| Blausucht |
Neigeraden it noarden. |
|
| Leaf en nuddels |
Damstikken |
It burd fan Fidel Castro |
| De sachte tufkes fan dyn Lister |
Boulān |
De tomaat |
| Te lange lźsten |
De kaai ūnder de klok |
Fjouwer fertikaal |
In 1978 debuteerde Eppie Dam (1953) niet alleen als prozaļst met een verhalenbundel, maar ook als dichter met de bundel Mei de jierren. Inmiddels heeft hij een veelzijdige productie op zijn naam staan. Met enige regelmaat publiceerde hij dichtbundels, waarbij hij in de ene periode productiever was dan in de andere. Zo verscheen van 1983 tot 1986 elk jaar een dichtbundel. Hij schreef en schrijft daarnaast kinderboeken, verhalen, columns, (kerk)liederen, liturgieėn en boeken over sport, waaronder een prachtig portret van voetbaltrainer Foppe de Haan (2001). Hij is op dit moment poėziecriticus van de Leeuwarder Courant. Vijf jaar na zijn twaalfde dichtbundel Neigeraden it noarden verscheen in 2009 een nieuwe bundel, met daarin gedichten die Dam deels eerder publiceerde in Friese literaire tijdschriften, al of niet op internet. Die nieuwe bundel toont ook een mooi ander beeld van de veelzijdigheid van de dichter, want anders dan Neigeraden it noarden gaat de forse bundel Blausucht over verschillende onderwerpen.
De nieuwe dichtbundel van Eppie Dam ziet er meteen al prachtig uit: een royaal formaat, een mooie
harde kaft met de afbeelding van een schilderij erop en oude zwartwitfoto's aan de binnenkant van het
kaft. Maar de inhoud ervan maakte me aanvankelijk onzeker: ik had soms het idee dat mijn kennis van
het Fries niet toereikend was: meer dan eens moest ik het woordenboek pakken omdat ik woorden niet
kende. Enigszins gerustgesteld werd ik wel weer door het feit dat de meeste woorden die ik opzocht
ook in de bijna vijf bladzijden 'Oantekeningen' achterin de bundel verklaard werden: de dichter
vond het blijkbaar heel normaal dat ik die woorden (zoals kespelder, een paaltje in de
Waddenzee voor het aanslibben) niet kende.
Letterlijk vertaald zou dat dus worden: 'Naarmate het noorden klinken nasaler de namen / en zwijgen om de lieve vrede de nachten, geofferd / op het altaar van de tong het hart.' En het gedicht eindigt met:Neigeraden it noarden klinke nasaler de nammen
en swije om 'e leave frede de nachten, offere
op it alter fan 'e tonge it hert.
Dat ga ik niet vertalen, want ik ben geen vertaler en daar zat hem volgens mij de kneep: ik was, omdat ik de gedichten vaak niet in één keer kon begrijpen, veel te veel bezig om te proberen de gedichten in het Nederlands te lezen. Maar: Dam kan goed schrijven, goed Fries schrijven. Hij heeft een behoorlijk oeuvre op zijn naam staan: kinderboeken, gedichten (dit is zijn twaalfde dichtbundel!), verhalen, een novelle, columns. Over zijn werk ben ik meestal enthousiast en de critici vaak ook. Bovendien kon ik moeiteloos de gedichten een aantal malen achter elkaar lezen zonder dat ik dat vervelend vond, ook al begreep ik niet alles. Dus stopte ik met in mijn hoofd letterlijk te vertalen en ging ik de gedichten eindelijk eens echt lezen.Neigeraden it noarden komt in fūgel werom
fan syn flecht, bespegelt in man
syn ferline en stapt śt syn skaad wei
syn natuer yn 'e mjitte, neigeraden
it noarden fierder fan syn doel
en tichter by syn bestimming.
Het paradijselijke beeld is wreed verstoord door de werkelijkheid, hoewel het paradijs zelf niet veel meer was danNo wol in foto dat hjir beammen
stean ha (...).
Hoewel het rijm me eerst achterdochtig maakte, vond ik dit soort regels steeds mooier klinken.
as slyk, in paad fan iis, mei giizjende
in betonwei, griis
biezems troch de tiid hinne feid.
Met die regels eindigt één van de laatste gedichten ('Risus Paschalis', p. 47) en in het allerlaatste gedicht, getiteld 'Reuny' (p. 51-53) vertelt hij nog eens op niet mis te verstane wijze hoe hij nķét naar het verleden wil kijken. Niet met treurige mildheid namelijk en zeker niet met verbittering. Dam laat zijn hart spreken in deze gedichten. De lezer ziet hoe iemand worstelt met het bestaan en hoe hij zich daarover uitspreekt, waar hij bang voor is en wat hij bewondert. Prachtig is bijvoorbeeld ook het gedicht voor Ede Staal ('Ut koalsie, krūd en koper', p. 50) dat fantastisch krachtig begint metHjoed bin ik safier
dat ik my śt klaai
in klopjend hert boetsearje.
Bytiden laitsje ik ek noch
bin ik oan 't healwiizjen,
boartsje ik,
bin ik minske.
en waarin hij de zwakkere kanten niet verbloemt:In stim fan fier en hein, waarmer as it lūd
wźrmei't fanālds de wyttrochkrūpte simmer
knokkelbiddeljend om in middeisoer leafde
tsjin de doarren fan it noarderhert oanrūn.
De gedichten zijn mooi opgebouwd, klankrijk en, ook al is het grijze en grauwe ruim aanwezig, vooral kleurrijk door de vele, vaak landschappelijke, beelden. Die kleurrijkheid wordt versterkt door de afbeeldingen van enkele schilderijen (van Johan Dijkstra, Jan Altink - zie ook omslag - en Hendrik Werkman) waarbij Dam een gedicht schreef.Ferjou him syn bytiden sinters sentiment,
al tsjotterdūnsjend op in brulloftssankje,
dizze kielklang hurd en griis as himel-
getten izer (...).