Biografie van Mas
Mas werd geboren op 13 juli 1941 in het achterhuis van
een kapperszaak, dat tussen zes café’s stond ergens in een havenbuurt van Oud-Delfshaven in een wijk van Rotterdam West. Om precies
te zijn aan de Oostkousdijk, een zijstraat van de Westzeedijk vlak achter de Schiehaven
waar de rederij de Rotterdamsche Lloyd
en nog meer havenbedrijven gevestigd waren.
Acht jaar!
En
daar is, op een hele jonge leeftijd van acht jaar, het
bouwen van schepen al begonnen, in die kleine havenbuurt,waar veel zeelieden in
de café’s en dancings hoogtij vierden; deze straat was een eldorado voor elke
zeeman. En heel vaak zat in die kapperszaak een zeeman om zijn haar te laten
knippen. Van al de klanten die zijn vader in de kapperszaak kreeg waren er
zeventig procent die
zelf voer, of met de scheepvaart te maken had. Die werkzaam waren op
scheepswerven en rederijen. Door deze klanten van zijn vader kwam Mas vaak op verscheidene schepen die hij mocht bezichtigen,
zoals o.a. het passagiersschip de WILLEM RUYS onder begeleiding van een klant
van zijn vader. Zo heeft hij ook een paar tewaterlatingen van schepen mogen bijwonen.
Natuurlijk stond het bouwen van schepen bij Mas nog
in de kinderschoenen, maar op die achtjarige leeftijd bouwde hij ze al, boten
uit schoenendozen.Hij sleepte overal schoenendozen vandaan, al moest hij de goeie schoenen van zijn vader uit de doos halen dat deerde
hem niet. Ook haalde hij de tussenstokjes uit de kledinghangers weg om er masten van te
maken. Als zijn ouders kledinghangers kwijt waren, dan waren ze bij Mas al geproduceerd als mast op één van zijn boten, zo
waren ook de schoenendozen tot boten verknipt. En zijn vader had tot ergernis
geen doos meer om zijn schoenen in op te bergen. De schoorstenen op zijn boten
bestonden uit lege Wc-rollen en zo had hij binnen korte tijd zijn eigen vloot
gebouwd. Het waren toen nog geen mooie schepen, maar het begin was er. Hij
groeide op als een echt Rotterdams jochie, zwervend langs de havens.
Kapitein
Op een woensdagmiddag
was Mas vrij van school en werd hij door zijn vader
in de kapperszaak geroepen en hij zei: “Kijk Mas,
hier in de scheerstoel zit nu een echte zeeman, een kapitein van een zeeschip!”,
waarop Mas zei “Ik geloof er
niets van, want waar is dan zijn uniform en zijn pet?” De man antwoordde, “Dus
jij gelooft mij niet?” en hij zei tegen zijn vader “Ik neem hem mee naar mijn
boot en ik breng hem ook weer terug”. Nou dat vond Mas
wat op zo’n jonge leeftijd een echt zeeschip te zien. Een
half uur later stopte een taxi. En Mas mocht instappen
en met die zeeman mee. In de haven bij rederij Muller aangekomen stapten zij
uit en liepen zij samen de loopplank op. “Hoe heet deze boot meneer”? vroeg Mas.
“Deze boot heet de
BATEVIER VI”, antwoordde de zeeman en zij liepen naar zijn hut toe die gelegen
was op een hoog dek. Mas keek zijn ogen uit toen zij
die hut binnenstapten en terwijl die zeeman een kastdeur opende keek Mas door een groot patrijspoort
naar buiten toe. “Kijk Mas”, zei de zeeman, “dit is
mijn kapiteinsuniform en mijn pet, geloof je nou dat ik de kapitein van deze
grote boot ben?” Mas keek zijn ogen uit en vroeg
gelijk “Is dat moeilijk, meneer, kapitein worden?” “Ja je moet naar de zeevaartschool toe en heel veel leren.”
Toen zei Mas vastbesloten “Ik wil ook kapitein
worden.” “Nou joh, doe dan maar heel goed je best op school dan wordt je dat vast wel.” Toen Mas
weer thuis was had hij maar één doel, kapitein worden op een grote zeeboot. Op
een andere middag, toen Mas zoals meerdere keren langs
de havens zwierf en stil bleef staan bij de havenstoomsleepboten
die aan de Westerkade bij de sleepdienst Leen Smit
& Co voor de kant lagen, kwam een man in uniform naar buiten gelopen van
wie Mas dacht “Dat zal best
wel een kapitein wezen” en hij vroeg hem of hij mee mocht varen, waarop een
direct antwoord nee kwam. En de kapitein stapte aan boord van de sleepboot.Even
erna kwam de matroos aan dek en riep naar Mas, “Hé,
jochie, gooi jij even die tros van die paal?” Waarop Mas
antwoordde “Als ik niet mag mee varen dan kom je die
tros zelf maar los maken!”. Waarop die matroos zei “Ik
ga het wel vragen voor je” en hij liep de stuurhut van de sleepboot binnen. Na
twee tellen was hij terug en wenkte kom maar. Mas
gooide die tros los en hij was in één grote sprong aan boord. In de stuurhut
aangekomen vertelde de kapitein hem dat van de rederij geen kinderen mee
mochten, maar kruip even onder dat zijraam weg anders zien zij het en krijg ik
alsnog een berisping, dat was natuurlijk wel te begrijpen. Maar even erna mocht
Mas de telegraaf bedienen en aan de stoomfluit
trekken. En die kapitein zei: “Nou je wilde toch varen? Nou pak over dan dat
wiel!” En Mas voelde zich al een echte zeeman. De
kapitein vertelde dat zij helemaal naar de Waalhaven moesten om daar een grote
zeeboot op te halen om naar de Waterweg te brengen, want die boot ging naar zee
toe en dat zij niet vroeg terug waren Maar dat vond Mas
helemaal niet erg, hij was het op tijd thuis komen en
zijn ouders allang vergeten Hij was aan het varen en hij zag wel wanneer hij
thuis kwam. Maar toen hij ’s avonds de straat in kwam, stond hij wel verbaasd,
toen hij die vele mensen zag staan, die om zijn moeder en de wijkagent heen
stonden. Zijn moeder helemaal in paniek, waar is die donderse jongen nou. De
wijkagent stond alle gegevens op te schrijven hoe Mas
er uit zou moeten zien. En een paar mensen hadden Mas
al aan zien komen en riepen “Daar is-t-ie!”
“Donderse jongen”, riep zijn moeder, “Waar zat je nou weer, naar huis en gelijk
naar boven je kamer in en als je vader thuis komt zal ik het hem wel vertellen!”
Maar zulke dingen kwamen bij Mas wel vaker voor, dat hij
van uit school niet naar huis toe kwam en door de havens liep te slenteren en
heel zijn tijd vergat en weer naar huis ging als het schemer werd, en zijn
ouders waren dan vaak ongerust. En dan stond zijn vader, een man van weinig
woorden, hem in de deur met duim en wijsvinger op te wachten. De wijsvinger
betekende hier komen en de duim verwees hem naar zijn kamer toe en ik spreek
jou nog wel. Hij zei dan verder niets, maar Mas wist
dan wel wat dat betekende. Zijn kamer was voor hem toch wel een plaats waar hij
zich wel vermaakte. Desondanks was Mas gewoon niet bij de havens met al die
mooie boten weg te krijgen. Op school ging het niet beter en kwam hij ook wel
eens te laat, of spijbelde hij wel eens. En tot ergernis van de meester zat hij
ook nog bootjes en ankertjes in zijn reken- en
taalschriften te tekenen. En vaak gaf de meester hem daar een berisping voor.
Dat het geklieder van bootjes en ankertjes in zijn reken-
en taalschriften eens afgelopen moest zijn. En toch haalde Mas
mooie cijfers zoals achten en negens, voor rekenen en tekenen en aardrijkskunde.
Als de meester vertelde over verre landen, dan dacht Mas
al, daar kom ik later ook met mijn schip. Dit waren ook de enige vakken die hij
echt leuk vond en daar al zijn best in deed. Toen Mas
in de zesde klas van de lagere school zat en zijn vader met ouderavond zijn
leraar Dhr. Elsing sprak, zei hij hem: “Die zoon van
u die wordt nog eens een echte scheepsbouwer of modelmaker, want hij is er altijd
maar mee bezig, en weet maar niet van ophouden.” Toen Mas
dat de volgende dag van zijn vader te horen kreeg, was hij daar helemaal niet
blij mee, want hij had maar één doel voor het oog hij zou naar de
zeevaartschool gaan en gaan varen en voor kapitein leren, en verre zeereizen
gaan maken, een groot avontuur tegemoet.
16 jaar
Toch
is Mas door omstandigheden nooit een zeeman geworden.
Toen hij met zijn zestiende jaar van de ambachtsschool afkwam, is hij gaan
werken in een kleine machinefabriek aan de Gustoweg
in Schiedam die het onderhouds- en reparatiewerk aan
binnenvaartschepen deed. Hij werd daar verder opgeleid voor machinebankwerker, waar
machineonderdelen voor schepen werden gemaakt Zo kwam hij dan toch nog op
schepen terecht al was het voor kleine werkzaamheden. Ook kwam hij op
zestienjarige leeftijd terecht bij de Nederlandse vereniging van Modelbouwers,
die gevestigd was in het oude scheepvaartmuseum aan het Jacob
Katsplein in Rotterdam. Daar leerde hij onder leiding
van grote leermeesters, zoals Karel van de Kellen, restaurateur van het scheepvaartmuseum, en later
Joop Ploeg, Chef van de tekenkamer, op de scheepswerf later in Vlaardingen gevestigd. Joop Ploeg was wel zijn grootste
leermeester, hij leerde hem echte scheepsmodellen van grote tekeningen bouwen
en uitslagen van spanten maken. En hoe hij een echt schip op schaal moest
tekenen en vanuit een tekening een romp moest maken en berekenen. Zo leerde hij
op jonge leeftijd het hele vak van Modelmaker. En Mas
kreeg steeds meer plezier in dat vak.En zijn schoolmeester Dhr. Elsing van de lagere school begon toch langzaam aan wel
gelijk te krijgen. Toen kwam Mas op twintigjarige
leeftijd door een kennis terecht in een scheepsmodelmakerij in Slikkerveer bij
de firma Dubbelman. Het was een klein bedrijfje dat scheepsmodellen maakte voor
rederijen en scheepswerven. Zoals: De Holland Amerika
Lijn, Nieveld Goudriaan,
K.N.S.M. en nog meer andere rederijen en scheepswerven. Toen dacht hij dit is
het helemaal, nu heb ik het lek eindelijk boven, maar zijn collega’s kwamen er
al heel gauw achter dat hij enkel botenhobbyist was. Toen hij op zekere morgen
de werkplaats in kwam en naar zijn werkbankje liep, stond daar op zijn
werkbankje een kartonnen bord met groot opschrift, “Wie hier als hobbyist naar
binnen huppelt wordt er terstond weer uit geknuppeld!”
Avondopleiding
Na
zijn proeftijd, werd hem een avondopleiding voor fijnbankwerker aangeboden, op kosten
van het bedrijf, dat betekende voor Mas dat hij drie
avonden in de week naar de ambachtsschool moest en zijn modelbouwhobby thuis
voorlopig aan de kant kon zetten, want het werd dan hard leren voor hem en
thuis nog eens huiswerk gaan maken, om het diploma fijnbankwerker te gaan
halen. Voor Mas brak toen een drukke tijd aan: hij
moest zorgen dat hij drie avonden in de week om zes uur op school was en om
tien uur mocht hij dan weer naar huis toe. Het viel de eerste
tijd niet mee voor hem om weer in de schoolbank te gaan zitten, maar hij deed
het toch maar, hij dacht baat het niet het schaadt ook niet. Desondanks
was het een leuke tijd, hij kreeg leuke klasgenoten die voor dezelfde opleiding
zaten als hij. Er werden veel grappen gemaakt hoewel er ook nog geleerd moest
worden.De meeste grappen werden gemaakt over de praktijkleraar, meester Bleker,
heette hij. Mas kan hem nu nog voor zich halen en hem
helemaal uittekenen. Het was een nogal magere man van middelbare lengte met een
kaal hoofd en een dik zwart montuur met dikke brillenglazen en dat geheel stond
op zijn gekromde neus. Hij droeg een lange beige stofjas die haast tot zijn
enkels hing. En hij kon zo vaak van die vermoeiende onduidelijke verhalen
vertellen.
Vandaar
dat hij de bijnaam kreeg meester de preker, vaak werd hij in de maling genomen
hoewel hij dat niet eens in de gaten had. Als hij de jongens toesprak zeiden ze:
stilte voor de preek. Mas en zijn klasgenoten stonden
dan meer te lachen dan te luisteren en als hij dan vroeg “Wat heb ik jullie
verteld?”, dan zeiden ze een
paar keer “Wat zegt u?” Dan draaide hij zich maar om en ging hoofdschuddend
verder. Mas en zijn klasgenoten moesten de lol die zij hadden niet te gek maken, omdat hun werkgevers
vaak op school naar de cijfers en resultaten, o.a. werkstukken
vroegen en dan zwaaide er wat als je in hun ogen je best niet had gedaan, want
zij betaalden je opleiding. Na verloop van een lange tijd ploeteren brak het
examen aan en wonder boven wonder was iedereen, ook Mas,
geslaagd Zoals gewoonlijk werden na het behalen van het diploma de jongens
toegesproken en ook meneer Bleker de praktijkleraar
moest wat zeggen. Hij begon zijn woord, nadat iedereen had geroepen: stilte
voor de preek. Hij begon “Jongens jullie hebben nu
allemaal het diploma fijnbankwerker gehaald, en verlaten deze school, maar
vergeet nooit één ding,” en hij wees met de wijsvinger naar de jongens toe, en
zei met ernstige blik: “Gebruik je verstand want gereedschap en machines hebben
dat niet, nou iedereen begon weer in de groep te lachen en te roepen ja hoor u zult
wel weer gelijk hebben. Mas die net zo goed mee deed
want hij was ook wel voor de lol te porren, denkt nu
nog vaak terug aan die uitspraak van meneer Bleker zijn praktijkleraar, hij mag
dan een preker zijn geweest, maar hij had wel gelijk Want je kunt er maar blij
mee zijn als je de tien vingers en de beide voeten nog hebt.
Na zijn
opleiding fijnbankwerker bleef Mas nog enkele jaren
bij de modellenfabriek werken,waar hij al helemaal ingeburgerd was en alles
over beroepsmodelbouw had geleerd zoals uit grote bouwtekeningen werkstukken
maken,enz. Toch bleef iedereen op het werk zijn eigen
taak houden. De timmerman maakte de rompen, hoewel Mas
in het begin daar ook wel eens bij moest helpen, zo waren er vaste collega’s
die de verschansing aan dek brachten en dan ging het model naar de schilder toe
die er voldoende verflagen opzette, dan kwam het model in de metaalbewerking
waar de dekhuizen, de bolders enz. gemaakt werden, waar Mas
ook medewerker van was. Het was om kort te gaan dat iedereen zijn eigen taak
had en dat er nooit van plaats werd verwisseld, als de draaier er niet was dan
mocht Mas wel eens achter de draaibank staan en
achter de ponsmachine zitten en voor de rest was het de meeste werkdagen achter
zijn werkbankje zitten, dekhuisjes en relingen in elkaar solderen en ankers met
ankerlieren maken. Maar een hele boot van kiel tot afbouw helpen maken kwam
daar niet voor, temeer ook omdat een model toch zeker met vier á zes maanden
klaar moest zijn en vaak tijdens de tewaterlating opgeleverd moest worden kon
dat niet wat Mas wilde. Voor het opbouwen en tuigen
van het scheepsmodel waren twee aparte jongens en daar kwam een derde man niet
aan, kortom er werd nooit van plaats gewisseld, je was dus een zittende
productie medewerker en dat bleef je.
En
de modelbouw thuis had hij al maanden geen zin meer in, hij keek er niet meer
naar om, hij voelde het als overwerk voor zijn baas als die er mee bezig was, alleen
ging hij nog naar zijn modelbouwclub toe, maar zijn modelbouw verslofte thuis
met de week. Op gegeven moment dacht hij ik moet hier
iets aan gaan doen. Of ik blijf op de modellenfabriek werken en zet thuis mijn
hobby aan de kant, of ik maak van mijn hobby mijn werk, en dan ga ik ander werk
zoeken en maak van dit werk mijn hobby, eigenlijk wist hij het zelf nog niet en
vroeg hij op de club om een goede raad, na weken toch nog nadenken kreeg hij
het ook niet meer naar zijn zin op zijn werk en besloot de knoop door te hakken
en een vaste keuze te maken en hij koos voor het laatste. Hij zou van zijn werk
zijn hobby gaan maken en besloot ontslag te nemen. Maar om dat hij al was
aangenomen als machinebankwerker en in de metaal bleef, lieten zij hem op de
modellenfabriek niet zo makkelijk gaan. Ook temeer
omdat zij voor hem de opleiding hadden betaald. Maar toch na enige tijd met een
mooi getuigschrift in de hand, mocht hij er weg en kon hij bij zijn nieuwe baas
gaan beginnen. Daar kwam die ook wel achter de draaibank te staan, maar dat
wisselde af met achter de freesbank staan en dan weer achter de schaafbank
staan. En zo stond hij
zoals bij zijn eerste baas als machinebankwerker en nam hij na enige tijd zijn
hobby scheepsmodelbouw weer ter hand.
Modelmaker
Er
gingen jaren voorbij waarin Mas uitgroeide tot een
perfecte modelmaker die nog steeds veel leerde van zijn grootmeesters op de
Nederlandse vereniging van Modelbouwers, die hem alle fijne kneepjes van het
vak leerden. En zo kwam Mas er wel achter dat, hoe
oud je ook worden mag,
je niet alleen te oud ben om te leren, maar dat je in het vak van modelmaker
nooit uitgeleerd raakt. Het blijft een vak met steeds nieuwe technieken. Ondanks
dat was Mas in al die jaren die achter hem lagen inmiddels al met Gonnie getrouwd
en had met een dochter en zoon een gezin gekregen. Mas
was toen vier en dertig jaar. Het was in het jaar 1975 toen die toevallig thuis
was,kwam zijn vrouw van de winkels terug en nam toen
een boekje mee.
“Boten
bouwen in flessen” heette het,ze zei: “Dit is iets
leuks om dat eens te proberen.” Een zeilboot met twee masten in een fles bouwen
en dan aan de touwtjes trekken en het hele spul gaat dan omhoog en dan de
touwtjes vast lijmen. Dus alvorens het boekje goed bestudeerd te hebben,zocht hij een geschikte fles op en ging er aan beginnen.
Eerst een zeilboot met twee masten,het boten bouwen in
flessen was begonnen. Toen een zeilboot met dwars
zeilen, dat waren klippers, maar daar bleef het niet bij, en gauw volgden
barken met vier masten, helemaal volgetuigd met wel
vier en twintig zeilen er op, barken met vijf masten met dertig zeilen en de
boten werden steeds fraaier en Mas had de smaak al
behoorlijk te pakken.
Daarna
volgden stoomvrachtschepen, maquettes van havenbedrijven, kraaneilanden
booreilanden, tot pleziervaartuigen toe. Het kon voor Mas
niet te moeilijk zijn. Ook kreeg hij opdrachten van rederijen om daar voor te
bouwen en werd hij voor tentoonstellingen bij de open havendagen uitgenodigd. Zijn
grootste werkstuk in een fles was het s.s.TITANIC die
hij ook in opdracht voor een bedrijf in Schiedam moest bouwen En zo ontwikkelde
Mas zich tot een groot
meester in de modelbouw, zowel in flesmodelbouw, als in micromodelbouw en in
statische modelbouw. Ook behaalde hij grote successen met tentoonstellingen ver
over de grenzen. Zo gingen in 1984 zijn flesmodellen naar een
wereldtentoonstelling naar Osaka in Japan en in mei
1987 naar Toronto in Canada. Toen in augustus zijn
flesmodellen uit Japan terugkwamen werd hij benaderd door een lid van een
flessenclubje dat uit zes man bestond. Die besloten om op 23 september 1985 bij
de opening van een tentoonstelling in Harderwijk een club op te richten waar Mas wel aan mee wilde doen, zij
kregen toen een landelijke bekendheid door het TV-programma
dat heette Van gewest tot gewest. Deze uitzending heette CONGES IN DE FLES,
verder kwamen voor Mas ook grote opdrachten uit Cyprus
en Engeland binnen. Zo had hij haast een eenmansbedrijfje, een hobby die uit de
hand ging lopen en dat moest natuurlijk niet gebeuren.
Hobby wordt werkelijkheid
En
toch ondanks deze haast uit de hand gelopen hobby waar hij zich zijn hele leven
ingestort heeft, kon hij toch het varen niet vergeten, hij kon er toch niet van
loskomen, het water met al die varende schepen bleef hem trekken en of het op
een gegeven moment zo moest zijn, er stond een recensie in de krant. Er was een
zeesleepboot genaamd de s.s.FURIE, die in de film
Hollands Glorie had gevaren, van de slopershamer gered en die was onder weg
naar zijn toekomstige thuishaven Maassluis toe.
Vrijwilligers kunnen zich aanmelden bij meneer de
Haas en bij meneer Smoor, stond in de krant voor het opknappen van de boot om
er weer mee te gaan varen, ook Mas’ zijn zoon van
dertien jaar oud was wel geïnteresseerd. Mas bedacht
zich geen ogenblik, hij pakte de telefoon en ging aan het bellen en ja hoor na even
een lang gepraat met een meneer de Haas, moest hij in
Maassluis maar eens komen kijken en dat was niet tegen dovemansoren gezegd. Ook
zijn zoon van dertien jaar was geïnteresseerd en wilde met zijn vader wel mee. Deze
zat toen nog op de ambachtsschool, die intussen al LTS was geworden; hij wilde
later ook gaan varen als machinist. En op een zekere zaterdag gingen zij naar
Maassluis toe,zijn zoon Harrie
kreeg gelijk interesse in de machinekamer waar hij door meester Smoor werd
opgevangen en Mas kwam aan dek als zoetwater-matroos, hij was toen 37 jaar en werd te werk
gesteld door bootsman Kremer en alles stond onder het
gezag van een echte zeesleepbootkapitein, Dirk Strijbos.
Maar na zeven jaar varen op deze boot had Mas het
gezien, hij dacht alles wat je aan deze boot doet, wordt toch nooit voor je
zelf. En zo groeide bij hem het verlangen naar een eigen boot waar hij zelf als
kapitein op kon gaan varen, hij besprak het met zijn vrouw, die vond dat die
dan eerst maar naar een vaarschool moest gaan.
En dat deed hij, hij ging naar een ANWB vaarschool in Uitwellinga
Friesland, daar leerde hij met een zeilboot varen over de Friese wateren en na lange tijden les gehad te hebben, kwam het
grootste moment in zijn leven. Na enkele werven afgelopen te zijn, kwam hij in
de Lier bij het plaatsje Monster terecht, een heel klein werfje dat
plezierjachten bouwde en toen hij voor
één
van die afgebouwde jachten stond, zei hij tegen zich zelf: “Dat is-‘t-ie, deze boot wil ik laten
bouwen!” De overeenkomst voor de bouw van het schip was met de werfbaas meneer
van Vliet al gauw getekend.
Het zou een nieuw schip worden van negen en halve meter lang en ruim drie meter
breed, met een flinke motor er in. Maar nu nog een naam voor de boot en die
moest er op staan voor dat hij het water inging, daar werd heel lang over na gedacht
en gediscuteerd. Mas wilde hem Allegonda
Maria noemen dat was de naam van zijn vrouw, maar dat wilde zijn vrouw weer
niet, dan de naam van de kinderen, maar ook dat paste niet. Toen kwam er een
kenner bij die zei: “Jij wilde toch altijd varen als kapitein en nog wel op een
eigen schip! Dan moet je die boot Mondésir noemen, dat
betekent in het Frans mijn wens, want die naam hoort bij jou en bij je boot,
omdat dit altijd jouw wens was.” Mooier naam kon toch niet bedacht worden. En
ja hoor het was augustus 1980, Mas was toen negen en
dertig jaar toen zijn eigen schip te water ging. Onder belangstelling van veel
kennissen werd zijn boot gedoopt in de naam Mondésir
En nu vaart hij samen met zijn vrouw, tot op heden, toch op alle binnenwateren
rond. Als zoetwater-kapitein op een eigen schip. En
hij bouwt ook nog vele schepen in het klein die bij hem droog de helling afgaan, want ook modelbouwen, dat blijft hij doen. Want
schepen bouwen is zo diep bij hem ingeworteld, zodat ze uit zijn leven niet
meer kunnen verdwijnen. Inmiddels
studeert Mas zelfs voor ontwerper.
terug naar de homepage