|
Het is vandaag Witte
Donderdag, in het Spaans Jueves Santo genaamd. Ik ben benieuwd wat de dag
van vandaag mij zal brengen. Al rond acht uur zit ik aan het eenvoudige, maar
toereikende ontbijt en ga daarna de uitgaande route voor morgenochtend
verkennen. Overal waar de processies langs zijn getrokken is de straat bedekt
met een dikke laag kaarsvet. In tijden van regen moet het hier spiegelglad
worden.
Beginnend
vóór de kathedraal, waar straatvegers de sporen van nachtelijke
consumpties verwijderen, zie ik de eerste routeaanwijzing die mij de
Calle García de Vinuesa in stuurt. Vandaar zorgen gestileerde schelpen
en gele pijlen dat ik vrij gemakkelijk de route uit de stad kan vinden.
Overal lopen nog groepjes huiswaarts gaande toeschouwers en in
boetelingskleding gestoken processiegangers rond. De puntmutsen worden
nu nonchalant onder de arm gehouden.
Voordat ik
de Puente Isabel II moet oversteken besluit ik dat ik genoeg heb gezien
en loop langs de Río Guadalquivir in de richting van de Torre del Oro,
de gouden toren, die in het licht van de opgaande zon, inderdaad wel van
goud lijkt te zijn. De temperatuur is uitstekend, iets fris maar
morgenochtend zal dat heerlijk loopweer betekenen. Bij de toren kan ik
maar even van de betrekkelijke rust van de stad en het uitzicht over de
rivier genieten, want daar komen alweer de bussen met voornamelijk
Japanse toeristen aan die allemaal, als een stambeeld staand vóór de
toren, op de foto genomen moeten worden.
Ik loop
verder langs de rivier en door het Park María Luisa bereik ik de Plaza
de España, het middelpunt van een grote handelsbeurs in 1929 die de
handelsbetrekkingen tussen Spanje en de Verenigde Staten moest
bevorderen. Helaas viel deze precies samen met de grote beurskrach van
Wall Street waardoor er van de goede bedoelingen niets terechtkwam. Wel
bleef o.a. een halfrond gebouw met zeer veel imposante tegeltableaus
waarmee de verschillende Spaanse provincies zich presenteerden. Hier is
het nog heerlijk rustig en nauwgezet bestudeer ik met name de tableaus
van de provincies die gedurende de komende weken onder mijn voeten
zullen doorgaan.
 Tegen
half elf meld ik mij bij de kathedraal voor een credencial, dit
is de stempelkaart die toegang geeft tot de speciale pelgrims-herbergen
en die aan het eind van de tocht in Santiago de begeerde compostela
oplevert. Ik had gezien dat hier zeer fraaie stempelkaarten worden
vertrekt. Rond de kathedraal lopen diverse zigeunervrouwen rond met
takjes rozemarijn. Die krijg je als argeloze toerist in je handen
gestopt als ware het een stuk folklore van deze dag en vervolgens
verwacht men er een bijdrage van minimaal één Euro voor, anders staat je
een scheld-tirade te wachten. Menig toerist wordt hiervan het
slachtoffer. Heeft rozemarijn iets met de Goede Week te maken of staan
deze, vaak corpulente dames, hier altijd op deze manier in hun
levensonderhoud te voorzien?
Aan de
achterzijde van de kathedraal is de ingang van het kantoortje van de
stempelkaartverstrekker. Helaas is de priester die deze rol vervult
(nog) niet aanwezig. Bij het hek dat toegang geeft tot het heiligdom van
deze prelaat staan al een Ier en een Italiaanse te wachten. Zij spreekt
Italiaans en Spaans, hij Spaans en natuurlijk Engels en dat is voor mij
derhalve het bruggetje om wat meer van de Italiaanse aan de weet te
komen. Beiden willen vandaag nog vertrekken maar zonder stempelkaart
(hij) of stempel (zij) willen ze geen van beiden starten.
Met behulp
van een toevallig(?) passerende Spaanse oud-caminoganger weten we bij
het toeristenbureau een commerciële stempelkaart resp. stempel te
krijgen en de twee anderen vertrekken derhalve op het heetst van de dag
voor hun Camino. Zelf besluit ik om mijn overbodig geworden jack naar
het hostal terug te brengen en vanmiddag een tweede poging te wagen om
toch zo’n fraai credencial te veroveren.
Nadat
een bocadillo con tortilla (een broodje met een dikke, koude
omelet) mijn inwendige mens tevreden heeft gesteld ga ik weer de stad
in. Het is strak blauw geworden en de temperatuur loopt al behoorlijk
op. Overal zijn activiteiten en wordt er muziek gemaakt. Twee
activiteiten vallen me op: een strijkkwartet dat in een winkelstraat
kamermuziek ten gehore brengt en dat verrassend veel publiek trekt en
een dame die, aan de hand van een beduimelde reproductie, werkt aan een
twee vierkante meter groot borduurwerk met de afbeelding van ‘De school
van Athene’ naar een fresco van Rafaël dat zich bevindt in het Vaticaan.
Zij oogst veel bewondering voor de minuscule borduursteekjes waarmee,
puur op het oog, het enorme doek wordt gevuld. Als voorbeeld fungeert
een veelgeraadpleegde reproductie. Zowel de afbeelding als de kleuren
worden op het oog overgenomen.
Bij de
kathedraal waag ik een tweede poging. Er staan nieuwe mensen bij het hek
doch er is nog steeds geen priester. Via kastjes en muren krijg ik
uiteindelijk de mededeling dat de verantwoordelijke geestelijke tot na
Pasen afwezig is wegens familiebezoek. Daar gaat mijn laatste hoop op
een mooi credencial en enigszins teleurgesteld ga ik de stad weer
in.
Het is
drukker dan gisteren. In afwijking van gisteren zie ik vandaag ook veel
keurig in het zwart gestoken dames lopen met op hun hoofd de
traditionele mantilla. Witte Donderdag is kennelijk wat specialer
dan de woensdag van de Goede Week. Zij vormen een groot contrast met de
soms erg slonzig geklede toeristen. De meeste dames lopen tevens op zeer
hoge hakken hetgeen op de met een soort kinderkopjes geplaveide straten
en trottoirs tot een onelegante, wankele gang aanleiding vormt. Ook zijn
bij een aantal van hen de naveldiepe decolletés en de microlengte van de
rokjes in tegenspraak met de diepere betekenis van Witte Donderdag. Soms
zijn ze vergezeld door kinderen. Deze zijn dan vaak aangekleed als
verkleinde kopieën van de volwassen boetelingen. Ook lopen er opvallend
veel bedelende mensen rond, waarvan er velen volgens mij zonder
problemen aan het werk zouden kunnen gaan.
 
Omdat ik
last heb van een stevige hoofdpijn neem ik enkele uren rust met een
paracetamol en ga rond half vijf weer de stad in. Het aantal
mantilladragende dames is enorm toegenomen en op verschillende plaatsen
zijn processies bezig zich te formeren. Via de lokale televisie wordt
een live-verslag gegeven van de verschillende activiteiten, waartoe op
diverse plaatsen in de stad camera’s staan opgesteld. Ik kijk
belangstellend toe naar het werk van de costaleros, de dragers
die in twee ploegen elkaar aflossen bij het dragen. Met name het in één
ruk optillen van zo’n loeizware draagbaar is een imposant gezicht. De
stevig gebouwde jongemannen hebben meestal een gedrongen postuur en
dragen een soort tulband met een dikke rol in de nek, waarop de
draagbalk van de draagbaar komt te rusten. Nadat ik wat heb rondgelopen
besluit ik om eerst te eten alvorens me weer onder te dompelen in de
folklore van de Semana Santa.

Weer terug
in de drukte kruist de eerste stoet mijn pad. Honderden, dit maal in het
wit geklede boetelingen (waaronder opvallend veel kinderen) lopen vóór
en achter een draagbaar, waarop een levensechte, van pijn kronkelende,
gekruisigde Christus wordt meegedragen.

Ik merk bij
mijzelf een iets andere opstelling tegenover het gebeuren als gisteren.
Enerzijds nog steeds de opwinding van het aanwezig zijn bij iets
bijzonders, anderzijds toch ook de wat afstandelijke, beschouwende
opstelling, waarin verbijstering en terughoudendheid zich afwisselen.
Natuurlijk loop ik met de horde niet stoelgebonden toeschouwers mee van
straat naar straat om de verschillende groepen meermalen te zien
passeren, maar dat komt, merk ik, vooral voort uit het besef dat, nu ik
toch hier ben, ik er net zo goed maximaal van kan profiteren. Wel ben ik
blij dat ik morgenochtend uit dit wereldje kan vertrekken. De stilte en
leegte van het landschap trekt mij beduidend meer dan deze kakofonie van
beelden en geluiden. De drukte van de straat hoopt zich op in mijn hoofd
en dat ervaar ik als onplezierig. Ik besluit om straks, onderweg op mijn
Camino, bewust wat denktijd te besteden aan het effect van kerk, religie
en bijbehorende tradities op mensen.
Het is
inmiddels drukkend warm geworden. De onder de draagbaren verscholen
dragers worden dan ook regelmatig afgelost. Dat is nodig omdat sommige
groepen, uit en thuis vanuit de eigen kerk gerekend, wel tot acht uur
over de tocht doen. Het aflossen van de dragers gebeurt op vooraf
overeengekomen plaatsen en dat levert daar een extra hoeveelheid
toeschouwers op.
Als
ik bij de Giralda, de van oorsprong Moorse klokkentoren, bij de
kathedraal sta vindt een dergelijke wissel voor mijn neus plaats. Als de
draagbaar op de poten staat, ploppen er zo’n twintig breedgebouwde
Jerommekes vanonder het zijdoek te voorschijn en vanuit de menigte
verschijnen er twintig verse krachten die hun plaats onder het gevaarte
innemen. Op het commando met de deurklopper wordt in één ruk het
gevaarte zo’n halve meter opgetild en na een tweede commando wordt weer
de wat zwiepende, voortgaande beweging ingezet. Het applaus van de
toeschouwers vormt hun dank voor het geboden schouwspel.
Verder valt
mij op dat in het begin van de avond ook de reacties van de toeschouwers
nog wat afstandelijk zijn; eten en drinken is nog veel belangrijker.
Later op de avond nemen de emoties echter hand over hand toe.
Ik realiseer
me opeens dat ik vergeten ben om voor morgen wat eten en drinken in te
slaan. Helaas, alle winkels zijn al dicht. Dat betekent morgen naar
chloor smakend water meenemen en hopelijk in het eerstvolgende plaatsje
wat bananen inslaan.
Gedurende
enkele uren laat ik mij, ingesloten in een dichte menigte, van plaats
naar plaats leiden. Telkens is er weer (een stuk van) een of andere
processie te zien. Daarbij zie ik ook onbedoeld veel nieuwe stukken van
Sevilla en heb vaak geen idee waar ik ben. Onverwacht kom ik weer in de
Calle Sierpes aan en loop dwars door een groep boetelingen naar mijn
hostal. Ik heb het wel gehad en geniet op het dakterras zittend van de
ondergaande avondzon met op de achtergrond de geluiden van de
voorbijtrekkende groepen, af en toe onderbroken door het applaus van de
toeschouwers.
Gistermiddag
(toen pas?, het lijkt al wel eeuwen geleden) sprak ik een Deense
toeriste die al genoeg had van het gebeuren. “Eén groep gezien, alles
gezien” zei ze. Toen kon ik het mij niet voorstellen, nu wel! Morgen
gaat mijn tocht echt beginnen, dit alles - hoe bijzonder ook - is alleen
voorspel. Het lopen, daar gaat het om.
Zwaluwen
scheren rakelings over mijn hoofd in hun pogingen om insecten te vangen.
Horen deze niet hoger te vliegen? Wat betekent dit voor het weer van
morgen? Onderwijl luister ik via mijn iPod naar Bach’s Matheus passie en
kom zo in een beter bij mijn idee van Pasen passende stemming. Ik voel
me een koele calvinistische noorderling tussen honderdduizenden
warmbloedige zuiderlingen.
Tegen tien
uur zoek ik mijn bed op. Alle bedden zijn belegd met bagage alhoewel er
nog niemand is. Redelijk geslapen tot één uur als de eerste kamergenoot
arriveert. Deze zoekt in alle rust zijn bed op. Een uur later komen de
andere drie een voor een de kamer binnen. Een (dom) blondje doet
plotsklaps het grote licht aan. Ze is op zoek naar haar telefoon.
Gelukkig heb ik ook een schakelaar van het grote licht boven mijn hoofd
en verijdel tot tweemaal toe dit asociaal gedrag. Dan dringt het ook tot
haar door dat er andere mensen zijn die al liggen te slapen (of althans
pogingen daartoe doen). Het checken van de sms-jes en het laden van de
GSM gebeurt vervolgens in het licht van een zaklantaarn. Dit is ook een
vorm van verslaving!
De hele
nacht passeren de processies. Steeds weer hard getrommel, schelle bugels
en applaus van de toeschouwers. Tussendoor doe ik mijn hazenslaapjes en
hoop zo toch voldoende uitgerust te zijn voor de eerste etappe van
morgen.
 |