Waterbeheer en toekomst veenweidegebieden

Deze pagina is onderdeel van een site. Als u links op uw scherm geen frame ziet met de inhoudsopgave en u wilt naar die site, klik dan op: HOME

Eerst op deze pagina een artikel over waterbeheer, dan een stuk over het huidige gebruik van de Mijzenpolder en tenslotte een blik in de toekomst

Waterbeheer

Hieronder een artikel uit het Noordhollands Dagblad d.d. 7 jan. 2003 geschreven door de maker van deze website.

Waterbeheer Ūs onnatuurlijk

Vernatten of niet

Door Dick Mantel

'Op naar een natuurlijker waterbeheer', schreef Maaike van Rijn van de Milieufederatie Noord-Holland onlangs op deze pagina. Zij reageerde op de plannen voor waterbeheer in Noord-Holland. Niet iedereen is het met haar eens.

In het grootste deel van Noord-Holland kunnen we leven en werken omdat we geleerd hebben om, via bemaling en het bouwen van dijken, het water in bedwang te houden. Het is verbazingwekkend om te zien dat sommigen deze les van de geschiedenis terzijde willen schuiven. Zij vinden het progressief om mee te doen aan de hype 'vernatting' door de strategie 'vasthouden, bergen, afvoeren' (VBA) te volgen. Het water moet volgens die strategie zo lang mogelijk in de polders worden vastgehouden, waamee ook doelen als natuurontwikkeling, recreatiebevordering en voorraadbeheer zouden zijn gediend. De VBA-methode wordt ook wel de bergingsmethode genoemd.
Uiteraard moet je te ver doorgeschoten verkaveling corrigeren, nieuwe waterlopen graven en bij stedelijke bebouwing veel water creŽren. Natuurlijk kun je gebieden, die al de functie natuur hebben, gebruiken om water te bergen. Maar garandeer de veiligheid op de effectiefste en goedkoopste manier. De kreet 'het water moet weer uit zijn keurslijf worden bevrijd' snijdt hout in het rivierengebied en in het stroomgebied van de Rijn, maar niet in Noord-Holland.
Volgens mij moeten drie doelstellingen voorop staan in het waterbeheer (ik laat de waterkwaliteit even buiten beschouwing)
De eerste doelstelling is het garanderen van de veiligheid en het tegengaan van wateroverlast. Voor mij staat als een paal boven water dat in ons gebied de weg van bemaling het effectiefst, het goedkoopst en het minst ruimteverslindend is. Op de dooddoener 'we kunnen toch geen gemalen blijven bouwen en dijken blijven verhogen' is maar ťťn reactie mogelijk: als je dat niet wilt zullen we met z'n allen moeten verhuizen naar een plek die flink boven NAP ligt. Wat moet je met de vaak gehoorde opmerking 'maar de techniek kan ons toch in de steek laten'? Ik begrijp niet zo goed wat voor boodschap de 'techniekpessimisten' willen afgeven. Hoe zou onze wereld eruit zou zien als de twijfel aan de techniek wordt omgezet in beleid?

Slootpatronen

Uitgaand van het maximumscenario (het toekomstscenario dat ervan uitgaat dat in 2050 de neerslagintensiteit met 20 procent is toegenomen en de neerslag per jaar met 6 procent) is het nodig de capaciteit aan poldergemalen met 20 procent te vergroten. Hollands Noorderkwartier mikt op een vergroting van 10 procent en de provincie op 0 procent. De vermeerdering van de capaciteit heeft natuurlijk alleen zin als de sloten verbreed en verdiept worden (baggeren dus). Herstel oude slootpatronen. Maak daarnaast de boezemgemaalcapaciteit geljk aan de totale poldergemaalcapaciteit (de boezem vangt het water uit de polders op, voordat het naar het buitenwater wordt afgevoerd). Zorg er uiteraard voor dat het water de gemalen goed kan bereiken. Omdat het Markermeer nodig is als bergingsreservoir, is een goed overleg met Rijkswaterstaat nodig.
Waarom kan de provincie naar 0 procent toename van de poldergemaalcapaciteit streven? Onder andere omdat de provincie ervan uit gaat dat er pas wateroverlast ontstaat als de polders blank staan. De mensen die hun brood in de polders verdienen zullen dit liver willen veranderen in overlast bij 'halve drooglegging', dus als het peil in de polder tot halverwege het normale slootpeil en maaiveldhoogte gestegen is.
De tweede doelstelling is het tegengaan van watertekort in droge tijden. Is het mogelijk om water dat je in natte tijden in een bergingspolder of in retentie (vasthoud)gebieden opgevangen hebt, te bewaren voor droge tijden? Om twee redenen kan dat niet. Bergingspolders en retentiegebieden, die bedoeld zijn voor noodopvang, moeten zo gauw mogelijk weer leeg gemaakt worden voor een volgende stortbui. En in de tweede plaats is water uit een bergingspolder niet geschikt voor voorraadvorming omdat het 'vervuild' boezemwater is en water uit een retentiegebied is waarschijnlijk ook te voedselrijk.

Doorspoeling

Voor het watertekort in de zomer heb je het Markermeer nodig. Als het peil in het voorjaar 'hoog opgezet' wordt, moet dit enorme reservoir toch voldoende mogelijkheden bieden, ook voor de dooorspoeling?
De derde doelstelling is het behoud van het cultuurlandschap. Als er in de kwetsbaarste gebieden, de veenweidegebieden, verder 'vernat' wordt, als de drooglegging daar kleiner wordt dan de huidige 30 centimeter, wordt het voor de boeren onmogelijk worden hun bedrijf draaiende te houden. Ze zullen dan, nog meer dan nu al het geval is, uit het gebied weg trekken. Dit zou het einde betekenen van het cultuurlandschap met zijn unieke verkavelingsstructuur. De boeren zijn namelijk onmisbaar voor het beheer (aangepast maai- en mestbeleid), het instandhouden van het open landschap en het verzorgen van een goede leefomgeving voor de weidevogels.
Is er meerwaarde bij berging, bij de VBA-methode? Wat betreft voorraadbeheer lijkt de meerwaarde dubieus en voor de natuurontwikkeling komt waarschijnlijk alleen het natuurtype 'rietland en ruigte', bestaande uit voedselrijke, natte rietmoerassen, in aanmerking. De voorkeur daarvoor is subjectief en of je door middel van deze gebieden de recreatie, ook wel genoemd als meerwaardedoel, bevordert waag ik te betwijfelen.
De introductie van het begrip meerwaarde bij berging heeft tot gevolg gehad dat politieke partijen deze nieuwe manier van waterbeheer hebben 'geannexeerd', daarbij berging als progressief bestempelend. Dit werkt, op zijn zachtst gezegd, verwarrend. Misleidend wordt het zelfs als het ontwikkelen van 'nieuwe, natte natuur' gepropageerd wordt om de veiligheid te bevorderen en wateroverlast te bestrijden.
Conclusie: Vervang VBA door POA ('polders ontlasten, afvoeren') en blijf vertrouwen op de techniek van bemaling. Tijdens intensieve buien zal het 'vasthouden' een noodzakelijke realiteit zijn, maar maak het niet tot het doel waarnaar gestreefd moet worden.

Naschrift: de plannen lijken de laaste twee jaar reŽler geworden: de grens voor overlast is verschoven, de plannen voor 'inundatiepolders' lijken van de baan. Maar nog steeds komt 'bemaling' achteraan in het prioriteiten-rijtje. Het principe van VBA (vasthouden, bergen, afvoeren) is vervangen door het drietal 'slimme stuwen' (voor het vashouden!), waterberging, bemaling. Het heet anders maar de vraag is of het VBA principe verlaten is.

Het huidig gebruik van de Mijzenpolder

Tijden veranderen maar onveranderd blijft het belang van het waterpeil, bepalend voor het gebruik nu en voor de toekomst. Een toekomst die niet denkbaar is zonder boeren, waardoor 'vernatting' eigenlijk tot de onmogelijkheden behoort. Net als in vele andere veenweidegebieden is er ook in de Mijzen wat betreft het waterpeil sprake van tegengestelde belangen. De boeren willen peilverlaging in tegenstelling tot de natuurbeschermers. Begin 2002 was het verschil tussen maaiveldhoogte en waterpeil zo gering geworden dat voor de boeren een aanpassing van het peil aan de maaivelddaling zeer wenselijk was (-2m 40 NAP in de zomer en -2m 44 in de winter, bij een maaiveldhoogte van -2m 20 NAP). Als compromis kwam toen het peil van - 2m 44 voor het hele jaar tot stand.

Een derde deel van de ongeveer 660 hectare die de polder telt is eigendom van Staatsbosbeheer, die het land grotendeels verpacht aan de boeren. In dat verpachte land worden in de broedperiode van de vogels strenge eisen gesteld. Er mogen dan geen 'voorjaarswerkzaamheden' - bemesten, slepen en rollen - plaats vinden. Er mag pas vanaf 15 ŗ 30 juni gemaaid worden en bij de bemesting mag alleen ruige mest gebruikt worden. De boeren, die eigenaar zijn van het andere tweederde deel, kunnen een overeenkomst met het ministerie van LNV (Landbouw, Natuur en Visserij) sluiten. Dit ministerie werkt samen met de plaatselijke Verenigingen voor Agrarisch Natuurbeheer. In de Mijzen is dat de Vereniging Agrarisch Natuurbeheer Tussen IJ en Dijken, de opvolger van ANE (Agrarisch Natuurbeheer Eilandspolder). De boeren doen dan mee aan de zogeheten SAN regeling (Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer). De SAN en de SN (Subsidieregeling Natuurbeheer) zijn onderdelen van het Programma Beheer (PB), sinds 1 januari 2000 de nieuwe subsidieregeling voor natuur. De boeren krijgen een financiŽle vergoeding per hectare als ze zich aan bepaalde beheersafspraken houden. Dit betekent onder meer dat er ook dan in de broedperiode geen voorjaarswerkzaamheden verricht mogen worden en dat er pas na 1, 8, 15, 22 of 30 juni gemaaid mag worden. De datum is afhankelijk van het pakket dat men kiest. Driekwart van de boeren in de Mijzen doet hieraan mee.

Een en ander heeft ertoe geleid dat de Mijzen een polder met een hoog weidevogelkarakter geworden is. De zes meest voorkomende weidevogels zijn de grutto, de tureluur, de kievit, de scholekster, de slobeend en de veldleeuwerik. Deze vogels komen vanaf eind februari vanuit hun winterverblijfplaatsen naar de Mijzen om te broeden. Naast de weidevogels komen veel moeras-, water- en rietvogels voor. Het grote aantal grutto's (ongeveer 320 paren in 2003) maakt de Mijzen tot een echte gruttopolder. De Mijzen heeft niet alleen hoge waarde voor de weidevogels, maar ook voor doortrekkers en wintergasten als de smient. In de nazomer arriveren gewoonlijk ongeveer 60 smienten. Dat aantal neemt in de winter toe tot ongeveer 2000! Sinds 2004 wordt vrij veel aan Ďparticulier natuurbeheerí meegedaan. Als boeren daaraan meedoen krijgt de grond bestemming natuur en de boeren hebben recht op een eenmalige inrichtingssubsidie en een vergoeding voor het beheer en voor vermogensschade. Van deze mogelijkheid wordt, voorzover de auteur bekend is, in de Mijzenpolder nog geen gebruik gemaakt.

Zonder boeren geen toekomst voor de polder

De toekomst van de Mijzen is afhankelijk van de economische mogelijkheden en onmogelijkheden voor de boeren. Ook als Staatsbosbeheer voor 100 procent eigenaar van de polder zou worden, zouden de boeren nodig zijn voor het beheer. Staatsbosbeheer heeft daar geen mensen voor en afgezien daarvan berust de deskundigheid bij de boeren. MozaÔekbeheer is een goede manier van beheren: sommige stukken maaien, sommige stukken bemesten en sommige beweiden. Niet star vasthouden aan een uitgestelde maaidatum, maar waar veel nesten zitten niet maaien en de rest beweiden en maaien. Op die manier is er hoog gras voor de pullen om te schuilen en kort gras met bemest voedselrijk land - veel wormpjes en vliegjes - om te foerageren. De boeren creŽren dan een goede biotoop voor de weidevogels. Een Mijzenpolder zonder boeren (zonder vee dus) zou 'verrieting en verruiging' ten gevolg hebben en daarmee een andere biotoop doen ontstaan die ideaal is voor bijvoorbeeld kiekendief, kraaien en kauwen die juist een bedreiging vormen voor de jonge weidevogels. De boeren moeten natuurlijk wel van een fatsoenlijk inkomen verzekerd zijn. Het behoud van de polder, die van grote cultuurhistorische waarde is en die van groot belang is als weidevogelpolder, maakt een principiŽle keuze nodig. Voor het in stand houden moet geld beschikbaar blijven. Via financiŽle regelingen zoals beheersvergoedingen en gunstige pachtmogelijkheden zal ervoor gezorgd moeten worden dat het voor de boeren haalbaar blijft in de Mijzen de kost te verdienen. Bedacht moet worden dat ieder ander beheer kostbaarder is. De Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening spreekt over 'verbrede landbouwí, een manier van landbouwbeoefening waarbij de doelstelling verbreed is: niet louter maximale agrarische productie, maar een combinatie van een of meer andere gebruiksmogelijkheden. In de Mijzen is in die richting al een grote stap gezet. Er zijn verschillende combinaties van gebruiksfuncties mogelijk: landbouw-natuur; landbouw-recreatie/toerisme; landbouw-zorg; landbouw-waterretentie en landbouw-waterberging. De combinatie landbouw-natuur wordt in de Mijzen al uitgebreid toegepast via de overeenkomsten met Staatsbosbeheer en Programma Beheer. Neveninkomsten via recreatie/toerisme en zorg zijn misschien mogelijk. Gedacht kan dan worden aan agrotoerisme, het organiseren van ontvangsten en aan inkomsten door het vervullen van zorgtaken op de boerderij, zoals kinderopvang, geestelijke gezondheidszorg, het runnen van een herstellingsoord en bejaardenopvang. Deze vormen van verbreding zullen de toekomst van de polder veilig moeten stellen. De ontwikkeling hiervan gaat jammer genoeg te langzaam; men beseft te weinig dat de tijd dringt. De twee laatst genoemde mogelijkheden in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening lijken voor de Mijzen minder geschikt. Het gebruik voor waterretentie ('s winters een klein laagje water in de polder om de nood van de boezem te lenigen) zal weinig effectief zijn. Als het de bedoeling is de veiligheid te bevorderen, bieden deze plannen geen oplossing. De hoeveelheid water die op deze manier wordt opgevangen is verwaarloosbaar. Bovendien kan een gebied, dat natter gemaakt is (plas/dras gezet is), daarna geen belangrijke bijdrage meer leveren aan waterretentie. Het is niet moeilijk te begrijpen dat een volle emmer, bij verdere watertoevoer, geen water meer opneemt maar gewoon overstroomt. Het principe van retentie levert geen essentiŽle bijdrage aan de veiligheid, maar het houdt wel het einde van de mogelijkheden voor het boerenbestaan in. De Mijzen inzetten als bergingspolder betekent een drama voor de betrokkenen en een geweldige kapitaalsvernietiging, want als van de Mijzenpolder een bergingspolder gemaakt wordt, als de polder dus een verlengstuk van de boezem zou worden, dan wordt de gebruiksfunctie van de polder veranderd. De bestaande bedrijven moeten dan namelijk uitgekocht worden. Er zou dan een einde komen aan het agrarisch gebruik en er zou een einde komen aan het duizendjarig bestaan van de veenweidepolder. Met de Mijzen als cultuurhistorisch monument is het dan afgelopen. Bij de nu gevolgde weg is intensief overleg tussen de betrokkenen (agrariŽrs, natuur- en waterbeheerders) absoluut nodig. Een overleg dat tot een eensgezinde, structurele aanpak zal moeten leiden. Dat dit mogelijk is blijkt uit het perspectief biedende Polderplan Eilandspolder van juli 2004! Een belangrijke rol in het opzetten en stimuleren van Ďverbredingsprojectení kan het Prorammabureau De Groene Long spelen. De eerste jaren van haar bestaan leveren een positief beeld. Van grote betekenis kan verder het Nationaal Landschap Laag Holland- in mei 2004 van start gegaan- worden. Het feit dat hierin vele organisaties- gemeenten, provincie, Staatsbosbeheer, Landschap Noord-Holland, Agrarisch Natuurbeheer Verenigingen, WLTO en het Hoogheemradschap Hollands Noorderkwartier- samenwerken biedt grote perspectieven. Hopelijk staat de veelheid van organisaties een slagvaardig beleid niet in de weg. Als dat zo is is het mogelijk dat het Notianaal Landschap Laag Holland haar doelstelling- het behoud van de veenweidegebieden- kan verwezenlijken.

Bovenstaande is ontleend aan 'De Mijzenpolder: duizend jaar veen en water (auteur Dick Mantel; uitg. Verloren, Hilversum)

Klik voor het vervolg ('streekgeschiedenis') op de roll-over die hieronder staat.