Tsead Bruinja - Angel.
Met 6 paginagrote bijdragen van de beeldend kunstenaars Mowaffk Al-Sawad, Roos Custers, Anne Feddema,
Joep van der Made, Ramon Verberne en Hans Wap. (2008)
De vijfde Friese dichtbundel van Tsead Bruinja (1974), Angel, die eind 2008 verscheen, is op zijn minst
apart. Dat begint al bij de vorm, want je kunt je zelfs afvragen of je dit wel een dichtbundel
kan noemen. Van Dale zegt dat een dichtbundel een verzameling gedichten is die in een boekdeel zijn
verzameld. En Bruinja's nieuwe 'bundel' verschijnt als een krant op tabloidformaat.
Die verschijning biedt wel nieuwe mogelijkheden. Meestal staan er twee gedichten op een pagina (geflankeerd
door een Nederlandse vertaling). Als je déze gedichten uit zou knippen en zou vouwen, zou je er bijna een
bundeltje op 'normaal' formaat van kunnen maken. Maar er zijn ook twee gedichten die in een forser
lettergrootte zijn afgedrukt en zo de hele krantenpagina nodig hebben (met op de pagina ernaast de
vertaling), naast gedichten die zo lang zijn dat ze in de normale lettergrootte al de hele bladzij beslaan.
In een 'gewone' dichtbundel zou zo'n gedicht over verschillende bladzijden verdeeld worden, wat niet hoeft
in dit formaat. Bovendien staan er afbeeldingen van diverse kunstenaars tussen de gedichten en de
verschillende afdelingen in de bundel, die nu op een flink formaat afgedrukt kunnen worden.
Dankzij het krantenformaat is ook de prijs van deze dichtbundel opvallend te noemen, want het gebeurt niet
vaak dat je een nieuwe bundel met een vrij normaal aantal (een veertigtal) gedichten kunt kopen voor € 4,50.
Bovendien was de bundel op 18 december, de dag van de presentatie in het Amsterdamse Perdu, gratis te
downloaden. Volgens de onvolprezen site van
De Contrabas
van 19 december is dat 1100 keer gebeurd!
Naast de Friese gedichten en hoofdstuktitels staan Nederlandse vertalingen en ook het colofon is tweetalig,
bijvoorbeeld 'Foarmjouwing / Vormgeving' (natuurlijk Gerrit Jan Slagter) of 'Byld / Beeld'. In de informatie
op zijn eigen site staat dat Bruinja
de gedichten in het Fries schreef en daarom noemde ik hierboven deze bundel dan ook een Friese bundel van
deze dichter die afwisselend in het Fries en het Nederlands publiceert. Over de Nederlandse vertalingen kan
ik deze keer overigens wat moeilijk echt enthousiast zijn.*
Opvallend genoeg wordt de titel niet vertaald, wat blijkbaar aangeeft dat we hier te maken hebben met het
woord 'angel' dat in het Fries hetzelfde betekent als in het Nederlands, namelijk het steekorgaan van
wespen en bijen. Gezien de soms stekelige inhoud van de gedichten is die betekenis van de titel logisch,
hoewel ik best even gedacht heb aan de betekenis 'hengel', gezien ook het gedicht in de bundel dat begint
met de regels 'hy hat de angel / twa kear útsmiten / en ynhelle' ('hij heeft de hengel / twee keer
uitgeworpen / en ingehaald', p. 11).
De bundel is afwisselend, klankrijk en krachtig; wat dat betreft herken je de dichter die graag voorleest,
of liever: voordraagt. De gedichten variëren in lengte, van het lange gedicht over het pesten van een
klasgenoot tot een kort gedicht waarvan de zes regels, of liever de strofen, alleen bestaan uit drie
woorden die een keer herhaald worden. De bundel is ook mooi opgebouwd. De eerste afdeling begint met de
programmatische titel 'lit de ûnderhandelings begjinne' ('laat de onderhandelingen beginnen'). De eerste
gedichten lijken aanvankelijk alleen wat sfeerbeschrijvingen te zijn: 'septimber / de bijen binne noch net
útiten' (begin van het eerste gedicht: 'september / de bijen zijn nog niet uitgegeten'), terwijl het tweede
gedicht begint met: 'it ljocht fan de fjoertoer / strykt oer de hûzen / en de tsjerke' ('het licht van de
vuurtoren / strijkt over de huizen / en de kerk'). Maar beide gedichten eindigen in een ontkenning: 'myn
hân is in kûmke / gjin latte' ('mijn hand is een kommetje / geen lat') en 'ik ha gjin flibe mear' ('ik heb
geen spuug meer'). Dat zet al een beetje de toon voor het derde gedicht dat eindigt met het bloed dat de
dichter aan zijn vingers heeft. Er sluipt steeds meer woede in de gedichten van deze afdeling, die eindigt
met de regels 'flymskerp / de wrâld / de râne' ('vlijmscherp / de wereld / de rand' p.13).
In de volgende afdelingen wordt die woede nog manifester. Niet voor niets zegt de uitgever dat Angel
een bundel is 'over agressie, schuld en woede, woede als wraak, maar ook woede die in de genen zit'. Bruinja
zelf schreef in zijn zijn Volkskrantblog: 'Angel
gaat over mij, mijn woede en over het gezin waar ik uit kom. Het is een bundel waarin ik mezelf en de mensen
om me heen niet ontzie (...)'. Toch, hoewel de woede overduidelijk aanwezig is, vind ik het gezien deze woorden
nog wel meevallen. Jazeker, de familie wordt wel aangevallen, bijvoorbeeld in: 'it soe famylje west ha
kind / in wurd dat as in grouwe reedrider / myn beferzen tong spjalte' ('het had familie geweest kunnen
/ een woord dat als een loodware schaatser / mijn bevroren tong spleet', p.6). Maar nergens raakt de
dichter de nuance kwijt en zo agressief is die woede nu toch ook weer niet. In de afdeling 'it boek en
de dea', ingeleid door een tekening van Roos Custers, gaat het bovendien over schuld in vier prachtige
gedichten, waarin zowel 'skuld' ('schuld') als de 'dea' ('dood') heel mooi gepersonifieerd worden. In
die gedichten komen 'schuld' en 'de dood' bij de dichter op bezoek, met een boek waarvan het linnen van
de rug gescheurd is en dat met een elastiek bij elkaar gehouden wordt. Als ze weggaan weet de dichter dat
hij met 'dat boek' aan de gang moet. Hij legt de schuld zeker niet bij iemand anders.
Zo valt die woede en agressie naar anderen dus vooral wel mee omdat de dichter zichzelf totaal niet ontziet:
'moaie skriuwer bin ik' ('mooie schrijver ben ik', p.23) zegt hij, als hij in de derde afdeling geen
hiernamaals kan bedenken, of zich niet voor kan stellen hoe hij erbij loopt als hij tachtig is. Hij maakt
zichzelf niet beter dan hij is, als hij beschrijft hoe hij vroeger een klasgenootje pestte in het gedicht
dat eindigt met: 'wy fielden ús lekker // wy wienen gemeen' ('wij voelden ons lekker // wij waren gemeen',
p.24). Hij weet niet of hij verrader of verzetsman zou zijn in een oorlogssituatie, onderdaan of
onderdrukker (p.25). En in de volgende afdeling beziet hij zichzelf als dertiger die 's avonds het liefst
op de bank zit met een glas wijn: 'wat ûntwyk ik? // it grutte? / it wichtige? / it aventoer?' ('wat ontwijk
ik? // het grote? / het belangrijke? / het avontuur?', p.29).
Bovendien wordt de woede en de agressie ook nog eens ruimschoots gecompenseerd door ontroering. De
afdeling 'nee der is gjin lân om grutsk op te wêzen' ('nee er is geen land om trots op te zijn') bestaat
uit twee gedichten, waarvan de eerste begint met 'buorfamke / at dyn tún baarnt // lit ik dy dan stikke /
of bring ik dy de lytse dea' ('buurmeisje / als je tuin in brandt staat // laat ik je dan stikken / of
breng ik je de kleine dood'). Het tweede gedicht eindigt met de regels: 'buorfamke / at dyn tún / wer
baarnt // nim ik in suske mei / in mem / en in beppe' ('buurmeisje / als je tuin /weer in brand staat //
neem ik een zusje mee / een moeder / en een oma', p. 20). Maar het meest ontroert het slot van de bundel,
ingeleid door een motto uit een songtekst van Marillion: 'Why did you hurt the very one / That you should
have protected?'. Het is het enige gedicht in de bundel dat een titel heeft: 'Gjin bertekaartsje'
('Geen geboortekaartje'). Daarin kondigt de dichter aan dat hij het er niet bij laat zitten. Hij blijft
de tanden van zijn zaag slijpen, maar geeft ondertussen wel raad om goed voor vrouw en kinderen te zorgen
en eindigt met de oproep 'lit har net allinnich / lit my net allinnich // skriuw in boek' ('laat haar
niet alleen / laat mij niet alleen // schrijf een boek'. Wat een prachtige krant met gedichten.
* De Nederlandse vertalingen bij de Friese gedichten heeft Tsead Bruinja ongetwijfeld zelf
gemaakt, zoals dat bij hem meestal het geval is. Van het Fries naar het Nederlands vertalen gaat deze
dichter meestal goed af, al frons ik een enkele keer wel eens mijn wenkbrauwen. Nu is het niet zo moeilijk
om over vertalingen van poëzie te zeuren, want óf de vertaling is niet poëtisch genoeg, wat nog wel eens
het gevolg kan zijn van te letterlijk vertalen, óf de vertaling is te vrij zodat lezers die de
oorspronkelijke taal niet kennen 'om de tuin geleid worden'.
Dat laatste beweert bijvoorbeeld Cornelis van der Wal van vertalingen van Jabik Veenbaas in de Spiegel van
de Friese poëzie in zijn
weblog van 28 december 2008.
Hij vindt dat de redactie daar wat kritischer naar had moeten kijken. Vervolgens plaatst Van der Wal wel
op 8 januari op zijn weblog zonder commentaar een gedicht van Arthur Rimbaud met een (prachtige!)
Nederlandse vertaling van Paul Claes, die omwille van metrum en rijm soms veel verder gaat dan wat Veenbaas
doet. Maar goed, Van der Wal raakt in zijn kritiek wel aan mijn gevoel bij deze vertalingen van Bruinja's
gedichten: misschien had Bruinja wat kritischer naar zijn eigen vertalingen moeten kijken of iemand anders
dat moeten laten doen.
Zoals ik al zei weet Bruinja over het algemeen zijn eigen (en soms ook andermans) gedichten adequaat van
het Fries naar het Nederlands om te zetten, maar hier gebeurt dat mij net even te vaak niet goed genoeg.
Soms blijft hij mij te dicht bij het Friese origineel; 'ik jou net genôch om dy film / om derhinne' wordt
letterlijk vertaald in wat onhandig Nederlands met: 'ik geef niet genoeg om die film / om erheen' (p.4).
De mooie dubbelzinnigheid van het Friese 'wat sykje ik / yn de frede' valt weg door de letterlijke
vertaling 'wat zoek ik / in de vrede' (p.23). Aan de andere kant ontstaat er door de vertaling in het
Nederlands soms een dubbelzinnigheid ('terwijl ik het nest opnam', p. 30) die er in het Fries niet
staat ('wylst ik it nêst opkrige').
Opvallend zijn ook enkele afwijkingen van het origineel op plaatsen waar dat niet nodig lijkt: 'in ko dy't
yn 'e stront / stiet' wordt naar stijf Nederlands vertaald met 'een koe die in eigen stront / staat' (p. 6).
Soms lijkt de vertaling onnodig uit te leggen; 'de winterklean / skansearre' wordt dan bijvoorbeeld: 'de
wintervacht / beschadigd' (p.11). En waarom niet het ook in het Nederlands gebruikelijke 'aanslaan' van
een hond gebruiken, maar vertalen 'bang voor de hond die blaft' als er in het Fries staat: 'bang foar de
hûn dy't oanslacht' (p. 20)? Of waarom een niet in het Fries woordenboek voorkomende samenstelling
'skûlliif' te gemakkelijk vertalen met 'buik'? En misschien maakt het voor de betekenis van het gedicht
verder niet uit dat 'de konsjerzje' 'een conciërge' (p. 24) wordt, of 'de kij' gewoon 'koeien' (p. 35),
maar toch.
Gemakzuchtig lijkt het ook als in een prachtig gedicht op p. 25 zowel het Friese 'ferdiel ik
mysels' als drie strofen verder 'ferpatsje ik mysels' vertaald wordt met 'deel ik mezelf op'. Ronduit
lelijk vind ik 'de andere zijn neus zit vol / en zijn lever is stuk' voor 'de oare hat de noas fol / en de
lever stikken' (p. 28). En is het slordigheid (typfout? zetfout?) om 'sinajazzmuzyk' te vertalen met
'chinamuziek' (p. 29)? Net zoals het hopelijk slordigheid is dat 'spitigernôch baarnt der gjin twivel /
leit der gjin ark' afgezwakt wordt tot: 'jammer genoeg ligt er geen twijfel / ligt er geen gereedschap'
(p. 35) en een strofe verder 'gjin fûsten / om wat foarfallen is / rjocht te breidzjen' in het Nederlands
wordt:'geen gereedschap of vuisten / om wat er gebeurd is / recht te breien'.
Tsead Bruinja - De geboorte van het zwarte paard/De berte fan it swarte hynder.
Een keuze uit de Friese gedichten, bewerkt en vertaald door de dichter (2008)
Enkele moderne Friese dichters als Cornelis van der Wal en Abe de Vries waren Tsead Bruinja al voorgegaan
met een tweetalige bloemlezing, maar nu is er zeer terecht ook één verschenen van zíjn Friese poëzie.
Bruinja is door een paar Nederlandstalige bundels en door opvallende optredens al bij het Nederlandse
poëziepubliek bekend, maar nu kan dat publiek ook kennis nemen van zijn Friestalige werk. Bruinja koos de
gedichten zelf en maakte (op één na) de vertalingen. Daarbij rangschikte hij de gedichten in afdelingen als
'vader en moeder' of 'opa en oma', met veel gedichten uit zijn eerste bundels, en 'liefste niemand weet'
(waarvan het
titelgedicht
het mooiste liefdesgedicht van deze eeuw is) of 'grasmeisje' met gedichten uit
zijn latere werk, waardoor ook een ontwikkeling in zijn dichten te zien is. Jammer dat nergens staat uit
welke bundels de gedichten komen of dat Bruinja enkele gedichten enigszins herschreef. Soms maakte hij ze
bondiger, voorzag ze van een titel of voegde twee gedichten tot één gedicht samen. Het levert alles bij
elkaar wel een prachtig overzicht op van bijna tien jaar poëzie van één van Frieslands beste dichters van
dit moment.
Tsead Bruinja - Gers dat alfêst laket. (2005)
Deze vierde, mooi vormgegeven, Friese bundel van Bruinja, die ook in het Nederlands dicht, bevestigt zijn
reputatie als dichter. De gedichten worden via doordacht gebruikte herhalingen, alliteraties, assonanties
en door het ritme uiterst leesbaar en verklaren waarom Bruinja een regelmatige gast is bij poëzie-optredens.
Niet dat de gedichten makkelijk in een keer te begrijpen zijn. Je moet er als lezer wel moeite voor doen,
vooral ook om de verbanden tussen de gedichten te ervaren. Zo is al in de eerste van de vijf afdelingen te
zien hoe de gedichten door woorden en zinswendingen met elkaar verbonden worden. De vraag in het zesde
gedicht naar wie het nieuwe gras is, doet je terugbladeren naar het tweede gedicht, dat ermee eindigt dat
elk woord dat neergelegd wordt op het nieuwe gras een woord teveel is, dat lacht. Het lachende woord op
zijn beurt wordt verbonden met de lachende opa en het lachende gras zelf. De gedichten gaan over taal,
maar ook over de liefde en het is mooi om te zien hoe vaak deze naar de grote stad verhuisde dichter hier
gebruikt maakt van beelden van het platteland.
Tsead Bruinja - Gegrommel fan satyn. Gedichten (2003)
De beide eerste Friese dichtbundels van Bruinja werden door de critici niet heel positief ontvangen, zeker niet vergeleken met het onthaal van Bruinja als optreeddichter. Om de gedichten te begrijpen moet de lezer vaak wel ook wat moeite doen. In het eerste gedicht ('Lethe') kan de lezer zich nog wel voorstellen dat de tranen om de verloren geliefde een stroom worden, groot genoeg om mee te douchen. Maar soms gaat de beeldspraak verder, associeert de dichter er flink op los, of begint een gedicht juist bijna als kinderliedje, zoals in het 6½ bladzijden tellende gedicht 'Wat docht er'. Je moet als lezer van verrassing houden, want de gedichten zijn niet altijd logisch van taal of inhoud. Het zijn 'toevalstreffers', die dan wel weer een waarschuwing zijn, staat er in het gedicht 'Wat docht er'. Toch gaan de gedichten wel degelijk ergens over: over het dichten zelf bijvoorbeeld, over de mens in de moderne maatschappij en veel over liefde en liefdesverdriet. Daar schrijft Bruinja misschien niet erg traditioneel over, maar wel krachtig, met vaart en met een onmiskenbaar eigen geluid.
Een Nederlandse vertaling van de gedichten uit Gegrommel fan satyn is te vinden op deze plaats.
Thússide Tsead Bruinja