Fjouwer fertikaal
De kaai ûnder de klok
Te lange lêsten
De tomaat
Boulân
De sachte tufkes fan dyn Lister
It burd fan Fidel Castro
Damstikken
Leaf en nuddels
Neigeraden it noarden.




Eppie Dam - Fjouwer fertikaal. (1985)
In 1980 begon Eppie Dam sonnetten te publiceren in het tijdschrift Trotwaer. De meeste daarvan zijn nu, aangevuld met andere, terechtgekomen in deze vierde dichtbundel van Dam. In de eerste van de vier delen waarin de 26 sonnetten zijn ondergebracht wordt een zestal meisjes-van-vroeger bezongen. In het tweede deel 'Lange dagen' staan gedichten over een uitgebluste relatie, met als laatste sonnet 'Skieding' (scheiding). De zich bevrijd voelende dichter verwondert er zich in deel 3 ('Heechseizoen') over hoe zijn gedichten als vanzelf ontstaan. De slotgedichten in 'Nachtkertier' getuigen van wat spijt over de scheiding: de vrijheid is nauwelijks uit te houden en in dromen komt de verlaten geliefde regelmatig voor. Schijnbaar moeiteloos weet Dam de sonnetvorm te hanteren. De verdeling in strofen en het rijm, met slechts een enkel enjambement, doen heel natuurlijk aan. Vooral de meisjes uit de eerste afdeling vind ik het lezen en herlezen dubbel en dwars waard.

Eppie Dam -
De kaai ûnder de klok. (1986)
In het begin van deze 5e bundel worstelt Dam met zijn dichterschap. Hij beschouwt bijvoorbeeld het beeld van een vrouw die boontjes afhaalt als poëzie en vraagt zich af waar de dichter dan nog over moet schrijven. De dichter moet van hem de werkelijkheid tot haar essentie terugbrengen, maar elk woord vergroot de raadsels slechts. Dam laat zien dat de werkelijkheid soms ruwer is dan men zich voorstelt, maar dat daarin juist ook schoonheid schuilt: het mooiste stilleven is niet dat van een fruitschaal, maar van een leeg invalidekarretje op een verlaten parkeerterrein. In het tweede deel van de bundel toont Dam zich geëngageerder dan ooit. In mooie beeldspraak spreekt hij de slachtoffers toe die op de World Press Photo staan; aangrijpend is zijn gedicht voor de zwarten in Zuid-Afrika; pessimistisch-realistisch het uit 8 delen bestaande 'Ien pear hannen', dat beschrijft hoe de mens op het laatst nog maar een vinger nodig heeft om de wereld te vernietigen. Dam schreef deze beheerste, veelzeggende gedichten van 1979 tot 1983; ze stonden voor een deel eerder in het tijdschrift Trotwaer.

Eppie Dam -
Te lange lêsten. Fersen by skilderijen fan Henk Pietersma (1986)
Dit is een schitterend uitgegeven boekje. Op het mooie papier komen de 14 afbeeldingen van schilderijen van Henk Pietersma, in zwart-wit, duidelijk over. De schilderijen hebben de gezamenlijke titel 'Het leven is een feest'; dat is ironisch, want de afbeeldingen van mensen uit verzorgings- of verpleegtehuizen zijn eerder afschuwelijk dan feestelijk. Niet onesthetisch afschuwelijk, maar aangrijpend, en dat wordt versterkt door de interpretaties die de dichter Eppie Dam van elk schilderij in een bijbehorend gedicht geeft. Zeer knap werk heeft Dam geleverd. De gedichten zijn prachtig van vorm en taal en zelfstandig te lezen. Maar als je het schilderij ernaast ziet, wordt alles op een nog hoger plan gebracht. Het gekke is, dat als je schilderij of gedicht apart zou zien, je niet gauw op het idee zou komen dat er iets aan toegevoegd hoeft te worden. Maar als je ze samen ziet, geven beide een zo volmaakte aanvulling op elkaar als ik zelden gezien heb. De afgebeelde schilderijfiguren krijgen opeens een geschiedenis; de verhalen van de gedichten krijgen een zichtbare hoofdfiguur. Kortom: een boekje waar je niet gauw op uitgekeken bent!

Eppie Dam -
De tomaat. Boekewikegeskink (1989)
Hoofdpersoon van dit eerste Friese boekenweekgeschenk is Siska. Zij vertelt op een soms aangrijpend afstandelijke manier (man Tabe heet dan 'de man', zoon Jochum 'it jonkje') over haar huidige leven. Tabe is psychisch gestoord geworden, geschorst als onderwijzer en houdt zich alleen bezig met zijn tuintje waarin een buitenmodel tomaat groeit. Siska kan niet meer tegen de situatie op en gaat een week naar Terschelling. Op het eiland praat ze met een jonge Duitse anti-kernenergie-activist over haar situatie. Hij raadt haar aan te scheiden. Dezelfde raad krijgt ze van haar ouders. In een gesprek met haar moeder wordt duidelijk dat Siska en haar moeder in dezelfde situatie zitten. Het perspectief ligt uiteraard bij de ik-persoon Siska. De enkele keer dat we gebeurtenissen van Tabe te lezen krijgen, gebeurt dan ook via een reconstructie door Siska. Eppie Dam publiceert sinds 1978 Friese gedichten en verhalen. Vooral door de trefzekere stijl is de De tomaat een voortreffelijke novelle geworden.

Eppie Dam & Margryt Poortstra -
Boulân. (1985)
Het 'bouwland' van de titel slaat op het land van de IJsselmeerpolders, waar beide 'Friezen om utens' wonen. De eerste tien gedichten zijn van Eppie Dam. Hij probeert de ziel van het polderland bloot te leggen door telkens voor het nieuwe land de metafoor van de zee te gebruiken ('dit land is met een trekker te bezeilen' bijvoorbeeld). In wezen ziet hij in het nieuwe land nog steeds de zee, zoals hij expliciet uitlegt in het gedicht 'Noardeastpolder'. Na de gedichten van Dam staan zes stippeltekeningetjes van Matty de Vries, die ook het omslag tekende, waarop iets van het thema van de bundel te zien is. De bundel besluit met zeven gedichten van Margryt Poortstra. In het slot van haar dichtbundel 'Krúswetter' (1987) stonden ook al gedichten over de Flevopolder en net als daar uit de dichteres gevoelens van somberheid, o.a. veroorzaakt door de weidsheid en de nieuwheid van het land. Dam laat iets meer van de polder zelf zien, Poortstra meer van de mens in de polder in deze keurig verzorgde bundel.

Eppie Dam -
De sachte tufkes fan dyn Lister. (1993)
De krap twintig gedichten in deze bundel van Dam, die inmiddels een aardig oeuvre heeft opgebouwd, gaan alle over de vader van de dichter aan wiens nagedachtenis de bundel is opgedragen. Vader en zoon stonden dicht bij elkaar, wat direct uit het eerste gedicht blijkt. De zoon, de dichter, blijft niets anders over dan beelden. Dat zijn dan vooral beelden van het boerenleven van de vader: de boerderij, de dieren (na de dood van vader verspreid over het Friese land). 0ok de poëzie komt ter sprake: de vader heeft het chronisch pessimisme van de zoon 'al te goed' begrepen. Na de dood van de vader vinden ze een schoenendoos met poëzie van de vader en er zijn foto's, maar nog scherper komt de vader naar voren uit een oud opstelschrift met bijvoorbeeld een verhaal over het begin van de Tweede Wereldoorlog. Deze bundel van Dam is een prachtig monumentje voor een vader en laat zien dat de dichter zijn gevoel zonder al te grote sentimentaliteit zo op papier kan zetten, dat de lezer ervan kan genieten.

Eppie Dam -
It burd fan Fidel Castro. Ferhalen (1995)
Na diverse dichtbundels en verhalenbundels uit 1978 en 1982 is dit de derde verhalenbundel van Eppie Dam, met verhalen die tussen 1980 en 1986 gepubliceerd zijn in literaire tijdschriften als Trotwaer en Hjir. Het kenmerk van Dams verhalen is het spel met werkelijkheid en fictie. Bij Dam kan een voetballer na een doelpunt van blijdschap het stadion uitlopen om thuis te vertellen dat hij gescoord heeft en gewoon weer in de wedstrijd terugkeren. We krijgen een kijkje in de hel waar twee Vietnam-piloten aan proberen te ontsnappen. Absurd? Nee, in de verhalen van Dam niet; daar gaat het onder andere over het doel van het schrijven. Misschien wel, zoals in het titelverhaal gezegd wordt, omdat men aan één leven niet genoeg heeft en de literaire werkelijkheid boeiender is dan de 'echte' werkelijkheid. Een enkele keer is Dam wat flauw (in het verhaal over een opzienbarend schoolkrantstuk dat niet geschreven blijkt te zijn), maar veel vaker schrijft hij spannend en humoristisch en zeer leesbaar.

Eppie Dam -
Damstikken. In kar út de columns (1997)
De onderwijzer/schrijver Eppie Dam (1953) schreef de afgelopen tien jaar in diverse Friese bladen columns. Daarvan zijn er hier 65 in chronologische volgorde gebundeld. De meeste gaan over sport, later kwamen daar ook andere onderwerpen bij als taal, literatuur, onderwijs en natuur. Meestal hebben de onderwerpen iets met Friesland te maken. Bij sport gaat het over Harkemase Boys, het Abe Lenstrastadion, Cambuur, Kollum en een enkele keer over Urk of Ajax. Bij taal en literatuur gaat het bijna zonder uitzondering over de Friese taal en literatuur, bij de natuur om het Friese landschap en soms over de Noordoostpolder. Vaak stelt Dam de vraag wat 'mooi' is en geeft daar dan een heel persoonlijk antwoord op. De columns zijn niet gewichtig of pretentieus, maar zijn geschreven door een persoonlijkheid die zijn ogen open heeft, ook voor de kleinste details, en die goed kan schrijven. Nu eens is Dam humoristisch, zoals in het stukje over de voetballer Lubbe van Dijk, dan weer is hij ontroerend, vooral als hij over kinderen schrijft en die aan het woord laat, zoals in 'Frijheid' waar hij kinderen laat antwoorden op de vraag hoe ze 4 en 5 mei beleefd hebben Deze columns zijn het bundelen meer dan waard.

Eppie Dam -
Leaf en nuddels. Fersen en lieten (1998)
Al vaker beschreef Dam (1953) in zijn dichtbundels sinds 1978 een vader-kind relatie. Hij schreef zelfs een hele bundel over zijn eigen vader. Ook zijn nieuwste bundel zet in met een gedicht over een kind en zijn 'heit', maar nu is de dichter de vader. Het plezier dat de dichter aan het kind beleeft, wordt ook vertaald in andere gedichten, soms bijna kinderversjes of letterlijk slaapliedjes, en vaak ontroerend zoals het gedicht 'op meande fjildjes', waarin de dichter zijn dochter ziet voetballen in de f4. Ook in de andere gedichten zit iets van de vrolijkheid, de lichtheid van kinderversjes en dat zit hem soms in de schijnbare achteloosheid en de vanzelfsprekendheid van het rijm of in een optimistische kijk op de werkelijkheid. Maar er zijn ook andere kanten: met het ouder worden groeit het aantal gestorvenen, maar zelfs in die gedichten klinkt de dichter nooit moedeloos. Naast de 'echte' poëzie heeft de dichter een paar liedjes en wat 'lichtvoetiger' gedichten opgenomen en ook daar toont Dam zijn kracht. 'Cousin Jane', over 'een B-kant-nummer van The Troggs', is een genot om te lezen. De bundel eindigt met twee liedjes in het dialect van Kollummerpomp, waar Dam vandaan komt.

Eppie Dam -
Neigeraden it noarden. Gedichten (2004)

(geen aanschafinformatie)

De nieuwe dichtbundel van Eppie Dam ziet er meteen al prachtig uit: een royaal formaat, een mooie harde kaft met de afbeelding van een schilderij erop en oude zwartwitfoto's aan de binnenkant van het kaft. Maar de inhoud ervan maakte me aanvankelijk onzeker: ik had soms het idee dat mijn kennis van het Fries niet toereikend was: meer dan eens moest ik het woordenboek pakken omdat ik woorden niet kende. Enigszins gerustgesteld werd ik wel weer door het feit dat de meeste woorden die ik opzocht ook in de bijna vijf bladzijden 'Oantekeningen' achterin de bundel verklaard werden: de dichter vond het blijkbaar heel normaal dat ik die woorden (zoals kespelder, een paaltje in de Waddenzee voor het aanslibben) niet kende.

Maar het zat het hem niet alleen in de aanwezigheid van onbekende, weinig gebruikte woorden. Ook met de gebruikelijke grammatica speelt Dam in veel gedichten: stijlfiguren als inversie komen natuurlijk wel vaker voor in poëzie, maar in deze dichtbundel opvallend veel, en soms zijn (of lijken mij) constructies ongrammaticaal. Nu 'mag' dat allemaal in poëzie. Maar gevoegd bij een af en toe rijkelijk gebruik van metaforen, personificaties en andere dichterlijke technieken als herhaling, alliteraties en assonanties kreeg ik op een bepaald moment voorzichtig het idee: is dit niet een beetje de taal opkloppen om het op poëzie te doen lijken?

Een voorbeeld daarvan lijkt het titelgedicht 'Neigeraden it noarden'. Die combinatie van woorden ('neigeraden it noarden') komt een aantal keer in het gedicht voor, bijvoorbeeld in de regels:

      Neigeraden it noarden klinke nasaler de nammen
      en swije om 'e leave frede de nachten, offere
      op it alter fan 'e tonge it hert.
Letterlijk vertaald zou dat dus worden: 'Naarmate het noorden klinken nasaler de namen / en zwijgen om de lieve vrede de nachten, geofferd / op het altaar van de tong het hart.' En het gedicht eindigt met:
      Neigeraden it noarden komt in fûgel werom
      fan syn flecht, bespegelt in man
      syn ferline en stapt út syn skaad wei
      syn natuer yn 'e mjitte, neigeraden
      it noarden fierder fan syn doel
      en tichter by syn bestimming.
Dat ga ik niet vertalen, want ik ben geen vertaler en daar zat hem volgens mij de kneep: ik was, omdat ik de gedichten vaak niet in één keer kon begrijpen, veel te veel bezig om te proberen de gedichten in het Nederlands te lezen. Maar: Dam kan goed schrijven, goed Fries schrijven. Hij heeft een behoorlijk oeuvre op zijn naam staan: kinderboeken, gedichten (dit is zijn twaalfde dichtbundel!), verhalen, een novelle, columns. Over zijn werk ben ik meestal enthousiast en de critici vaak ook. Bovendien kon ik moeiteloos de gedichten een aantal malen achter elkaar lezen zonder dat ik dat vervelend vond, ook al begreep ik niet alles. Dus stopte ik met in mijn hoofd letterlijk te vertalen en ging ik de gedichten eindelijk eens echt lezen.

Dat Dam goed kan schrijven bewijst hij ook in deze nieuwe dichtbundel. Want naarmate ik de gedichten steeds makkelijker ging lezen, kon ik beter lezen waar Dam over schrijft. Zoals zoveel schrijvers is ook Dam bezig met de problemen die de mens heeft om zich in de wereld staande te houden, met de twijfels en vragen die het leven oproept. In veel gedichten kijkt een man naar het verleden, "bespegelt in man syn ferline", soms met bijzondere details, "troch it gleone knypeach fan de Grundig". Het verleden, dat gesitueerd is in het Noordoosten van Friesland, kan bijvoorbeeld opgeroepen worden door een foto ('Beammen oan de Foijingawei', p8):
      No wol in foto dat hjir beammen
      stean ha (...).
Het paradijselijke beeld is wreed verstoord door de werkelijkheid, hoewel het paradijs zelf niet veel meer was dan
          in betonwei, griis
      as slyk, in paad fan iis, mei giizjende
      biezems troch de tiid hinne feid.
Hoewel het rijm me eerst achterdochtig maakte, vond ik dit soort regels steeds mooier klinken.

Het verleden "dat noait uzes wurde sil", laat de dichter niet los, maar hij blijft er ook niet in steken. Geholpen door "myn lân", het weidse landschap waar water en wind zich niet laten sturen, kan de dichter al zoekend ouder worden, 'uit zijn eigen schaduw stappend, de natuur tegemoet, verder van zijn doel en dichter bij zijn bestemming'. Tot in de laatste gedichten is de dichter daar niet op een berustende manier, maar op een krachtige, levenslustige manier mee bezig, geeft hij zich bloot:
      Hjoed bin ik safier
      dat ik my út klaai
      in klopjend hert boetsearje.

      Bytiden laitsje ik ek noch
      bin ik oan 't healwiizjen,
      boartsje ik,
      bin ik minske.
Met die regels eindigt één van de laatste gedichten ('Risus Paschalis', p. 47) en in het allerlaatste gedicht, getiteld 'Reuny' (p. 51-53) vertelt hij nog eens op niet mis te verstane wijze hoe hij níét naar het verleden wil kijken. Niet met treurige mildheid namelijk en zeker niet met verbittering. Dam laat zijn hart spreken in deze gedichten. De lezer ziet hoe iemand worstelt met het bestaan en hoe hij zich daarover uitspreekt, waar hij bang voor is en wat hij bewondert. Prachtig is bijvoorbeeld ook het gedicht voor Ede Staal ('Ut koalsie, krûd en koper', p. 50) dat fantastisch krachtig begint met
      In stim fan fier en hein, waarmer as it lûd
      wêrmei't fanâlds de wyttrochkrûpte simmer
      knokkelbiddeljend om in middeisoer leafde
      tsjin de doarren fan it noarderhert oanrûn.
en waarin hij de zwakkere kanten niet verbloemt:
      Ferjou him syn bytiden sinters sentiment,
      al tsjotterdûnsjend op in brulloftssankje,
      dizze kielklang hurd en griis as himel-
      getten izer (...).
De gedichten zijn mooi opgebouwd, klankrijk en, ook al is het grijze en grauwe ruim aanwezig, vooral kleurrijk door de vele, vaak landschappelijke, beelden. Die kleurrijkheid wordt versterkt door de afbeeldingen van enkele schilderijen (van Johan Dijkstra, Jan Altink - zie ook omslag - en Hendrik Werkman) waarbij Dam een gedicht schreef.