Waar leefde men van op het Schermereiland?

Deze pagina is onderdeel van een site. Als u links op uw scherm geen frame ziet met de inhoudsopgave en u wilt naar die site, klik dan op: HOME

In de eerste tijd na de (eerste) ontginning was de akkerbouw, waarschijnlijk gecombineerd met veehouderij in verband met de mestproductie, het belangrijkste. In de 14e eeuw werd de akkerbouw onmogelijk. Graan werd nu niet zelf meer verbouwd en er ontstond een ruilhandel van de eigen producten, boter, kaas, vlees en vis tegen graan. Dit betekende dat er in de 14e en 15e eeuw een verschuiving naar zuivelbereiding en binnenvisserij plaats vond. De vetweiderij was ook van groot belang. Omdat ook de steden afzetgebied werden ontstond er, ook door de goedkope vervoersmogelijkheid die de meren boden, een bescheiden vorm van handel en vrachtvaart (binnenvaart).

De slechte omstandigheden in het boerenbedrijf en de onveiligheid op zee, die voor malaise zorgden in de handel en in de zeevisserij, waren de redenen dat in het begin van de 16e eeuw voor de beroepsbevolking van het Schermereiland de zeevaart de belangrijkste bron van werkgelegenheid werd. Omstreeks 1540 brachten de Rijpenaren hun eerste buizen op zee. In de tijd daarna gingen steeds meer rijke reders zich in De Rijp vestigen.9 Het afzetgebied van de gezouten haring was vaak gelegen in de Oostzeelanden. Ook Graft had in de 17e eeuw een aanzienlijke haringvloot.10

Naast de haringvissserij was, vanaf het begin van de 17e eeuw, de walvisvangst heel belangrijk. In het Noorderkwartier was, buiten de Zaanstreek, De Rijp verreweg het belangrijkste walvisredersdorp. Het aantal walvisvaarders nam in De Rijp in 1715-1720 nog toe, maar in de periode 1735-1780 kwam er verval. Rond 1800 was het afgelopen met de Rijper walvisvaart.11

Velen verhuurden zich als zeeman en gingen ter haringvaart en op kabeljauw- en walvisvangst. Uit het Noordeinde van Schermer (meer dan de helft van manlijke bevolking in 1514! 12), uit het Zuideinde van Schermer, uit Schermerhorn en Graft. Een belangrijke reden was de geringe hoeveelheid landbouwgrand; een gemiddeld boerenbedrijf was nog geen 9 morgen groot, met maximaal 4 koeien. Er vanuit gaande dat een koe nu 5 keer zoveel melk opbrengt als toen mag de conclusie zijn dat het geen vetpot was.13 Tot in de 17e eeuw was het grootste deel van alle hollandse zeelui afkomstig uit Noord-Holland benoorden het IJ, met het Schermereiland als een van de meest zeevarende gebieden. In de 16e en de eerste helft van de 17e eeuw was in Graft en het Zuideinde van Schermer meer dan de helft van de manlijke gezinshoofden zeevarend. De haringvisserij en de walvisvaart gingen de belangrijkste bron van inkomsten vormen. In de koopvaardij (in de Sontvaart vooral) vonden velen als schipper hun beroep. In 1670 was in Graft en het Zuideinde van Schermer nog 30 à 35% zeevarend. Daarna was er een duidelijke daling van het belang van de zeevaart voor de werkgelegenheid. In 1742 was minder dan het tiende deel van de Grafter manlijke beroepsbevolking op zee. De reden voor de sterke terugloop was dat de zeevaart niet het hele jaar werk leverde. Buiten het seizoen moesten haringvissers en walvisvaarders hun brood op een andere manier verdienen. Daarvoor kwam nog steeds de veehouderij in aanmerking en de binnenvisserij, die echter door de inpolderingen verdween. Maar het belangrijkste bestaansmiddel werd een nieuwe vorm van nijverheid.14

Door de zeevaart vond er een geweldige ontwikkeling van handel en nijverheid plaats: olieslagerijen (olie voor voeding, verlichting, zeep en verf), bierbrouwen, beschuit bakken, tonnen kuipen, hennep hekelen, garen spinnen, netten breien, touw slaan, zeil tanen, houtzagen en haringbuizen bouwen.15 Graft en De Rijp werden toen na de Zaanstreek het tweede centrum voor industriemolens benoorden het IJ. Hennepkloppers, houtzaagmolens, oliemolens en meelmolens (ook in het Zuideinde van Schermer en Schermerhorn) beheersten het landschap. In De Rijp stonden er meer dan in Graft. In Graft stonden in 1631 naast meelmolens één of twee hennepkloppers en in 1654 (na de Grote Brand in De Rijp) werden daar één hennepklopper en twee oliemolens bijgebouwd. Van 1660 tot 1800 nam het aantal industriemolens af.16 De traankokerijen stonden voornamelijk langs de Gouw. Namen van de landjes 'De Prut', 'Prutakker' en 'Stinkevuil' herinneren hier nog aan (de laatste resten onzuiverheden van de traan kwamen uiteindelijk in de grond terecht).17 De scheepsbouw (bouw van haringbuizen, fluitschepen en andere koopvaardijschepen) maakte in De Rijp vanaf ± 1620 een snelle groei door, daaraan kwam in de 18e eeuw een einde.18 De haringbuizen waren een soort drijvende fabrieken: de haring werd aan boord gekaakt en gezouten, ze hadden drie masten en een bemanning van 18 tot 30 koppen. Aan het eind van de 16e eeuw verloor de buis door de ontwikkeling van het fluitschip, een snel handelsschip, zijn functie. Er kwamen toen kleinere buizen die helemaal voor de haringvangst ontworpen waren, met twee masten en plaats voor een bemanning van 12 tot 14 koppen.19 De Rijper scheepsbouw bleef, in mindere mate dan een eeuw daarvoor, ook in hele 18e eeuw emplooi aan de bevolking bieden.20

Het belangrijkste bestaansmiddel werd vanaf het midden van de 17e eeuw de hennepverwerkende nijverheid. De Rijp en Graft waren het centrum van deze nijverheid (in 1615 werd de eerste hennepmolen in De Rijp gebouwd; in de 17e eeuw werd het maximumaantal van 12 gehaald 21). Hennep, dat de grondstof leverde voor zeildoek, touw en visnetten, werd gehaald uit het Oostzeegebied, Rusland en Zuid-Holland. In de hennepmolen werden de stengelvezels door stampen of kloppen zacht gemaakt en van restanten hout en andere ongerechtigheden gezuiverd. Daarna werden de vezels in hekelhokken gehekeld en gesponnen in spinbanen, voordat ze naar de touwslagerij en de nettenbreierij gingen. Als het gesponnen garen voor de zeildoekweverij werd gebruikt, dan werd het eerst nog gekookt en gebleekt voordat het weven begon. Op het Schermereiland was de hennepnijverheid vooral gericht op de touwslagerij en de nettenbreierij, in tegenstelling tot Krommenie en omgeving waar de zeildoekweverij overheerste. De hekelhokken stonden overal in de omgeving van De Rijp, in Graft, het Noordeinde van Graft, de Graftdijken en Schermerhorn. In 1630 stonden in De Rijp drie, in Graft één lijnbaan voor de touwslagerij.22 Het aantal nam daarna toe, omstreeks 1740 was de hennepnijverheid de grootste bron van inkomsten in Graft. Bijna de helft van de gezinshoofden kon rondkomen dankzij het hekelen, spinnen en weven. Hetzelfde gold voor De Rijp en Schermerhorn.23 Grootschermer (het Zuideinde van Schermer) was de uitzondering, daar is de hennepnijverhied nooit van de grond gekomen. Ook voor de Graftdijken en Driehuizen was de hennepnijverheid heel belangrijk. Omstreeks 1730 zette een achteruitgang van de hennepnijverheid in. In de periode 1795-1813 kende de hennep-nijverheid een diepe depressie; in Graft nam het aantal lijnbanen drastisch af. De nijverheid bleef echter, samen met de haringvisserij tot ver in de 19e eeuw bestaan.24 De laatste touwslager op het Schermereiland was Louris Bruin op het Noordeinde van Graft.25 Dat er ook sprake was van zeildoekweverij (rolrederij) blijkt uit de namen 'Rolderspad' en 'Het Rolhuis' (naam van een pakhuis op de Tuinbuurt).26

Noten

9. Kaptein (1988), 91
10. Kaptein (1988), 95
11. Kaptein (1988), 126
12. Informacie (1541), 139
13. Kaptein (1988), 40
14. Kaptein (1988), 62, 63 en 65
15. Kaptein (1988), 147
16. Kaptein (1988), 151en 153
17. Kaptein (1988), 155 en 157
18. Kaptein (1988), 158
19. Den Engelse, 3
20. Kaptein (1988), 160
21. Kaptein (1988), 164
22. Kaptein (1988), 163
23. Kaptein (1988), 164
24. Kaptein (1988), 165
25. Kaptein (1996), 1
26. Kaptein (1988), 164

Klik voor het vervolg ('de droogmakerijen') op de roll-over die hieronder staat.