Ontginning en bedijking van het Schermereiland

Deze pagina is onderdeel van een site. Als u links op uw scherm geen frame ziet met de inhoudsopgave en u wilt naar die site, klik dan op: HOME



De ontginning van de Mijzen. Uit: De Cock (1965).

De huidige bewoning heeft alles met de omdijkingen te maken. De omstandigheden waren in de dertiende eeuw zo geworden dat bewoning alleen na het aanleggen van dijken mogelijk was. Bij de bedijking van de Binnenmaden (samenvallend met de herontginning) ontstonden eerst langs de noord-zuid lopende dijken Grootschermer, Graft en het Noordeinde van Graft. En later op de oost-west lopende verbindingsdijken Schermerhorn en De Rijp.1


De ontginning van het noordelijk deel van het Schermereiland. Uit: De Cock (1965).

Toen later de Burenmaden werden omdijkt kwamen Oost- en West-Graftdijk en Driehuizen tot stand.2 De oudste bewoning was gesitueerd in nu verdwenen vestigingen: (West) Mijzen, Schermer en Graft (veel westelijker gelegen dan het huidige Graft).


De ontginning van het zuidelijk deel van het Schermereiland. Uit: De Cock (1965).

Lang heeft het idee bestaan dat bewoning in de kustgebieden pas mogelijk werd na het aanleggen van dijken. Halverwege de vorige eeuw raakte men er, na wetenschappelijk werk van Edelman en Borger, van overtuigd dat, voordat de bedijking (vanaf de elfde eeuw) begon, grote delen van het enorme veengebied in Holland en Utrecht al ontgonnen en bewoond waren. Sterker nog dat er op die ontgonnen gebieden lange tijd akkerbouw mogelijk was.3

Waar kwamen de ontginners van het Schermereiland en omgeving vandaan? De boeren uit de omgeving van Oudorp gebruikten de veenrivier de Schermer om het veen in te gaan. Op die manier kwamen ontginningen van Oterleek, Schermer en Mijzen, de laatste vanuit de Leet (en de) tot stand. Verder de Wognummerkogge, de Veenhop en Ursem. De boeren uit de omgeving van Limmen gingen via de Stierop, dit leverde o.a. Graft en Markenbinnen op.4 De vestiging Mijzen, waarschijnlijk langs de Gouw in de Mijzen, is verdwenen; Schermer lag eerst waarschijnlijk in de buurt van de veenrivier de Schermer, een stuk westelijker dan de plek waar zij haar einde vond (langs de Gouw in de Eilandspolder),

In de twaalfde en dertiende eeuw voltrokken zich desastreuze veranderingen: hevige stormvloeden teisterden ons gebied en veel veen werd weggeslagen. Veel veenvestigingen overstroomden vanwege de ontwikkeling die de mens zelf in gang had gezet: de maaivelddaling ten gevolge van inklinking en oxidatie. Vele veenstromen werden omvangrijke meren. Na de periode van de vernietigende overstromingen van 1150 tot 1300 lag het veenlandschap op het Schermereiland (omsteeks het midden van de dertiende eeuw echt een eiland geworden) er verbrokkeld bij. Tijdens en na deze periode begon men het aanleggen van dijken, gecombineerd met een tweede ontginning (een herverkaveling) van de Binnenmaden. De verschillen in verkaveling zijn nu nog duidelijk: in de Burenmaden (het westelijk en zuidelijk deel van de Eilandspolder) een grillig patroon van blokvormige percelen en in de Binnenmaden (het noordoostelijk deel) een vrij strak gestructureerde strokenverkaveling. Bij de eerste ontginning was sprake van een opstrekkende verkaveling, terwijl bij de tweede ontginning (van de Binnenmaden) meer sprake is van vaste lengtematen (de ontginning heeft een cope-karakter). Niet langer fungeerde een natuurlijk gevormde veenstroom als ontginningsbasis, maar een gegraven wetering: de Gouw, de Delft en de Voordijksloot. De afstand tussen de Oude Zeeburg en de Delft en die tussen de Globdijk en de Gouw komt praktisch overeen met de vaste lengtemaat van een cope-verkaveling (1250 meter), zoals die voor twaalfde- en dertiende -eeuwse ontginningen verplicht was. Evenwijdig aan de gegraven weteringen lopen de dijken, de Globdijk en de Oude Zeeburg, waarlangs Graft/het Noordeinde en Grootschermer zijn gebouwd (strokenverkaveling met bebouwing op de kavels).5 Op het noordelijk stuk van de de ringdijk, nodig om de instroom van water via de zijkanten te verhinderen, ontstond Schermerhorn (in 1346 werd voor het eerst melding gemaakt van een 'Zidewende' (een zijdewende of zijkade), met daarbij de naam 'den Hoern'; zie de beschrijving van Schermerhorn) en aan het zuidelijk stuk ontstond De Rijp (voor het eerst vermeld in een acte uit 1330).6

Tot de veertiende eeuw was er sprake van akkerbouw op het Schermereiland. Akkerbouw die, vanwege de behoefte aan mest, in de veengebieden samenging met veehouderij. In de loop van de veertiende eeuw ging men, gedwongen door de natte omstandigheden, uitsluitend veeteelt bedrijven. Waarschijnlijk is de herontginning van de Binnenmaden nog opgezet met het doel gemengde bedrijven te kunnen toepassen: op de bedijkte Binnenmaden met smalle percelen (voor een goede ontwatering) met een vaste lengte van zes 'voorling' (de lengte van de voren die men in één keer zonder om te keren omploegde). De, voorlopig onbedijkte, Burenmaden fungeerden dan als hooiland. Het woord made (wat samenhangt met het woord 'maaien' betekende oorspronkelijk (in de oudste ontginningsgebieden) 'hooiland'. Het vee werd toen, omdat het vooral om de mestproductie ging, veel langer op stal gehouden dan in latere tijd toen het om zuivelproductie ging. Later werd de betekenis 'weiland' toen de koe een andere fuctie kreeg dan die als mestproducent.7

De bedijking van de Binnenmaden was volgens de waterschapskenner uit de negentiende eeuw, G. de Vries Azn, omstreeks 1300 voltooid. De eerste schriftelijke vermelding dateert echter pas van 1346. De bedijking van de Burenmaden vond plaats in de tweede helft van de 16e eeuw.

Op twee manieren moesten de bewoners van de dorpen van het Schermereiland meewerken aan het keren van het water. Ze moesten meewerken aan de bouw van de dammen die het zeewater buiten moesten houden, aan de dam in de Zaan (de 'Hoge Zaandam', eind 13e eeuw, aan de Schardam (1315) en aan de Nieuwendam in de Krommenije (1357). Maar buiten dat moesten ze zorgen dat ze het water in hun eigen gebied weer kwijt raakten. Die waterlozing ging eerst via spuisluisjes of duikers (afsluitbare afvoerkokers die in de dijk werden aangebracht). Later moest het water opgemalen worden met hoosbakken en molens die met de hand of met behulp van paardenkracht bediend werden. Pas in het midden van de 16e eeuw werd de windwatermolen volop gebruikt.8

Noten

1. De Jong (1991), 6
2. Kaptein (1988), 50
3. Kaptein (1993), 47
4. De Cock (1965), 255
5 Kaptein (1993), 51 t/m 53
6. De Jong (1991), 7
7. Kaptein (1993), 55
8. Kaptein (1988), 24 en 25

Klik voor het vervolg ('waar leefde men van?') op de roll-over die hieronder staat.