de moeders van verdwenen kinderen in Argentinië dagelijks deed demonstreren, omdat ze wilden weten wat er met hun kinderen gebeurd was. Misschien is het dezelfde kracht die maakt dat mensen verliefd op elkaar worden. Het is een kracht die aanzet tot het goede, en in ieder mens leeft.

Is het een kracht buiten jou, of ben jij die kracht ?

De Goddelijkheid van de mens

Laten we die kracht God noemen.

Hiermee wordt voordtgeborduurd op een beeld van God, dat God niet ziet als iets of iemand buiten je, maar als een kracht die binnen in je leeft. Sterker nog : De vraag wordt gesteld of jij die kracht niet bent. Is die kracht niet het bestanddeel waarvan jij gemaakt bent ?

Het is de vraag naar de identiteit van de mens en de vraag of God een entiteit buiten de mens is, of een entiteit die in elk mens leeft. Het is de vraag of God buiten de mens gezocht moet worden of in het innerlijk. Het is de vraag of het Goddelijke op een afstand staat, of dat de mens het Goddelijke in zich draagt.

Het gaat nog verder. Het is de vraag wie een mens is. Het is de vraag van welke ’substantie’ een mens is gemaakt, en of je die substantie een Goddelijke kracht mag noemen, of universele Geest.

Het is de vraag of jij Goddelijk bent.

In de bijbel van het Christendom vinden we die vraagstelling terug in uitspraken als ”Gij zijt Goden” en ” ... dan zul je merken dat je een kind van God bent .... ”.
In het Hindoeïsme vinden we de vraagstelling terug in het verhaal over Krishna als de Goddelijke wagenmenner.

De vraag is of je God als entiteit buiten jou ziet of dat je God ziet als de basis van je bestaan, als iets wat je draagt, als je diepste ik. Het is de vraag ’Word jij door een God buiten jou (voortdurend) beïnvloed ?’ of dat ’Is God dat deel van jou dat altijd deel van je uitmaakt en je innerlijk je naar jezelf terugroept?’.

De relatie God-mens wordt vaak totaal niet begrepen, zodat de waarheid tot een leugen wordt omgevormd.

Het is een vraag die in bepaalde theologieën wellicht als bijna godslasterlijk zal worden bestempeld. Het is niettemin opvallend dat in bijna alle godsdiensten bepaalde personen of groepen zeggen exact te weten wat God wil of doet of vindt, en zichzelf af en toe ook Goddelijke kennis toedichten. Wat te denken van de paus, of de kardinalen om hem heen ? Of van de moslims die anderen dwingen een hoofddoek te dragen, of een baard te dragen, of wat dan ook? Het zijn allemaal mensen die min of meer menen God zelf te zijn.

Het is het verschil tussen de stromingen die menen dat je moet luisteren naar wat anderen over God te zeggen hebben, omdat die het beter zouden weten, en de stromingen die zeggen dat God in jezelf te vinden is, die je uitnodigen om God te vinden door jezelf te onderzoeken.

Het is het verschil tussen stromingen die het als een gevaarlijke aanmatiging zien, om jezelf als Goddelijk te beschouwen. en de stromingen die de mens als Goddelijk willen zien (God is geen prutser die misbakselen schept).

De valkuil van de eerste soort stromingen is dat ze een geestelijkheid gaan creëren die zich een goddelijke status toeëigent. De valkuil voor de tweede soort stromingen, die menen dat de mens in wezen goddelijk is, is dat men denkt dat men er al is, dat men vergeet of over het hoofd ziet dat een diep inzicht in jezelf alleen kan worden bevochten via een innerlijke strijd. Men voert die strijd liever niet en raakt verzeild in een fantasiewereld die de werkelijkheid geen recht meer doet.

Je hoeft de vraag naar de Goddeljkheid van de mens niet te beantwoorden. Een mens op aarde heeft zijn beperkingen. Godsdienst is ook niet of je weet of iets wel of niet waar is. Men kan niet over alles de juiste opvatting weten; je kunt hoogstens vermoeden of een mening hebben. Godsdienst is niet dat je de waarheid in pacht hebt, maar de weg ernaartoe, waarin je nog niet hoeft te weten waar je uiteindelijk op uitkomt. Het is de innerlijke strijd van het opsporen van je eigen vergissingen en fouten. Het is de innerlijke strijd om te ontdekken waar jij (liefde) kunt geven en waar je dat nog niet kunt (omdat je blik nog te vertroebeld is). En als godsdienst een te beladen woord voor je is, noem het dan anders. Noem het dan ’aan jezelf werken’ of ’zelfreflectie’ of wat dan ook. Als je die weg serieus gaat, maakt het echt niet meer uit welke godsdienst je van huis uit hebt meegekregen of voor welke godsdienst je ooit om wat voor reden dan ook gekozen hebt. Het belang van godsdienst valt als het ware weg.

Wat nu ?

Hierboven heb ik al een aantal uitgangspunten toegelicht, op basis waarvan ik een theologie zou willen bouwen. Het zijn :
-  Religieuze stelsels mogen zich niet onttrekken aan de conclusies van nauwkeurige waarnemingen en zuivere redenaties.
- Enerzijds zijn goed en kwaad relatieve begrippen : Wat in een bepaalde periode in een bepaalde cultuur geaccepteerd wordt, wordt in een andere cultuur in een andere tijd veroordeeld.
Anderzijds is er een kracht in ieder mens aanwezig die ieder mens op intuïtieve wijze doet weten wat goed of kwaad is. Het is de kracht die je misselijk maakt van gruweldaden, het is de kracht die je spijt doet krijgen van verkeerde keuzen. Het is de innerlijke leidsman, degene die je aanwijzingen geeft als je serieus bij jezelf te rade gaat.
- Er ligt een intelligente, sturende kracht ten grondslag aan het universum. Die kracht kun je God noemen. Ik ga er van uit dat er (een) God bestaat.
-God wil niet ingrijpen in de individuele keuzen van de mens. God respecteert elke keuze van elk mens. Hij biedt de mens de gelegenheid te ervaren wat hij of zij kiest, ook de onaangename kanten van het leven.
-Godsdienst is niet een weten, maar een individuele weg om geleidelijk aan tot weten te komen. De ingrediënten van deze weg zijn zelfonderzoek en geven. Zelfonderzoek is een innerlijke strijd, waarin je probeert de waarheid onder ogen te zien. Bij geven gaat het om liefde geven. Maar dat is erg moeilijk als je nog niet goed weet wat liefde is. Een voorwaarde is dat je je kunt inleven in de ander. Geven is niet je eigen mening of opvattingen opdringen, want geven respecteert de keuzen van de ander. Pogen om te geven - dat is: iets voor een ander doen zonder er iets voor terug te willen hebben - is jezelf spiegelen aan je omgeving. Als je geeft, merk je dat je hebt. En dat maakt je rijk.

Levensovertuiging

Als ik mijn huidige ’beeld van het universum’ zou willen samenvatten, kom ik tot het volgende :

Door de paranormale ervaringen die mij zijn overkomen , kan ik er niet om heen : er bestaat een onzichtbare sfeer, waarin intelligenties leven die in staat zijn onze gedachten en onze gevoelens te beïnvloeden.
De overstelpende literatuur rond paranormale verschijnselen, vertelt dat er één God is. Daarom ga ik uit van het bestaan van een God. Maar als je aan mij vraagt of ik het bestaan van God als zodanig ervaar , dat moet ik bekennen dat dat niet het geval is. Dat God zich niet aan mij (en ook niet aan vele andere mensen - voor zover ik dat kan vaststellen - ) presenteert in een vorm die mij het gevoel geeft dat God er is, heeft een reden : ik ben nog niet zover.
God stelt geen eisen. Niet aan mij, aan niemand. God wil ook niets van mij. Hij laat mij (en ieder ander) begaan. God heeft de natuurwetten zo ingeregeld, dat datgene waarvan Hij/Zij niet wil dat het gebeurt, ook niet kan gebeuren. Het is dus onmogelijk dat iemand iets doet tegen Gods wil. God straft ook niemand, want waarom zou Hij/Zij ? God kent geen boosheid of woede : omdat Hij/Zij doorgrondt wat in ieder mens omgaat, begrijpt Hij/Zij de redenen waarom iemand iets doet. Dit inlevingsvermogen maakt het Hem/Haar onmogelijk boos te zijn. God is niet enkel de God van een beperkte uitverkoren groep mensen. God is de God voor iedereen, ongeacht geaardheid, levensopvatting of geloof. God stelt dan ook niet de eis dat je Hem/Haar moet volgen. God laat je volledig vrij en maakt geen verwijten.
Het universum en de natuurwetten zijn zo geconstrueerd, dat werkelijk elke ervaring mogelijk is. De meest verschrikkelijke tot de meest verheven ervaring kun je ondergaan. Je ondergaat alleen een ervaring als je daar ooit voor gekozen hebt. Het kan zijn dat je je die keuze niet meer bewust bent op het moment dat je de ervaring meemaakt. Wat je overkomt, ook al kunt je je dat niet voorstellen op het moment dat je de ervaring ondergaat, is altijd een gevolg van eigen keuzen. Ervaring is dan ook een doel van het universum waarin we leven. Aan de hand van onze ervaringen weten we wie we zijn. En door nieuwe keuzen te maken, kunnen we op een andere manier ervaren wie we zijn.
In ieder mens zijn verlangens ingeschapen. Die verlangens vormen de motor, die de mens geleidelijk aan doet kiezen voor geluk voor iedereen. De herkenning dat iemand niet echt gelukkig kan zijn als er nog een medeschepsel niet gelukkig is, maakt dat iedereen op een gegeven moment zich zal inzetten voor ieder ander. Het inzicht wat iemand gelukkig maakt, komt voort uit zelfreflectie. In het innerlijk is alle noodzakelijke kennis aanwezig.
Het hoogste geluk wordt bereikt wanneer men zich een alomvattende liefde eigen maakt. Daarom zijn zelfreflectie en het verwijderen van alle obstakels die liefde in de weg staan, essentiëel voor groei. Liefde kan alleen ontstaan vanuit vrije wil. Daarom respecteren alle wezens die een bepaalde ontwikkelingsgraad hebben bereikt, de vrije wil van ieder mens. Het niet respecteren van iemands vrije wil, zou neerkomen op het verhinderen dat iemand toegroeit naar het zijn van een liefdevol wezen.
De natuurwetten zijn zo geconstrueerd dat iedereen vroeg of laat kiest voor een leven gericht op hogere waarden. Vanaf dat moment groeit de mens in liefde, en ontstaat meer en meer het inzicht dat God liefde is.
Of de ontwikkeling van de mens (deels) via het principe van reïncarnatie plaatsvindt, weet ik niet. Ik heb geen bewuste herinnering aan een vorig leven. En hoe een toekomstig leven eruit gaat zien, ook daar kan ik mij geen goed beeld van vormen. Ik ga ervan uit dat reïncarnatie als mogelijkheid bestaat, maar dat er ook andere paden bestaan via welke een ziel zich kan ontwikkelen.

De meest twijfelachtige stap in dit ’beeld van het universum’ lijkt mij het idee dat je alleen ervaringen ondergaat waarvoor je zelf ooit hebt gekozen. Een andere stap die wellicht vragen oproept is dat God zich niet openbaart als je daar nog niet aan toe bent. En de laatste stap is ook moeilijk : Is God Liefde ?

Nu ik dit zo samenvat, realiseer ik mij dat dit toch wel een totaal andere theologie is, dan die welke ik in mijn opvoeding heb meegekregen. Ik heb me behoorlijk laten beïnvloeden door het New-Age-gedachtengoed.

Moet jij, die dit leest, dit verhaal nu ook geloven ? Volgens het hierboven gepresenteerde ’beeld van het universum’ hoeft het van God niet, want God stelt geen eisen. En ik stel er zelf ook geen prijs op als je mij zou willen napraten. Daarom wil ik je uitnodigen om iets beters te verzinnen. Jouw eigen ’beeld van het universum’ is vast veel geloofwaardiger voor jou.

Aan theologie voorbij

Waarom zou je een theologie aanhangen ? Waarom zou je een bepaald stelsel denkbeelden als waarheid beschouwen (terwijl je, als je heel erg eerlijk bent naar jezelf, de juistheid ervan niet werkelijk kunt vaststellen)  ? Waarom durf je gewoon niet te zeggen ’Ik weet het niet’? Waarom denk je dat een of andere theoretische constructie deel zou moeten uitmaken van je religie ?

Je zou bijvoorbeeld je religieuze palet kunnen beperken tot dat waar je werkelijk in gelooft :
-   Je kunt jezelf heel goed onderwerpen aan zelfonderzoek zonder het boeddhisme te omarmen.
- Je kunt heel goed de strijd aanbinden tegen die karaktereigenschappen die jou verhinderen werkelijk lief te hebben, ook als je jezelf niet als christelijk beschouwt.
- Je kunt jezelf oefenen om de juiste houding te vinden ten aanzien van omstandigheden waarin je niet onmiddellijk verandering kunt aanbrengen. Je kunt het juiste midden proberen te vinden tussen de een houding van overgave en protest, enerzijds door de situatie te accepteren zoals die is, en anderzijds door er alles aan te doen wat in je vermogen ligt om onrecht en schrijnende omstandigheden te voorkomen. Daarvoor hoef je geen godsdienst aan te nemen die daar de nadruk op legt.
Je kunt je levensovertuiging beperken tot wat je doet. Je hoeft geen theoretische constructie (een theologie) voor waarheid te houden. Je kunt eenvoudigweg voor een in moreel opzicht hoogstaand leven kiezen zonder jezelf in allerlei religieuze bochten te wringen. Je kunt tegen jezelf zeggen : ongeacht hoe het universum in elkaar steekt, wil ik vanaf nu staan aan de kant van vrede, liefde en begrip.

Eigenaardig genoeg lijk je dan geen enkele godsdienst meer aan te hangen, en tegelijkertijd alle godsdiensten tegelijk. Want alle godsdiensten reflecteren een deel van de waarheid, en met die waarheid kun je het eens zijn. Maar ook : binnen alle godsdiensten zijn verwrongen opvattingen te vinden, waar je het onmogelijk eens kunt zijn.

Ik vraag mij wel eens af :

Wat betekent voor mij het christelijke geloof ?

Van huis uit behoor ik tot de Gereformeerde Kerk die later is opgegaan in de PKN. Ik behoor daar nog steeds toe. Dat kan, omdat binnen de PKN een uiteenlopende waaier van opvattingen mogelijk is. Maar anderzijds zijn mijn opvattingen steeds verder gaan afwijken van waar de Gereformeerde Kerk in mijn kindertijd voor stond. De gereformeerde kerk zoals die in mijn kindertijd bestond, bestaat vast nog wel, maar ik herken mij niet meer in de oude opvattingen. Ik ontvang vanuit orthodox-christelijke hoek soms kritische e-mail-reacties. Men vindt dat mijn interpretatie te veel afwijkt van wat in veel kerken geleerd wordt. Omdat ik enigszins controversiële onderwerpen op religieus gebied verdedig, wordt deze site soms eerder als niet-christelijk beoordeeld, dan als wel-christelijk.
Ik zie Jezus als de grootste van alle religieuze leraren die ooit geleefd hebben, maar maakt mij dat tot een christelijk iemand ?
Vanuit mijn opvoeding heb ik het christelijk geloof mee gekregen. Maar het christelijk geloof is een ontzettend moeilijke godsdienst. Jezus vraagt je vijanden lief te hebben. Maar wie kan dat ? Het is een haast onmogelijke opgave. Jezus adviseert een rijke jongeman al zijn bezit te verkopen en het aan de armen te geven. Wie doet dat ? Ik besef maar al te goed dat ik als inwoner van een van de welvarendste landen ter wereld, in de ogen van iemand die in een ontwikkelingsland woont, schatrijk ben. Ik leef niet overdadig en probeer naar Nederlandse maatstaven financiëel verantwoord te leven. Ik heb misschien maar een klein deel, maar lang niet al mijn bezit weggegeven. Ik ben er mischien bij lange na nog niet.

Ben ik boeddhistisch ?

Voor mij verschilt de leer van Boeddha niet veel van de leer van Jezus. De klemtoon wordt soms anders gelegd, maar in wezen komen de leringen overeen. Ik vind de gedachtengang achter de leer van Boeddha indrukwekkend. Maar boeddhist ben ik nooit geworden. En toch heb ik een diep respect voor de boeddhistische leer.

Ben ik New-Age-aanhanger ?

Ik ben iemand die graag met beide voeten op de grond wil blijven staan. Daarom zou ik niet graag als een aanhanger van de New-Age-beweging gezien worden, als een zwever, als iemand die de meest absurdistische theorieën voor waar aanneemt, zonder fundament in de realiteit. Maar helaas, ik ontleen enorm waardevolle inzichten aan het New-Age-gedachtengoed. Waar de wetenschap geen antwoorden heeft, en waar alleen antwoorden gegeven kunnen worden vanuit intuïtie, heb ik vaak een voor mij redelijk antwoord gevonden in boeken waarin men claimt kennis te hebben van paranormale zaken, die wetenschappelijk (nog) niet vastgesteld kunnen worden.

Zou ik mijzelf moslim kunnen noemen ?

Ik noem mijzelf geen moslim.
In mijn godsdienst bestaat geen dwang. Daarom kan ik mij niet vinden in die vormen van islam, die tornen aan de geldigheid van de korantekst ”In godsdienst is geen dwang”. Ik kan mij onmogelijk moslim noemen, omdat ik te veel vormen van dwang in de islam aantref waarvan slaan van vrouwen en minachting voor homofielen er een paar zijn, die op koranische gronden worden verdedigd. Ik denk dat de koranteksten waarmee men deze dwang rechtvaardigt oorspronkelijk een andere, veel mildere betekenis hadden, een betekenis die voor de grote massa verloren is gegaan.
In mijn godsdienst is ieder mens individueel verantwoordelijk tegenover God. Daarom kan ik mij niet vinden in die vormen van islam die een loopje nemen met de korantekst dat ieder mens individueel verantwoordelijk is tegenover God en waarin men elkaar niet de ruimte geeft om het eigen godsdienstig leven naar eigen goeddunken vorm te geven. Ik tref in de islam zoveel vormen van groepsdruk aan, en zoveel vormen van onenigheid, dat het lijkt dat men elkaars individuele keuzen niet respecteert.
In mijn godsdienst bestaat geen geestelijkheid. Ik probeer ieders bijdrage op religieus gebied serieus te nemen, maar een bijdrage kan nooit de status krijgen van fatwa, bindend advies of verplichting en niemand mag ooit het verwijt krijgen dat hij niet zou geloven volgens wat voor regels dan ook.
In mijn godsdienst kan het gebruik van geweld nooit gerechtvaardigd worden op religieuze gronden. Als er geweld gebruikt is, mag je het nooit zo voorstellen alsof God dat zo gewild zou hebben. Hoe zou iemand kunnen weten wat Gods wil is ?
Ik kan mijzelf geen moslim noemen, omdat ik niet geloof in opgelegde uiterlijke rituelen. Voor mij maakt het niet uit of je bidt in de richting van het Oosten of het Westen. Ik geloof niet in verplichtingen om op voorgeschreven wijze te bidden, te vasten of een pelgrimsreis te maken, en ik geloof niet dat God dat van ons eist. Je kunt ervoor kiezen, als je denkt dat ze je iets zullen schenken. Maar als voorgeschreven levenswijze kan ik er niet in geloven.
Ik kan mijzelf geen moslim noemen, eenvoudigweg omdat ik niet geassocieerd wil worden met een godsdienst waarin te veel misstanden bestaan, en waarin te veel regels die ik als onjuist beschouw, als vaststaande waarheid worden gezien.

Toch onderschrijf ik het uitgangspunt dat er maar één God is. Of Mohammed werkelijk boodschappen van God of van een een engel heeft ontvangen, is in deze tijd niet meer vast te stellen. Ik denk dat Mohammed inderdaad boodschappen heeft doorgekregen. ”In godsdienst is geen dwang” is daar een voorbeeld van. Je zou zou erover kunnen discussiëren of hij een profeet was, maar ik vind het interessanter te weten wat voor profeet jij van Mohammed maakt, want het boek waarin de openbaringen aan Mohammed zouden zijn vastgelegd, is voor vele interpretaties vatbaar. Ik kan mijzelf geen moslim noemen, omdat de koran wordt gebruikt om de meest verschrikkelijke misstanden goed te praten.

Maar misschien versta jij onder ’moslim zijn’ iets heel anders, dan waar ik hierboven op doel. Als moslim zijn enkel staat voor ”op zoek zijn naar het ware, het goede” - op dezelfde manier als Abraham en Jezus in de koran als moslim worden beschouwd - en dus alleen staat voor wat het woord oorspronkelijk in de tijd van Mohammed nog betekende, en niets te maken heeft met een specifieke godsdienst, dan mag jij mij moslim noemen, ook al presenteer ik mij niet zo.

Ben ik agnost ?

Ik ben ook iemand die het niet weet. In veel opzichten ben ik agnost. Bij wat ik ook denk of voel, altijd is er een stem die zegt : ’Weet je dit wel zeker ?’ Ik heb veel moeite om mij aan een ideologie, politieke beweging of een vastomlijnde religieuze richting te conformeren. Altijd wil ik de mogelijkheid hebben om uit te breken, en mij los te maken van verstikkende ideeën. Ik ben op zoek naar de waarheid, die ik al maar niet kan vaststellen, wat mij in een draaikolk voert van al maar blijven zoeken. Deze homepage is daar een uiting van.
Maar toch is agnostisch niet tegengesteld aan religieus of spiritueel. Een religieus iemand kan zeker zeggen : ”Ik heb niet op alle vragen een antwoord”.

Religie als zoeken in plaats van weten

Het woord religie heeft voor mij in de loop der jaren een betekeniswijziging ondergaan. Het werd mij gepresenteerd als synoniem voor het woord godsdienst in de zin van een bepaalde theologie aanhangen, waarin je allerlei dogma's als waarheid accepteert. Maar in de loop der jaren heb ik onderkend dat religie niet staat voor de waarheid in pacht hebben, in de zin dat je de waarheid al weet, maar voor de zoektocht naar waarheid, naar het eindeloos afwegen van verschillende standpunten, en al maar weer dubben hoe het echt zit.

De christelijke religie heeft voor mij in de loop der jaren een andere inhoud gekregen. Het ging van een religie waarin de verhalen en theorieën over Jezus als vaststaande feiten werden gezien, over in een zoeken naar waarheid, waarin de uitspraken van Jezus bakens zijn die je helpen je weg te vinden op die zoektocht. Voor mij is daardoor de christelijke religie begrijpelijker geworden en heeft zij meer inhoud gekregen.

Als je gevestigde theologieën loslaat, word je op een bepaalde manier op jezelf teruggeworpen. Je kunt je niet meer verschuilen achter religieuze autoriteiten. Je kunt je dan niet meer beroepen op religieuze leerstellingen, die je al dan niet zelf verzonnen hebt.
Dat is geen gemakkelijke opgave. Het leven vraagt om keuzen te maken, en het definiëren van een onderbouwde ethiek is geen eenvoudige zaak.

Religie in de praktijk: vanuit welk principe kies je?

Een ethisch dilemma

Hoe moet je religieuze uitgangspunten vertalen naar het alledaagse?

Laten we bij wijze van voorbeeld een ethisch dilemma onder de loep nemen. Ik kies hier voor het al dan niet uitwijzen van asielzoekers.

De één zal het uitwijzen van asielzoekers als goed bestempelen, omdat hij het idee heeft dat de Nederlandse samenleving ontwricht wordt door een grote toestroom van vluchtelingen. Een ander heeft helemaal niet het idee dat de Nederlandse samenleving ontwricht wordt, en zal het uitwijzen van asielzoekers ten strengste veroordelen als een inhumane daad van een samenleving die leeft in overvloed, maar zijn ogen sluit voor de medemens die het door wat voor omstandigheden minder heeft getroffen.

Allereerst zou ik willen nagaan in hoeverre de argumenten van de voor- en tegenstanders kloppen.

Argumenten voor uitwijzing

Voorbeelden uit de geschiedenis

In de geschiedenis zijn talloze voorbeelden van samenlevingen die werden ontwricht doordat ze overspoeld werden door vreemdelingen. Nadat Amerika ontdekt was, werden de inheemse beschavingen van de Azteken, Inca's en Maya's vernietigd door de Spanjaarden, die zichzelf als veroveraars zagen. Later werden de samenlevingen van de Noord-Amerikaanse Indianen doelbewust vernietigd door de oprukkende Verenigde Staten. Een recenter voorbeeld is de komst van joden naar Palestina na de Tweede Wereldoorlog, waarna de immigranten de oorspronkelijke Palestijnse bevolking als tweederangsburgers gingen behandelen. En wat te denken van de Chinese invasie in Tibet ?

Ongewenste veranderingen in de maatschappij

Ik moet toegeven, dat ik een aantal veranderingen betreur. Tot omstreeks 1970 bestond een verschijnsel als eerwraak niet in Nederland. Natuurlijk kwam het voor dat ouders de keuze van hun kinderen betreurden, maar iemand vermoorden omdat hij of zij iets anders kiest, dan jij zou willen, dat kwam in niemands hoofd op. Het begrip eer speelde ook niet. Je kon je ”eer” - voor zover die bestond - alleen verliezen door zelf iets onoorbaars te doen, nooit doordat iemand anders iets deed.
Ook een verschijnsel als vrouwenbesnijdenis kwam niet voor.
Aan het feit dat veel moslima’s hoofddoekjes dragen heb ik nooit kunnen wennen. Ook al wordt door moslims beweerd, dat het een onschuldige religieuze uiting is, voelt het voor mij aan als een vorm van door religie gesanctioneerde achterstelling en vrijheidsbeperking van vrouwen, ook al voelt het voor de dames in kwestie zelf misschien niet zo aan. Dat betekent niet, dat ik vrouwen die een hoofddoek willen dragen, niet respecteer. Maar als ik hoor dat iemand een hoofddoek draagt, omdat haar familie druk op haar uitoefent, vind ik dat heel triest. Wat is er mooier dan dat iemand in zijn opvoeding leert, dat hij of zij er mag zijn, en dat hij of zij zich mag laten zien, en niet dat hij of zij zich op enigerlei wijze zou moeten verbergen.

Indammen van immigratie

Politici geven aan dat zij emigratie naar Nederland willen ontmoedigen door vluchtelingen en asielzoekers niet al te vriendelijk te behandelen. Dat doet men om te voorkomen dat een te grote culturele verscheidenheid problemen gaat oproepen als racisme en achtergestelde bevolkingsgroepen. Binnen een zeer strenge immigratie-wetgeving is er ruimte om in schrijnende gevallen asielzoekers een verblijfsvergunning toe te kennen.
Maar welke gevallen zijn schrijnend en welke niet ? Wat zijn jouw criteria om iets schrijnend te vinden ? Waarschijnlijk zijn nagenoeg alle gevallen schrijnend.
En leidt een subjectieve beleving van wat schrijnend is niet tot willekeur ?

Argumenten tegen uitwijzing

Voorbeelden uit de geschiedenis

Maar is de komst van asielzoekers te vergelijken met een dergelijke gewelddadige invasie ? Vormt de komst van individuen die een ellendige economische of politieke situatie proberen te ontvluchten, een reële of een ingebeelde bedreiging voor onze samenleving ?

In de loop der eeuwen zijn er allerlei golven vluchtelingen naar Nederland gekomen. In de 16-de eeuw kwamen de protestantse Vlamingen, in de 17e eeuw kwamen Portugese joden en Hugenoten. Later kwamen er Oost-Europese joden. In het begin van de 20e eeuw kwamen er Chinezen, waardoor Chinese restaurants gemeengoed werden. In de tweede helft van de 20e eeuw kwamen Hongaren, Vietnamezen (met hun bekende loempia-stalletjes), Surinamers, en gastarbeiders naar Nederland. Ik herinner mij nog de verontruste krantenartikelen, waarin bezorgdheid werd uitgesproken over de grote toeloop van Surinamers naar Nederland in de tijd dat Suriname onafhankelijk werd. 20 jaar later hoor je daar nooit meer iets over. De Surinamers bleken voor het overgrote deel vriendelijke buren en geschikte collega's. En begin 21e eeuw zijn het de Polen die in grote getale in Nederland willen werken. Is Nederland door al die immigratiegolven een minder prettig land geworden ?

Veranderingen in de maatschappij

Ontegenzeggelijk is de Nederlandse cultuur in de loop der eeuwen veranderd. Allerlei gebruiken uit de 17e eeuw zijn bijvoorbeeld verdwenen. De meeste Nederlanders zullen zich daar niet erg druk over maken. Maar is een veranderende cultuur of moraal iets waar we ons nu wel druk over moeten maken ? Moeten we bang zijn voor verandering ?

Immigratie is niet alleen maar negatief

Immigratie heeft niet alleen negatieve aspecten. Door immigratie leren de volken elkaar beter kennen. Het oordeel over elkaar wordt daardoor realistischer, en berust minder op inbeelding. Door een realistische kijk kan ongefundeerd oordelen (in de vorm van racisme of discriminatie) beter worden bestreden.
En hoeveel bekwame vaklieden bevinden zich onder de asielzoekers, die een waardevolle bijdrage aan de Nederlandse samenleving zouden kunnen leveren ?

Immigratie legt falen van eigen samenleving bloot

Door een realistische kijk kunnen allerlei beelden worden ontmaskerd. Zo hadden enige decennia geleden veel Nederlanders het idee dat ze een tolerant volk vormden. Op het moment dat ik deze tekst aan deze website toevoeg (voorjaar 2008), is deze zienswijze gerelativeerd door diverse discussies in de media en de politiek over de invloed van de islam.
Het feit dat asielzoekers in een recent verleden werden opgesloten alsof ze misdadigers waren, en dat zelfs kinderen in gevangenissen werden opgesloten, maakte dat veel Nederlanders zich schaamden voor de samenleving waar ze deel van uitmaakten. Het beeld van een tolerante en beschaafde samenleving lag aan diggelen.

Uitwijzing werkt niet

De motor achter de emigratie naar Europa en Noord-Amerika zijn de enorme verschillen in welvaart, gecombineerd met een instabiele politieke situatie. Zolang die blijven voortbestaan, zullen er mensen naar Europa trekken. Wat voor maatregelen de rijke landen ook nemen, de stroom economische en politieke vluchtelingen zal dan blijven aanhouden.

Menselijk leed

Het belangrijkste argument tegen uitwijzing is menselijk leed. Doordat asielzoekers jarenlang in onzekerheid verkeren, zich niet kunnen ontplooien door werk of studie, in angst moeten leven om teruggestuurd worden naar een cultureel, economisch of de politiek instabiel gebied.

Tot zover het ethisch dilemma.

Het ontbreken van objectieve criteria

Bij veel ethische vraagstukken laat de wetenschap ons in de steek. Waar ligt de grens als het gaat om veranderingen die de Nederlandse samenleving nog wel of niet meer kan absorberen ? En wanneer noem je een samenleving ontwricht ? Want als er wat problemen zijn, betekent dat nog niet onmiddellijk dat een samenleving ontwricht is.

Waardoor laat je je leiden ?

Bij gebrek aan objectieve criteria laten de meeste mensen zich leiden door het gevoel.
In het voorbeeld van al dan niet uitzetten van asielzoekers, laten mensen die pleiten voor uitzetten, zich leiden door angst dat Nederland een minder prettig land wordt om in te wonen. De mensen die tegen uitzetten zijn, laten zich leiden door mededogen voor de medemens die in de knel zit, oftewel door liefde.
Nu zou je kunnen argumenteren dat ook de mensen die voor uitzetten van asielzoekers zijn, zich ook door liefde laten leiden door op te komen voor het behoud van een prettige samenleving. Maar dat is dan wel een soort liefde waardoor veel uitgezette asielzoekers teruggestuurd worden naar de ellendige omstandigheden die ze probeerden te ontvluchten.

Angst en liefde als tegenstelling

Ik begreep eerst nooit waarom in New-Age-boeken angst en liefde als tegenstellingen werden gezien. In mijn beleving kon je liefhebben, maar tegelijkertijd ook heel bang zijn. Maar als het gaat over de vraag ”Waardoor laat je je primair leiden ?” gaat het om de vraag welke van de twee wint, angst of liefde, en zijn angst en liefde wel tegenstellingen.

Op de vraag of je je moet laten leiden door angst of door liefde, heeft de christelijke religie een vrij eenduidig antwoord :

Laat je leiden door liefde voor de individuele medemens. Vraag je altijd af welke keuze alle betrokkenen het meeste recht doet.

”Wat wil je bereiken ?”, ”Wat werkt ?” en ”Welke emotie voert de boventoon ?”

In de discussie over een ethisch onderwerp, zoals hierboven, kun je drie vragen onderscheiden :

  1. Wat is je doel ?
  2. Wat werkt wel en wat werkt niet ?
  3. Door welke emotie laat je je leiden ?
In het bovenstaande voorbeeld gaat de vraag ”Wat is je doel ?” er over of je wilt voorkomen dat er allerhande problemen in de Nederlandse samenleving ontstaan, of dat je het risico daarop voor lief wil nemen ten gunste van het welzijn van anderen. De vraag ”Wat werkt wel en wat werkt niet ?” kwam aan de orde in de discussie in hoeverre een toestroom van immigranten problemen in de samenleving veroorzaakt. De vraag ”Door welke overweging of emotie laat je je leiden ?” is op verschillende niveaus een keuze tussen angst of liefde.

Met betrekking tot de eerste twee vragen gebruikt Neale Donald Walsch voorbeelden in de trant van :

Als je naar Rotterdam wilt gaan, maar je gaat om een of andere reden de andere kant op richting Amsterdam, dan rijd je verkeerd. Op zich is er niets mis mee om naar Amsterdam te gaan, maar toch zeg je dat je ’verkeerd’ gaat, omdat Amsterdam niet je doel is.”

Daarmee illustreert hij dat wat je verkeerd noemt, niet het absolute kwaad hoeft te zijn. Iets is goed of verkeerd afhankelijk van het doel dat je nastreeft. Iets dat werkt om je doel te bereiken, noem je ”goed”, wat niet werkt, noem je ”verkeerd”.

Observatie van de buitenwereld en de binnenwereld

Het beantwoorden van de eerste twee vragen vragen om een scherpe observatie en interpretatie van de feiten.
Voor het beantwoorden van de derde vraag is inzicht in de de dynamiek van de eigen psyche noodzakelijk, in de eigen motieven en in de eigen bewuste en onbewuste verlangens.

Beide aspecten,

kun je deel laten uitmaken van je persoonlijke religie (of, als je het woord religie op jezelf wilt betrekken, van je eigen persoonlijke levenshouding).

Mijn conclusie ten aanzien van het asielzoekers-dilemma

Mijn conclusie is dat de Nederlandse wetgeving veel milder moet zijn naar asielzoekers. Ik gruwel van de issues die regelmatig voorbij komen in de media, waar de voorvallen waarbij kinderen uitgezet dreigen te worden naar een voor hen vreemd land, wel het meest schrijnend zijn.


Terug naar ’Wat betekent religie voor mij ?’

Terug naar begin-pagina