|
Traditiegetrouw zijn Claudine en Marcel al om zes uur actief. Ik wacht nog een
tijdje maar om half zeven rol ik uit bed en om kwart voor zeven ben ook ik
onderweg. Mijn linkerschoen heb ik zorgvuldig vastgemaakt want mijn voet is, als
ik erop sta, behoorlijk pijnlijk. De bar El Peregrino is gelukkig open en de
koffie en de in de olie gebakken stukjes stokbrood bijna klaar. Een vreemd
ontbijt, behoorlijk vette stukjes brood met jam, maar ik kan me voorstellen dat
je er vele kilometers op kunt lopen.
Dan
roept de weg, een weg die bestaat uit een leeg stenig voetpad. De vogels
fluiten uitbundig en vooral de leeuwerik maakt er, met zijn zang en dans
boven de rijk begroeide en bloeiende velden, een hele voorstelling van.
Het lijnenspel van de tot de horizon reikende ploegvoren is bijna
hypnotisch. Dan verdwijnt de zichtbare aanwezigheid van de mens uit het
landschap en loop ik tussen ongerepte natuur.
Bij
een splitsing is er even onzekerheid over hoe nu verder. Jacobus laat
uit onvrede met mijn gedrag van gisteren geen pijl meer zien, dus moet
ik de meest logische keuze maken; het kompas is hierbij geen hulp. Ik
merk dat, als ik niet helemaal zeker van de weg ben zoals nu, ik steeds
sneller ga lopen. Des te eerder komt er dan een eind aan de onzekerheid.
Dat is natuurlijk negens voor nodig en je reinste struisvogelpolitiek,
maar ach, zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Na enige tijd neemt de zon
weer zijn vertrouwde plaats achter me in. Ik loop nu immers naar het
westen, ik zit op de goede weg. Het is weer even wennen, want de
afgelopen weken stond de zon ’s ochtends steeds rechts van me.
Langs de weg staat ook weer een overvloed aan rijkbloeiende en geurende
cistusstruiken. Het is een onvermoeibare bloeier die zich bijna als een
plaag verspreidt en zich overal vestigt waar de omstandigheden geschikt
zijn en dat is zo te zien op zeer veel plaatsen. Ik zal wat zaad te
pakken proberen te krijgen om te zien of ze ook op de Veluwe gedijt.
 
Hoog bovenlangs de helling lopend, heb ik een mooi uitzicht over het
stuwmeer en de manier waarop de opkomende zon het bewegingloze water en
de achterliggende helling met licht en schaduw tekent. Na een lastige
afdaling krijg ik de brug over de Río Esla in zicht. Zo te zien begint
hier het stuwmeer. Links een breed uitlopend stroomgebied en rechts,
achter de brug, de smalle rivier die zich hier tussen twee rotspunten
doorwerkt.
Direct nadat ik de brug over ben moet ik linksaf een klein paadje op.
Paadje is zelfs nog een overdreven uitdrukking voor het eerste stuk.
Veel geklauter over rotsformaties en voorzichtig balancerend over een
nog geen veertig centimeter breed, schuin lopende strook aarde. Langs
een afgrond, waarbij mijn rugzak onder invloed van te passeren struiken,
verwoede pogingen doet om me uit balans te brengen. Gelukkig is het al
enige dagen droog, maar je moet er niet aan denken om dit ten tijde van
regen, mist of nog erger te moeten doen. Volslagen onbegaanbaar. In dat
geval roept de weg die op een veel gemakkelijker, maar aanmerkelijk
minder mooie en spannende manier naar de volgende bestemming voert.
  
 
Opeens trekken enkele roze-rode
vlekken rechts tussen het groen mijn aandacht. Het blijken enkele
geïsoleerd staande bloeiende pioenrozen te zijn. Hoe zijn die hier in
dit geheel ongecultiveerde gebied gekomen? Het zullen de eerste én de
laatste zijn. Slechts een tiental planten tel ik. Nadat ik er een paar
fotografisch heb vereeuwigd ga ik verder.
Voorzichtig zoek ik mijn weg langs de helling, mijn aandacht verdelend
tussen waar ik mijn voeten zet, de natuur langs het pad en het
schitterende uitzicht dat ik vanaf hier heb over het stuwmeer. Mijn stok
is hierbij goud waard.
De
blaar onder mijn rechtervoet laat nadrukkelijk van zijn bestaan weten.
Negeren maar, gewoon doorlopen, want verandering van loopgewoonte kan
elders weer nieuwe problemen opleveren. Het pad is mooi maar vermoeiend.
Ik ben dan ook blij als het omhoog voert en ik na een stevige klim
uitkom op een tientallen meters hoger gelegen plateau vanwaar een wijds
panorama wordt geboden.
Naast de ruïne van een oude schuur neem ik geruime tijd rust, eet en
drink wat en geniet van de stilte en het uitzicht. De weg gaat verder
door een mooi bos met steeneiken, dan kom ik op het dunner beboste
terrein van finca Val de la Rosa, dat tenslotte overgaat in een
vrijwel leeg landschap met eindeloze mesetawegen en horizonvervuilende
windmolens op de bergrug in de verte.
 
Zorgvuldig lettend op het nemen van regelmatige rustpauzes in de
schaduw, want de zon brandt behoorlijk, bereik ik tenslotte het dorpje
Faramontanos de Tábara, de eerste bewoonde plaats na ruim twintig
kilometer lopen. In de bar trakteer ik mezelf op een heerlijke koude
vruchtensap. Daar tref ik ook Claudine en Marcel weer aan die vanochtend
ruim voor me zijn vertrokken. Loop ik dan toch nog zo snel?
Lekker uitgerust maak ik een aanvang met de laatste 7,5 kilometer van
vandaag. Nog steeds voert de weg me door eikenbossen. Sporadisch staan
er nu huizen langs de weg en de daar aanwezige honden maken als ik
passeer een hevig kabaal. In één geval staan er twee vervaarlijk
uitziende beesten op de weg me op te wachten. Goede raad is duur, want
bij een aanval van twee kanten heb je aan één stok niet veel. Ik besluit
tot de aanval. Met enkele stenen, die in ruime mate op de weg voorhanden
zijn, jaag ik de honden weer hun eigen terrein op. Als ze me dreigen
achterop te komen, is het maken van werpbewegingen voldoende om ze te
laten terugdeinzen. Vlak bij mijn bestemming heb ik de keuze voor een
omweg over de gewone weg of het volgen van het officiële caminopad. Ik
kies voor het laatste doch een over het veld stromende beek kruist mijn
pad. De erin liggende stapstenen zijn volstrekt onvoldoende voor een
droge oversteek, dus sloop ik gedeeltelijk het zorgvuldig gestapelde
muurtje van het naastliggende terrein - sorry boer - en maak een eigen
dam. Zo bereik ik met droge schoenen de overzijde en na mij zullen ook
de anderen er dankbaar gebruik van maken.
 
Het
is ongeveer één uur als ik in Tábara de plaatselijke bar La Palacio
betreed en geniet van mijn welverdiende clara met begeleidend
hapje. Dan volgt de uitleg van de baas waar ik de herberg kan vinden.
Het is even zoeken. Steeds verder loop ik het dorp uit. Is dit wel . . .
ja, dit is goed, want helemaal op het uiterste randje, ver verwijderd
van de bebouwing, staat een gebouwtje dat blijkens de tekst op het A4tje
naast de deur de herberg is. Nu de sleutel nog die ik weer een paar
honderd meter terug in het dorp in ontvangst mag nemen. Eindelijk een
douche en een bed. Ik heb me goed en wel geïnstalleerd als Claudine,
Marcel en Alan arriveren en wat later in de middag zijn alle veertien
bedden bezet. Martin, een kleine Duitser op leeftijd die als laatste
binnenkomt, verkiest de dan resterende matras op de grond te laten voor
wat die is en gaat naar het hostal even verder langs de grote weg.
Helaas, de douche moet ik laten voor wat hij is, want in het gebouw is
geen warm water en niemand slaagt erin om de boiler aan de praat te
krijgen. Rond half drie ga ik met Alan terug naar de bar voor een
verrassingsmaaltijd, want eigenlijk worden er daar geen maaltijden
geserveerd. Na wat activiteit in het kleine keukentje komt het: eerst
een maaltijdsalade gevolgd door een groot stuk warme tortilla,
dan een schaal met vleesballen en tot slot een bord vol met
reuzenmosselen. Daarbij wordt royaal wijn geschonken. We zijn zeer
voldaan, zeker ook door de prijs die erg meevalt.
De
rest van de middag wordt besteed met luieren om de maaltijd op een
verantwoorde manier te verteren. Ook krijgt mijn voet de nodige
aandacht. Met een naald probeer ik de blaar te perforeren, want ik heb
de indruk dat de druk van het blaarvocht voor de pijn zorgt. Door de
dikke eeltlaag zie ik echter geen kans voldoende te draineren, alhoewel
mijn voetzool er inmiddels uitziet als een veelvuldig gebruikt
speldenkussen.
Onder invloed van de blaar onder mijn voet heb ik vandaag weer enige
tijd over ‘pijn’ lopen filosoferen. Pijn is geen pijn zolang je het kunt
negeren. Pas wanneer het onverbiddelijk op de voorgrond treedt,
voortdurend je aandacht vraagt, is het echt pijn. Anders is het slechts
een ‘hinderlijk iets’. Verdriet is ook een vorm van pijn, zeker als het
is om iets in de directe omgeving. Voor deze soort pijn is geen
chemische pijnstiller beschikbaar, daar helpt alleen gemeend
intermenselijk contact. Een blaar onder je voet kan daarentegen echte,
niet te negeren pijn veroorzaken. Al lopend krijg je elke keer een
pijnimpuls, afhankelijk op welke voet je gewicht drukt. Het is een
ritmisch optredende pijn die aanvankelijk goed genegeerd kan worden,
maar die - zoals ik merkte - als de vermoeidheid toeneemt, steeds
nadrukkelijker op de voorgrond treedt. Het lijkt alsof de pijn erger
wordt maar dat is natuurlijk niet zo, je mentale en fysieke weerstand
neemt af. De pijn wint de strijd om de aandacht.
Nadat er iemand langs is gekomen om de boiler weer aan de praat te
brengen probeer ik de douche. Helaas, het duurt toch wel erg lang
voordat zo’n groot vat met water is opgewarmd. Ik had twee minuten warm
water en daarna werd het weer behoorlijk koud, brrrrr. Aan het eind van
de middag doe ik samen met de Spaanse vrouwen aan het grote wasbassin
buiten de herberg de was. Vervolgens ligt deze op het grasveld te
drogen. Vanuit het noordwesten verschijnen er wolken. Zouden we morgen
ander weer krijgen?
  
In
een supermarktje doe ik wat inkopen voor vanavond en voor morgen. Op het
grasveld voor de herberg ontstaat in de loop van de avond een gezellige
picknick door hen die niet in de bar eten. De vier die daar ’s avond
hebben gegeten, komen opgetogen terug: “Hij bleef maar schotels met eten
aandragen! Geweldig”. Vanwege de behoorlijke daling van de temperatuur
gedurende de nacht slaap ik in mijn slaapzak onder een extra deken.
 |