Markante personen uit het verleden van het Schermereiland

Deze pagina is onderdeel van een site. Als u links op uw scherm geen frame ziet met de inhoudsopgave en u wilt naar die site, klik dan op: HOME

Hieronder (soms korte, soms wat langere) beschrijvingen van personen die historisch gezien van belang geweest zijn voor de Mijzen en het Schermereiland of die geboren zijn op het Schermereiland en landelijke faam verworven hebben:
Machteld van Voorne, graaf Albrecht, Jan Adriaensz Leeghwater, Bernard Nieuwentijt (de vermaardste geleerde die het Schermereiland heeft voortgebracht) en Pieter Wiedijk (J. Saks, de marxistische theoreticus met de vlijmscherpe pen).

Machteld van Voorne

In de dertiende/veertiende eeuw was de Mijzen leengebied van de heerlijkheid Voorne, die het weer in leen hadden van de graven van Holland. Tot het huis Voorne hoorde vrouwe Machteld van Voorne die van 1337 tot 1372 een belangrijke rol in de Mijzen vervulde. Vrouwe Machteld bepaalde de huidige grens tussen wat vroeger (West)Mijzen heette en het noordelijk deel van de Mijzen wat onder Ursem viel. Hoe belangrijk het soort octrooien- waarin dit vastgelegd werd- was, blijkt uit het feit dat door haar octrooi nog steeds de grens tussen wat nu de gemeente Schermer en de gemeente Wester-Koggenland heet bepaald wordt! Machteld gaf toestemming tot het bouwen van een nieuwe kerk, had waarschijnlijk bemoeienis met de (her)bedijking en zorgde voor een korte periode van zelfstandigheid van (West)Mijzen.

De rest van het verhaal over Machteld is te vinden in 'De Mijzenpolder: duizend jaar veen en water' (auteur Dick Mantel, uitg. Verloren, Hilversum).

Graaf Albrecht


Graaf Albrecht.

Nog meer dan vrouw Machteld heeft graaf Albrecht (zonder het te weten) een belangrijke rol gespeeld voor de Mijzen. In een octrooi gaf hij op 24 januari 1399 rechten aan schout en schepenen van wat toen Schermer ('Scirmere') heette (het noordelijk stuk van de Eilandspolder en (West)Mijzen. Die rechten hielden onder andere het recht op onderhoud in van het stuk dijk wat in hun gebied (banne) lag. Dit betekende dat het onderhoud van de ringdijk van de Mijzenpolder eeuwenlang onder verschillende machthebbers viel, waardoor de 'gemeenmaking' uitbleef. Pas na de overstroming in 1889 dwong de provincie de gemeenmaking, door die als voorwaarde te stellen voor financiële hulp, af.

Een uitgebreider verhaal staat in het boek over de Mijzenpolder.

Jan Adriaensz Leeghwater


Jan Adriaenszoon Leeghwater.

Het Schermereiland-gebied wordt ook wel het land van Leeghwater (1575- ca. 1650) genoemd. Denk aan: Uit! In het land van Leeghwater. Leeghwater was ongetwijfeld een vakman die naast vele anderen een grote betekenis in waterbouwkundig opzicht heeft gehad. Of die betekenis zo groot is geweest als hem vaak toegedicht wordt is de vraag. Soms moet er een korreltje zout gelegd worden over wat Leeghwater over zichzelf schreef. Mede daardoor is het beeld van Leeghwater wat vertekend. Dat in aanmerking genomen is er niets mis met 'de mythe Leeghwater', waarbij zijn naam eigenlijk staat voor het hele leger van harde werkers die in de zeventiende eeuw onze waterhuishouding hebben bepaald.

Wie meer wil lezen over Leeghwater kan terecht bij J. G. de Roever: Jan Adrienszoon Leeghwater, het leven en werk van een zeventiende-eeuwsch waterbouwkundige (1944; heel kritisch), bij C. Baars: Leeghwater, een herwaardering en bij Herman Kaptein in Verloren Verleden nr. 24.

Bernard Nieuwentijt


Bernard Nieuwentijt.

De meest spraakmakende geleerde die het Schermereiland heeft voortgebracht is Bernard Nieuwentijt, geboren op 10 augustus 1654 in West-Graftdijk. Na een onstuimige jeugd, hij werd verwijderd van de universiteit in Leiden, studeerde hij geneeskunde in Utrecht en bond hij de strijd aan met het 'ongodisme' en met een grootheid als Leibniz. Zijn boek 'Het regt gebruik der wereltbeschouwingen' verscheen in vele vertalingen. Hij kon onder andere het bestaan van God 'bewijzen'.

Veel uit dit overzicht is ontleend aan het proefschrift van Rienk Vermij over Bernard Nieuwentijt.

Leven en studie

Op 10 augustus 1654 werd Bernard Nieuwentijt in West-Graftdijk geboren. Zijn vader, Emanuel Nieuwentijt, was bijna vijftig jaar predikant in West-Graftdijk. Een honkvast persoon die kennelijk tevreden was met zijn werk in de kleine gemeente en die geen carrière zocht in een grotere gemeente. Op 20-jarige leeftijd, in december 1675, liet Nieuwentijt zich inschrijven in de faculteit van de geneeskunde in Leiden. Erg succesvol en langdurig was zijn studie daar niet. Nog geen jaar later stond hij terecht voor de academische vierschaar. Niet betaalde rekeningen, gevallen van bedreiging en mishandeling, het inslaan van vensterglazen enzovoorts werden hem ter laste gelegd. Hij had zich in plaetse van sijne studije in alle modestije te vervolgen, integendeel tot een gantsch ongebonden leeven begeven.....Toen hij de waard van herberg De Zwaan met gebloot rapier achterna zat, omdat deze de zaak om één uur 's nachts wilde sluiten, werd hij gearresteerd. Een boete en een schadevergoeding was het gevolg. Bovendien werd hij voor tien jaar uit de stad Leiden verbannen. Direct nadat hij zijn gevangenisstraf had uitgezeten liet hij zich in de maand januari van 1676 inschrijven aan de universiteit van Utrecht, waar hij nauwelijks een maand later (op 18 februari) promoveerde tot doctor in de medicijnen. Promoveren was toen in Utrecht in heel korte tijd mogelijk, maar de snelheid waarin Nieuwentijt de bul haalde betekent dat hij in Leiden toch wel het een en ander geleerd had.

Uit Nieuwentijts proefschrift en uit zijn wiskundige werk ('Considerationes' in 1694 en 'Analysis infinitorum' in 1695) blijkt een zekere sympathie voor de ideeën van Descartes. Op latere leeftijd nam hij duidelijk afstand van de cartesiaanse filosofie. Zijn wiskundige werken zijn gebaseerd op kennis opgedaan tijdens zijn korte studie in Leiden en misschien in Amsterdam. Deze werken werden aanleiding tot een uitgebreide discussie met Leibniz. Daarover verder in dit artikel meer.

Terug naar de maatschappelijke loopbaan van Nieuwentijt. Hij keerde na zijn promotie terug naar zijn ouderlijk huis in West-Graftdijk. Daar oefende hij tot 1682 een medische praktijk uit. In dat jaar werd hij door de regering van Purmerend aangesteld tot armendokter met een vergoeding van 25 gulden per kwartaal. Daarnaast oefende hij daar zelfstandig een praktijk uit. Nieuwentijt steeg, onder andere door een huwelijk met de weduwe van een lid van het Purmerendse stadspatriciaat, Eva Moens, op de maatschappelijke ladder. Door dit huwelijk verbeterde hij zijn financiële positie aanzienlijk en werden waarschijnlijk zijn mogelijkheden in de politiek vergroot. Iets over de stedelijke politiek. Purmerend bezat drie burgemeesters, waarvan er twee na een jaar aftraden en er één nog een jaar als president-burgemeester fungeerde. Verder zeven schepenen, waarvan er zes na een jaar aftraden en er één president-schepen werd. De vroedschap maakte voor de ambten van burgemeester en schepen een nominatie op, waarop tweemaal zoveel personen stonden als er ambten waren. De stadhouder maakte dan de keuze. In 1684 werd Nieuwentijt (als achtste genomineerd) tot schepen benoemd en het jaar daarna tot president-schepen. Hij werd ook in de vroedschap gekozen. Een conflict met de machtige Gerard Constantijn van Ruytenberg betekende voor enkele tientallen jaren het einde van Nieuwentijts politieke loopbaan.

In de jaren van zijn verminderde politieke activiteit, na 1690, wijdde Nieuwentijt zich aan zijn oude hobby, de wetenschap met name de wiskunde. Een beknopt boekwerk, de 'Considerationes' verscheen in 1694. In dit boek beschreef hij de methoden die hij volgde in zijn boek van 1695, 'Analysis infinitorum', met daarin een systematische uiteenzetting van 300 bladzijden over de infinitesimale methoden in de wiskunde. In de 'Considerationes' zette hij zich af tegen de methoden van Leibniz. De negatieve reactie van Leibniz en Johann Bernouilli, hoogleraar in Groningen) leidden tot een tweede polemisch geschrift 'Considerationes secundae'.

De onenigheid met Leibniz

Nieuwentijt hield zich in wiskundig opzicht bezig met een onderwerp dat internationaal erg in de belangstelling stond: de infinitesimale methode waarin gebruik werd gemaakt van oneindig kleine grootheden. De afrondende studie hiervoor werd, internationaal gezien, verricht door de Duitse geleerde Gottfried Wilhelm Leibniz met zijn differentiaal- en integraalrekening en ongeveer tegelijkertijd (onafhankelijk van Leibniz) door de Engelse geleerde Isaac Newton. Newton publiceerde in 1687 een paar fragmenten van zijn ontdekkingen, maar Leibniz gaf in 1684 de kern van zijn werk weer in een Duits tijdschrift. Het werk van Leibniz en Newton is nu nog van groot belang en wordt nog steeds onderwezen op middelbare scholen en universiteiten. Nieuwentijt werkte in zijn boek 'Analysis infinitorum' aantekeningen uit zijn studententijd (van omstreeks 1670) uit. Aanvankelijk onbewust van het werk van Leibniz. Toen hij er rond 1690 wel kennis van nam was hij al geruime tijd bezig. Hij verwerkte het werk van Leibniz nauwelijks in zijn boek, waarin hij de bestaande kennis op het gebied van de infinitesimaalrekning op een rij zette. Hierdoor was het boek al voor verschijning eigenlijk achterhaald.

In plaats van hierin te berusten ging Nieuwentijt de strijd met Leibniz aan. In de 'Considerationes' beweerde hij dat de methode van Leibniz niet deugde. Leibniz en Johannes Bernouilli regeerden uitgebreid en afwijzend op Nieuwentijts werk. Ook op het hoofdwerk van Nieuwentijt ('Analysis infinitorum') reageerde Leibniz in een artikel met als titel 'Antwoord op enkele moeilijkheden, aangegeven door de heer Bernard Nieuwentijt aangaande de differentiaal- of infinitesimale methode'. Leibniz besloot met de raad dat Nieuwentijt zich verder beter kon wijden aan nieuwe ontdekkingen in plaats van oude te bekritiseren, want dan zou hij zonder twijfel belangrijk werk kunnen voortbrengen. Bernouilli reageerde vernietigend op het werk van Nieuwentijt: hij (Nieuwentijt) spreekt over differentiaalrekening als een blinde over kleuren.

De discussie werd voortgezet door de publicatie van Nieuwentijts 'Considerationes secundae'. Hierin verweet Niewentiijt Leibniz dat hij zijn methode als nieuw presenteerde en het werk van onder meer Newton verzweeg. Bernouilli schreef over de publicatie ik kan me er absoluut niet toe brengen om mijn tijd te verknoeien met het te lezen. Leibniz ontving het boek zonder het besteld te hebben. Hij vermoedde dat de auteur verantwoordelijk voor het toezenden was. Het is niet uit te drukken hoe vrolijk het inkijken van deze beschouwinge mij maakte en wat voor uitbundig gelach het mij ontlokte; zulke onzin slaat de goede man uit.

De heren gingen dus bepaald niet zachtzinnig met elkaar om, ontactvol gedrag en jaloezie hadden hun sporen nagelaten. De reactie van Leibniz en Bernouilli was ongemeen en zelfs soms onredelijk hard, maar dit verhinderde niet dat het werk van Nieuwentijt in Nederland goed werd ontvangen. Hij was een nationale beroemdheid geworden. Hij bracht een bezoek aan Johannes Hudde (een wiskundige met internationale reputatie) en aan Christiaan Huygens. Nederlandse wiskundigen volgden soms zijn methode. Op den duur werd zijn methode door die van Leibniz verdrongen en ging hij de geschiedenis in als een 'door Leibniz afgekraakte wiskundige'. Volgens Rienk Vermij, die op Nieuwentijt gepromoveerd is, had Nieuwentijt dit aan zichzelf te wijten. Nadat hij kennis genomen had van het werk van Leibniz probeerde Nieuwentijt alleen maar aan te tonen dat diens werk minder deugde dan zijn eigen werk. Hij wierp zich niet op onopgeloste wiskundige problemen, maar bleef spijkers op laag water zoeken. Belangrijker dan het verder ontwikkelen van de wiskunde was de bestrijding van Leibniz geworden. Nieuwentijt manoevreerde zich in de rol van ruziemaker. Als hij zich ontwikkeld had tot een zelfstandig onderzoeker dan hadden Leibniz en Bernouilli hem waarschijnlijk een plaats tussen de groten gegund. Door zijn manier van optreden maakte Nieuwentijt zich onmogelijk.

Bovenstaande is ontleend aan de periodiek van de Oudheidkundige Vereniging 'Het Schermereiland' (Een Nieuwe Chronyke, nr. 1 van 2005).

Pieter Wiedijk (J.Saks)


Pieter Wiedijk oftewel J. Saks.

Portret van de in 'het knikkerdorp' Grootschermer geboren en in het Noordeinde gevormde Pieter Wiedijk, alias J. Saks. Eén van Nederlands meest scherpzinnige socialisten (marxisten).

Jeugd op het Schermereiland

Pieter Wiedijk werd op 27 februari 1867 in Grootschermer geboren, als enig kind van de timmermansknecht Pieter Wiedijk en Elisabeth (Betje) Bruin. Zijn vader overleed, toen Pieter twee jaar oud was, op 29-jarige leeftijd aan de 'tering'. Zijn moeder woonde daarna met Pieter enige tijd in het huis van haar vader, de touwslager Bruin, in het Noordeinde van Graft (Noordeinde 14). Daarover straks meer. Betje Bruin hertrouwde met C. Mehrings, een boer uit de Beemster, maar overleed al snel, toen Pieter acht jaar oud was, ook aan de gevolgen van tuberculose. Op de boerderij in de Beemster (Volgerweg nr. 1) groeide Pieter op, in een omgeving die ongetwijfeld liefdevol was, maar die niet paste bij zijn zwakke gestel en die niet veel begrip had voor zijn intellectuele ambities. De boerderij stond op een afstand van tien minuten lopen van zijn lagere school, op de hoek van de Volgerweg en de Jisperweg (voor de informatie over de plaats van de boerderij en de school dank aan Jan de Groot). De verschillende denkwerelden van Pieter en zijn pleegouders moeten geleid hebben tot een eenzame jeugd. Begrip vond Pieter veel meer bij de familie Bruin, met name bij zijn grootmoeder, de echtgenote van Louwris Bruin uit het Noordeinde.

Zijn (voor)ouders

Pieters vader was een nazaat van Frederik Wiedijk die samen met zijn broers Henderik en Jan in 1783 als 'hannekemaaier' uit Pruisen naar Noord-Holland kwam. Frederik Wiedijk was de naam die hij aannam toen hij zich in Nederland vestigde, zijn oorspronkelijke naam was (Johann) Fridrich Wedig (het laatste is doorgegeven door Bob Doornbos, waarvoor hartelijk dank!). De hooiende broers vestigden zich blijvend in Nederland, waar Frederik in 1784 trouwde met Geertje Schuyt. Op 13 oktober 1805 werd uit dit huwelijk Pieter Wiedijk geboren die trouwde met Neeltje Renses. In 1840 werd hun zoon Pieter geboren die werd opgeleid voor timmerman, trouwde met Betje Bruin en die in 1867 de vader werd van Pieter Wiedijk waarover dit artikel gaat.

Voor de geschiedenis van de familie Bruin terug naar de achttiende eeuw, terug naar de oudst bekende Willem Bruin (1759-1826) die als driejarige in 1762 werd opgenomen in het weeshuis van de doopsgezinde gemeente in De Rijp, voorbestemd om timmerman/ molenmaker te worden. Het liep anders: hij toonde zo'n taalkundige aanleg dat hij, gestimuleerd door de 'leeraar' van de doopsgezinde gemeente, Pieter Hartman, een theologische opleiding ging volgen. Veel theologisch-wijsgerige verhandelingen staan op zijn naam, terug te vinden in de 'Verhandelingen'van Teylers Godgeleerd Genootschap in Haarlem. Na zijn opleiding is Willem Bruin in enkele plaatsen beroepen geweest. Sinds 1789 heeft hij in Westzaan gestaan, in de buurt van de touwslagerij in het Noordeind die door zijn huwelijk met Maartje Heinis in zijn bezit gekomen was en die hij sindsdien beheerde. Deze Willem Bruin werd als een soort stamvader voor de familie gezien: literair-theologische vermaardheid werd gecombineerd met de reputatie van het oude ambacht, de touwslagerij.

De 'stamvader' Willem Bruin was een zoon van Jan Bruin en Neeltje Sas. Het is mogelijk dat het pseudoniem J. Saks van Pieter Wiedijk hier zijn oorsprong vindt: de voorletter van de vader en de achternaam (met de k toegevoegd, die er misschien oorspronkelijk ook gestan heeft) van de moeder van de befaamde stamvader. Fr. de Jong hierover: zo steekt in de combinatie van deze twee namen, wellicht speels en halfbewust, de uitdrukking van het wees zijn van Wiedijk en van zijn verbonden zijn met het voorgeslacht. Zij geven zijn eenzaamheid weer én zijn Noord-hollanderschap. De 'stamvader' Willem Bruin had o.a. twee zonen: Pieter Bruin, die de touwslagerij erfde en die ook als 'Vermaner' in Noordeinde fungeerde en Jan Bruin die theologie studeerde. Ook Pieter Bruin had onder meer twee zonen: Louwris die de touwslagerij ging beheren en die de grootvader van 'onze' Pieter Wiedijk was en Willem die de theologiekant opging. Iedere keer gingen de Bruinen dus de richting van het beheer van de touwslagerij op, of die van de theologie.

Pieter Wiedijk in de politiek

Pieter Wiedijk deed in 1881, op 15-jarige leeftijd, toelatingsexamen voor de kweekschool in Haarlem. Snel daarna werd hij ziek en verbleef hij drie jaar in Davos. Daarna rondde hij een apothekers-studie af en werd hij actief als journalist en als theorericus in de politiek.

Het zag er goed uit voor de sociaal-democratie rond de eeuwwisseling van de 19e naar 20e eeuw: de SDAP nam in omvang enorm toe; het stemmenaantal van de partij was in 1902 verdriedubbeld; het vooral door socialisten aan de orde stellen van het sociale vraagstuk leidde tot een groot aantal sociale wetten. Maar juist deze veranderingen legden de nadruk op een zich aandiendend keuze-probleem: ging het om de practische politieke werkzaamheid in kamer en gemeenteraad of om de blijvende oriëntatie op Marx en Engels? Moest het lenigen van de harde nood van het volk een eerste doel zijn of moest het volk, gedreven uit nood, de harde les leren van de klassestrijd en de revolutionaire machtsvorming? Het bekende dilemma waarin Troelstra tegenover Gorter, H. Roland Holst, Van der Goes, Pannekoek en Wiedijk stond. (...)

Omdat hierna het verhaal heel politiek van karakter wordt heeft de maker van de website het vervolg weggelaten. Mocht u belangstelling hebben: bovenstaande komt uit de periodiek van de Oudheidkundige Vereniging 'Het Schermereiland' (Een Nieuwe Chronyke, nr. 4 van 2004). Hier volgt alleen nog een beschouwing van Wiedijk waarin het Schermereiland vaak ter sprake komt. De tekst komt uit 'Kritische Herinneringen' (J. Saks 1929; SUN reprint 1977).

Hoe zag Pieter Wiedijk het Schermereiland?

In 'Kritische Herinneringen' staat de reactie van Pieter Wiedijk op de eerste twee delen van Troelstra's 'Gedenkschriften', 'Wording' en 'Groei'. Troelstra krijgt er genadeloos van langs, waarbij Wiedijk de omstandigheden in Friesland waar Domela Nieuwenhuis de ergste moeilijkheden voor politieke propaganda al overwonnen had en waar een felle ekonomische crisis vele der kleinere luyden had rijp gemaakt voor het socialisme (…) vergelijkt met de omstandigheden elders met zooal niet stroever menschen dan toch stugger terreinen. Wiedijk haalt een paar eigen herinneringen op die hij kenmerkend acht voor de situatie op het platteland en die de toegankelijkheid voor de socialistische propaganda moeilijker maakten. Hij vindt het hiervoor niet nodig naar het donkere Zuiden af te zakken. Want, zo schrijft Wiedijk, juist dezer dagen – en dit moge gelden voor de gepaste aanleiding tot een kleine historische beschouwing – is een oord dicht bij honk, onder de rook van de hoofdstad over de tong gegaan: in 't begin van de vorige Decembermaand kon men in de bladen lezen, dat te Grootschermer de opvoering van 'Op Hoop van Zegen' verboden was. Dit wijst erop hoezeer de toestand ondertussen veranderd is, want een veertig jaar geleden was het juist een kenmerk van dit dorp en zijn omstreken, evenmin aandacht te geven aan als te trekken van de buitenwereld. Het verbod doet, volgens Wiedijk, in dit overwegend protestantsche milieu een betrekkelijk sterke politieke spanning vermoeden. voorheen was er, wat de politiek betreft, de dood in den pot, ofschoon de toestanden er rijp schenen voor belangstelling in dit opzicht, voor liberaal leven, voor socialistische neigingen zelfs. In de notulen van de raadsvergadering van de gemeenteraad van Zuid- en Noordschermer van maandag 24 september 1928 staat over het verbod het volgende: de heer J. Heinis Mzn vraagt en verkrijgt van den raad verlof om tot den Burgemeester (C. de Groot, D. M.) eene interpellatie te richten terzake van het door dezen gegeven verbod aan de tooneelvereeniging 'Thalia' tot opvoering van Heyermans 'Op hoop van zegen'. De burgemeester zegt, dat dit stuk z.i. verouderd is, omdat de daarin gehekelde toestanden in dien vorm gelukkig niet meer bestaan. Natuurlijk heeft spreker alle waardeering voor het stuk als kunstwerk, maar voor eene opvoering in deze gemeente, zòò moet hij iedere aanvrage bezien, acht hij het stuk ongewenscht. De Heer Heinis en Mevrouw Slooten (leden van de SDAP, D. M.) kwalificeren des Burgemeesters motieven als klein en krenterig, waarop de burgemeester vraagt, of de heer Heinis het stuk wel kent. Deze zegt, als lid van Thalia het tekstboekje wel te hebben doorgezien.
Vervolg van het essay van Wiedijk: Het Schermereiland – de oude naam herinnert aan de dagen, toen het nog bijna geheel omringd was door de groote meren, die in de eerste helft der zeventiende eeuw werden drooggelegd – het was met een achttal dorpen, over 't algemeen in kerkelijken zin modern, was in elk geval sedert geruimen tijd op weg het te worden.In zooverre waren de ergste belemmeringen opgeheven om het socialisme zooal niet binnen te halen dan toch toe te laten en den ex-predikant Nieuwenhuis zooal niet te verwelkomen dan toch te dulden. De vraag was destijds, wanneer er leven in de brouwerij moest worden gebracht, door wien het zou zijn: door hem of door zijn oud-collega Abraham Kuyper. (…) Maar evenmin als Kuyper heeft Nieuwenhuis zich destijds in deze dreven vertoond; en daar heeft hij verstandig gedaan; de tijd voor het socialisme en voor de reakties daarop, het neo-calvinisme- waarnaar het Grootschermer' verbod zoo sterk riekt- was nog niet gekomen. (...)Geen van beiden zouden er vooralsnog in geslaagd zijn de heerschende toon te treffen of deze te wijzigen. Kuyper niet Nieuwenhuis zeker niet en een van diens ondeftige volgelingen zeker allerminst. Want vóór alles moest, wat ingang wilde vinden, gematigd van toon naar vorm en inhoud; fatsoenlijk, ordentelijk. Wat hier de toon aangaf was, in aansluiting bij de veldwinnende modern-theologische opvattingen, het liberalisme. Of liever: een bijzonder soort liberaliteit; want van de binnenlandsche politiek als zoodanig was er nauwlijks sprake, enkel het welgestelde deel der in overmaat uit kleine boeren, winkeliers en arbeiders bestaande bevolking werd geacht er belang bij te hebben en maakte tijdens verkiezingen op onopzichtige wijze gebruik van zijn kiesbevoegdheid; een recht dat neerkwam op de traditioneele verplichting om den bescheidenlijk in herinnering gebrachten, gematigd-liberalen kandidaat te herkiezen. (...)De verandering, zoo men wil: de vooruitgang in de denkbeelden werd dan ook niet aangegeven of aangebracht door de verkiezingen voor de Kamer maar door die voor den kansel; het beroepen van den nieuwen predikant wekte gewoonlijk eenige beroering en vergde de hoogste geestelijke inspanning en de scherpste oefening van den smaak: bij de best ingewijden het beoordeelen van, bij de minder snuggeren het raden naar zijn leerstellige opvattingen en bij allen – want hier konden en mochten ook de vrouwen meedoen – het keuren van zijn voordracht, van zijn manieren, en speciaal van de mate waarin hij de ouderwetsche dominees-gebruikelijkheden verwaarloosde en van het stukje nieuwe kultuur dat hij uit de buiteneilandsche beschaving meebracht. Het kwam aan de wereldsche zoowel als aan de kerkelijke ontwikkeling der gemeentenaren ten goede, dat de nieuwe predikant hier gewoonlijk niet bleef tot hij oud werd; wat hier zat placht niet te blijven zitten; want de kerkelijke gemeenten waren hier betrekkelijk klein en arm en trokken in de konkurrentie met de stedelijke aan 't kortste eind, zoodat zij de eerste toevlucht en oefenplaats werden van pas door hun faculteit afgeleverde jonge theologen; door den bank geavanceerder van opvattingen dan de oudere, die in de steden een vaste standplaats zochten en vonden. Dat zij kwamen, gewoonlijk pas getrouwd en soms met nog enkele wilde haren, bracht eenige fleur in het anders verdorrende, geestelijke leven, en dat zij, zoodra zij huisvaders werden en vóór zijzelf geheel verdorpelijkten, hun kansel en pastorie zoo spoedig mogelijk weer ruimden voor jeugdiger krachten, bevorderde de gewenschte hernieuwde verjonging. Er waren natuurlijk mee- en tegenvallers, maar zóó bleef in elk geval de gang erin; en als resultaat van dit eigenaardige proces – dat ook nu nog, zij het dan minder dan vroeger, voor de ontwikkeling van het platteland in 't algemeen van beteekenis blijft – was in 't midden van de jaren tachtig het Schermereiland theologisch althans niet ten achter en vele groote steden waarschijnlijk zelfs vooruit… Als de eigenlijke gangmakers hierbij mogen onder de Hervormden de Doopsgezinden gelden, die in de twee voornaamste gemeenten, de Rijp en Graft, vrij talrijk vertegenwoordigd waren; in het eerste dorp over een ruime 'vermaning' en in het gehucht Noordeinde, tot het laatste behoorend, over een klein kerkgebouw beschikten. (…). Alles was hier eenigszins hulpbehoevend; eischen stellen opende het vooruitzicht op een gemeenschappelijk doodvonnis. Men ging er te minder toe over daar men er zelfs bij grooter weerstandsvermogen nauwelijks aan gedacht zou hebben. Ekonomische aktie van arbeiderskant of politieke organisatie van alle van medezeggenschap verstokenen, zouden bovendien belemmerd zoo niet verhinderd zijn geworden door een ander ouderwetsch verschijnsel: het dorps-individualisme, de esprit de clocher (de geest waarin het plaatselijk belang overheerst, D.M.), het gemeentelijk patriotisme. Het verkeer tusschen de dorpen was zoo gering dat er van samenleven geen sprake was, dat sommige ervan nog tot op den huidigen dag hun bijzondere, eeuwenoude gebruiken en genoegens hebben weten te handhvaven: in het lichtelijk berucht geworden Grootschermer waar de kolfbanen eerst sedert kort in onbuik zijn geraakt, kan men een deel der volwassen mannelijke bevolking zich des Zondags nog op den openbaren weg met knikkeren zien vermaken. Maar zelfs waar de dorpen bijna ineenvloeiden zooals het oude Graft en zijn aanvankelijk onderdeel, het eerst in de eerste helft de zeventiende eeuw zelfstandig geworden de Rijp, daar bleven de dorpelingen min of meer geestelijk gescheiden… (…). Volgens Wiedijk had het overmachtige Amsterdam het Noordhollandse platteland heel lang onder de duim gehouden. De macht die het over het platteland en de dorpen uitoefende was te groot geweest dan dat zij tot onderlingen verbinding en gezamenlijken tegenstand konden komen, de bescherming, die het bood, te onmisbaar dan dat zij het zouden hebben beproefd. Zoo bleven ze ondanks gemeenschappelijke druk en achteruitzetting in hun stug en eenzelvig isolement. Zoomin als een Grafter zich op zijn plaats gevoelde in het knikkerdorp, even weinig voelde een Rijper zich volkomen thuis en geheel een met Grafters, om van de meer afgelegen, boersche kolvers niet te spreken. Hier, in dit bijzondere geval van den Rijper, was dit tevens een eigenaardige uiting van standsgevoel: hij mocht zich ietwat verheven achten boven de huislieden elders als eener korporatie van hoogere burgers, als klein-stedeling eenigszins tegenover dorpelingen. En de anderen moesten hem niet alleen van zich zelf verschillend achten maar hem ondanks zich zelf met eenige onderscheiding beschouwen als medeburger van 'heeren'. Deze hoogere verschijningsvorm van den mensch trof men daar, in de Rijp aan; en daar alléén; om om hunne evenknieën te vinden moest men, ver over de grens van het Schermereiland heen, een paar uur marcheeren, naar Alkmaar of Wormerveer of Purmerend. De Rijp was – en is nog, maar dan in beperkter mate – het defige dorp; naar de geest, die er huisde, meer dan door de plaats, die het besloeg: 'een dorp, (…), waar iedere straat een stad is', zoo als in Huygens'tijd, het kleine de Haag. Het heeft er, behalve sloppen en stegen, slechts drie, maar deze waren door hunne steedschheid imponeerend genoeg tegenover de omliggende dorpen, die het er met één moeten stellen. Hier heerschte de ouderwetsche stadsgeest, de stille maar nogal steile standstrots van burgers jegens de boeren van elders; en dezen geest in zijn 'reine Form' vond men verpersoonlijkt in de 'heeren'. Er waren er maar weinig, er was er van elke soort maar één; de burgemeester, vertegenwoordiger van Z. M. zelven, de secretaris, de ontvanger, uiteraard eenig in hun soort, maar ook de notaris, de boekhandelaar, de wijnkooper, de handelaar en gros in dit of dat. (…). Zij vormden samen gezamenlijk een miniatuurmaatschappijtje van vóór- acht-en- veertigers, naar het uiterlijk minder een vermolmd overblijfsel dan een levenskrachtige voortzetting van de eerste helft der negentiende eeuw, waarin zich ten onzent de vormen der achttiende zoo gemakkelijk hadden kunnen herstellen omdat de mentaliteit ervan in de hoogere standen was bewaard gebleven (…). In dit steedsche dorp, buiten de groote verkeerswegen gelegen, was dikker nog dan in sommige kleine steden der zeeprovinciën, de nevel van het verleden blijven hangen, die in de grootste, zoals Amsterdam, sedert geruimen tijd bezig was op te trekken. (..). Met de toonaangevende mentaliteit van den heerenstand, was het uiterlijk karakter van het deftige dorp in overeenstemming. (…). En van zoo eigenaardige hechtheid was de correlatie tusschen vorm en inhoud geworden, dat het aantal der voornamere woningen zich niet richtte naar dat der voorname ingezetenen maar dat, omgekeerd, er niet meer 'heeren' konden zijn dan er heeren-huizen te betrekken vielen. (…).

Willem Schermerhorn

De eerste minister-president na de tweede wereldoorlog, geboren in Akersloot. Een uitgebreide tekst volgt.

Klik voor het vervolg ('waterbeheer en toekomst') op de roll-over die hieronder staat.